ECLI:NL:RBZWB:2026:226

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
BRE - 24/5730, 24/5731, 24/7689, 24/7690, 24/7701 en 24/7702
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArt. 8:42 AwbArt. 34b Wet OBArt. 34c Wet OBArt. 35d Wet OB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslagen omzetbelasting, inkomstenbelasting en boetes over 2019 en 2020

Belanghebbende voerde een eenmanszaak in ICT-management en werd geconfronteerd met naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB), aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2019 en 2020, inclusief boetes en belastingrente. De inspecteur stelde naheffingsaanslagen en boetes op basis van een boekenonderzoek en derdenonderzoeken vast, waarbij onder meer het gebruik van mobiele bundels en de fiscale administratie centraal stonden.

De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag OB 2019 te hoog was vastgesteld en verminderde deze, inclusief de boete en belastingrente. De naheffingsaanslag OB 2020 en overige aanslagen IB/PVV en Zvw bleven in stand. De rechtbank stelde vast dat belanghebbende bewust te weinig belasting had aangegeven, wat leidde tot het opleggen van vergrijpboetes, die vanwege overschrijding van de redelijke termijn werden gematigd.

Verder werd vastgesteld dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de kosten voor mobiele bundels en overige kosten aftrekbaar waren. De rechtbank wees het beroep op niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de Zvw 2019 af en kende belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Het griffierecht werd aan belanghebbende vergoed.

Uitkomst: De naheffingsaanslag OB 2019 wordt verminderd en boetes gematigd, overige aanslagen en boetes blijven in stand, en immateriële schadevergoeding wordt toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/5730, 24/5731, 24/7689, 24/7690, 24/7701 en 24/7702
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 21 januari 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 5 juli 2024, 18 juli 2024, 30 oktober 2024 en 31 oktober 2024.
1.1.
De inspecteur heeft over de tijdvakken gelegen in de perioden 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 (2019) en 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 (2020) naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) aan belanghebbende opgelegd. De inspecteur heeft voor de jaren 2019 en 2020 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) aan belanghebbende opgelegd. Bij de naheffingsaanslagen OB 2019 en 2020 en de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 heeft de inspecteur ook boetes aan belanghebbende opgelegd (de boetebeschikkingen). Verder heeft de inspecteur bij de naheffingsaanslagen OB 2019 en 2020 en de aanslag IB/PVV 2019 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht en bij de aanslag IB/PVV 2020 belastingrente aan belanghebbende vergoed (de belastingrentebeschikkingen). Het voorgaande kan als volgt worden samengevat:
Zaaknr.
Jaar
Soort
Dagtekening
Aanslagnummer
Belasting
Boete
Rente
24/5731
2019
OB
26-10-2023
[BSN] .F.02.9501
€ 28.870
€ 14.435
€ 4.278
24/7689
2019
IB/PVV
13-10-2023
[BSN] .H.96.01
€ 67.115
€ 23.424
€ 6.278
24/7701
2019
Zvw
13-10-2023
[BSN] .W.96.01.4
€ 3.187
-
-
24/5730
2020
OB
26-10-2023
[BSN] .F.02.0501
€ 25.868
€ 12.934
€ 3.142
24/7690
2020
IB/PVV
17-11-2023
[BSN] .H.06.01
€ 40.759
-
€ 50 ontv.
24/7702
2020
Zvw
17-11-2023
[BSN] .W.06.01.4
€ 712
-
-
1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag OB 2019, de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020, en de aanslag Zvw 2020 en alle bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen ongegrond verklaard. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag Zvw 2019 niet-ontvankelijk verklaard vanwege gebrek aan belang.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag OB 2020 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikking gegrond verklaard, de naheffingsaanslag OB 2020 verminderd tot € 25.437, de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en de boete bij de naheffingsaanslag OB 2020 verminderd tot € 12.718.
1.4.
De rechtbank heeft de zaken op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Gelijktijdig zijn ook de zaken van belanghebbende met 22/1764, 22/2096, 22/5536, 23/1899 tot en met 23/1903, 25/1402 en 25/1403, en de zaken van [persoon 1] , de echtgenote van belanghebbende, met nummers 23/11555 tot en met 23/11558 behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens de inspecteur [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] , [inspecteur 5] , [inspecteur 6] en [inspecteur 7] . Van hetgeen ter zitting is besproken is één proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal wordt gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen verzonden.
1.5.
Namens belanghebbende is niemand ter zitting verschenen. De griffier heeft op 11 augustus 2025 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende voor de onderhavige zaken is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 11 augustus 2025 heeft ontvangen. [1] De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. De rechtbank leidt overigens uit het verdagingsverzoek van belanghebbende (zie 4.1) af dat belanghebbende op de hoogte was van de zitting en dat hij ervoor heeft gekozen om bij afwijzing van het verdagingsverzoek niet ter zitting te verschijnen. De zitting heeft daarom plaatsgevonden zonder de aanwezigheid van belanghebbende.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslagen OB 2019 en 2020 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Verder beoordeelt de rechtbank of de aanslagen IB/PVV en Zvw 2019 [2] en 2020, de bijbehorende belastingrentebeschikkingen en de boete bij de aanslag IB/PVV 2019 niet te hoog zijn vastgesteld. De rechtbank beoordeelt de geschilpunten aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de naheffingsaanslagen OB 2020 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen terecht en niet te hoog vastgesteld. De naheffingsaanslag OB 2019, de aanslag IB/PVV 2019 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikking zijn naar het oordeel van de rechtbank wel te hoog vastgesteld en moeten worden verminderd. De aanslag IB/PVV 2020, de aanslagen Zvw 2019 en 2020 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet te hoog vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende drijft in de jaren 2019 en 2020 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak met de [handelsnaam] . De activiteiten bestaan uit interim ICT management & consultancy opdrachten in het SAP/ICT applicatiedomein. Op 30 april 2023 is de onderneming opgeheven.
3.1.
In 2019 heeft belanghebbende door tussenkomst van [bedrijf 1] tot medio 2019 werkzaamheden verricht bij [bedrijf 2] . Belanghebbende verrichtte zijn werkzaamheden op basis van een vooraf overeengekomen uurtarief en factureerde deze werkzaamheden meestal per periode van twee weken aan [bedrijf 1] .
3.2.
In de tweede helft van 2019 en in 2020 heeft belanghebbende door tussenkomst van [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ) werkzaamheden verricht bij [bedrijf 4] . Belanghebbende verrichtte zijn werkzaamheden op basis van een vooraf overeengekomen uurtarief en factureerde deze werkzaamheden meestal per periode van vier weken aan [bedrijf 3] .
3.3.
Belanghebbende maakte tot medio 2019 gebruik van de diensten van [bedrijf 5] B.V., vertegenwoordigd door de heer [persoon 2] , voor het voeren van de financiële administratie en het indienen van de aangiften OB. De financiële administratie werd door [bedrijf 5] B.V. samengesteld op basis van primaire bescheiden die door belanghebbende werden aangeleverd, waaronder de door belanghebbende opgemaakte facturen.
3.4.
Na 1 juli 2019 is er geen administratiekantoor meer betrokken bij de onderneming van belanghebbende. Belanghebbende voert vanaf dat moment zelf een administratie met behulp van Microsoft Excel.
3.5.
De financiële administratie zoals die in opdracht van belanghebbende en op basis van de door hem aangeleverde in- en verkoopfacturen is samengesteld door [bedrijf 5] B.V. en de administratie zoals door belanghebbende is opgemaakt in Microsoft Excel worden hierna beide aangeduid als de primaire administratie.
3.6.
Tot en met september 2020 deed belanghebbende kwartaalaangiften voor de omzetbelasting. Vanaf oktober 2020 doet belanghebbende maandaangiften voor de omzetbelasting. De heer [persoon 2] heeft de aangiften OB voor het eerste en tweede kwartaal van 2019 namens belanghebbende ingediend. Daarna heeft belanghebbende steeds zelf de aangiften OB – op basis van de primaire administratie – ingediend. Voor het tijdvak oktober 2020 heeft belanghebbende ook een suppletieaangifte OB ingediend.
3.7.
Belanghebbende heeft – op basis van de primaire administratie – zelf de aangiften IB/PVV 2019 en 2020 ingediend. De aangifte IB/PVV 2019 is ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.059, bestaande uit belastbare winst uit onderneming van € 76.383, hypotheekrenteaftrek van € 20.379 en premieaftrek van € 945. De aangifte IB/PVV 2020 is ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 98.173, bestaande uit een loon van € 38.257, een uitkering van € 5.897, belastbare winst uit onderneming van € 75.519, hypotheekrenteaftrek van € 19.065 en premieaftrek van € 2.435.
3.8.
De inspecteur heeft bij brief van 16 december 2020 een onderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting voor de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 oktober 2020. Het onderzoek is bij brief van 19 februari 2021 uitgebreid met de tijdvakken gelegen in de periode 1 november 2020 tot en met 31 december 2020.
3.9.
De inspecteur heeft bij brief van 13 april 2021 een boekenonderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangifte IB/PVV 2019. Het onderzoek is bij brief van 16 mei 2023 uitgebreid naar de aangifte IB/PVV 2020.
3.10.
In het voorjaar van 2022 heeft belanghebbende het kantoor [adviesbureau] aangezocht om de financiële administratie van zijn eenmanszaak over de periode van 1 juli 2019 tot en met 1 juli 2021 opnieuw op te zetten.
3.11.
