ECLI:NL:RBZWB:2026:198

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
24/3412, 24/3413, 24/3414, 24/3425, 24/3558
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen WOZ-waarde van niet-woningen door Stichting

Op 19 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak waarin Stichting [belanghebbende] beroep aantekende tegen de waardebeschikkingen van de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant. De rechtbank beoordeelde de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar, die de WOZ-waarden van vier objecten had vastgesteld. De heffingsambtenaar had de waarde van de objecten vastgesteld op bedragen variërend van € 2.543.000 tot € 14.584.000, maar belanghebbende betwistte deze waardes en stelde lagere waarden voor. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard en de WOZ-waarden van de objecten verlaagd tot respectievelijk € 14.300.000, € 3.850.000 en € 2.350.000. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar niet voldoende had onderbouwd dat de waarden niet te hoog waren vastgesteld. Tevens werd vastgesteld dat de objecten aan de [adres 2] en [adres 1] terecht als niet-woning zijn aangemerkt. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van proceskosten aan belanghebbende en het griffierecht vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: 24/3412, 24/3413, 24/3414, 24/3425, 24/3558
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen

Stichting [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] )
en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 10 februari 2024 en 12 februari 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 25 februari 2023 aan belanghebbende waardebeschikkingen toegezonden met betrekking tot onder meer de objecten gelegen aan de [adres 1] , de [adres 2] , het [adres 3] en de [adres 4] (de objecten). In dezelfde geschriften heeft de heffingsambtenaar ook de aanslagen onroerendezaakbelastingen (OZB) eigenaar woning van [adres 4] voor het jaar 2023 opgelegd en de aanslagen OZB eigenaar niet-woning en gebruiker niet-woning van de [adres 1] , van [adres 2] en [adres 3] .
1.2.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de objecten per de waardepeildatum 1 januari 2022 vastgesteld op de volgende bedragen:
[adres 1]
€ 8.226.000
[adres 2]
€ 14.584.000
[adres 3]
€ 4.434.000
[adres 4]
€ 2.543.000
1.3.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de objecten gehandhaafd.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de gemachtigde van belanghebbende mr. H. Vloet en [taxateur 1] , en namens de heffingsambtenaar mr. L.J. Boone en [taxateur 2] .

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de objecten waarin woonzorglocaties zijn gevestigd.
2.1.
Het object aan de [adres 1] met bouwjaar 2019 heeft een bruto-vloeroppervlakte van 6.838 m² en beschikt over twee dakterrassen van 149 m². Het object is gelegen op een perceel van 6.000 m².
2.2.
Het object aan de [adres 2] bestaat uit twee gedeelten met bouwjaar 2014 en bouwjaar 2016. Het bruto-vloeroppervlakte van het deel uit 2014 bedraagt 7.626 m² en het bruto-vloeroppervlakte van het deel uit 2016 bedraagt 2.879 m². Het object is gelegen op een perceel van 20.625 m².
2.3.
Het object aan het [adres 3] bestaat uit twee gedeelten met bouwjaar 1988 en bouwjaar 1994. Het bruto-vloeroppervlakte van het deel uit 1988 bedraagt 3.724 m² en het bruto-vloeroppervlakte van het deel uit 1994 bedraagt 5.380 m². Het object is gelegen op een perceel van 9.587 m².
2.4.
Het object aan de [adres 4] met bouwjaar 1989 heeft een bruto-vloeroppervlakte van 5.305 m². Het object is gelegen op een perceel van 6.300 m².

Beoordeling door de rechtbank

3. Partijen zijn het niet eens over de waarde van de objecten aan de [adres 2] , het [adres 3] en de [adres 4] . Daarnaast zijn partijen het niet eens of [adres 2] en [adres 1] moeten worden aangemerkt als woning of als niet-woning.
3.1.
De rechtbank beoordeelt of de waarden van de objecten te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Belanghebbende bepleit per de waardepeildatum een waarde van € 13.476.000 voor het object aan de [adres 2] , een waarde van € 1.521.000 voor het object aan het [adres 3] en een waarde van € 1.610.000 voor het object aan de [adres 4] . De heffingsambtenaar verdedigt de bij beschikking vastgestelde waardes.
