Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2340

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
22/4516
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:177a BWArt. 3:2 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke vernietiging besluit mijnbouwschade en aanvullende vergoeding voor schades aan opstallen

Eiseres, eigenaar van een woning met schuur, vordert vergoeding van fysieke schade veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen het besluit van het Instituut Mijnbouwschade Groningen dat een schadevergoeding toekende voor diverse schades aan het voorhuis en de schuur.

De rechtbank stelt vast dat het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW geldt, waarbij het Instituut het bewijsvermoeden kan weerleggen door een autonome oorzaak aan te tonen. Voor het voorhuis uit 1930 is vastgesteld dat het op staal is gefundeerd en de schade veroorzaakt wordt door consolidatiezetting, niet door mijnbouwactiviteiten. De rechtsgevolgen van het besluit blijven daarom voor het voorhuis in stand.

Voor de schuur uit 1957, gefundeerd op palen, is het bewijsvermoeden niet weerlegd. Het Instituut heeft onvoldoende onderbouwing gegeven voor de oorzaak van de schade, waardoor het besluit ten aanzien van de schuur wordt vernietigd en een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen. Daarnaast krijgt eiseres een aanvullende vergoeding van € 2.170,54 voor schades 3, 9, 10 en 50.

De rechtbank veroordeelt het Instituut in de proceskosten en draagt op binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen over de overige schades, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit deels vernietigd, een aanvullende schadevergoeding toegekend en een nieuw besluit op bezwaar opgedragen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 22/4516

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juni 2026 in de zaak tussen

[naam maatschap] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. van Gent),
en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut

(gemachtigden: mrs. I. Pijper en P. Zoeten).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag voor vergoeding van fysieke schade door mijnbouwactiviteiten aan de opstallen (voorhuis en schuur) van eiseres. Ten aanzien van de schades die niet (volledig) zijn vergoed betwist eiseres dat het Instituut het bewijsvermoeden als bedoeld in artikel 6:177a BW heeft weerlegd. Eiseres is het ook niet eens met de hoogte van de schadevergoeding en de herstelmethode die het Instituut heeft bepaald. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit wordt gedeeltelijk vernietigd. Ten aanzien van schades 3, 9, 10 en 50 heeft eiseres recht op een aanvullende schadevergoeding. De rechtbank laat de rechtsgevolgen voor zover is beslist over de schade aan het voorhuis in stand. Ten aanzien van de schades aan de schuur moet het Instituut een nieuw besluit op bezwaar nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak en de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Feiten en procesverloop

2. Eiseres is eigenaar van de woning met schuur aan [adres] . Het woonhuis is gebouwd in 1930. De schuur is in 1957, nadat deze in 1945 was afgebrand, herbouwd. [naam] , op de zitting aanwezig als vertegenwoordiger van eiseres, heeft -op jonge leeftijd- zelf nog gezien dat de schuur werd gebouwd.
2.1.
Eiseres heeft op 25 september 2019 schade gemeld bij de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen.
2.2.
Naar aanleiding van de aanvraag heeft op 6 juli 2020 een inspectie van het voorhuis en de schuur van eiseres plaatsgevonden. Hiervan heeft deskundige W. Rinsema van CED een adviesrapport opgemaakt. Er zijn 147 schades opgenomen. In het rapport van 14 augustus 2020 wordt voor bijna alle schades een percentage van 10 of 25 toegerekend aan mijnbouwactiviteiten. Voor deze schades wordt als primaire oorzaak zetting van de fundering aangewezen. Dit wordt volgens Rinsema veroorzaakt door onvoldoende draagkracht van de ondergrond (klei), in combinatie met een verschil in belasting op de fundering/vloeren. Schades 44, 45, 59, 60 en 61 worden volledig toegerekend aan mijnbouwactiviteiten. De aangetroffen scheefstand en scheuren zijn volgens Rinsema niet veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten, maar het is niet uit te sluiten dat daardoor wel een (zeer) geringe verergering is ontstaan. Meer specifiek maakt Rinsema onderscheid tussen (1) schades die zijn veroorzaakt door zetting van de fundering, waarbij een geringe verergering van deze schades niet is uit te sluiten en daarom alsnog 25% vergoeding, (2) schades die zijn veroorzaakt door zetting van de fundering, waarbij een zeer geringe verergering van deze schades niet is uit te sluiten en daarom alsnog 10% vergoeding, (3) schades die zijn veroorzaakt door spatkrachten, waarbij een geringe verergering van deze schades niet is uit te sluiten en daarom alsnog 25% vergoeding, (4) schades die niet worden vergoed, (5) schades die volledig worden vergoed, (6) schades die zijn veroorzaakt door thermische werking, waarbij een geringe verergering van deze schades niet is uit te sluiten en daarom alsnog 25% vergoeding, (7) schades die zijn veroorzaakt door thermische werking, waarbij een zeer geringe verergering van deze schades niet is uit te sluiten en daarom alsnog 10% vergoeding en (8) schades die zijn veroorzaakt door overmatige oplegdruk van de betonnen latei op de onderliggende bakstenen muur, waarbij een zeer geringe verergering van deze schades niet is uit te sluiten en daarom alsnog 10% vergoeding. Rinsema adviseert het bedrag van € 13.213,97 inclusief btw toe te kennen.