Op 11 mei 2022 heeft [adviesbureau] een eerste versie van de nieuw opgezette financiële administratie over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 aangeleverd bij de inspecteur. Op 2 juni 2022 heeft [adviesbureau] een tweede versie van de nieuw opgezette financiële administratie over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 aangeleverd bij de inspecteur.
3.12.
De inspecteur heeft de bevindingen van de boekenonderzoeken vastgelegd in een controlerapport met dagtekening 30 augustus 2023. In het controlerapport staat – voor zover hier van belang en met weglating van voetnoten – het volgende vermeld:
3.1 Mobiele Bundel
Uit het onderzoek is gebleken dat de heer [belanghebbende] in de jaren 2019 en 2020 een onbekend aantal – maar minimaal 75 – abonnementen voor mobiele telefonie heeft afgesloten, en daarbij telkens per abonnement o.b.v. financiering een smartphone heeft aangeschaft (meestens type Apple Iphone 11 pro of Iphone 11 pro max). Het betreft zgn. abonnementen voor mobiele bundels.
De mobiele-bundel-abonnementen, enkel de kosten, maken een wezenlijk deel uit van de door de heer [belanghebbende] gevoerde primaire administratie m.b.t. zijn onderneming, en de ingediende aangifte voor de inkomstenbelasting 2019, als ook de aangiften voor de omzetbelasting die in dit onderzoek zijn betrokken.
(…)
Direct na het afsluiten van de abonnementen voor mobiele bundels, zijn de bijbehorende smartphones door de telecomproviders uitgeleverd aan de heer [belanghebbende] .
Een derdenonderzoek bij KPN heeft uitgewezen dat deze telecomprovider in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 tenminste 134 facturen heeft uitgereikt aan de heer [belanghebbende] . Uit deze facturen blijken 53 verschillende abonnementen inzake mobiele bundels (53 verschillende mobiele telefoonnummers).
Tijdens het onderzoek heeft de heer [belanghebbende] gegevens en inlichtingen verschaft – m.n. enige bescheiden van T-Mobile en Vodafone – waaruit blijkt dat er door hem:
  • Tenminste 14 abonnementen voor mobiele bundels zijn afgesloten bij T-Mobile.
  • Tenminste 8 abonnementen voor mobiele bundels zijn afgesloten bij Vodafone.
Hetgeen betekent dat er tenminste 75 (53 + 14 + 8) mobiele bundels door de heer [belanghebbende] moeten zijn aangeschaft.”
En:
Verkopen toestellen / abonnementen
(…)
In de brief van 30 september 2021 – ontvangen op 1 oktober 2021 via FT Advocaten / de heer mr. Berns – geeft de heer [belanghebbende] een toelichting op het kasoverzicht. In deze brief verklaart de heer [belanghebbende] inzake de mobiele bundels o.a. het volgende:
“…Aan deze omzet liggen géén verkoopfacturen ten grondslag, omdat de telefoons aan diverse particulieren onderhands zijn verkocht en deels ook zijn geschonken aan vrienden en familie van mijn echtgenote in de Oekraïne…”
“…Overigens zijn de telefoons zonder sim-card vervreemd…”
(…)
“…Omdat niet exact meer per toestel de verkoopprijs voorhanden is, is in de BTW januari 2021 aangifte als verkoop 100% van de inkoopprijs aangehouden. Dit ondanks dat de verkoop van de toestellen veelal 10-20% lager was of nihil in geval van bovenvermelde schenking…”
En:
3.1.1 Beschouwing
Uit verklaring van de heer [belanghebbende] inzake de aanschaf van mobiele bundels blijkt duidelijk dat hiervoor slechts één reden heeft bestaan: het voorzien in zijn behoefte aan liquide middelen op de zeer korte termijn.
(…)
Met verbruikskosten – bellen, gebruik mobiele data – hoeft geen rekening gehouden te worden. De heer [belanghebbende] heeft verklaard dat de toestellen door hem niet zijn gebruikt, en ook dat de toestellen door hem zijn vervreemd zonder bijbehorende sim-cards. De KPN-facturen die zijn verkregen uit het derdenonderzoek bevestigen deze lezing van de heer [belanghebbende] . Op de 134 overgelegde facturen staat in verhouding een verwaarloosbaar bedrag aan gebruikskosten.
(…)
Bij de wetenschap dat tenminste 75 contracten voor mobiele bundels door de heer [belanghebbende] zijn afgesloten, en het uitgangspunt dat de bruto kostprijs per bundel circa 1.713,87 euro is geweest, is de volgende opstelling opgemaakt (75 x 1.015,87 = 76.190,25 | 75 x 1.713,87 = 128.540,25 bruto).
Netto
Omzetbelastin
Bruto
Opbrengst verkoop toestellen
€ 62.967,15
€ 13.223,10
€ 76.190,25
59%
Kostprijs mobiele bundels
€ 106.231,61
€ 22.308,64
€ 128.540,25
100%
Resultaat
€ -43.264,46
€ -9.085,54
€ -52.350,00
-41%
De vergelijking laat zien dat – bij het uitgangspunt van de heer [belanghebbende] dat de in- en verkoopprijs voor de mobieltjes gelijk zijn aan elkaar – bij het sluiten van de bundelcontracten het voorzienbaar was dat er zeer forse verliezen (circa 41% per bundel) zouden ontstaan. Hierbij is nog geen rekening gehouden met de stelling van de heer [belanghebbende] dat de daadwerkelijk gerealiseerde verkoopprijs zelfs 10% tot 20% beneden de aanschafwaarde lag.”
En:
5.1 Fiscale resultatenrekening 2019
5.1.1
Omzet – conclusie 2019
  • De omzet die blijkt uit de resultatenrekening zoals opgenomen in de aangifte IB 2019 is: 144.211 euro.
  • De omzet – voor de inkomstenbelasting – over het jaar 2019 die blijkt uit het ingestelde boekenonderzoek is: 224.969,55 euro.
  • De correctie aan omzet voor de inkomstenbelasting is: 80.758,55 euro (zie paragraaf 5.1.2).”
En:
5.1.3 Opbrengsten via KNAB-bank 2019 (aansluiting)
In het jaar 2019 hebben de opdrachtgevers van de heer [belanghebbende] , o.b.v. de door hem verstrekte facturen 278.285,81 euro overgemaakt naar de rekening bij de KNAB-bank.
Onderstaande tabel toont de aansluiting van het per bank ontvangen bedrag, met de door de heer [belanghebbende] in 2019 bruto gefactureerde omzet.
Gefactureerde bruto omzet 2019 (paragraaf 5.1.1)
€ 299.234,82
Correctie factuur [factuurnummer 1]
€ 19.619,57
Correctie factuur [factuurnummer 2]
€ 3.853,84
Correctie factuur [factuurnummer 3]
€ 3.548,32
Per 31-12-2019 nog te betalen creditfactuur [factuurnummer 4] cred
€ -6.072,72
-/-
€ 278.285,81
Ontvangen per bank aan omzet over 2019
€ 278.285,81
Aansluitingsverschil
€ -
Aansluiting bij de netto-omzet:
 ((278.285,81 / 121)
((278.285,81 / 121) x 100) -/- 5.018,78 (creditfactuur [factuurnummer 4] cred) = € 224.969,49 euro netto.”
En:
5.1.6 Verklaring omzetcorrectie 2019
In paragraaf 5.1.2 is vastgesteld dat de op de aangifte IB 2019 verantwoorde omzet moet worden bijgesteld met 80.758,55 euro.
In de volgende tabel staan de facturen genoemd die ten grondslag aan dit verschil.
Factuurnr.
Fact. Datum
Netto
Omzetbelasting
Bruto
1.
[factuurnummer 5]
17-6-2019
€ 20.268,15
€ 4.256,31
€ 24.524,46
2.
[factuurnummer 6]
1-10-2019
€ 18.740,40
€ 3.935,48
€ 22.675,88
3.
[factuurnummer 7]
1-1-2020
€ 12.934,00
€ 2.716,14
€ 15.650,14
+
A.
Correctie niet op aangifte vermelde omzet
€ 51.942,55
€ 10.907,93
€ 62.850,48
4.
[factuurnummer 8] cred
30-6-2019
€ -17.213,50
€ -3.614,83
€ -20.828,33
5.
[factuurnummer 9] cred
30-9-2019
€ -11.641,50
€ -2.444,71
€ -14.086,21
+
B.
Correctie nimmer uitgereikte creditfacturen
€ -28.855,00
€ -6.059,54
€ -34.914,54
Correctie niet op aangifte vermelde omzet
€ 51.942,55
€ 10.907,93
Correctie nimmer uitgereikte creditfacturen
€ -28.855,00
€ -6.059,54
Totale correctie
€ 80.797,55
€ 16.967,47
Totale omzet overige facturen 2019
€ 144.172,00
Totale omzet vermeld op aangifte IB 2019
€ 144.211,00
-/-
Afrondingsverschil
€ -39,00
Voor de facturen genoemd bij de nummer 1, 2 en 3 geldt dat deze buiten de te verantwoorde omzet over het jaar 2019 zijn gelaten. Dat geldt niet alleen voor de aangifte IB 2019, maar ook voor de aangiften voor de omzetbelasting.
De creditfacturen (nummers 4 en 5) zijn nimmer uitgereikt aan [bedrijf 1] , en hebben op onjuiste gronden onderdeel uitgemaakt van de op de aangiften verantwoorde omzet. Dat geldt zowel voor de inkomstenbelasting als de omzetbelasting.