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank slagen de beroepen van belanghebbende en zijn de waarden van de objecten te hoog vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank zijn [adres 2] en [adres 1] wel terecht aangemerkt als niet-woning. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader van de rechtbank
4. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de onroerende zaken wordt bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde (GVW) als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ.
4.1.
Bij de bepaling van de GVW van een onroerende zaak wordt rekening gehouden met de aard en de bestemming van de zaak en de sinds de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. Naar de bedoeling van de wetgever is de GVW van een onroerende zaak de waarde die de zaak in economische zin voor de eigenaar heeft, welke waarde wordt gevonden door uit te gaan van de veronderstelling dat voor die zaak een markt zou zijn waarop de tegenwoordige eigenaar niet alleen als verkoper zou opereren, maar tevens als koper die de zaak zou willen verwerven met handhaving van aard en bestemming ervan.
4.2.
In artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ – welke bepaling (niet meer dan) een hulpmiddel is bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde – is de wijze van berekening van de gecorrigeerde vervangingswaarde nader ingevuld.
4.3.
De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door haar verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt.
4.4.
De heffingsambtenaar mag de waarde in iedere fase van de procedure opnieuw onderbouwen.
Zijn de waarden van [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] te hoog vastgesteld?
5. De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde voor de [adres 2] een taxatierapport overgelegd, opgemaakt op 19 juli 2024 door [naam 1] . In dit taxatierapport is de waarde van de onroerende zaak berekend op € 14.824.000. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van de door haar voorgestane waarde een eigen taxatierapport overgelegd, opgemaakt op 7 februari 2024 door [naam 2] en [naam 3] . In dit taxatierapport is de waarde van de onroerende zaak berekend op € 13.476.000.
5.1.
De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde van het [adres 3] een taxatierapport overgelegd, opgemaakt op 15 augustus 2024 door [naam 1] . In dit taxatierapport is de waarde van de onroerende zaak berekend op € 5.004.000. Belanghebbende heeft ter zitting een waarde voor het object verdedigd van € 1.521.000.
5.2.
De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde van de [adres 4] een taxatierapport overgelegd, opgemaakt op
25 juli 2024 door [naam 1] . In dit taxatierapport is de waarde van de onroerende zaak berekend op € 2.985.000. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van de door haar voorgestane waarde een eigen taxatierapport overgelegd, opgemaakt op 26 september 2023 door [naam 2] en [naam 3] . In dit taxatierapport is de waarde van de onroerende zaak berekend op € 1.610.000.
5.3.
Het geschil ziet specifiek op de correctie voor technische veroudering die de heffingsambtenaar bij de bepaling van de GVV heeft toegepast en dan meer specifiek het restwaardepercentage. Wat betreft de andere elementen van de berekening van de vastgestelde waarde heeft belanghebbende ter zitting bevestigd dat zij aansluit bij de door de heffingsambtenaar gehanteerde kengetallen, gebaseerd op de Taxatiewijzer Verzorging.
Restwaardepercentage
5.4.
Belanghebbende stelt dat bij de waardebepaling van de objecten is uitgegaan van een te hoog restwaardewaardepercentage en daarmee van een te hoge restwaarde. Belanghebbende stelt – kort en zakelijk weergegeven – dat de kengetallen uit de Taxatiewijzer Verzorging, die de heffingsambtenaar hanteert voor het bepalen van het restwaardepercentage, onvoldoende zijn onderbouwd en daarmee niet kunnen dienen ter onderbouwing van het gehanteerde restwaardepercentage. Belanghebbende heeft gewezen op een rapport van [bedrijf] die op basis van eigen verkoopgegevens onderzoek heeft verricht naar de te hanteren restwaardepercentages. Op basis van dit onderzoek concludeert belanghebbende dat de restwaarde van de objecten 5% bedraagt. Daarnaast stelt belanghebbende dat de heffingsambtenaar ten onrechte bij de berekening van zowel de grondwaarde als de bruto vervangingswaarde uitgaat van prijzen exclusief btw, terwijl belanghebbende bij vervanging geen btw kan terugvorderen.
5.5.
De heffingsambtenaar stelt dat in opdracht van de VNG aan de hand van verkooptransacties onderzoek is verricht naar de restwaarden en levensduren in de taxatiewijzers. Verder heeft de heffingsambtenaar ter onderbouwing van de gehanteerde restwaardepercentages een eigen onderzoek verricht naar de verkoopcijfers van afgeschreven incourante objecten. Dit onderzoek is in het dossier ingebracht.