2.3.
In haar zienswijze van 15 november 2020 tegen het adviesrapport van Rinsema stelt eiseres onder meer het volgende:
“Weliswaar zit de klei tot +/- 3 meter diepte, maar het gebouw staat op betonnen palen, die geheid zijn tot voldoende stevig zand op een diepte van ongeveer 6 meter (…).”
2.4.
Hierna brengt Rinsema een herzien adviesrapport uit, waarin de eerste 74 schades nader worden toegelicht. Er is onderzoek gedaan naar de ondergrond en naar de fundering. Hieruit volgt dat de ondergrond bestaat uit klei, afgewisseld met veenlagen tot een diepte van 6 meter onder het maaiveld. Daaronder ligt een dunne zandplaat. Aannemelijk is dat daaronder zich weer klei bevindt. Met betrekking tot de fundering stelt Rinsema dat zowel het woonhuis als de schuur, zoals gebruikelijk in die tijd, op staal zijn gefundeerd. In het bouwarchief is geen aanleiding gevonden om uit te gaan van een ander type fundering. Onder verwijzing naar het rapport van Van Staalduinen en Everts [1] schrijft Rinsema op dat zettingen als gevolg van mijnbouwactiviteiten alleen kunnen ontstaan als gevolg van verweking van de ondergrond. Verweking is volgens hem uitgesloten op basis van de bevingen ter plaatse. Uit gegevens van het DINO-loket blijkt voorts dat sprake is van lage grondwaterstanden. De verzakking is volgens Rinsema het gevolg van de droge zomers in 2018 en 2019. Rinsema heeft een tweede herzien adviesrapport uitgebracht dat ziet op schades 75 t/m 147 uit het adviesrapport van 14 augustus 2020. In de beide herziene adviesrapporten is een schadevergoeding van in totaal € 6.767,97 inclusief btw geadviseerd (€ 3.599,75 + € 3.168,22). Voor de schades waar eerder 25% werd geadviseerd te vergoeden, is het percentage, met uitzondering van schade 3, aangepast naar 10%.
2.5.
Het Instituut heeft in het primaire besluit van 19 april 2021 een schadevergoeding toegekend van € 13.345,96 (exclusief bijkomende kosten en wettelijke rente). Dit bedrag bestaat uit het in de herziene rapporten van Rinsema geadviseerde bedrag van € 6.767,97 en een ambtshalve toegekend bedrag van € 6.577,99, opdat eiseres door het indienen van een zienswijze niet in een mindere positie komt.
2.6.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hierin benadrukt eiseres nogmaals dat het gebouw op betonnen palen staat op voldoende sterk zand. Eiseres stelt dat
“het hele gebouw scheurt en zakt”en
“dat niks op stael”staat.
2.7.
