Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.De procedure
- de akte van PEBE
- de akte van de gemeente.
2.De verdere beoordeling
- voldoende grond zou hebben gehad waardoor de vergunning zou zijn verleend en de onderneming zou zijn opgebouwd (de rechtbank verwijst naar de beoordeling van het vierde argument hierna vanaf 2.29)
- tijdig de natuurvergunningen zou hebben gekregen (de rechtbank verwijst naar de beoordeling van het derde argument hierna vanaf 2.22 en naar de toelichting van PEBE tijdens de mondelinge behandeling, die erop neerkwam dat agrarische bedrijven in de relevante periode na verlening van de bouwvergunning gingen bouwen in het vertrouwen dat het later wel goed zou komen met de natuurvergunningen)
- tijdig de financiering zou hebben geregeld (de rechtbank verwijst naar de toelichting, van PEBE en haar financiële deskundige tijdens de mondelinge behandeling, over de financiële praktijk in de agrarische sector en in de onderneming van PEBE).
(a) de geschilpunten wat betreft de handelwijze van PEBE in de hypothetische situatie
(b) het standpunt van de gemeente dat er schade is in een niet rechtmatig belang (dit gaat over de natuurvergunningen en de handhavingspraktijk) en
(c) het standpunt van de gemeente wat betreft de redelijke toerekening (laatste akte van de gemeente, 2.3).
de heer ing. [B] ab ( [C] B.V.) door PEBE
de heer ing. [D] RT MRICS ( [E] ) door de gemeente.
(i) de daadwerkelijke positie van PEBE en hoeveel grond zij in welke periode had en
(ii) de hypothetische positie van PEBE op grond van de in redelijkheid te verwachten inspanningen en marktomstandigheden indien de bouwvergunning eerste fase eerder zou zijn verleend.
- dat er een mogelijkheid was van saldering (in de geitenhouderij) zodat de vereiste natuurvergunning kon worden verleend
- dat er een mogelijkheid was van een PAS-melding (Programma Aanpak Stikstof).
- Was het in 2011-2015 verboden te bouwen zonder natuurvergunningen, of was het toen verboden een stal vol koeien te exploiteren zonder natuurvergunningen?
- Zou PEBE rechtmatig hebben gebouwd in de zakelijke verwachting de natuurvergunningen te hebben vóór de aanvang van de exploitatie? Waarom wel / niet?
- Als een heersende praktijk waarneembaar was in 2011-2015: hoe handelden agrarische bedrijven in 2011-2015 op dit gebied?
De achtergrond van deze vragen is het standpunt van PEBE dat zij evenals andere marktpartijen onverwijld na verlening van de bouwvergunning eerste fase zou zijn begonnen, ook als de natuurvergunningen pas (veel) later worden verleend.
- Zou PEBE inderdaad zo hebben gehandeld en was dat de praktijk in de markt?
- Zou de bevoegde instantie hebben gehandhaafd? Wilt u bij de beantwoording de mogelijke vrees op handhaving betrekken?
- Waren de banken op de hoogte van de handhavingspraktijk en hoe gingen zij daarmee om?
“Het schriftelijke bericht is met redenen omkleed zonder dat het persoonlijke gevoelen van ieder van de deskundigen hoeft te blijken. Ieder van de deskundigen kan van zijn afwijkende mening doen blijken.”
“Bij een juiste besluitvorming door het College had het binnen de beslistermijn (van acht weken welke periode met één maal zes weken kan worden verlengd) positief dienen te beslissen op de aanvraag van 30 september 2010. De aanvraag paste immers binnen het geldende bestemmingsplan (…). Er stond niets aan de vergunningverlening in de weg, anders dan het College bij hoog en laag en met steeds nieuwe onterechte argumenten heeft betoogd.”De rechtbank wijst ook op nrs. 12, 15-16, 33 en 44 van de spreekaantekeningen van PEBE voor de mondelinge behandeling, waarin wordt verwezen naar de wettelijke beslistermijnen met het betoog dat de hypothetische rechtmatige verlening van de bouwvergunning eerste fase op 6 januari 2011 zou hebben plaatsgevonden. Onweersproken is dat 6 januari 2011 het einde is van de wettelijke beslistermijn.
- a) Het bestemmingsplan: een geheel of gedeeltelijk grondgebonden bedrijf is toegestaan.
- b) Aanvraag bouwvergunning 1e fase: september 2010.
- c) *Primair besluit 18-9-2012. Weigering bouwvergunning 1e fase.