5.6.
Belanghebbende heeft ter zitting de geschiktheid van de door de heffingsambtenaar in haar onderzoek betrokken objecten betwist, onder meer omdat volgens belanghebbende drie van de gehanteerde objecten in verhuurde staat zijn verkocht, en omdat van de objecten de restwaarde op het moment van verkoop nog niet is bereikt. De heffingsambtenaar heeft voor het onderzochte object [adres 5] betwist dat deze in verhuurde staat is verkocht. Voorts heeft de heffingsambtenaar ten aanzien van de restwaarde ter zitting toegelicht dat de berekende waarde de restwaarde betreft op de transactiedatum en niet de restwaarde op het eind van de levensduur van de onderzochte objecten. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat voor de gehanteerde objecten [adres 6] , [adres 7] en [adres 8] geldt dat het gebruik van deze objecten na de verkoop op dezelfde wijze is voortgezet.
5.7.
De rechtbank stelt vast dat beide partijen de richtsnoeren van de Taxatiewijzer Verzorging feitelijk als uitgangspunt bij de waardering hebben gehanteerd. Belanghebbende heeft weliswaar te kennen gegeven dat zij de kengetallen in de Taxatiewijzer niet zozeer onderschrijft, maar uit praktische overwegingen gaat zij daarvan wel uit om het geschil te beperken tot het restwaardepercentage. Alleen voor wat betreft het restwaardepercentage moet volgens belanghebbende van de Taxatiewijzer worden afgeweken. De rechtbank is van oordeel dat de door beide partijen voorgestane restwaardepercentages in dit geval niet kunnen worden gevolgd, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan over en weer. De rechtbank legt dit oordeel hieronder uit aan de hand van de stellingen van partijen.
5.8.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de enkele verwijzing van de heffingsambtenaar naar de kennelijke marktgegevens die ten grondslag liggen aan de Taxatiewijzer Verzorging niet dienen ter onderbouwing van de gehanteerde restwaardepercentages. De heffingsambtenaar heeft het rapport van dat onderzoek en de onderliggende verkooptransacties niet overgelegd. Van de heffingsambtenaar kan worden verlangd, nu hij zich beroept op de Taxatiewijzer, dat hij inzicht geeft in de bij de totstandkoming van de Taxatiewijzer gemaakte keuzes en de daarbij gebruikte gegevens en aannames, omdat anders belanghebbende zich geconfronteerd ziet met een ‘black box’, waartegen hij zich niet kan verweren.
5.9.
De heffingsambtenaar heeft met de verwijzing naar het eigen onderzoek naar het oordeel van de rechtbank tevens onvoldoende onderbouwd dat de gehanteerde restwaardepercentages juist zijn. De rechtbank is van oordeel dat de restwaarden moeten zijn gebaseerd op verkoopcijfers van panden die wel het einde van hun levensduur hebben bereikt. [1] Wanneer dergelijke verkoopcijfers niet of niet voldoende voorhanden zijn, is de rechtbank van oordeel dat inzichtelijk moet worden gemaakt hoe bij verkoopcijfers van panden die hun levensduur nog niet hebben bereikt, rekening wordt gehouden met deze omstandigheid. Dit betekent dat in onderhavig geval op dit punt de Taxatiewijzer niet kan worden gevolgd.
5.10.
Naar het oordeel van de rechtbank kan ook het door belanghebbende voorgestane restwaardepercentage van 5% niet worden gevolgd. Niet inzichtelijk is op welke wijze het door belanghebbende voorgestane percentage van 5% concreet tot stand is gekomen. De rechtbank constateert dat in de onderbouwing van de restwaarde ook door belanghebbende objecten worden betrokken die, gelet op het bouwjaar, de restwaarde op de transactiedatum nog niet hebben gebruikt. De rechtbank constateert voorts dat in de cijfermatige onderbouwing van de restwaarde van deze objecten de resterende levensduur van de objecten steeds op nihil wordt gesteld. Door belanghebbende is onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze rekening is gehouden met het verschil tussen de dagwaarde en de restwaarde van de in haar onderzoek betrokken objecten. Ook overigens is onduidelijk op welke wijze belanghebbende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de referentieobjecten door het land verspreid staan en niet in dezelfde omgeving als de onderhavige objecten. Verder is weinig bekend over de overige voor de waardering relevante gegevens. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook het onderzoek van belanghebbende daarom niet worden gebruikt ter onderbouwing van de restwaardepercentages van de objecten.