Deskundige C. Dobbe van CED heeft een addendum bezwaar opgesteld. Hierin is vermeld dat niet is onderzocht of er betonnen heipalen aanwezig zijn omdat mechanische ontgraving noodzakelijk zou zijn. Bovendien zou het voor de beoordeling van de schades volgens Dobbe ook niet uitmaken of er wel of geen palen aanwezig zijn. De lintvoegmeting wijst uit dat het hoogteverloop aan de rechterzijde relatief klein is en dat mogelijke verzakking gelijkmatig is verlopen. Aan de linkerzijde is wel een groot verloop te zien. De kelder links is verzakt, met scheuren aan de binnenzijde tot gevolg. Volgens het advies bevindt zich aan de voorzijde (het onderkelderde deel ter hoogte van de aansluiting met het woonhuis) het laagste punt. Vermeld is dat de linkervoorzijde van de schuur 13 centimeter is gezakt ten opzichte van de linker achterzijde. Schades 93 t/m 97 (rechter voorzijde schuur) zijn volgens Dobbe veroorzaakt door spatkrachten uit de kapconstructie.
2.8.
Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres is het Instituut – conform het advies van de Bezwaaradviescommissie van 27 juli 2022 – bij het primaire besluit gebleven.
2.9.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.10.
Het Instituut heeft gereageerd met een verweerschrift. Daarin wordt verwezen naar het advies van 15 september 2023 van deskundige ing. J.J. Timmer van CED. Timmer stelt dat het wel noodzakelijk is dat er verder onderzoek wordt gedaan naar de mogelijkheid dat er palen onder de betonnen stroken aanwezig zijn. Dat is volgens hem van belang voor de vraag of het advies van Van Staalduinen en Everts van toepassing is. [2] Ook is volgens hem nog niet duidelijk of er met de rapporten van Rinsema en Dobbe een autonome oorzaak is aangewezen en is de scheefstand van dertien centimeter in de schuur niet voldoende verklaard.
2.11.
Timmer heeft vervolgens een nader onderzoek verricht, waarvan de bevindingen en conclusies in een rapport van 13 mei 2024 zijn neergelegd. Het rapport is onder meer gebaseerd op lintvoegmetingen, grond- en funderingsonderzoek en een verwekingsanalyse. De conclusie van het rapport is dat de zettingsschade is veroorzaakt door verschillende, samenwerkende, autonome zettingsprocessen, die optreden als gevolg van de bodemsamenstelling ter plaatse in combinatie met belastingen van de funderingen op de bodem. Mijnbouwactiviteiten zijn volgens Timmer niet van invloed geweest op deze zettingsprocessen.
2.12.
Eiseres heeft gereageerd met een contra-expertise van Vergnes Expertise B.V. Vergnes is het niet eens met de toekenning van percentages van de schadebedragen. Volgens Vergnes kan het verschil van belasting op de funderingspalen niet de aantoonbare oorzaak van de schade zijn. Bij schades 78, 79, 84, 92 en 93 is Vergnes het niet eens met de herstelmethode.
2.13.
Op 3 september 2025 heeft een regiezitting plaatsgevonden, waarvan een verkort proces-verbaal is opgemaakt. Eiseres is gevraagd of het mogelijk is om, in reactie op alle deskundigenadviezen, voor de inhoudelijke behandeling inzichtelijk te maken welke vergoeding volgens eiseres zou moeten worden toegekend. Eiseres heeft op 14 oktober 2025 een schriftelijke reactie ingediend. Daarbij is de volgende conclusie opgenomen:
“Namens cliënt verzoek ik uw rechtbank hierbij het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Primair verzoek ik uw rechtbank het IMG op te dragen een nieuw besluit te nemen, waarmee de verzakking van het voorhuis als zijnde bevingsschade aan cliënt wordt vergoed. Subsidiair verzoek ik uw rechtbank namens cliënt de schade vast te stellen op € 91.858,41 en aan het IMG op te dragen dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, aan cliënt uit te keren. Tot slot verzoek ik uw rechtbank namens cliënt het IMG te veroordelen in de proceskosten ex artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.”
2.14. Het Instituut heeft op 27 november 2025 met een aanvullend verweerschrift gereageerd en daarbij een nader advies van Timmer van 19 november 2025 overgelegd. Eiseres heeft daarop weer gereageerd, waaraan later een reactie van Vergnes van 8 januari 2026 is toegevoegd.
2.15.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mrs. I. Pijper en P. Zoeten namens het Instituut, Timmer van CED en namens eiseres mr. S. van Gent en [naam] .

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt vast dat het geschil ziet op schades 1 t/m 27, 29 t/m 43, 46 t/m 58, 62 t/m 115, 117 t/m 123, 125 t/m 131, 133 t/m 141 en 145 t/m 147.