- d) Rb 31-12-2013. Beroep gegrond, besluit vernietigd. Bestemmingsplan (grondgebonden agrarisch bedrijf) sluit niet uit dat dieren uitsluitend binnen worden gehouden.
- e) *Nieuw besluit gemeente: wederom weigering. Motivering: de voerbehoefte van koeien en geiten is zo groot dat er geen grondgebonden bedrijf is.
- f) ABRvS 17-5-2017. Hoger beroep PEBE (na ongunstige uitspraak Rb) gegrond, besluit vernietigd. PEBE mag gronden gebruiken voor koeien. De geitenhouderij is niet grondgebonden; daarvoor geldt een vrijstelling uit het verleden. De geiten tellen dus niet mee voor de voerbehoefte en de benodigde grond.
- g) ABRvS 12-6-2018. Beroep gegrond. Niet tijdig beslissen.
- h) *Nieuw besluit gemeente: wederom weigering. Motivering: niet aangetoond voldoende grond. 75% voer uit eigen grond is vereist voor grondgebondenheid. Krachtvoerbehoefte telt mee.
- i) ABRvS 17-4-2019. Beroep gegrond, besluit vernietigd. Ondeugdelijk gemotiveerd waarom 75% voerproductie uit grond is vereist. Lang uitgegaan van ruwvoer, dus nu mag gemeente niet de eis stellen dat er voldoende grond moet zijn voor productie ruwvoer en krachtvoer.
- j) *Nieuw besluit gemeente 30-1-2020: herroeping primair besluit, vergunning verleend, maar met voorwaarde: jaarlijks aantonen 271,6267 ha grond (op basis van 75%) en verantwoording al vanaf mei 2020.
- k) ABRvS 4-11-2020. Beroep gegrond, besluit (dus: voorwaarde) vernietigd. De gemeente is PEBE tegemoetgekomen nadat de bestuursrechter de partijen in de gelegenheid stelde met elkaar overleg te voeren: voor de meting van de grond gelden voortaan 2 in plaats van 4 cijfers achter de komma; afspraken zijn gemaakt over het peilmoment in het jaar en het moment waarop voor het eerst de beschikbare grond moet worden aangetoond (namelijk per koe en pas als de koeien er staan). Over al deze punten spreekt de ABRvS zich dus niet uit. De ABRvS beslist wel dat de gemeente wederom niet voldoende heeft gemotiveerd waarom 75% voer uit eigen grond vereist is voor grondgebondenheid.
- l) Nieuw besluit gemeente 22-12-2020. Na overleg: 65% voer uit eigen grond en per stuk vee 0,21 ha. Herroeping primair besluit.
- de eerste opvatting: de dieren mogen niet uitsluitend binnen worden gehouden
- de tweede opvatting: de voerbehoefte van de geiten telt mee
- de derde opvatting: 75% van het voer moet uit eigen grond komen en krachtvoer telt mee
- de vierde opvatting: wederom het vereiste “75%” en dit moet niet jaarlijks maar vooraf worden aangetoond.
- 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7040, ro. 3.4.2 en
- 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7579, ro. 3.3
en herhaald in de arresten van:
- 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1454, ro. 3.4.2
- 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:353, ro. 3.5.1 en
- 5 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:339, ro. 3.1.3.
“De huidige lijn in de rechtspraak komt er op neer dat uit de omstandigheid dat een belanghebbende tegen het beweerdelijk niet tijdig nemen van een besluit op aanvraag geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen heeft aangewend, niet volgt dat een bestuursorgaan niet aansprakelijk kan worden gehouden voor schade die uit het niet tijdig nemen van een besluit kan voortvloeien.”PEBE heeft zich in deze procedure wel beroepen op schadevergoeding in verband met onrechtmatig handelen door niet tijdig beslissen (zie 2.13-2.15 hiervoor).
- 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:792 en
- 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, ro. 144:
“De dag na het onherroepelijk worden van het schadeveroorzakende besluit is de eerste dag van de vijfjaarstermijn.”Het schadeveroorzakende besluit is in dit geval het besluit van 22 december 2020, omdat de gemeente bij dat besluit het primaire besluit van 18 september 2012 heeft herroepen en de vergunning heeft verleend.
- de mate van overschrijding van de beslistermijn: zeer ernstig, zowel twee jaar vanaf aanvraag tot primair besluit als tien jaar vanaf aanvraag tot het definitieve besluit eind 2020
- het voor de gemeente van meet af aan kenbare belang van PEBE om snel aan de slag te gaan met de bouw en de nieuwe onderneming, te meer in het licht van de afschaffing van het melkquotum
- de oplossing eind 2020: de gemeente heeft de vergunning verleend in goed overleg met PEBE; uit niets blijkt dat de gemeente dat overleg niet had kunnen en moeten voeren in de periode na de aanvraag, waardoor de vergunning begin 2011 had kunnen en moeten worden verleend en naar verwachting in de hypothetische rechtmatige situatie zou zijn verleend.