Verklaring afrondingsverschil: Uit de primaire administratie blijkt een over 2019 gefactureerde omzet van 144.171,96 euro. De omzet die blijkt uit de aangifte IB 2019 is 144.211 euro. Het verschil tussen de bedragen is 39,04 euro (144.211 -/- 144.171,96). Bij benadering de verklaring voor het afrondingsverschil dat blijkt uit voorstaande tabel.”
En:
5.1.7 Kosten 2019
(…)
De totale kosten die in 2019 zijn geboekt in de primaire financiële administratie van de heer [belanghebbende] bedragen:
17.944,68 + 45.141,03 = 63.085,71 euro
Uit de nadien door [adviesbureau] opnieuw opgemaakte financiële administratie over heel 2019, blijkt een totaal bedrag aan kosten (incl. rente) over het jaar 2019 van € 39.768,38 euro.
Het verschil tussen het bedrag aan kosten volgens de aangifte IB 2019 en de door [adviesbureau] opgezette administratie is 26.519,62 euro (66.288 -/- 39.768,38).”
En:
5.2 Resultatenrekening 2020
5.2.1
Omzet – conclusie 2020
  • De omzet die blijkt uit de resultatenrekening zoals opgenomen in de aangifte IB 2020 is: 109.578 euro.
  • De omzet die blijkt uit het ingestelde boekenonderzoek is: 112.923,67 euro.
  • De correctie aan omzet is 3.345,67 euro.”
En:
5.2.2 Omzet IB 2020
(…)
Voor wat betreft de bepaling van de omzet heeft [adviesbureau] rekening gehouden met 3.345,86 euro i.v.m. betalingen door de heer [belanghebbende] inzake creditfactuur [factuurnummer 4] cred.
Deze creditfactuur is op 4 juni 2019 door de heer [belanghebbende] uitgereikt aan [bedrijf 1] . De creditfactuur maakt onderdeel uit van de omzet die over 2019 fiscaal verantwoord moet worden (zie ook tabel in paragraaf 5.1.1). Het mag zijn dat door de heer [belanghebbende] eerst in 2020 betalingen zijn verricht op basis van deze factuur, doch dat betekent niet dat factuur [factuurnummer 4] cred van betekenis is voor bepaling van de omzet voor het jaar 2020.
De op aangifte IB 2020 verantwoorde omzet wordt dan ook gecorrigeerd met 3.345,86 euro.”
En:
5.2.4. Privégebruik auto 2020
(…) Bij het doen van de aangifte IB 2020 is rekening gehouden met een bedrag aan bijtelling wegens privégebruik van 17.902 (…). Door [bedrijf 3] is bij de verloning aan de heer [belanghebbende] in 2020 rekening gehouden met 5.271 euro aan loon wegens privégebruik auto.
Het voorgaande betekent dat het bedrag wegens bijtelling van de auto zoals meegenomen in de resultatenrekening, te hoog is. Op dit bedrag – 17.902 euro – wordt gecorrigeerd het bedrag wegens privégebruik auto dat is verloond door [bedrijf 3] . Aldus resteert 12.631 euro (17.902 -/- 5.271).”
En:
5.3 Kosten 2020
Op de aangifte IB 2020 is in totaal het bedrag aan kosten verwerkt van 33.175 euro.
Het totaalbedrag aan kosten dat blijkt uit de financiële administratie zoals opgemaakt door [adviesbureau] bedraagt 35.775,63 euro (…). In dit bedrag zijn begrepen 2.197 euro aan omzetbelasting wegens privégebruik auto (geen kosten) en 632 euro aan verkeersboeten (niet aftrekbare kosten). Aldus is het bedrag aan kosten dat blijkt uit de financiële administratie 32.946,63 euro (35.775,63 -/- 2.197 -/- 632).
Het voorgaande betekent dat op aangifte 228,37 euro meer aan kosten staat vermeld dan blijkt uit de financiële administratie (33.175 -/- 32.946,63).”
En:
8.2 Omzetbelasting 2019
(…)
8.2.3
Omzet 2019
  • Het totaalbedrag door de heer [belanghebbende] in 2019 gefactureerde omzet – voor de omzetbelasting: zie ook paragraaf 5.1.1 – is bij dit onderzoek vastgesteld op 247.301,57 euro.
  • De volledige omzet is belast tegen het algemene tarief voor de omzetbelasting.
  • Uit de ingediende aangiften blijkt een belaste omzet van 144.162 euro. Dit betekent dat 103.139,57 euro aan belaste omzet die in het jaar 2019 is gerealiseerd door de heer [belanghebbende] niet is vermeld op aangifte (noch is gesuppleerd). Als gevolg hiervan is 21.659,25 euro aan verschuldigde omzetbelasting niet vermeld op de aangiften, en niet betaald.
(…)
8.2.4
Privégebruik auto 2019
(…)
Op de aangiften voor de omzetbelasting over het tijdvak van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 is geen melding gemaakt van privégebruik (rubriek 1d van de aangifte). Hetgeen betekent dat dit nu wordt gecorrigeerd. (…)
De correctie is 81.375 x 2,7% = 2.197 euro.
(…)
8.2.6
Correctie voorbelasting 2019
(…)
Voordruk op aangifte
Voordruk [adviesbureau]
Correctie
1e kwartaal ‘19
€ 1.945,00
€ 1.421,93
€ 523,07
2e kwartaal ‘19
€ 2.395,00
€ 2.007,93
€ 387,07
3e kwartaal ‘19
€ 2.752,00
€ 2.228,25
€ 523,75
4e kwartaal ‘19
€ 6.054,00
€ 2.473,82
€ 3.580,18
€ 13.146,00
€ 8.131,93
€ 5.014,07
8.2.7
Correctie omzetbelasting 2019
Correctie verschuldigd
Correctie voordruk
Totaal correctie
1e kwartaal ‘19
€ 0,53
€ 523,07
€ 523,60
2e kwartaal ‘19
€ 7.871,74
€ 387,07
€ 8.258,81
3e kwartaal ‘19
€ 7.134,87
€ 523,75
€ 7.658.62
4e kwartaal ‘19
€ 6.652,11
€ 3.580,18
€ 10.232,29
Privégebruik Auto
€ 2.197,00
€ 2.197,00
Totaal 2019
€ 23.856,25
€ 5.014,07
€ 28.870,32
En:
8.3 Omzetbelasting 2020
(…)
8.3.3
Omzet 2020 (en PGA ’20)
Paragraaf 5.2.2 van dit onderzoek heeft betrekking op de omzet die door de heer [belanghebbende] in 2020 is gefactureerd aan zijn opdrachtgevers: in totaal 112.923,68 euro. Op de aangiften voor de omzetbelasting is melding gemaakt van een gefactureerde omzet van 95.015 euro. Dit is 17.908,69 euro minder dan er is gefactureerd. De correctie aan verschuldigde omzetbelasting is € 3.760,95 euro.
(…)
De in totaal gefactureerde omzetbelasting (23.713,95 euro), verhoogd met het bedrag aan bijtelling wegens privégebruik auto (2.197 euro) geeft het bedrag aan verschuldigde omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020: 25.910,95 euro).
(…)
8.3.4
Kosten 2020, primaire administratie
  • Uit de primaire administratie over 2020 blijkt een totaalbedrag aan geboekte kosten van 204,135,12 euro, en 28.998,19 aan voorbelasting.
  • Er kan een splitsing worden gemaakt tussen de bedragen die zijn geboekt i.v.m. de aanschaf van mobiele bundels, en de overige kosten. De splitsing is als volgt:
Kosten
BTW
Mobiele bundels
€ 155.872,86
€ 19.159,68
Overige
€ 48.262,26
€ 9.838,51
€ 204.135,12
€ 28.998,19
(…)
8.3.5
Mobiele bundels 2020
(…)
De tabel laat zien:
  • Dat er 64.343,07 euro meer aan kosten in de primaire administratie is geboekt inzake bundels, dan er facturen bekend zijn.
  • Dat er 9.431,56 euro meer voordruk is geboekt inzake de bundels, dan blijkt uit de bekende facturen.
8.3.6
Overige kosten 2020
(…)
De tabel laat zien:
  • Dat er een verschil bestaat van 15.315,63 euro tussen de door de heer [belanghebbende] geboekte overige kosten, en die welke door de adviseur zijn geboekt.
  • Dat mede als gevolg daarvan er ook een verschil bestaat van 2.946,20 euro aan voorbelasting (meer geboekt aan voorbelasting).
(…)
8.3.7
Correctie omzetbelasting 2020
(…)
Controleberekening:
Correctie verschuldigd
Correctie voordruk bundels (1)
Correctie voordruk bundels (2)
Correctie voordruk overige kosten
Totale correctie voordruk
Totale correctie
€ 0,90
€ 438,67
€ 235,26
€ 4.224,32
€ 4.898,25
€ 4.899,15
€ 3.757,59
€ 5.903,60
€ 2.378,14
€ -1.498,60
€ 6.783,14
€ 10.540,73
€ 0,62
€ 2.990,51
€ 2.359,38
€ -43,08
€ 5.306,81
€ 5.307,43
€ 0,45
€ 125,64
€ 211,62
€ 262,67
€ 599,93
€ 600,38
€ 0,94
€ -97,14
€ 4.616,13
€ 299,76
€ 4.818,75
€ 4.819,69
€ 0,45
€ 70,28
€ -72,41
€ -298,87
€ -301,00
€ -300,55
+
€ 3.760,95
€ 9.431,56
€ 9.728,12
€ 2.946,20
€ 22.105,88
€ 25.866,83
(afrondingsverschil)
€ 1,81
+
€ 25.868,64
3.13.