3.1.
In de conclusie van het aanvullende verweerschrift van 27 november 2025 verzoekt het Instituut de rechtbank om het beroep van eiseres:
  • gegrond te verklaren ten aanzien van schades 3, 9, 10 en 50 en zelf in de zaak te voorzien door conform de calculatie in het oorspronkelijke adviesrapport een aanvullende vergoeding toe te kennen van in totaal € 2.170,54 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2019 tot en met de dag van uitbetaling;
  • gegrond te verklaren ten aanzien van de motivering van het bestreden besluit, voor zover die verband houdt met de verzakkingen en de schades die daardoor zijn ontstaan, maar te concluderen dat het motiveringsgebrek in beroep is hersteld (en de rechtsgevolgen in stand te laten), en;
  • voor het overige ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.
3.2.
Omdat het Instituut erkent dat de motivering van het bestreden besluit gebrekkig is, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb en moet het Instituut de proceskosten van eiseres vergoeden.
De rechtbank zal hierna beoordelen of:
- de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk in stand kunnen blijven, dan wel;
- haar uitspraak in de plaats zal treden van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit, dan wel;
- het Instituut opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van haar aanwijzingen.
Wat is het toetsingskader?
4. Niet in geschil is dat het bewijsvermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is. Op grond van artikel 6:177a lid 1 BW wordt vermoed, bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld zou kunnen zijn, dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.
4.1.
Volgens de vaste werkwijze van het Instituut is het bewijsvermoeden weerlegd als het aan de hand van een adviesrapport aantoont dat de schade is te herleiden tot een evidente en autonome oorzaak, waarvan (met een hoge mate van zekerheid) aannemelijk is dat die bodembeweging als (mede)oorzaak van die schade uitsluit. Deze werkwijze is aanvaardbaar geacht. [3]
4.2.
Het Instituut neemt als uitgangspunt bij zettingsschade het advies dat is gegeven in het hiervoor (onder noot 1) genoemde rapport van Van Staalduinen en Everts van
16 december 2020. Daarin is als meest krachtige ontzenuwing van het bewijsvermoeden bij zettingen weergegeven:
- een onderzoek ter plaatse, waarbij wordt vastgesteld dat er zettingen zijn en waarbij de oorzaak voor het ontstaan van de zettingen wordt aangetoond;
- een onderzoek waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat de trillingen als gevolg van de opgetreden bevingen zo gering in sterkte zijn geweest, dat daardoor de zettingen niet kunnen zijn ontstaan of vergroot.
Verder is benadrukt dat in overeenstemming met het advies van het Panel van deskundigen van 22 januari 2019 in alle gevallen een oorzaak voor het ontstaan van de schade moet worden aangetoond. Dit geldt ook in geval de trillingssnelheid geringer is dan de in de notitie geformuleerde grenzen.
4.3.
Dit betekent dat het Instituut ook bij zettingen eerst moet toetsen of zij met een voldoende mate van zekerheid kan uitsluiten dat de schade door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten is ontstaan, en zo ja, waardoor de schade dan wel is ontstaan. [4]
4.4.
In het kader van de vergewisplicht toetst het Instituut aan de hand van welke feiten de ingeschakelde deskundige tot de conclusie is gekomen dat er met een voldoende mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak van de schade is aan te wijzen. Het Instituut acht het bewijsvermoeden pas weerlegd als de deskundige een hoge mate van zekerheid heeft over de oorzaak van de door hem aangewezen schade, wat aansluit bij de bedoelingen van het Panel van deskundigen. Van de deskundige wordt niet gevergd dat hij met 100% zekerheid kan uitsluiten dat de schade is ontstaan en/of verergerd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. [5]
4.5.
Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS [6] mag een bestuursorgaan, als in een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze verslag is gedaan van het door de deskundige verrichte onderzoek en op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid naar voren zijn gebracht.
Verzakkings- en zettingsschade
5. De rechtbank maakt bij de vraag of de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het bestreden besluit in stand kunnen blijven onderscheid tussen schades waarvan de oorzaak is gevonden in zetting van de fundering van het voorhuis uit 1930 en schades die zijn geweten aan zetting van de fundering van de (herbouwde) schuur uit 1957.