Goede justitie
5.11.
Omdat geen van beide partijen erin is geslaagd om de voorgestelde waarde van het object [adres 2] aannemelijk te maken, bepaalt de rechtbank de waarde van dit object op de waardepeildatum 1 januari 2022 in goede justitie op
€ 14.300.000. De rechtbank vermindert de aanslagen OZB dienovereenkomstig. Het beroep met zaaknummer 24/3425 is dus gegrond.
5.12.
Omdat geen van beide partijen erin is geslaagd om de voorgestelde waarde van het object [adres 3] aannemelijk te maken, bepaalt de rechtbank de waarde van dit object op de waardepeildatum 1 januari 2022 in goede justitie op
€ 3.850.000. De aanslag OZB eigenaar niet-woning wordt dienovereenkomstig verminderd. De heffingsambtenaar heeft in de stukken te kennen gegeven dat de aanslag OZB gebruiker dient te worden verminderd en de grondslag daarvoor gelet op artikel 220e van de Gemeentewet € 987.959 dient te zijn. De gemachtigde heeft vervolgens op de zitting verklaard dat hij – in afwijking van de aanslag – akkoord is met een grondslag voor de aanslag OZB gebruiker van 34% van de WOZ-waarde. De rechtbank stelt vast dat 34% van € 3.850.000 hoger is dan € 987.959. De rechtbank vermindert de aanslag OZB gebruiker daarom met inachtneming van een grondslag van € 987.959, zijnde € 1.508,61. [2] De beroepen met zaaknummers 24/3412 en 24/3558 zijn dus gegrond.
5.13.
Omdat geen van beide partijen erin is geslaagd om de voorgestelde waarde van het object aan [adres 4] aannemelijk te maken, bepaalt de rechtbank de waarde van dit object op de waardepeildatum 1 januari 2022 in goede justitie op
€ 2.350.000. De rechtbank vermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig. Het beroep met zaaknummer 24/3414 is dus gegrond.
Onroerendezaakbelasting
[adres 2] en [adres 1]
5.14.
In artikel 220a, lid 2, van de Gemeentewet is bepaald dat een onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dient indien de waarde voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Onder het criterium ‘in hoofdzaak’ wordt in dit verband verstaan: 70 percent of meer. Het geschiktheidscriterium is beslissend bij de vraag of een gedeelte dient tot woning, terwijl het feitelijk gebruik beslissend is bij de vraag of een gedeelte volledig dienstbaar is aan woondoeleinden (het gebruiks- of bestemmingscriterium). [3]
5.15.
De heffingsambtenaar heeft bij het bepalen van de aanslag OZB 57% van de waarde ( [adres 2] ) respectievelijk 52% van de waarde ( [adres 1] ) toegerekend aan delen van het object die volledig een woonfunctie hebben of volledig dienstbaar zijn aan wonen.
5.16.
Belanghebbende stelt dat ten minste 70% van de waarde van de objecten kan worden toegerekend aan gedeelten die tot woning dienen of volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Belanghebbende heeft met verwijzing naar ECLI:NL:GHDHA:2024:2011 en ECLI:NL:GHARL:2025:1271 ter zitting bepleit dat de waarde van de gangen die toegang geven tot de woongedeelten (de verkeersruimten) en de opslagruimten ten behoeve van de bewoners als volledig dienstbaar aan wonen moet worden aangemerkt. De heffingsambtenaar heeft ten aanzien van de verkeersruimten gesteld dat deze grotendeels worden gebruikt door het personeel voor het verlenen van zorg en dat voor de opslagruimten niet duidelijk is door wie deze worden gebruikt. De heffingsambtenaar heeft op zitting nog toegelicht dat de opslagruimten niet enkel door bewoners van het woonzorgcomplex worden gebruikt en dat gezien de zorgfunctie van het complex de hoeveelheid spullen die bewoners meebrengen (zeer) gering is. Hij heeft de gedeelten van de verkeersruimten die toegang geven tot de woongedeelten van de objecten en de opslagruimten niet als volledig dienstbaar aan wonen aangemerkt.