De inspecteur heeft op basis van zijn bevindingen in het controlerapport de naheffingsaanslagen OB 2019 en 2020, de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1.).

Motivering

Vooraf
De dossiers
4. De rechtbank heeft een groot aantal zaken van belanghebbende en zijn echtgenote gelijktijdig op zitting behandeld. Voor deze zaken zijn verschillende dossiers aangelegd, die bestaan uit een veelheid aan stukken. De rechtbank heeft ter zitting medegedeeld dat alle stukken in alle zaken over en weer onverkort als ingelast zullen worden beschouwd. Dat betekent dat de rechtbank in haar beoordeling van de zaken alle stukken die zijn gewisseld in ieder dossier zal betrekken.
Het verdagingsverzoek
4.1.
Belanghebbende heeft bij brief van 27 oktober 2025 verzocht om verdaging van de zitting van 29 oktober 2025. Belanghebbende wil graag de uitkomst van een gesprek op 4 november 2025 in het kader van een Msnp-traject afwachten omdat het tijdens dat gesprek ook zal gaan over het stopzetten van alle beroepsprocedures.
4.2.
De rechtbank heeft in het licht van een goede procesgang en voortgang van de zaken besloten de zitting door te laten gaan en daaraan voorrang te geven boven het belang van belanghebbende om de behandeling van de zaken te laten plaatsvinden op een ander moment. Bij deze beslissing heeft de rechtbank meegewogen dat de zaken al erg lang lopen, dat de uitkomst van het gesprek op 4 november 2025 onzeker is, en dat het verdagingsverzoek pas twee dagen voor de zitting is ingediend, zonder dat is gebleken dat belanghebbende het verzoek niet eerder had kunnen indienen.
Het na afloop van de zitting ingediende stuk
4.3.
De rechtbank heeft het onderzoek na afloop van de zitting in alle zaken gesloten. Op 30 oktober 2025 is door belanghebbende een aanvullend stuk ingediend in de zaak met nummer 23/1899. In dat stuk stelt belanghebbende dat de rechtbank de behandeling van de zaken op zitting had moeten verdagen omdat een stuk van de inspecteur van 15 oktober 2025 pas op 29 oktober 2025 aan belanghebbende zou zijn doorgezonden. Volgens belanghebbende is hem de kans ontnomen om zichzelf te kunnen verdedigen en te kunnen voorbereiden op het aanvullend verweer van de inspecteur.
4.4.
Het stuk van 15 oktober 2025 van de inspecteur, ingekomen bij de rechtbank op 17 oktober 2025, waaraan belanghebbende refereert, heeft betrekking op de zaak met nummer 23/1901 (IB/PVV 2015). De klacht van belanghebbende heeft in wezen dus alleen betrekking op die zaak en niet de onderhavige zaken. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de rechtbank de behandeling van alle zaken op de zitting van 29 oktober 2025 had moeten heropenen, is de rechtbank van oordeel – onder verwijzing naar haar motivering op dit punt in de uitspraak die de rechtbank op dezelfde dag doet ten aanzien van (onder meer) de zaak met nummer 23/1901 van belanghebbende – dat er geen aanleiding is om het onderzoek te heropenen. Op grond van het procesreglement is het na de zitting ingekomen stuk van belanghebbende toegevoegd aan het dossier, maar de rechtbank laat het stuk bij haar beoordeling verder buiten beschouwing.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
4.5.
Belanghebbende stelt – in het kader van de zaken met betrekking tot de IB/PVV 2019 en 2020 – dat een aantal stukken, waaronder in het bijzonder het boetedossier, ontbreken in het dossier. Een opsomming van de missende stukken heeft belanghebbende gegeven in bijlage 1 bij zijn e-mail van 24 maart 2024 aan de inspecteur. Verder stelt belanghebbende dat hij tijdens de dossierinzage heeft geconstateerd dat er derdenonderzoeken bij ABN AMRO en bij de Rabobank hebben plaatsgevonden. Volgens belanghebbende is hij ten onrechte niet vooraf geïnformeerd over deze derdenonderzoeken en heeft hij ook ten onrechte niet alle stukken ontvangen omtrent deze derdenonderzoeken.
4.6.
De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken moet indienen. [3] Op de zaak betrekking hebbende stukken zijn alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. [4] Dat betekent dat niet zonder meer alle stukken waarover de Belastingdienst beschikt die op belanghebbende betrekking hebben, zijn aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken.
4.7.
De rechtbank constateert dat de door belanghebbende in bijlage 1 bij zijn e-mail van 24 maart 2024 als ontbrekend aangeduide stukken, voor zover dit op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, door de inspecteur zijn ingebracht in het kader van de andere procedures. De stukken zijn met name in het kader van de procedures over de naheffingsaanslagen OB 2019 en 2020 ingebracht. Aangezien de rechtbank ter zitting heeft medegedeeld dat alle stukken in alle zaken over en weer onverkort als ingelast zullen worden beschouwd (zie 4), betekent dit dat belanghebbende ook in het kader van de procedures over de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 over deze stukken beschikt. Van een schending van artikel 8:42 van Pro de Awb is in zoverre dus geen sprake.
4.8.
Verder heeft de inspecteur ter zitting desgevraagd verklaard dat er ten aanzien van belanghebbende geen derdenonderzoeken bij de ABN AMRO en de Rabobank hebben plaatsgevonden en dat de gegevens van de ABN AMRO en de Rabobank, waarover de inspecteur beschikt, aan de Belastingdienst op reguliere wijze zijn gerenseigneerd. De rechtbank gaat hiervan uit. Dat betekent dat er geen (verdere) stukken omtrent een derdenonderzoek zijn, die aan het dossier hadden moeten worden toegevoegd. De rechtbank merkt daarbij nog op dat belanghebbende niet vooraf over een door de inspecteur in te stellen derdenonderzoek hoeft te worden geïnformeerd.
4.9.
De rechtbank concludeert dat partijen kennis hebben kunnen nemen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken en dat belanghebbende dus geen informatieachterstand heeft.
Naheffingsaanslagen OB 2019 en 2020
5. De te betalen omzetbelasting wordt berekend door de verschuldigde omzetbelasting te verminderen met de aan hem in rekening gebrachte belasting. De rechtbank zal hieronder eerst ingaan op de hoogte van de verschuldigde omzetbelasting 2019 en 2020 en vervolgens de hoogte van de aftrek van belasting behandelen.
Verschuldigde omzetbelasting 2019
5.1.
De inspecteur heeft de verschuldigde omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 bij de naheffingsaanslag OB vastgesteld op € 54.130,25. In beroep stelt de inspecteur zich op het standpunt dat de verschuldigde omzetbelasting te hoog is vastgesteld en met € 4.689,71 moet worden verminderd tot € 49.440. Volgens de inspecteur zijn de facturen met nummers [factuurnummer 1] , [factuurnummer 2] en [factuurnummer 3]
,waarop in totaal € 4.689,71 omzetbelasting in rekening is gebracht, ten onrechte meegenomen in de berekening van de verschuldigde omzetbelasting.
5.2.
Belanghebbende stelt in beroep niet concreet op welk bedrag de verschuldigde omzetbelasting moet worden vastgesteld. De rechtbank leidt uit de stukken echter af dat belanghebbende uitsluitend het betrekken van een achttal facturen bij de berekening van de verschuldigde omzetbelasting ter discussie stelt. Drie van deze acht facturen zijn niet langer in geschil, nu de inspecteur ook vindt dat deze ten onrechte zijn meengenomen (zie 5.1). Dat betekent dat resteert het geschil over de verschuldigdheid van de omzetbelasting die volgt uit de volgende vijf facturen:
  • [factuurnummer 5] ad € 4.256,31 omzetbelasting;
  • [factuurnummer 8] cred ad € 3.614,14 omzetbelasting;
  • [factuurnummer 9] cred ad € 2.444,71 omzetbelasting;
  • [factuurnummer 6] ad € 3.935,48 omzetbelasting;
  • [factuurnummer 7] ad € 2.716,14 omzetbelasting.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde vijf facturen terecht zijn meegenomen bij de berekening van de verschuldigde omzetbelasting over 2019. Zij overweegt daartoe als volgt.
5.3.1.
Belanghebbende heeft in 2019 diensten verricht aan [bedrijf 1] en [bedrijf 3] . Ter zake daarvan was belanghebbende verplicht om steeds een factuur aan zijn afnemers uit te reiken. [5] Als hoofdregel geldt dat de omzetbelasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt [6] of het tijdstip waarop deze uiterlijk had moeten worden uitgereikt. [7] Op deze hoofdregel zijn een aantal uitzonderingen, maar die zijn hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. Dat betekent concreet dat de op de facturen vermelde omzetbelasting is verschuldigd in het tijdvak waarin de factuurdatum is gelegen.
5.3.2.
De rechtbank stelt vast dat op de factuur met nummer [factuurnummer 5] aan [bedrijf 1] de factuurdatum 17 juni 2019 staat vermeld. De factuur heeft dus betrekking op het tweede kwartaal van 2019 en moet in dat kwartaal worden meegenomen. De omstandigheid dat belanghebbende de factuur al in zijn aangifte over het tijdvak maart 2021 heeft betrokken, doet daar niet aan af. Dat is niet het juiste tijdvak (zie 5.3.1). De correctie door de inspecteur is op dit punt dus terecht.