5.1.
Eiseres heeft in de persoon van [naam] hierover -tijdens onder meer de regiezitting van 3 september 2025- naar voren gebracht dat hij al zijn hele leven op de plek van de boerderij woont en het schuurgedeelte er slechter aan toe is dan het woongedeelte. Eiseres heeft met betrekking tot het voorhuis ook weinig tot geen gronden aangevoerd en zich met name gericht op de schuur. Zo heeft eiseres eerder, op 4 september 2023, offertes overgelegd ten behoeve van het vernieuwen en stabiliseren van de voorgevel van de schuur en naar voren gebracht dat de voor- en achtergevel van de schuur in dermate slechte staat zijn dat deze opnieuw gebouwd moeten worden. Eiseres heeft tijdens de zitting benadrukt dat herstel van de schades aan de schuur haar prioriteit heeft.
6. Met betrekking tot het voorhuis uit 1930 overweegt de rechtbank het volgende.
6.1.
Eiseres heeft in haar zienswijze naar voren gebracht dat onvoldoende draagkracht van de ondergrond geen oorzaak van de opgetreden schade kan zijn, omdat het gebouw op betonnen palen staat die zijn geheid tot voldoende stevig zand op een diepte van ongeveer zes meter. Eiseres noemt dit bij alle schades waar zetting van de fundering als oorzaak is aangewezen en maakt geen onderscheid tussen het voorhuis en de schuur. In het beroepschrift van 30 december 2022 is onder meer naar voren gebracht dat het relevant is of er al dan niet verticale betonnen heipalen aanwezig zijn omdat als die er niet zijn, verschillende grondwaterstanden inderdaad de oorzaak van de verzakkingen en scheuren kunnen zijn.
6.2.
Omdat in het beroepschrift, alsook tijdens de bezwaarprocedure, door eiseres is gewezen op de aanwezigheid van heipalen, en het belang van dat gegeven voor de toepasbaarheid van het advies van Van Staalduinen en Everts “Over de invloed van trillingen door bevingen op zetting van gebouwen”, heeft het Instituut aan Timmer het volgende gevraagd:
‘Kunt u beoordelen of over de verzakking en de schades die daardoor zijn ontstaan een voldoende mate van zekerheid bestaat over de autonome oorzaak? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo niet, kunt u dan toelichten wat nodig is om te onderzoeken hoe de verzakking is ontstaan?Daarop heeft Timmer onderzoek gedaan en in zijn advies van
15 september 2023 geconcludeerd dat om meer duidelijkheid te krijgen over de fundering, de bodemopbouw, de schademechanisme(n) en oorza(a)k(en), het nodig is om nader onderzoek te doen. Dit heeft geresulteerd in het onder 2.11 aangehaalde rapport van 13 mei 2024. Ten aanzien van de fundering zijn verschillen tussen het in 1930 gebouwde voorhuis en de in 1957 gebouwde schuur waargenomen. In het advies zijn onder meer de volgende bevindingen opgenomen:
“Uit het funderingsonderzoek blijkt, gezien de aangetroffen paalkop bij fundering 1 (rechterzijgevel schuur), dat dit deel van het gebouw is gefundeerd op palen. Aan de voorzijde van het gebouw (fundering 3, voorgevel voorhuis) is een fundering op staal aangetroffen, wat betekent dat deze constructie is gefundeerd in de nabije ondiepe ondergrond.
(…)
Uit de meetwaarden van de sonderingen blijkt dat de nabije ondiepe klei- en veenbodem vanaf het funderingsniveau van de fundering op staal (fundering 3) tot een diepte van circa 6m -NAP nauwelijks draagkracht heeft, (…).
(…)
Indien kleigrond wordt belast door een gebouw (het gewicht van de constructie), treedt er (primaire) consolidatiezetting op. (…) Het proces van (primaire) consolidatie gaat over in een proces van secundaire consolidatie (kruipzetting).”
6.3.
In de contra-expertise van 6 juni 2025 is hierover het volgende naar voren gebracht:
“De initiële consolidatiezetting van de betreffende kleilaag zal in theorie de meeste zettingsschade aan het voorhuis kunnen opleveren.