“Ik merk overigens op dat ik vermoed dat het vereiste van bijkomende omstandigheden in de praktijk geen grote betekenis zal hebben. Voor het aannemen van een onrechtmatige daad is vereist dat de overschrijding waarneembare schade heeft toegebracht aan een belanghebbende (derde belanghebbende daaronder begrepen). Dat is een kwestie van causaliteit en dus eigenlijk geen bijkomende omstandigheid, maar verschillende factoren vallen hier samen. Wil de veroorzaakte schade waarneembaar zijn, dan zal sprake moeten zijn van enige duur van de overschrijding. Eén dag is daardoor denkelijk te weinig, maar 29 weken meer dan genoeg.”
- dat de gemeente in de hypothetische rechtmatige situatie wat betreft het bestemmingsplan zou zijn uitgegaan van een juiste opvatting en deze opvatting deugdelijk zou hebben gemotiveerd
- dat de gemeente daadwerkelijk pas op 22 december 2020 een rechtmatig primair besluit heeft genomen en daarbij de bouwvergunning eerste fase heeft verleend met bepaalde voorwaarden.
“vergunninghouder dient ieder jaar aan te tonen dat per (…) gehouden stuks melkvee (…) 0,21 ha beschikbaar is om te kunnen voorzien in de productie van ruwvoer (gras en mais). Hiertoe dient vergunninghouder uiterlijk 31 mei van dat jaar de gecombineerde opgave (Landbouwtelling) te overleggen en per 31 december de rundveestaten waaruit de feitelijke dierbezetting van dat jaar blijkt, zulks voor het eerst in het jaar dat de vergunde stal wordt bevolkt.”
- 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1510 (
X/gemeente Sluis), rov. 3.2
- 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:115 (
X/Gemeente Waalre), rov. 3.2.1
- 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1334 (
Nannoka/Provincie Gelderland), rov. 3.2. De rechtbank merkt op dat intussen twee arresten na verwijzing zijn gepubliceerd:
- hof Arnhem-Leeuwarden, 30 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4521 (X/Gemeente Waalre) en
- hof ’s-Hertogenbosch, 25 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:819 (Nannoka/Provincie Gelderland).
Het hof ’s-Hertogenbosch heeft in het arrest van 28 oktober 2025 overwogen:
“Uit de rechtspraak van de Hoge Raad leidt het hof af dat in een geval als het onderhavige beoordeeld moet worden hoe het bevoegd gezag zou hebben gehandeld of besloten op de peildatum van het onrechtmatige besluit indien het niet het onrechtmatige besluit had genomen, veronderstellende dat het op dat moment wist van het gebrek dat aan het besluit kleefde, waarbij de peildatum is het tijdstip waarop het onrechtmatige besluit is genomen en bij deze beoordeling dus moet worden uitgegaan van dat tijdstip.”
“Inmiddels is gebleken dat door middel van het verbinden van een voorschrift aan de vergunning[conform 2.30 hiervoor, rechtbank]
, kan worden geborgd dat het aangevraagde bouwwerk wordt opgericht met het oog op een gebruik dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan (een 'Agrarisch bedrijf, grondgebonden').”Uit niets blijkt dat de gemeente in de hypothetische situatie op de peildatum (18 september 2012) rechtmatig een eis met betrekking tot een bepaalde hoeveelheid grond zou hebben gesteld of dat de gemeente op de peildatum de vergunning rechtmatig zou hebben geweigerd als PEBE aan een dergelijke eis niet zou voldoen. Niets stond aan de verlening van de vergunning op de peildatum in de weg, behalve de opeenvolgende onjuiste interpretaties en ondeugdelijke motiveringen die de gemeente heeft aangedragen (zie vanaf 2.18 hiervoor).
- de grondopgave evenals in de werkelijke situatie klakkeloos zou hebben overgenomen of
- PEBE zou hebben medegedeeld dat 64,45 ha blijkt uit onderzoek, dat bij die stand van zaken niet meer dan ongeveer 300 dieren mogen worden gehouden en dat PEBE conform de voorwaarde te zijner tijd een nieuwe grondopgave moet indienen indien zij meer dieren wil houden.
