Op 19 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak waarin Stichting [belanghebbende] beroep aantekende tegen de waardebeschikkingen van de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant. De rechtbank beoordeelde de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar, die de WOZ-waarden van vier objecten had vastgesteld. De heffingsambtenaar had de waarde van de objecten vastgesteld op bedragen variërend van € 2.543.000 tot € 14.584.000, maar belanghebbende betwistte deze waardes en stelde lagere waarden voor. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard en de WOZ-waarden van de objecten verlaagd tot respectievelijk € 14.300.000, € 3.850.000 en € 2.350.000. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar niet voldoende had onderbouwd dat de waarden niet te hoog waren vastgesteld. Tevens werd vastgesteld dat de objecten aan de [adres 2] en [adres 1] terecht als niet-woning zijn aangemerkt. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van proceskosten aan belanghebbende en het griffierecht vergoed.