(…)
Gezien het bouwjaar van de woning en de grondsamenstelling is zowel de primaire zetting als de secundaire zetting reeds uitgewerkt.”
6.4.
In de reactie van 19 november 2025 is door Timmer naar voren gebracht dat veel schades er gedateerd uit zien en/of eerder zijn hersteld. Op de zitting van 14 januari 2026 heeft Timmer aanvullend toegelicht dat het voorhuis compacter is en relatief minder schade heeft dan de schuur.
6.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het nader gedane funderingsonderzoek blijkt dat het voorhuis niet op palen is gefundeerd. Dit is ook verder niet meer in geschil. Zo schrijft de gemachtigde van eiseres op 14 oktober 2025 dat moet worden vastgesteld dat het woonhuis uit 1930 is gefundeerd op staal (en sindsdien geen noemenswaardige wijzigingen of verbouwingen heeft ondergaan). Uit voorgaande adviezen blijkt verder dat (de deskundigen van) partijen het er over eens zijn dat zowel de primaire als de secundaire zetting van het 95 jaar oude voorhuis reeds is uitgewerkt. De rechtbank oordeelt dat het Instituut zich heeft kunnen baseren op het rapport van 13 mei 2024, waarin de oorzaak van de schade aan het voorhuis is herleid tot consolidatiezetting, waarvan (met een hoge mate van zekerheid) aannemelijk is dat die bodembeweging door mijnbouwactiviteiten als oorzaak van die schade uitsluit. Dat sprake is van recente schade heeft eiseres niet concreet onderbouwd. Dit klemt temeer, nu Timmer naar voren heeft gebracht dat veel schades er gedateerd uitzien, hetgeen in de op 8 januari 2026 door Vergnes ingebrachte reactie niet is weersproken. Alles overziend ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, voor zover het gaat om schades waarvan de oorzaak is gevonden in zetting van de fundering van het in 1930 gebouwde voorhuis. De rechtbank verwijst in dat kader naar eerdere uitspraken in bestuursrechtelijke [7] en civielrechtelijke procedures. [8]
6.6.
Met betrekking tot schades 55 (scheurvorming van het pleisterwerk bij het rookkanaal), 68 (scheur in wand in de badkamer) en 122 (scheur in buitenmuur) is door het Instituut een deel van de begrote schade toegekend (€ 406,99 van de begrote € 1.760,62). Het Instituut heeft het advies van Timmer overgenomen en acht het bewijsvermoeden weerlegd en een hogere schadevergoeding niet op zijn plaats. Volgens het Instituut is thermische werking de primaire oorzaak van de hiervoor bedoelde schades. Ter zitting heeft Timmer nog naar voren gebracht dat het gebruik van het rookkanaal grote temperatuurwisselingen geeft en heeft hij erop gewezen dat het stucwerk op het bad is aangebracht en juist daar schade is ontstaan. De rechtbank ziet in de door Vergnes gegeven reactie geen grond voor het oordeel dat hier ten onrechte geen hogere vergoeding is toegekend. Eiseres heeft, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, onvoldoende ingebracht om af te kunnen doen aan het standpunt van het Instituut.
7. Met betrekking tot de schuur uit 1957 overweegt de rechtbank het volgende.
7.1.
De rechtbank gaat er -op basis van de uitgewisselde stukken en het verhandelde ter zitting- vanuit dat niet langer in geschil is dat de schuur op een paalfundering staat. Dit betekent dat de notitie van Van Staalduinen en Everts in zoverre niet bruikbaar is.
7.2.
In het advies van 15 september 2023 is door Timmer onder meer het volgende vermeld:
“In (…) bezwaar is verder vastgesteld dat de linker zijgevel van de schuur vanaf de achtergevel tot en met de kelder onder de woonvertrekken aan de voorzijde van de schuur 13 centimeter scheef staat, met juist de grootste zakking ter plaatse van de kelder (voorzijde). Dit is bijzonder opmerkelijk (…). Uiteraard genereren (…) constructies aan de linkerzijde meer belasting op de fundering, ook op de fundering van de linker zijgevel, maar daarmee is nog niet de scheefstand in de lengte richting van 13 centimeter verklaard.”
7.3.