5.3.3.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de facturen met nummers [factuurnummer 8] cred en [factuurnummer 9] cred nooit zijn uitgereikt aan [bedrijf 1] . Belanghebbende heeft deze creditfacturen wel meegenomen in de aangifte over het tweede kwartaal van 2019 respectievelijk het derde kwartaal van 2019. De inspecteur heeft deze crediteringen gecorrigeerd. Dat is acht de rechtbank juist. De omstandigheid dat belanghebbende deze correcties reeds zelf heeft doorgevoerd door middel van een suppletieaangifte over het tijdvak januari 2021, doet daar niet aan af. Dat is niet het juiste tijdvak (zie 5.3.1). De correctie door de inspecteur is op dit punt dus terecht.
5.3.4.
De rechtbank stelt vast dat op de factuur met nummer [factuurnummer 6] aan [bedrijf 3] de factuurdatum 1 oktober 2019 staat vermeld. De factuur heeft dus betrekking op het vierde kwartaal van 2019 en moet in dat kwartaal worden meegenomen. De omstandigheid dat belanghebbende de factuur al in zijn aangifte over het tijdvak april 2021 heeft betrokken, doet daar niet aan af. Dat is niet het juiste tijdvak (zie 5.3.1). De correctie door de inspecteur is op dit punt dus terecht.
5.3.5.
De rechtbank stelt vast dat op de factuur met nummer [factuurnummer 7] aan [bedrijf 3] de factuurdatum 1 januari 2020 staat vermeld. De betreffende factuur is echter op 31 december 2019 betaald, waardoor de factuur uitgereikt moet zijn in het vierde kwartaal van 2019. De factuur heeft dus betrekking op het vierde kwartaal van 2019 en moet in dat kwartaal worden meegenomen. De omstandigheid dat belanghebbende de factuur al in zijn aangifte over het tijdvak april 2021 heeft betrokken, doet daar niet aan af. Dat is niet het juiste tijdvak (zie 5.3.1). De correctie door de inspecteur is op dit punt dus terecht.
5.4.
Het voorgaande betekent dat het bedrag aan verschuldigde omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 moet worden verminderd met € 4.689,71. De naheffingsaanslag wordt daarom met dat bedrag verminderd tot €24.180.
Verschuldigde omzetbelasting 2020
5.5.
De inspecteur heeft de verschuldigde omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 bij de naheffingsaanslag OB vastgesteld op € 25.910,95. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de verschuldigde omzetbelasting over 2020 bijgesteld naar € 26.188,95. De correcties van de inspecteur hebben betrekking op het eerste kwartaal van 2020.
5.6.
Belanghebbende stelt in beroep niet concreet op welk bedrag de verschuldigde omzetbelasting moet worden vastgesteld. De rechtbank leidt uit de stukken echter af dat belanghebbende het betrekken van de facturen met nummers [factuurnummer 1] , [factuurnummer 2] en [factuurnummer 3]
,waarop in totaal € 4.689,71 omzetbelasting in rekening is gebracht, en de factuur met nummer [factuurnummer 4] , waarop € 3.346 omzetbelasting in rekening is gebracht, ter discussie stelt.
5.7.
De rechtbank stelt vast dat de facturen met nummers [factuurnummer 1] , [factuurnummer 2] en [factuurnummer 3] betrekking hebben op het derde kwartaal van 2019 en door de inspecteur niet (langer) bij de berekening van de verschuldigde omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in 2020 zijn betrokken. Deze klacht kan belanghebbende in het kader van de naheffingsaanslag OB 2020 dan ook niet baten. De rechtbank wijst er daarbij op dat de inspecteur van mening is dat de facturen ten onrechte bij de berekening van de verschuldigde omzetbelasting over het derde kwartaal zijn betrokken (zie 5).
5.8.
Verder stelt de rechtbank vast dat de factuur met nummer [factuurnummer 4] is betrokken bij de berekening van de verschuldigde omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2019. [adviesbureau] heeft de factuur weliswaar meegenomen in de financiële administratie over 2020, maar dat is door de inspecteur gecorrigeerd. De omzetbelasting is door de inspecteur dus niet meegenomen in de berekening van de verschuldigde omzetbelasting voor 2020.
5.9.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur de verschuldigde omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 bij uitspraak op bezwaar terecht heeft vastgesteld op € 26.188,95.
Aftrekbare voorbelasting 2019 en 2020
5.10.
Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wet OB vindt de aftrek van omzetbelasting die ter zake van de levering van goederen of diensten aan de ondernemer in rekening is gebracht (de voorbelasting) plaats voor zover de desbetreffende goederen en diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen.
5.11.
De bewijslast met betrekking tot het recht op een teruggave van voorbelasting rust op de belanghebbende. [8]
5.12.
De inspecteur heeft de omvang van de aftrekbare belasting over 2019 bij de naheffingsaanslag OB vastgesteld op € 8.132 en over 2020 bij de uitspraak op bezwaar op € 7.602. Belanghebbende heeft bij de aangiften over de tijdvakken in 2019 in totaal € 13.146 aan aftrekbare belasting aangegeven en bij de aangiften over de tijdvakken in 2020 – met inachtneming van de suppletieaangifte – in totaal € 29.000. De correcties van de inspecteur hebben betrekking op ieder tijdvak in 2019 en 2020.
5.13.
Belanghebbende stelt dat hij over 2019 recht heeft op aftrek van belasting van € 10.943. Het verschil van € 2.811 bestaat uit € 2.382 aan voorbelasting in verband met bundelkosten en € 429 aan voorbelasting in verband met overige kosten. De rechtbank gaat er op basis van de stukkenwisseling van uit dat het aansluitingsverschil van € 4 aan voorbelasting voor 2019 niet langer tussen partijen in geschil is. Zij laat dit aansluitingsverschil bij haar beoordeling dan ook buiten beschouwing.
5.14.
Belanghebbende heeft in de aangiften omzetbelasting over 2020 in totaal € 29.000 aan voorbelasting in aftrek gebracht. Het verschil met het door de inspecteur vastgestelde bedrag bedraagt € 21.398 en bestaat uit € 18.823 aan voorbelasting in verband met bundelkosten en € 2.575 aan voorbelasting in verband met overige kosten. Belanghebbende heeft het verschil in aftrekbare voorbelasting die samenhangt met bundelkosten voor 2020 in beroep niet ter discussie gesteld. De rechtbank gaat er daarom van uit dat dit geen geschilpunt meer is. De rechtbank beoordeelt voor 2020 daarom alleen nog het verschil in voorbelasting dat samenhangt met de overige kosten.
5.15.
Ten aanzien van het verschil van € 2.382 aan voorbelasting in verband met bundelkosten (2019) is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur de aftrek van voorbelasting terecht heeft gecorrigeerd. De omzetbelasting die drukt op de aanschaf van de mobiele bundels is door belanghebbende in aftrek gebracht in verband met de handel in mobiele telefoons. Belanghebbende heeft – tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur – echter niet aannemelijk gemaakt dat de handel in mobiele telefoons een belaste handeling voor de omzetbelasting vormt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de verkopen van mobiele telefoons in hoedanigheid van ondernemer in de zakelijke sfeer hebben plaatsgevonden. Integendeel, belanghebbende heeft juist verklaard dat de mobiele telefoons onderhands en onder de kostprijs aan particulieren zijn verkocht en dat de mobiele telefoons deels ook zijn geschonken aan vrienden en familie van zijn echtgenote in Oekraïne (zie 3.12). Onder deze omstandigheden is geen sprake van een economische activiteit [9] en vormt de handel in mobiele telefoons naar het oordeel van de rechtbank geen belaste handeling voor de omzetbelasting. De voorbelasting die drukt op de aanschaf van de mobiele bundels is dus niet aftrekbaar.
5.16.
Ten aanzien van het verschil in voorbelasting van € 429 (2019) en het verschil van € 2.575 (2020) in verband met overige kosten is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op een aanvullende aftrek van deze bedragen. De inspecteur heeft de door [adviesbureau] nieuw opgezette financiële administratie gevolgd voor zover deze ziet op de voorbelasting die drukt op de overige kosten. Belanghebbende stelt dat deze nieuw opgezette administratie niet klopt. Hij heeft daarbij (onder meer) gewezen op een brief van 14 januari 2024 met bijlagen. De door belanghebbende in dit verband overgelegde stukken bieden naar het oordeel van de rechtbank echter geen sluitende onderbouwing voor de verschillen tussen de door [adviesbureau] opgezette administratie en zijn primaire administratie. Facturen die een aanvullende aftrek van voorbelasting kunnen onderbouwen heeft de rechtbank niet in het dossier aangetroffen. Dat betekent dus dat belanghebbende voor 2019 en 2020 niet aannemelijk maakt dat recht bestaat op een hogere aftrek van voorbelasting in verband met overige kosten.
5.17.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur de aftrekbare voorbelasting terecht heeft vastgesteld op € 8.132 over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 en op € 7.602 over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020.
Tussenconclusie naheffingsaanslagen OB 2019 en 2020
5.18.
De rechtbank komt op basis van het hiervoor overwogene tot de conclusie dat de naheffingsaanslag OB 2019 te hoog is vastgesteld. De naheffingsaanslag OB 2019 moet worden verminderd tot € 24.180 (€ 49.440 (verschuldigde OB) -/- € 8.132 (voorbelasting) -/- € 17.128 (reeds aangegeven)). Daarmee volgt de rechtbank het standpunt van de inspecteur. Gelet hierop en uit proceseconomische overwegingen ziet de rechtbank geen aanleiding om nog in te gaan op de vraag of omkering en verzwaring van de bewijslast aan de orde is.
5.19.