“Het gaat er dus om of het voor het bestuursorgaan op het moment dat het onrechtmatige besluit is genomen, mogelijk was een rechtmatig besluit te nemen (met dezelfde schade tot gevolg). (Natuurlijk is ook vereist dat voldoende aannemelijk is dat het bestuursorgaan dit besluit ook zou hebben genomen.) Als dat niet het geval is, staat daarmee het csqn-verband tussen het onrechtmatige besluit en de daardoor veroorzaakte schade vast.”Bij het onderzoek door de deskundigen is de peildatum, zoals bedoeld in het arrest van Hof ’s-Hertogenbosch van 28 oktober 2025 (2.32 hiervoor), niet relevant, omdat de peildatum geldt bij het c.s.q.n.-verband, waarover de rechtbank hiervoor al heeft beslist. Het onderzoek spitst zich toe op causaal verband (redelijke toerekening), waarbij de periode vanaf 6 januari 2011 voorshands wordt meegenomen (2.28 hiervoor).
- vergunningverlening op 6 januari 2011 en
- vergunningverlening op 18 september 2012.
Dit is doelmatig omdat deze uitwerking naar verwachting in de context niet veel tijd en geld kost, in het licht van het onderzoek als geheel.
- het gaat de gemeente om de discussie over de peildatum (6 januari 2011 of 18 september 2012), die voorshands naar verwachting op zichzelf niet zonder meer doorslaggevend hoeft te zijn voor de beslissing in de zaak (wellicht wel in combinatie met andere omstandigheden, maar het is doelmatig eerst die andere omstandigheden te onderzoeken)
- bij het onderzoek wordt ook de door de gemeente verdedigde peildatum meegenomen (2.40 hiervoor)
- hoger beroep en cassatie op dat specifieke punt (de discussie over de peildatum) kunnen vier jaar of meer in beslag nemen, terwijl een eindbeslissing op alle punten in deze instantie na onderzoek naar reële verwachting binnen een paar jaar haalbaar zou moeten zijn.
3.De beslissing
1.Marktomstandigheden.(i) Wilt u de situatie in de markt voor melkveehouderijen beschrijven in de jaren 2011-2015?(ii) Wilt u in het bijzonder aandacht besteden aan de operationele, financiële en regelgevende aspecten van melkveehouderijen in de jaren 2011-2015?
2.Financiering.(i) Hoe beoordeelden de banken financieringsaanvragen voor een agrarische onderneming in de melkveehouderij in de periode 2011-2015?(ii) Hoe zou een bank een financieringsaanvraag van PEBE voor het businessplan (maximaal 900 koeien) in die periode hebben beoordeeld?(iii) Kunt u iets zeggen over de duur van het doorlopen van het financieringstraject, dus vanaf het moment van de eerste benadering tot aan het moment van het daadwerkelijk ter beschikking stellen van de benodigde financiering?(iv) Hoe zou een bank de mogelijkheid, dat de twee vereiste natuurvergunningen (artikel 16 en Pro artikel 19d Nbw) nog niet waren verleend, hebben beoordeeld en wat voor impact heeft deze mogelijkheid op de beoordeling van een financieringsaanvraag?
3.Grond.(i) Over hoeveel grond zou PEBE in 2011-2015 naar redelijke verwachting hebben beschikt voor het telen van gewassen binnen een straal van 25 kilometer?(ii) Welke rol speelt een eventuele mogelijkheid om tijdelijk minder geiten te houden (zoals PEBE beschrijft)?
4.Natuurvergunningen (artikel 16 en Pro artikel 19d Nbw).
(ii) Zouden de natuurvergunningen het businessplan hebben vertraagd of zou PEBE zo nodig verder zijn gegaan met het businessplan in afwachting van de natuurvergunningen?
6.Peildatum.Wilt u uw beantwoording van vraag 5 uitwerken voor twee situaties:- de gemeente zou de bouwvergunning eerste fase hebben verleend op 6 januari 2011,- de gemeente zou de bouwvergunning eerste fase hebben verleend op 18 september 2012,telkens met de tekst die de gemeente daadwerkelijk heeft gebruikt bij de verlening van de bouwvergunning eerste fase op 22 december 2020 (2.30 hiervoor)?
Eventuele overige punten.Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
binnen drie wekenna ontvangst van het verzoek van de rechtbank om als deskundige op te treden een begroting van de kosten opgeven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten,
binnen twee wekenna dagtekening van de brief/het bericht van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting,
- de deskundigen het onderzoek pas beginnen na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,
woensdag 7 oktober 2026,
op 11 maart 2026.