In het nader advies van 13 mei 2024 is over de oorzaak het volgende vermeld:
‘Naast de oplegging van de dakconstructie op de gevels en het eigengewicht van de gevels van de schuur, is enkel in dit geveldeel ook een oplegging van de verdiepingsvloer van het woongedeelte aanwezig, (…). Deze toegevoegde belasting op de gevel heeft tot gevolg dat de paalfundering onder dit geveldeel een grotere belasting uitoefent op de bodem dan de palen onder de andere gevels. Dit heeft tot gevolg dat er meer zetting optreedt in de bodem onder dit bouwdeel dan in de bodem onder de achter- en rechterzijgevel van de schuur.’
7.4.
In de contra-expertise van 6 juni 2025 is hierover het volgende naar voren gebracht:
“De deskundige stelt dat door het eigen gewicht van de gevels, de oplegging van de dakconstructie en oplegging van de verdiepingsvloer van de woning er een extra gewicht op de palen wordt uitgeoefend in die gedeeltes van het gebouw waardoor er op die plaatsen een grotere zetting van de bodem optreedt. Echter is dit niet navolgbaar op basis van de gegevens uit het nader onderzoek van de deskundige. Zoals reeds eerder aangegeven zijn de betreffende palen gefundeerd op een diepte > 6,80 meter onder maaiveld.
(…)
Zoals zichtbaar gemaakt in het rode kader in bovenstaande sondering van Koops is er op de betreffende diepte sprake van een grote gronddruk. (…). Gezien de grote gronddruk op de betreffende diepte zal een verschil in belasting op de palen geen enkele invloed kunnen hebben op een zettingsverschil in de bodem aangezien deze gezien de grote gronddruk miniem tot nihil is.”
7.5.
In zijn reactie van 19 november 2025 heeft Timmer onder meer het volgende geschreven:
“Bij de schuur is aan de linker van achteren naar voren sprake van geen zolders, houten zoldervloeren, gemetselde zoldervloeren en zware betonnen zoldervloeren. Kortom, van grote verschillen in belasting en ook dat geeft zettingsverschillen. Feit blijft dat de boerderij veel zettingsachtige gebreken vertoond, (…).”
7.6.
De rechtbank overweegt dat het Instituut, om het bewijsvermoeden met succes te weerleggen, in het algemeen niet kan volstaan met alleen een beschrijving van het proces dat theoretisch schade zou kunnen verklaren. [9] De toepasselijkheid van het hiervoor onder 4 beschreven bewijsbeleid impliceert dat bij zaken als de onderhavige concreet gemaakt moet worden waarom ervan uit wordt gegaan dat dit proces zich ook daadwerkelijk heeft voorgedaan. Dit had in onderhavig geval bijvoorbeeld kunnen gebeuren aan de hand van illustratieve (draagkracht)berekeningen. [10] Dit geldt zeker nu in het advies van 15 september 2023 door Timmer is opgeschreven dat de scheefstand niet kan worden verklaard door de verdeling in gewicht en dit in het nader advies van 13 mei 2024 alsnog wel is gebeurd. Het Instituut heeft in navolging van het laatste advies gesteld dat de verdiepingsvloer van het woongedeelte voor dusdanig veel extra gewicht op de paalfundering zorgt, dat er verschillen in zetting zijn ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee het verschil in zetting - mede gelet op het eerdere advies van 15 september 2023 en de door eiseres ingebrachte contra-expertise - zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, door het Instituut onvoldoende verklaard om het bewijsvermoeden weerlegd te achten. Hetgeen overigens nog is gesteld kan dat niet ondervangen.
7.7.
De rechtbank acht daarom het bewijsvermoeden niet weerlegd ten aanzien van schades door verzakking van de in 1957 herbouwde schuur. Dit betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre niet in stand laat.
Spatkrachten (schades 3, 9, 10, 42, 43, 49, 50, 93 t/m 97 en 145).
8. Het Instituut heeft in de nadere reactie van 27 november 2025 de rechtbank verzocht om voor de schades 3, 9, 10 en 50 een aanvullende vergoeding toe te kennen van
€ 2.170,54. De rechtbank ziet hierin aanleiding om het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb te vernietigen, voor zover daarbij is beslist over schades 3, 9, 10 en 50 en voor deze schades een aanvullende vergoeding toe te kennen van € 2.170,54. De rente zal worden toegewezen op de in de beslissing vermelde wijze.