Verder komt de rechtbank op basis van het hiervoor overwogene tot de conclusie dat de naheffingsaanslag OB 2020, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, niet te hoog is vastgesteld. De naheffingsaanslag OB 2020 blijft daarom in stand. Daarmee volgt de rechtbank het standpunt van de inspecteur. Gelet hierop en uit proceseconomische overwegingen ziet de rechtbank geen aanleiding om nog in te gaan op de vraag of omkering en verzwaring van de bewijslast aan de orde is.
Belastingrente 2019 en 2020
5.20.
Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de belastingrentebeschikkingen bij de naheffingsaanslagen OB 2019 en 2020 aangevoerd. Aangezien de naheffingsaanslag OB 2019 wordt verminderd (zie 5.17), dient de daarbij in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig te worden verminderd. De naheffingsaanslag OB 2020, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, blijft in stand, zodat ook de bijbehorende belastingrentebeschikking, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, in stand blijft.
Boetes 2019 en 2020
5.21.
De inspecteur heeft aan belanghebbende bij de naheffingsaanslagen OB 2019 en 2020 vergrijpboetes opgelegd [10] van 50% van de belasting die is nageheven, omdat volgens de inspecteur als gevolg van (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende te weinig belasting op aangifte is voldaan.
5.22.
De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. [11] De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting op aangifte is voldaan.
5.23.
Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
5.24.
De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat belanghebbende over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2019 te weinig verschuldigde omzetbelasting heeft aangegeven (zie 5.3 en 5.4) en dat belanghebbende over ieder tijdvak van 2019 belasting in aftrek heeft gebracht zonder toereikende onderbouwing (zie 5.15 en 5.16). Dit heeft erin geresulteerd dat belanghebbende over ieder tijdvak van 2019 te weinig belasting op aangifte heeft voldaan.
5.25.
De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat belanghebbende over het eerste kwartaal van 2020 te weinig verschuldigde belasting heeft aangegeven (zie 5.4 en 5.8) en dat belanghebbende over ieder tijdvak van 2019 belasting in aftrek heeft gebracht zonder toereikende onderbouwing (zie 5.15 en 5.16). Dit heeft erin geresulteerd dat belanghebbende ook over ieder tijdvak van 2020 te weinig belasting op aangifte heeft voldaan dan wel te veel belasting heeft teruggevraagd.
5.26.
Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur erin geslaagd om overtuigend aan te tonen dat het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat over ieder tijdvak van 2019 en 2020 te weinig belasting op aangifte is voldaan.
5.27.
Bij dit oordeel acht de rechtbank van belang dat belanghebbende al geruime tijd als ondernemer actief is. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van een eenmanszaak en dat belanghebbende zelf zijn administratie voerde, althans dat de door het administratiekantoor [bedrijf 5] B.V. opgestelde administratie volledig was gebaseerd op de door belanghebbende aangeleverde gegevens, zodat eventuele onjuistheden in de administratie niet buiten het zicht van belanghebbende konden blijven. Van een ondernemer die al enkele jaren actief is, mag worden verwacht dat hij op hoofdlijnen bekend is met de regels die voor de omzetbelasting gelden. Daaronder vallen onder meer de regels over het tijdstip waarop omzetbelasting verschuldigd wordt, het factuurstelsel en de hoofdregel dat voorbelasting alleen in aftrek mag worden gebracht voor zover deze toerekenbaar is aan belaste handelingen. Ook mag van een ondernemer worden verwacht dat hij zijn administratie zodanig inricht dat daarmee wordt voldaan aan de regels van artikel 11 van Pro de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968.
5.28.
In het licht daarvan moet het belanghebbende duidelijk zijn geweest dat de omzetbelasting die was vermeld op een aantal uitgereikte en betaalde verkoopfacturen die buiten de administratie zijn gelaten, verschuldigd was en ten onrechte niet werd aangegeven. Te meer nu het hierbij steeds ging om verkoopfacturen met aanzienlijke bedragen en belanghebbende in die periode ook geen andere inkomsten had, zodat het belanghebbende niet kan zijn ontgaan dat er een substantieel bedrag aan verschuldigde omzetbelasting ten onrechte niet op aangifte werd voldaan. Ook moet het belanghebbende duidelijk zijn geweest dat een aantal creditfacturen ten onrechte in de aangiften zijn betrokken, nu deze nooit zijn uitgereikt. Eveneens moet het belanghebbende duidelijk zijn geweest dat de voorbelasting ter zake van de overige kosten waarvoor geen onderbouwende facturen (meer) voorhanden zijn, niet in aftrek kon worden gebracht. Tot slot moet het belanghebbende duidelijk zijn geweest dat de voorbelasting die aan de mobiele bundels toerekenbaar is niet voor aftrek in aanmerking kwam, nu belanghebbende geen facturen heeft opgemaakt van de telefoonverkopen, de verkopen – naar eigen zeggen – onderhands aan particulieren plaatsvonden of de telefoons zelfs zijn weggeschonken aan vrienden en familie. Door niettemin de aangiften over de tijdvakken in de jaren 2019 en 2020 te doen zoals hij heeft gedaan, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank aldus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard er steeds te weinig omzetbelasting op aangifte zou worden voldaan. Dat betekent dat de boetes bij de naheffingsaanslagen OB 2019 en 2020 terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.
5.29.
Voor zover belanghebbende nog aanvoert dat hij (een deel van) de te weinig voldane omzetbelasting later, bij de aangiften over de tijdvakken in 2021, alsnog heeft gecorrigeerd, kan hem dat ook in het kader van de boete niet baten. Deze correcties hebben plaatsgevonden op een moment dat het boekenonderzoek al liep en bovendien zijn zij verwerkt in aangiften over tijdvakken waarin die correcties niet thuishoren (zie ook 5.3). Dat belanghebbende in andere tijdvakken correcties heeft aangebracht, neemt dus niet weg dat over de tijdvakken in 2019 en 2020 te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om bedragen waarop deze latere correcties betrekking hebben buiten de boetegrondslag te laten, zoals belanghebbende verzoekt.
5.30.
Omdat de naheffingsaanslag OB 2019 moet worden verminderd tot € 24.180 (zie 5.18), moet de boetegrondslag in ieder geval dienovereenkomstig worden verminderd tot € 12.090 (50% van € 24.180). Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een boete van € 12.090 voor 2019 in dit geval passend en geboden.
5.31.
De boete bij de naheffingsaanslag OB 2020 is, na uitspraak op bezwaar, vastgesteld op € 12.718. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een boete van € 12.718 voor 2020 in dit geval passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank ermee rekening gehouden dat de boetegrondslag voor de tijdvakken in 2020 ook is gebaseerd op concrete en verifieerbare gegevens.
5.32.
De duur van de procedure vormt voor de rechtbank nog wel aanleiding om de boetes verder te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 30 augustus 2023 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum het controlerapport waarin de boetes zijn aangekondigd aan belanghebbende is toegezonden. De rechtbank doet uitspraak op 21 januari 2026. Sinds de aankondiging van de boetes is dan (afgerond) twee jaar en vijf maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met vijf maanden. [12] De boetes worden daarom verder gematigd met 5% tot € 11.485 (2019) en € 12.082 (2020). [13]
Aanslagen IB/PVV en Zvw 2019
Omkering en verzwaring bewijslast
6. De inspecteur stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte IB/PVV en Zvw voor het jaar 2019 heeft gedaan. De inspecteur heeft op basis van de afschriften van de KNAB-rekening van belanghebbende geconstateerd dat de opdrachtgevers van belanghebbende hem in 2019 in totaal € 278.285,81 op zijn KNAB-rekening hebben overgemaakt. De inspecteur heeft berekend dat de netto omzet € 224.969,49 ((278.285,81 / 121) x 100) -/- 5.018,78 (creditfactuur [factuurnummer 4] cred) bedroeg, terwijl belanghebbende in de resultatenrekening bij de aangifte IB/PVV 2019 een omzet van slechts € 144.211 heeft aangegeven. Verder wijst de inspecteur erop dat uit de nieuw opgezette administratie van [adviesbureau] volgt dat belanghebbende in zijn aangifte IB/PVV 2019 ook € 26.519 teveel aan kosten in aanmerking heeft genomen. De correctie van de belastbare winst bedraagt € 92.025.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur voor het onderhavige jaar geen informatiebeschikking heeft genomen. Omkering en verzwaring van de bewijslast is dan alleen aan de orde als de inspecteur aannemelijk maakt dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan, omdat te weinig belasting is aangegeven. Beoordeeld moet worden of het niet aangegeven bedrag aan belasting in verhouding tot het over 2019 verschuldigde bedrag aan belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk is en of belanghebbende zich daarvan bewust was of zich daarvan bewust moest zijn. Ter onderbouwing van zijn stelling dat de vereiste aangifte niet is gedaan, zal de inspecteur aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken die deze conclusie rechtvaardigen.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, met alles wat hij in dit verband heeft aangevoerd, tegenover het verweer van belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in het jaar 2019 niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Vaststaat dat belanghebbende een veel groter bedrag aan omzet op zijn KNAB-rekening heeft ontvangen dan hij in de resultatenrekening bij de aangifte IB/PVV 2019 heeft verantwoord. Belanghebbende had deze omzet volledig moeten verantwoorden in de resultatenrekening. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. Alleen al het niet aangeven van alle omzet heeft er al toe geleid dat er een veel te lage belastbare winst is aangegeven en dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is het bedrag aan belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet is geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank acht verder aannemelijk – gelet op de hoogte van de niet aangegeven omzet – dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte IB/PVV 2019 moest weten dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, doordat hij niet de volledige omzet in de resultatenrekening heeft verantwoord. Het is namelijk algemeen bekend dat het niet verantwoorden van gerealiseerde omzet in de aangifte leidt tot een lager verschuldigd bedrag aan belasting. Dat betekent dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De bewijslast kan in dat geval worden omgekeerd en verzwaard.