5.17.
De rechtbank stelt vast dat een deel van een onroerende zaak dat naar aard en inrichting bestemd en geschikt is om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen en waarbij de woonfunctie overheersend is ten opzichte van andere functies, dient tot woning als bedoeld in artikel 220a, lid 2, Gemeentewet, ongeacht of dat deel feitelijk duurzaam wordt bewoond. [4] Naar aard en inrichting zijn de verkeersruimten en de opslagruimten op zichzelf niet bestemd en geschikt om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen.
5.18.
Vervolgens is de vraag of deze ruimten volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden als bedoeld in artikel 220a, lid 2 (tweede zinsdeel), Gemeentewet. Het begrip ‘volledig’ dienstbaar wil in dit geval zeggen dat deze delen niet meer dan incidenteel worden gebruikt voor andere doeleinden dan woondoeleinden. [5] Beslissend daarbij is of en in hoeverre de delen feitelijk worden gebruikt ten behoeve van de delen die wel tot woning dienen.
5.19.
De rechtbank overweegt dat in een woonzorgcomplex het personeel meer dan incidenteel gebruik maakt van de verkeersruimten in verband met het verlenen van zorg. Dat geldt ook voor de verkeersruimten die enkel leiden tot woongedeelten. Belanghebbende heeft dat ook niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn onder die omstandigheden de verkeersruimten niet volledig dienstbaar aan woondoeleinden. [6] De door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie leidt niet tot een ander oordeel, aangezien de situatie in die zaken feitelijk verschilt van dit geval. Dit is voor de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ook af te leiden uit de latere uitspraak van 2 december 2025. [7] De verkeersruimten zijn daarom terecht door de heffingsambtenaar niet meegenomen als woongedeelten.
5.20.
Dit betekent voor zowel [adres 2] als voor [adres 1] dat – zelfs al zouden de opslagruimten volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden – niet ten minste 70% van de waarde van de objecten kan worden toegerekend aan gedeelten die tot woning dienen of volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. De heffingsambtenaar heeft deze objecten daarom terecht als niet-woning aangemerkt. De aanslagen OZB gebruiker en OZB eigenaar niet-woning blijven in stand.

Conclusie en gevolgen

5.21.
De beroepen zijn gegrond. De waarde van het object [adres 2] moet worden verlaagd tot € 14.300.000, de waarde van het object [adres 3] moet worden verlaagd tot € 3.850.000 en de waarde van het object [adres 4] moet worden verlaagd tot € 2.350.000. De aanslagen OZB voor deze objecten moeten dienovereenkomstig worden verlaagd. De aanslag OZB gebruiker voor het object [adres 3] wordt in afwijking daarvan verminderd tot € 1.508,61 (zie 5.12). De aanslagen OZB voor [adres 2] behoeven geen overige aanpassing, aangezien dit object terecht als niet-woning is aangemerkt. Ook de aanlagen OZB voor het object [adres 1] blijven in stand.
5.22.
Omdat de beroepen in de zaaknummers 24/3412, 24/3414, 24/3425 en 24/3558 gegrond zijn, moet de heffingsambtenaar het griffierecht (2 x € 371) aan belanghebbende vergoeden.
5.23.
Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.
5.24.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft voor de bezwaarfase recht op 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde van € 666,- per punt met vermenigvuldigingsfactor 1. Belanghebbende heeft voor de beroepsfase recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt en vermenigvuldigingsfactor 0,25. [8]
5.25.
De beroepen in vier zaken zijn gegrond. [9] In elke van deze zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde gemachtigde. Daarnaast konden in elk van deze zaken, waaronder dit dossier, de werkzaamheden (nagenoeg) identiek zijn en waren dat feitelijk ook. Er is daarom sprake van samenhang. [10] Dat brengt mee dat de hiervoor berekende vergoeding moet worden verhoogd met de samenhangfactor van 1,5 en worden verdeeld over de vier samenhangende zaken. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.698,50.
5.26.
