Conclusie
1.Feiten
“de gemeente” neemt de inspanningsverplichting op zich om op basis van een goede Ruimtelijke Ordening alle benodigde Ruimte Ordeningsprocedures tot uitvoering te brengen en af te ronden om te komen tot de voor de door partijen beoogde planuitvoering benodigde wijziging van het planologisch regime.
“de gemeente” neemt de inspanningsverplichting op zich om het realiseren van het project te blijven bevorderen en verplicht zich ten opzichte van de exploitatie in te spannen om, voor zover deze noodzakelijk zijn en voor zover dat formeel in haar macht ligt, de bouwvergunning(en) die voor de planuitvoering nodig zijn, direct na indiening van elke aanvraag in behandeling te nemen en binnen de gestelde wettelijke termijnen af te handelen c.q. te laten afhandelen voor zover dat niet tot haar eigen taak behoort.
“de gemeente” neemt de inspanningsverplichting op zich om te bevorderen dat eventuele in verband met de te verlenen vergunningen essentiële verklaringen, goedkeuringen of toestemming van hogere overheden tijdig zullen worden verleend. Zij zal de exploitant op de hoogte houden van de voortgang van de in dit artikel bedoelde procedures.
“de gemeente” houdt bij de nakoming van hetgeen in dit artikel is bepaald echter volledig haar publiekrechtelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van algemene plaatselijke verordening-, ruimtelijke ordening-, Woningwet- en milieubeheerprocedures.”
2.Procesverloop
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
het vorenstaande” met zich brengt dat de stelling van [eiseres] dat de gemeente in gebreke is gebleven met een adequate tijdige afhandeling van de door [eiseres] ingediende bouwaanvragen, dient te worden beoordeeld aan de hand van het kader dat de Hoge Raad heeft geformuleerd voor overheidsaansprakelijkheid wegens het overschrijden van de wettelijke beslistermijn voor een besluit (rov. 3.14).
onder meer”) relevant kunnen zijn, noemt de Hoge Raad de mate waarin de beslistermijn wordt overschreden, de oorzaak of oorzaken van de termijnoverschrijding en de voor het bestuursorgaan kenbare belangen van de belanghebbenden. [19] Niet vereist is dat de ‘bijkomende omstandigheden’ aan de gemeente kunnen worden toegerekend. [20]
algemenezin oordeelt wat de krachtens art. V van de exploitatieovereenkomst op de gemeente rustende inspanningsverplichtingen inhouden, namelijk dat – kort gezegd – de gemeente zich met betrekking tot het project in procedureel opzicht welwillend diende op te stellen en voortvarend diende te handelen. Hiermee ziet het oordeel van het hof kennelijk op de discussie die partijen in hoger beroep hebben gevoerd over de vraag of de in art. V van de exploitatieovereenkomst opgenomen verplichtingen voor de gemeente moeten worden gekwalificeerd als resultaatsverplichtingen, althans als inspanningsverplichtingen met resultaatselement ( [eiseres] ) dan wel als loutere inspanningsverplichtingen (de gemeente). [22] Het hof volgt dus die tweede uitleg.
waaropde aldus uitgelegde inspanningsverplichtingen van de gemeente vervolgens
concreetbetrekking hebben, ligt in zoverre voor de hand dat dit reeds volgt uit de tekst van art. V van de exploitatieovereenkomst. De gemeente heeft het bepaalde in art. V op zichzelf ook niet ter discussie gesteld, maar in hoger beroep (onder meer) verdedigd dat de in art. V onder b neergelegde inspanningsverplichting aldus moet worden uitgelegd, dat de gemeente in beginsel (slechts) binnen de wettelijke termijn moest beslissen (op de bouwaanvragen van [eiseres] die in overeenstemming zijn (gebracht) met het bestemmingsplan [23] ), maar niet indien het besluit negatief zou zijn voor [eiseres] , in welk geval er volgens de gemeente, ongeacht de beslistermijn, moest worden gewacht totdat er een positief besluit kon worden genomen. [24]
om zich in te spannen de bouwvergunningen die voor de uitvoering van het project nodig zijn direct na het indienen van elke aanvraag in behandeling te nemen en binnen de gestelde wettelijke termijnen af te handelen” (rov. 3.3.1). Verder is op te merken dat in rov. 3.13 wel besloten ligt dat het hof van oordeel is geweest dat de inspanningsverplichtingen van de gemeente ook zagen op – kort gezegd – het tijdig afhandelen van de ingediende bouwaanvragen, namelijk daar waar het hof overweegt dat [eiseres] geen, althans onvoldoende aanknopingspunten heeft verschaft voor het oordeel dat met art. V onder b van de exploitatieovereenkomst is beoogd zonder meer een contractuele aansprakelijkheid te scheppen voor het geval niet tijdig zou worden beslist op de bouwaanvragen (rov. 3.13, slot). [25]
ook(met zoveel woorden) heeft geoordeeld dat de gemeente ook de inspanningsverplichting had om de bouwvergunningen direct na indiening van elke aanvraag in behandeling te nemen en binnen de gestelde wettelijke termijnen af te handelen. Onvoldoende gemotiveerd is het oordeel van het hof evenmin.
