Appellant verbleef van 1964 tot 1970 in een jongensinternaat waar hij langdurige ernstige mishandeling en seksueel misbruik heeft ondergaan. Hij is sindsdien psychisch behandeld en arbeidsongeschikt geraakt. In 2010 stelde hij de Congregatie aansprakelijk voor de geleden schade. De rechtbank wees zijn vorderingen af vanwege verjaring en oordeelde dat geen afstand van verjaring was gedaan.
In hoger beroep voert appellant aan dat de Congregatie aansprakelijk is voor de mishandelingen en het seksueel misbruik en dat het beroep op verjaring onaanvaardbaar is. Het hof onderzoekt of de Congregatie vóór 1993 rekening had moeten houden met aansprakelijkheid, of zij zich nog kan verweren en of appellant tijdig heeft gehandeld na bekendwording van de schade.
Het hof gelast een comparitie om nadere informatie te verkrijgen en een minnelijke regeling te beproeven. Tevens beveelt het hof aanvullende stukken over de kennis van de Congregatie omtrent de mishandelingen en het misbruik. De zaak wordt aangehouden tot na de comparitie.