Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
Feiten
- de [automerk 1] wel op zijn naam staat, maar niet van hem is. Hij heeft nog nooit in de [automerk 1] gereden;
- belanghebbende hem contant geld geeft voor de betaling van de wegenbelasting en de verzekering van de [automerk 1] ;
- hij niet betaalt voor het onderhoud van de auto;
- hij niet aanwezig was bij de aankoop van de [automerk 1] ;
- belanghebbende daarvoor een [automerk 2] had, welke mogelijk op zijn naam staat;
- de betaling van de wegenbelasting en de verzekering van de [automerk 2] op dezelfde wijze ging als bij de [automerk 1] .
- een verklaring van [naam 3] dat hij op 26 december 2016 in een casino in Venlo € 46.352,08 heeft gewonnen en dit bedrag bij belanghebbende in bewaring heeft gegeven;
- een door een notaris beëdigde verklaring van de broer van 20 mei 2021 dat de [automerk 1] en daarvoor de [automerk 2] aan hem en zijn vriendin toebehoorden.
Beoordeling door de rechtbank
- Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
- Is de gegevensuitwisseling tussen het Openbaar Ministerie (OM) en de Belastingdienst onrechtmatig?
- Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?
- Is navordering mogelijk, omdat sprake is van een nieuw feit (2014) of omdat belanghebbende te kwader trouw is (2015 en 2017)?
- Dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard?
- Zijn de (navorderings)aanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld?
- Zijn de boetes terecht en niet tot te hoge bedragen opgelegd?
- Is de kostenvergoeding in bezwaar op het juiste bedrag vastgesteld?
- Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van (immateriële) schade?