Voor de bijstand door een deskundige (de taxateur) krijgt belanghebbende een vast bedrag per uur, zijnde € 68 per uur, exclusief BTW. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende vrijgestelde prestaties verricht voor de omzetbelasting en daarom geen recht heeft op aftrek van de voorbelasting die drukt op de kosten van de bijstand door de taxateur. De rechtbank vermeerdert de vergoeding daarom met BTW, zodat belanghebbende een vast bedrag per uur van € 82,28 krijgt. Tot de stukken van het geding behoren drie facturen van de taxateur, waaruit blijkt dat hij 8 ( [adres 4] ) en 12 uur ( [adres 2] ) heeft besteed aan de taxaties. Voor het object [adres 3] is geen taxatierapport, dan wel een factuur voor het verrichten van een taxatie ingebracht in het dossier. Voor het object [adres 3] kunnen dan ook geen kosten worden vergoed voor de taxatie. Voor het reizen van en naar alsmede het bijwonen van de zitting heeft de taxateur een tijdsbesteding van 4,5 uur opgegeven. De heffingsambtenaar heeft deze tijdsbesteding niet betwist. De rechtbank zal daarom uitgaan van een totale tijdsbesteding van 24,5 uur. De vergoeding voor de bijstand door een deskundige bedraagt € 2.015,86 inclusief BTW.
5.27.
De totale vergoeding bedraagt dan in totaal € 4.714,36.
Uitbetaling proceskostenvergoeding en gelijkheidsbeginsel
5.28.
De gemachtigde van belanghebbende verzoekt de rechtbank te bepalen dat de betaling van vergoedingen rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden, omdat belanghebbende in de machtiging de vordering vóór de totstandkoming van het nieuwe artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ rechtsgeldig gecedeerd heeft. Daarnaast is het verpandings-/vervreemdingsverbod zoals opgenomen in dit artikel volgens de gemachtigde van belanghebbende onrechtmatig. Daarbij komt dat het cessieverbod discriminatoir is en in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat het enkel geldt in WOZ en Bpm-zaken. Voorts is er volgens de gemachtigde van belanghebbende sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel omdat voor besluiten die zijn genomen vóór 1 januari 2024 de Wet herwaardering proceskosten WOZ en bpm niet wordt toegepast.
5.29.
De proceskostenvergoeding moet op grond van de wet worden uitbetaald op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende. [11] Voor zover de gemachtigde van belanghebbende stelt dat de proceskostenvergoeding ten onrechte rechtstreeks aan belanghebbende moet worden uitbetaald en daarmee de akte van cessie wordt genegeerd overweegt de rechtbank dat zij niet bevoegd is om daarover een oordeel te vellen. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag. [12]
5.30.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de Wet herwaardering proceskosten WOZ en bpm niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank verwijst in dat kader naar het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. [13] Dit geldt mede voor het gegeven dat de Wet herwaardering proceskosten WOZ en bpm enkel wordt toegepast voor besluiten die ná 1 januari 2024 zijn genomen. De wetgever heeft bewust gekozen om overgangsrecht op te nemen om zo te voorkomen dat de maatregelen invloed hebben op lopende bezwaar- en beroepsprocedures. De onder 6.7 genoemde stellingen van de gemachtigde worden dan ook verworpen. De proceskostenvergoeding moet rechtstreeks aan belanghebbende worden betaald.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigd de uitspraken op bezwaar;
  • vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van het object [adres 2] tot € 14.300.000, vermindert de aanslagen OZB dienovereenkomstig;
  • vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van het object [adres 3] tot € 3.850.000, vermindert de aanslag OZB eigenaar niet-woning dienovereenkomstig en vermindert de aanslag OZB gebruiker tot € 1.508,61;
  • vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van het object [adres 4] tot € 2.350.000 en vermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 4.714,36 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 742 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. Gerechtshof Den Haag 31 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:248.
2.0,15270% x € 987.959.
3.Zie Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:770.
4.Zie Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:770
5.Zie Hoge Raad 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1326.
6.Hoge Raad 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1326 en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5172, bevestigd door de Hoge Raad onder verwijzing naar art. 81 RO op 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:517.
7.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7778.
8.Artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ.
9.De zaaknummers 24/3412, 24/3414, 24/3425 en 24/3558.
10.Artikel 3, tweede lid, Besluit proceskosten bestuursrecht.
11.Artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ.
12.Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156.
13.Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.