dat met artikel V onder b van de exploitatieovereenkomst partijen hebben beoogd, naast aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, zonder meer een contractuele aansprakelijkheid te scheppen voor het geval de Gemeente niet tijdig zou beslissen op bouwaanvragen van [eiseres]”. Onderdeel d richt zich daarbij tevens tegen de overwegingen van het hof in rov. 3.14 en de eerste twee zinnen van rov. 3.17.
het vorenstaande” meebrengt dat het kader van toepassing dat de Hoge Raad heeft geformuleerd voor de beoordeling of op grond van
art. 6:162 BW Proaansprakelijk bestaat wegens overschrijding van een wettelijke beslistermijn. Als het hof ervan uit is gegaan dat schending van de in art. V onder b van de exploitatieovereenkomst opgenomen inspanningsverplichting wél tot contractuele aansprakelijkheid zou kunnen leiden, zou het bedoelde kader immers pas in beeld zijn gekomen op het moment dat hof zou hebben geoordeeld dat géén sprake is van wanprestatie aan de zijde van de gemeente. Daarover heeft het hof echter niets beslist.
uitsluiten. Waarom [eiseres] aanknopingspunten had moeten verschaffen voor het door het hof bedoelde oordeel, valt derhalve ook in dat licht niet in te zien. Art. 6:74 BW Pro brengt voorts met zich dat voor het bestaan of ontstaan van contractuele aansprakelijkheid, anders dan het hof lijkt te veronderstellen, evenmin vereist is dat partijen sancties hebben gesteld op het niet nakomen van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. Dat in deze zaak sprake is van een contractuele
inspanningsverplichting maakt het voorgaande niet anders. Ook in een dergelijke verplichting kan een schuldenaar immers tekortschieten in de door art. 6:74 BW Pro bedoelde zin, namelijk indien hij niet de vereiste mate van inspanning heeft geleverd. [26]
onderdeel c, dat de eerder genoemde overwegingen van het hof in rov. 3.13 met een motiveringsklacht bestrijdt, onbesproken blijven.
contractueleaansprakelijkheid kan leiden en dat dit niet te rijmen is met ’s hofs overwegingen in rov. 3.12, is ook dit onderdeel terecht voorgesteld.
contractueleaansprakelijkheid bestaat indien de gemeente de in art. V onder b van de exploitatieovereenkomst neergelegde inspanningsverplichting niet nakomt. Het door de Hoge Raad geformuleerde kader aan de hand waarvan het hof beoordeelt of de gemeente (ex art. 6:162 BW Pro) aansprakelijk is op de grond dat zij in gebreke is gebleven met een tijdige afhandeling van de bouwaanvragen, sanctioneert slechts de wettelijke verplichting van de gemeente om binnen de daarvoor geldende termijnen te beslissen op bouwaanvragen. De volgens het hof op de gemeente rustende contractuele inspanningsverplichting om tijdig te beslissen op de bouwaanvragen verwordt daarmee feitelijk tot een lege huls. [28] In dit opzicht komen de overwegingen van het hof in rov. 3.13 en 3.14 er inderdaad op neer, zoals het onderdeel stelt, dat de in art. V onder b van de exploitatieovereenkomst opgenomen inspanningsverplichting van de gemeente niets toevoegt aan de wettelijke verplichtingen van de gemeente bij bouwvergunningaanvragen.
zonder meer”) leidt tot contractuele aansprakelijkheid, kan het arrest niet in stand blijven.
