ECLI:NL:HR:2011:BQ7597
Hoge Raad
- Cassatie
- C. Schaap
- A.H.T. Heisterkamp
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest Hof over waardering woning met asbest en toepassing margeregeling Wet WOZ
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting van zijn woning in 's-Gravenhage. De rechtbank en het Hof verklaarden het beroep ongegrond en bevestigden de vastgestelde waarde van €705.000. Belanghebbende stelde dat de aanwezigheid van asbesthoudende materialen een waardedrukkende factor is die niet correct is meegenomen.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een directe noodzaak tot verwijdering van asbest was, en dat de kosten daarvan niet zodanig waren dat de margeregeling van artikel 26a Wet WOZ werd overschreden. De Hoge Raad stelde echter vast dat het Hof ten onrechte de bewijslast bij belanghebbende legde, terwijl het op de heffingsambtenaar rust om aannemelijk te maken dat met waardedrukkende omstandigheden voldoende rekening is gehouden.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de margeregeling van artikel 26a Wet WOZ vanwege schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol EVRM buiten toepassing moet blijven. Ook het oordeel dat alleen bij directe verwijderingsnoodzaak rekening mag worden gehouden met asbestkosten is onjuist, omdat potentiële kopers ook toekomstige kosten kunnen meenemen in hun bod.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. Tevens werd de gemeente veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam.