Eiseres maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar twee-onder-een-kapwoning uit 1979, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €357.000 per peildatum 1 januari 2022. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een waardematrix en vergelijkingsmethode, waarbij drie vergelijkingsobjecten werden gebruikt. Eiseres betwistte de toegepaste correctiefactoren en de waardering van de woning, onder meer vanwege een asbestdak en ligging.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woningen en dat de vastgestelde waarde niet te hoog was. Wel stelde de rechtbank vast dat eiseres in bezwaar niet was gewezen op haar inzagerecht en dat de heffingsambtenaar de bij de uitspraak op bezwaar gebruikte iWOZ-kaarten niet tijdig aan eiseres had verstrekt, wat een procedureel gebrek opleverde.
Hierdoor werd de uitspraak op bezwaar vernietigd, maar de rechtsgevolgen van die uitspraak bleven in stand omdat de waarde niet te hoog werd geacht. Eiseres kreeg een vergoeding van het griffierecht en proceskosten toegekend. De rechtbank oordeelde verder dat de te late indiening van het verweerschrift en de reactie daarop een omissie over en weer was en geen aanleiding gaf tot aanvullende proceskostenvergoeding.
De uitspraak werd mondeling gedaan op 2 september 2025 door rechter A.F. Vink in aanwezigheid van griffier L.T.H. Verhagen. Partijen werd gewezen op het recht om binnen zes weken hoger beroep in te stellen.