onvoldoende voortvarendheeft gehandeld (kennelijk: in de besluitvorming ten aanzien van de door [eiseres] ingediende bouwaanvragen). Het hof verbindt aan dit oordeel vervolgens echter niet de conclusie dat de gemeente is tekortgeschoten in de krachtens de exploitatieovereenkomst op haar rustende inspanningsverplichtingen. Dat het hof niet tot deze slotsom komt, is onbegrijpelijk in het licht van de uitleg die het hof in rov. 3.12 aan de contractuele inspanningsverplichtingen van de gemeente heeft gegeven. Dat partijen geen sanctie hebben verbonden aan het niet nakomen van deze verplichtingen door de gemeente en dat [eiseres] geen (toereikende) aanknopingspunten zou hebben verschaft voor het oordeel dat – kort gezegd – partijen hebben beoogd contractuele aansprakelijkheid te scheppen, zoals het hof in rov. 3.13 overweegt, maakt het voorgaande niet anders, zoals hiervoor is besproken.
in de communicatiein de richting van [eiseres] onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, gaat zij uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. De desbetreffende overweging luidt immers (mijn onderstreping): “
Dit [voortvarend handelen; A-G] heeft de Gemeente,
zekerookals het gaat om de communicatie in de richting van [eiseres] , onvoldoende gedaan.”
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
subonderdeel 1.1is de beslissing van het hof in rov. 3.16 onbegrijpelijk in het licht van het betoog van de gemeente dat partijen blijkens de exploitatieovereenkomst tot realisatie van het project wilden komen en dat de gemeente in beginsel tijdig diende te beslissen, maar dat indien deze beslissing negatief zou zijn voor [eiseres] – ongeacht de beslistermijn – er zou worden gewacht tot er een positief besluit zou kunnen worden genomen. Volgens het subonderdeel valt niet in te zien waarom partijen de exploitatieovereenkomst over en weer redelijkerwijs zo dienden te begrijpen dat de gemeente in ieder geval tijdig diende te beslissen, althans meer voortvarend had moeten handelen met de beslissing op deze aanvragen indien dat ertoe zou leiden dat de aanvragen zouden moeten worden afgewezen. Daarmee waren immers ook de belangen van [eiseres] niet gediend en het zou evident niet in het belang van realisatie van de in de exploitatieovereenkomst opgenomen ontwikkeling zijn geweest, zo wordt gesteld. Het subonderdeel voegt hieraan toe dat zo het hof het vorenstaande niet heeft miskend, maar heeft beslist dat de gemeente positief op de aanvragen had kunnen beslissen indien zij meer voortvarend zou hebben gehandeld, zijn beslissing rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is.
dit verweer berust op een verkeerde uitleg van de exploitatieovereenkomst”) met de overweging dat de gemeente niet behoorde te wachten, maar voortvarend diende te handelen. Daarmee komt het hof tot een andere uitleg van exploitatieovereenkomst dan de gemeente. Die uitleg van het hof houdt kennelijk in dat de gemeente steeds voortvarend diende te handelen, ook als het op dat moment niet mogelijk was om een voor [eiseres] gunstig besluit te nemen. Deze uitleg van het hof, die in de kern aansluit bij ’s hofs overwegingen in rov. 3.12, is op zichzelf niet onbegrijpelijk. Dat de gemeente een andere uitleg heeft bepleit die wellicht net zo goed mogelijk was geweest, maakt dit niet anders, [29] evenmin als de omstandigheid dat de gemeente, zoals het subonderdeel vermeldt, in hoger beroep met betrekking tot alle vier de bouwaanvragen heeft betoogd dat zij daarop (in eerste instantie) niet positief kon beslissen.
voortvarender had moeten handelen” (door eerder op de door het subonderdeel genoemde aanvragen te beslissen dan zij heeft gedaan, dan wel anderszins, aldus het subonderdeel). Dat oordeel is volgens het subonderdeel onjuist dan wel onbegrijpelijk. Het subonderdeel richt geen klachten tegen de vaststelling van het hof in de eerste volzin van rov. 3.16 dat “
vast staat dat de Gemeente niet tijdig (dat wil zeggen, niet binnen de gestelde termijnen) heeft beslist op de bouwaanvragen voor het woningbouwproject”. Uit het enkele feit dat het subonderdeel verwijst naar het door de gemeente in hoger beroep gevoerde betoog dat de beslistermijn met betrekking tot voormelde aanvragen niet is overschreden of niet is gaan lopen, laat zich geen klacht tegen deze vaststelling afleiden. [30] De summiere schriftelijke toelichting van de gemeente biedt geen aanknopingspunten voor een andere lezing van het subonderdeel. [31]
de exploitatieovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat er moet worden gewacht met de besluitvorming indien dit in het belang van de realisatie van het project was”. Indien moet worden aangenomen dat het hof daarbij óók het oog heeft gehad op aanvragen voor vrijstelling van het bestemmingsplan, verwerpt het hof aldus het subsidiaire gedeelte van het hiervoor weergegeven betoog van de gemeente. In die verwerping ligt tevens een verwerping besloten van de primaire stelling van de gemeente dat geen contractuele verplichting gold om binnen de wettelijke termijnen te beslissen op vrijstellingsverzoeken. Hierop stuit subonderdeel 1.3, dat aanhaakt bij deze primaire stelling van de gemeente, af.
toerekenbaarheidvan de aan de zijde van de schuldenaar geconstateerde tekortkoming. Nu de vraag of sprake is van een tekortkoming moet worden onderscheiden van de vraag naar de toerekenbaarheid van de tekortkoming, [35] komt een dergelijk verweer pas aan de orde indien
eerstis vastgesteld dat sprake is van een tekortkoming van de schuldenaar.
niet tijdig(dat wil zeggen, niet binnen de gestelde wettelijke termijnen) afhandelen van de door [eiseres] ingediende bouwaanvragen. In die sleutel staan ook de overwegingen van het hof in rov. 3.13-3.19. Tegen deze achtergrond is de overweging van het hof in rov. 3.16 dat de gemeente “
zeker ook als het gaat om de communicatie in de richting [eiseres]” onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, slechts te beschouwen als een zijdelingse opmerking over een kwestie die het hof heeft gesignaleerd en waarvan het kennelijk meende dat deze niet onbenoemd mocht blijven (
“zekerook”; mijn onderstreping), ondanks dat de te beantwoorden vraag een andere kwestie betrof. Dat aan die overweging niet méér – en dus ook geen voor ’s hofs oordeel dragende – betekenis is toe te kennen in het kader van de door het hof te beantwoorden vraag, en het hof deze overweging kennelijk ook niet als zodanig bedoeld heeft, volgt ook hieruit dat het hof de overweging heeft verpakt in een tussenzin en daarbij het woord ‘ook’ bezigt.
daarmee”, op (het betoog van) de voorgaande klachten voortbouwen.
eersteplaats wordt geklaagd dat deze overweging onjuist dan wel onbegrijpelijk is, omdat ook de door het hof bedoelde communicatie er niet toe had kunnen leiden dat een of meer van de bouwaanvragen in 2009 of begin 2010 zouden zijn gehonoreerd, gelet op de door subonderdeel 2.2 genoemde stellingen van de gemeente met betrekking tot bouwaanvragen 1 tot en met 4 en de vaststelling van het hof in rov. 3.15 met betrekking tot de aanvraag voor de levensloopbestendige woningen. Het subonderdeel stelt voorts, in de
tweedeplaats, dat de bestreden overweging evenzeer onbegrijpelijk is, indien deze zo zou moeten worden begrepen dat de door het hof bedoelde communicatie tussen [eiseres] en de gemeente er in 2009 of begin 2010 mogelijk toe zou hebben geleid dat [eiseres] nieuwe (gewijzigde) aanvragen zou hebben ingediend waarop veel sneller positief had kunnen worden beslist.
of [eiseres]een bijzonder belanghad bij tijdige besluitvorming door de Gemeente ten aanzien van het project en ofde Gemeente dit toen bekend was” (mijn onderstrepingen). Uit de daarop volgende overwegingen kan worden opgemaakt dat het ‘
bijzondere belang’ van [eiseres] naar het kennelijke oordeel van het hof is gelegen in het tijdig verlenen van in ieder geval een deel van de bouwaanvragen c.q. het gedeeltelijk doorgang vinden van het project. Waar het naar het oordeel van het hof vervolgens klaarblijkelijk spaak loopt, is dat ‘dit de gemeente toen niet
bekend was’; volgens het hof is niet gemotiveerd gesteld en te bewijzen aangeboden of anderszins gebleken dat [eiseres] de gemeente (voldoende duidelijk) op de hoogte heeft gesteld van de mogelijkheid van het gedeeltelijk doorgang vinden van het project (rov. 3.18, slot). Dit brengt het hof tot de slotsom dat niet geconcludeerd kan worden tot aansprakelijkheid van de gemeente op de grond dat zij in gebreke is gebleven met een adequate tijdige afhandeling van de door [eiseres] ingediende bouwaanvragen (rov. 3.19).
bekendwas geweest dat [eiseres] een bijzonder belang had bij tijdige besluitvorming en daarmee wellicht wél grond was geweest (“
het mogelijk verschil had gemaakt”) voor aansprakelijkheid van de gemeente.