Redelijke schatting
6.3.
Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de aanslag IB/PVV 2019 onjuist is.
6.4.
De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur heeft de correctie van de belastbare winst volledig gebaseerd op de afschriften van de KNAB-rekening en de nieuw opgezette administratie door [adviesbureau] . Dat acht de rechtbank als uitgangspunt niet onredelijk of willekeurig, nu de afschriften van de KNAB-rekening objectieve en controleerbare gegevens zijn en belanghebbende [adviesbureau] zelf de opdracht heeft gegeven om de administratie nieuw op te zetten.
6.5.
Op belanghebbende rust dan de last te doen blijken dat het geschatte inkomen onjuist is. Belanghebbende richt zich in dit verband uitsluitend tegen de door de inspecteur aangebrachte correctie van de kosten. Belanghebbende stelt dat de door [adviesbureau] nieuw opgezette administratie onjuist is en dat zijn eigen primaire administratie voor wat betreft de kosten leidend is. Het ligt in dat geval op zijn weg om op inzichtelijke en verifieerbare manier te onderbouwen in hoeverre recht bestaat op een hogere aftrek van kosten. Belanghebbende heeft in bezwaar aangevoerd dat € 2.039 aan overige kosten en € 10.825 aan kosten in verband met de mobiele bundels meer moeten worden meegenomen. Belanghebbende heeft voor wat betreft de overige kosten geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij recht heeft op een hogere aftrek van overige kosten dan de aftrek die volgt uit de administratie die door [adviesbureau] is opgezet. De enkele stelling dat zijn eigen primaire administratie op dit punt leidend zou moeten zijn, is daartoe onvoldoende. Wat betreft de kosten voor de mobiele bundels heeft de inspecteur onweersproken gesteld dat er in 2019 tegenover de 35 automatische incasso’s door KPN ook 35 storneringen staan. Belanghebbende heeft daar verder geen inzicht in gegeven. Daarmee is onduidelijk gebleven of en in hoeverre belanghebbende in 2019 daadwerkelijk kosten heeft gemaakt in verband met de mobiele bundels, nog daargelaten of het dan kosten van de onderneming betreffen die in aftrek kunnen worden gebracht op de winst. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat het door de inspecteur geschatte inkomen onjuist is.
6.6.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur de correctie van de belastbare winst terecht heeft aangebracht. De aanslag IB/PVV 2019 blijft dus in stand.
Belastingkorting
6.7.
Belanghebbende stelt dat hij voor 2019 recht heeft op omzetting van (onder meer) een borgstellingverlies van € 250.000 in een belastingkorting. De rechtbank is van oordeel – onder verwijzing naar haar overwegingen in de op dezelfde dag gedane uitspraak in de zaken van belanghebbende met (onder meer) nummers 22/1764 en 22/5536 – dat voor zover belanghebbende al recht heeft op een belastingkorting in verband met een borgstellingsverlies, deze belastingkorting thuishoort in 2018. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond dan ook in het kader van de aanslag IB/PVV 2019.
Belastingrente aanslag IB/PVV 2019
6.8.
Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de belastingrentebeschikking bij de aanslag IB/PVV 2019 aangevoerd. Omdat de aanslag IB/PVV 2019 in stand blijft, blijft ook de bijbehorende belastingrentebeschikking in stand.
Aanslag Zvw 2019 en belastingrente aanslag Zvw 2019
6.9.
De rechtbank constateert dat de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag Zvw 2019 vanwege een gebrek aan belang niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet juist. Een stelling die niet tot een gunstiger resultaat voor een betrokkene kan leiden moet om die reden worden verworpen en leidt dus niet tot niet-ontvankelijkheid. Het ontbreken van procesbelang is alleen aan de orde als belanghebbende geen enkele stelling kan innemen die voor hem tot een gunstiger resultaat zou leiden. Het beroep tegen de aanslag Zvw 2019 zou dus eigenlijk vanwege de dictumfout in bezwaar gegrond moeten worden verklaard. Hetzelfde geldt voor de daarbij behorende belastingrentebeschikking. Dat doet de rechtbank in dit geval echter niet, omdat niet valt in te zien hoe correctie van de dictumfout enig belang van belanghebbende zou kunnen dienen. [14] Uit de aangifte IB/PVV en Zvw en de gronden van belanghebbende volgt immers dat de aanslag Zvw 2019 terecht is vastgesteld naar het maximum bijdrage-inkomen en dus de aanslag Zvw 2019 en de belastingrentebeschikking ook in stand moeten blijven.
Boete
6.10.
De inspecteur heeft aan belanghebbende bij aanslag IB/PVV 2019 een vergrijpboete opgelegd [15] van 50% van de belasting van de verschuldigde belasting, omdat volgens de inspecteur als gevolg van (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende een onjuiste aangifte IB/PVV 2019 is gedaan.
6.11.
De rechtbank zal – onder verwijzing naar het overwogene onder 5.22 en 5.23 – beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat een onjuiste aangifte IB/PVV 2019 is gedaan.
6.12.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende een groot deel van de omzet over 2019, die is ingekomen op zijn KNAB-rekening, niet heeft aangegeven. Het op geen enkele wijze vermelden van een substantieel deel van de omzet in de aangifte IB/PVV 2019 is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het verzwijgen van die inkomsten voor de inspecteur dat het niet anders kan dan dat belanghebbende zich er ten tijde van het doen van die aangiften van bewust was dat hij te lage aangiften deed en hij het gevolg dat bij vaststellen van de aanslagen conform de aangiften te weinig belasting zou worden geheven bewust heeft aanvaard. Nu dat gevolg is ingetreden, staat naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel vast dat het aan het opzet van belanghebbende is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. De inspecteur heeft belanghebbende dan ook terecht een vergrijpboete als bedoeld in artikel 67d van de AWR opgelegd.
6.13.
De boete bij de aanslag IB/PVV 2019 is vastgesteld op € 23.424. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een boete van € 23.424 in dit geval passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank ermee rekening gehouden dat de boetegrondslag vast is komen te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. De rechtbank overweegt in dat verband dat de boetegrondslag volledig is gebaseerd op concrete en verifieerbare gegevens, namelijk de afschriften van de KNAB-rekening en de – in opdracht van belanghebbende – nieuw opgezette administratie door [adviesbureau] . Daarom acht de rechtbank geen aanleiding aanwezig voor het verbinden van gevolgen aan de toegepaste bewijssanctie bij de vaststelling van de boetegrondslag.
6.14.
De duur van de procedure vormt voor de rechtbank nog wel aanleiding om de boete te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 30 augustus 2023 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum het controlerapport waarin de boete is aangekondigd aan belanghebbende is toegezonden. De rechtbank doet uitspraak op 21 januari 2026. Sinds de aankondiging van de boetes is dan (afgerond) twee jaar en vijf maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met vijf maanden. [16] De boete wordt daarom gematigd met 5% tot € 22.252. [17]
Aanslag IB/PVV en Zvw 2020
Aanslag IB/PVV 2020
7. Tussen partijen is uitsluitend de hoogte van de belastbare winst in geschil. Belanghebbende heeft een belastbare winst aangegeven van € 75.519. De inspecteur heeft de belastbare winst bij de aanslag IB/PVV 2020 vastgesteld op € 73.587. Het verschil houdt verband met een omzetcorrectie van € 3.345,68, een correctie in het voordeel van belanghebbende van de aangegeven bijtelling van € 5.271 en een kostencorrectie van € 228,37.
7.1.
Belanghebbende voert aan dat de door de inspecteur aangebrachte omzetcorrectie van € 3.345,68 ten onrechte bij de belastbare winst is opgeteld en dat deze correctie juist daarvan had moeten worden afgetrokken. Tegen de correctie van de bijtelling en de kostencorrectie heeft belanghebbende in beroep niets aangevoerd. De rechtbank laat deze posten in haar beoordeling dan ook buiten beschouwing. Verder stelt belanghebbende – naar de rechtbank begrijpt – dat een bedrag van in totaal € 106.558 extra aan kosten in aftrek moet worden toegestaan, bestaande uit € 14.029 aan overige kosten en € 92.529 aan kosten in verband met mobiele bundels.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het bedrag van € 3.346 terecht bij omzet van 2020 heeft opgeteld. Dit bedrag houdt verband met de creditfactuur met nummer 20190520-01, die op 4 juni 2019 is uitgereikt aan [bedrijf 1] . Op grond van goedkoopmansgebruik moet die creditfactuur bij de bepaling van de omzet in 2019 worden meegenomen. De omstandigheid dat de daadwerkelijke creditering pas in 2020 heeft plaatsgevonden, doet daar in dit geval niet aan af. De inspecteur heeft de creditfactuur meegenomen bij de bepaling van de omzet over 2019 en heeft de onterechte verwerking in 2020 door middel van een omzetcorrectie hersteld.
7.3.
De inspecteur heeft de kosten gebaseerd op de door [adviesbureau] nieuw opgezette administratie. Belanghebbende heeft gesteld dat deze administratie onjuist is en dat voor het jaar 2020 een bedrag van € 14.029 aan overige kosten aanvullend in aanmerking moet worden genomen. Het ligt in dat geval op de weg van belanghebbende om dat – tegenover de betwisting door de inspecteur – te onderbouwen. Belanghebbende heeft weliswaar verschillende stukken overgelegd, maar deze bieden geen duidelijk en verifieerbaar inzicht in welke overige kosten er in 2020 aanvullend zijn gemaakt waarmee door [adviesbureau] in de administratie geen rekening is gehouden. Daarmee heeft belanghebbende dus niet aannemelijk gemaakt dat er een bedrag van € 14.029 extra aan kosten in aanmerking moet worden genomen.
7.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde kosten in verband met de mobiele bundels voor aftrek in aanmerking komen. Uit de door de inspecteur in het controlerapport gemaakte berekening (zie 3.12), die door belanghebbende niet gemotiveerd is weersproken, volgt dat de opbrengsten uit de verkoop van de mobiele telefoons achterblijven bij de daarmee samenhangende kosten, zodat per saldo structureel een verlies wordt geleden. Daarbij is van belang dat niet is gebleken van concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat dit verlies slechts tijdelijk was of dat op de korte of middellange termijn positieve resultaten te verwachten waren. Integendeel, uit de verklaringen van belanghebbende volgt dat hij de mobiele telefoons los van de bijbehorende abonnementen heeft verkocht, zodat de kosten van de mobiele abonnementen steeds voor zijn eigen rekening bleven. Daarnaast heeft belanghebbende verklaard dat hij een deel van de mobiele telefoons niet heeft verkocht, maar heeft geschonken aan vrienden en familie van zijn echtgenote in Oekraïne. Uit het totaalbeeld van de feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat het afsluiten van de mobiele bundels niet zozeer was gericht op het realiseren van een rendabel verdienmodel, maar veeleer – zoals de inspecteur ook stelt – was ingegeven door een behoefte aan liquiditeit op de zeer korte termijn. Het ontbreken van een objectieve voordeelsverwachting brengt mee dat geen sprake is van een bron van inkomen, zodat ook de kosten die verband houden met de mobiele bundels niet voor aftrek in aanmerking komen.
7.5.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur de belastbare winst tot het juiste bedrag heeft vastgesteld.
Vertrouwensbeginsel
7.6.
Belanghebbende stelt nog – uitsluitend in het kader van de aanslag IB/PVV 2020 –dat met het volgen van de aangifte omzetbelasting over het tijdvak november 2020 en de daaruit voortvloeiende teruggaaf bij hem het vertrouwen is gewekt dat de kosten van mobiele telefoonbundels door de Belastingdienst zouden worden geaccepteerd. De rechtbank volgt belanghebbende daarin niet. Het enkele feit dat een aangifte omzetbelasting aanvankelijk is gevolgd en tot een teruggaaf heeft geleid, is onvoldoende om te kunnen spreken van een in rechte te beschermen vertrouwen. Niet is gebleken dat sprake is van een bewuste en kenbare standpuntbepaling door de inspecteur over de aanvaardbaarheid van deze kosten. Daarbij geldt bovendien dat een standpunt dat is ingenomen voor de omzetbelasting niet zonder meer doorwerkt naar de heffing van inkomstenbelasting. De aanslag IB/PVV 2020 blijft dus in stand.
Aanslag Zvw 2020
7.7.
De aanslag IB/PVV 2020 blijft in stand (zie 7.5). Dat betekent dat de aanslag Zvw 2020 terecht is vastgesteld naar het maximum bijdrage-inkomen en dus ook in stand moet blijven.
Belastingrente
7.8.
Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de belastingrentebeschikkingen bij de aanslagen IB/PVV en Zvw 2020 aangevoerd. Omdat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2020 in stand blijven, blijven ook de bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand.
Immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
8. Belanghebbende maakt aanspraak op een immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
8.1.
Er bestaat als uitgangspunt recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.
8.2.
Mede gelet op de beroepsgronden, hebben de zaken van belanghebbende over de jaren 2019, 2020 en 2021 (zaaknummers 24/5730, 24/5731, 24/7689, 24/7690, 24/7701, 24/7702, 25/1402 en 25/1403) in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Nu de zaken samen waren betrokken in hetzelfde boekenonderzoek en bovendien in de beroepsfase (nagenoeg) gezamenlijk zijn behandeld, bestaat voor de zaken gezamenlijk recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. De omstandigheid dat in de bezwaarfase de behandeling niet gelijktijdig is geweest doet daar niet aan af. [18]
8.3.
Op grond van vaste jurisprudentie [19] geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is begonnen, uitspraak doet. De termijn begint in beginsel op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Hierbij geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen.
8.4.
De inspecteur heeft het oudste bezwaarschrift op 19 november 2023 ontvangen. De uitspraak van de rechtbank wordt gedaan op 21 januari 2026, en dus afgerond, 27 maanden na de indiening van het bezwaarschrift. Daarmee heeft de behandeling tot aan de uitspraak van de rechtbank 3 maanden langer geduurd dan de 24 maanden die, in beginsel, als een redelijke termijn kunnen worden beschouwd voor behandeling in bezwaar en beroep.
8.5.
De overschrijding van de redelijke termijn met 3 maanden leidt tot toekenning van een immateriëleschadevergoeding van € 500. De vergoeding van € 500 komt volledig voor de rekening van de inspecteur. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de laatste uitspraak op bezwaar is gedaan op 31 oktober 2024. De rechtbank kent dit bedrag – uit praktische overwegingen – volledig toe bij deze uitspraak. De rechtbank zal in de uitspraak over de aanslagen IB/PVV en Zvw 2021 van belanghebbende, die zij op dezelfde dag als de onderhavige uitspraak doet, wat betreft te toekenning van de immateriëleschadevergoeding volstaan met een kennisgeving en een verwijzing naar deze uitspraak.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep met zaaknummer 24/5731 is gegrond. De naheffingsaanslag OB 2019 wordt verminderd tot € 24.180 en de bijbehorende belastingrentebeschikking wordt dienovereenkomstig verminderd. Verder wordt de boete bij de naheffingsaanslag OB 2019 verminderd tot € 11.485.
9.1.
De overige beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag OB 2020, de aanslagen IB/PVV en Zvw 2019, de aanslagen IB/PVV en Zvw 2020 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, in stand blijven. De boetes bij de naheffingsaanslag OB 2020 en de aanslag IB/PVV 2019 moeten wel worden verminderd in verband met undue delay. [20] De boete bij de naheffingsaanslag OB 2020 wordt verminderd tot € 12.082 en de boete bij de aanslag IB/PVV 2019 wordt verminderd tot € 22.252.
9.2.
Verder krijgt belanghebbende een immateriëleschadevergoeding van in totaal € 500 vanwege de lange duur van de procedure.
9.3.
Omdat het beroep met zaaknummer 24/5731 gegrond is, moet de inspecteur het door belanghebbende in die zaak betaalde griffierecht aan hem vergoeden. Het door de inspecteur te vergoeden griffierecht bedraagt € 187. Voor een vergoeding van griffierecht in verband met de toekenning van de vergoeding van immateriële schade is geen aanleiding op grond van het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
9.4.
Verder heeft belanghebbende als uitgangspunt recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank komt echter tot het oordeel dat belanghebbende geen kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Belanghebbende heeft zowel in de bezwaar- als de beroepsfase met betrekking tot de naheffingsaanslag OB 2019 geen gebruik gemaakt van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Andere kosten die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, heeft belanghebbende voor de bezwaar- en beroepsfase niet gesteld. De kosten die belanghebbende heeft gemaakt in het kader van het boekenonderzoek, komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen met zaaknummers 24/5730, 24/7689, 24/7690, 24/7701 en 24/7702 ongegrond;
  • verklaart het beroep met zaaknummer 24/5731 gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de naheffingsaanslag OB 2019 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikking;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikking bij de naheffingsaanslag OB 2020 en de aanslag IB/PVV 2019;
  • vermindert de naheffingsaanslag OB 2019 tot € 24.180 en vermindert de bijbehorende belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
  • vermindert de boete bij de naheffingsaanslag OB 2019 tot € 11.485;
  • vermindert de boete bij de naheffingsaanslag OB 2020 tot € 12.082;
  • vermindert de boete bij de aanslag IB/PVV 2019 tot € 22.252;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van in totaal € 187 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, mr. drs. S.J. Willems-Ruesink en mr. A.H.W. Steijn, rechters, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 21 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [21]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Indien het daartegen gemaakte bezwaar ontvankelijk is.
3.Artikel 8:42 van Pro de Awb.
4.Hoge Raad 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1107 en Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672.
5.Artikel 34c van de Wet OB.
6.Ingevolgde de artikelen 34b tot en met 35d van de Wet OB.
7.Artikel 13, eerste lid, van de Wet OB.
8.Hof van Justitie EU 26 september 1996, nr. C-230/94, r.o. 24.
9.In de zin van artikel 7, eerste lid, van de Wet OB in samenhang bezien met artikel 4 van Pro de Tweede, onderscheidenlijk de Zesde richtlijn (thans artikel 9 van Pro de Btw-richtlijn).
10.Op grond van artikel 67f van de AWR en paragraaf 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB).
11.Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.
12.Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.
13.Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.
14.In de zin van Hoge Raad 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1033.
15.Op grond van artikel 67d van de AWR en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.
16.Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.
17.Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.
18.Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154.
19.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
20.Ambtshalve vermindering van de boete in verband met undue delay, leidt niet tot een gegrond beroep (vgl. Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053).
21.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.