8.1.
Met betrekking tot de vergoeding van schades 42, 43, 49, 93 t/m 97 en 145 is in geschil of het Instituut kon volstaan met percentages van 10 en 25 van de berekende schade.
8.2.
Het Instituut wijst, onder verwijzing naar de bevindingen van deskundige Timmer met betrekking tot bovengenoemde schades, spanningen vanuit de kap (spatkrachten en winddruk/-zuiging) aan als autonome oorzaak. Schade 93 is volgens Timmer veroorzaakt door een combinatie van spatkrachten en ongelijkmatige belasting op dit geveldeel door de oplegging van een betonnen latei. Dat geeft volgens Timmer trekspanningen op het metselwerk rechtsboven in dit geveldeel met scheurvorming tot gevolg.
8.3.
Vergnes geeft als reactie op de conclusies van Timmer dat er geen tekenen van het verzakken van de kapconstructie waar te nemen zijn en er ook geen metingen naar zijn gedaan. Bovendien vindt de afdracht van een gebintenconstructie niet plaats op de muren, omdat de gebinten zijn gestort op poeren. Eventuele scheefstand of zakking van de vloer kan dan niet van invloed zijn op de dakconstructie. Schade 93 bevindt zich op meer dan één meter vanaf de oplegging van de betreffende betonlatei. Van ongelijke belasting door de oplegging van de betonnen latei kan daarom volgens Vergnes geen sprake zijn.
8.4.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van Vergnes, en hetgeen daar tegenover is gesteld, is de rechtbank van oordeel dat, anders dan het Instituut stelt, niet evident is dat spatkrachten, eventueel in combinatie met oplegdruk, als autonome oorzaak kan worden aangewezen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er deels ook wordt geschoven in oorzaken. Waar in eerste rapporten zetting van de fundering als oorzaak is aangewezen (94 t/m 97) wordt dat later veranderd in spatkrachten. Dit roept vragen op over de evidentie van de gestelde oorzaak. Het bewijsvermoeden is wat betreft deze schades niet weerlegd.
Oplegdruk van betonlatei (schades 99 en 123)
9. Het Instituut wijst de overmatige druk van de betonlatei als autonome oorzaak voor de zich in de schuur voordoende schades 99 en 123 aan. Timmer verklaart in zijn reactie van 19 november 2025 dat die schades veroorzaakt zijn door een combinatie van oplegdruk en verschillen in lengteverandering tussen de betonnen latei en het metselwerk. Bij schade 99 komt daar de vervorming van de constructie door zettingsverschillen nog bij.
9.1.
Volgens Vergnes kunnen schades 99 en 123 niet zijn veroorzaakt door oplegdruk van de latei, omdat er voldoende oplegging is om de druk te kunnen verdelen. Daarom stelt Vergnes dat dit niet als primaire oorzaak van deze schades worden aangemerkt.
9.2.
Met betrekking tot schade 99 overweegt de rechtbank dat het Instituut er kennelijk van uitgaat dat vervorming van de constructie door zettingsverschillen van invloed is geweest op het ontstaan of verergeren van de schade. Gelet op hetgeen de rechtbank onder 7.6 heeft geoordeeld met betrekking tot de oorzaak van de verschilzetting, is het bewijsvermoeden voor schade 99 niet weerlegd.
9.3.
Hetgeen onder 7.6 is overwogen met betrekking tot het met succes kunnen weerleggen van het bewijsvermoeden door processen te concretiseren middels bijvoorbeeld een berekening, geldt ook juist bij schade 123. Gelet op de opmerkingen van Vergnes en de eerdere opmerkingen van Timmer met betrekking tot het extra gewicht zoals onder 7.6 is beschreven, is het ontstaan van schade 123 naar het oordeel van de rechtbank door het Instituut onvoldoende verklaard om het bewijsvermoeden weerlegd te achten.
Nieuwe beslissing op bezwaar
10. De rechtbank zal het Instituut opdragen een nieuw besluit te nemen met betrekking tot de schades die in deze uitspraak niet worden beslecht.
10.1.
Over de schades die volgens de deskundige zijn veroorzaakt door zetting van de fundering is door Vergnes in de contra-expertise op blz. 567 opgemerkt dat enkel de herstelmaatregelen in het kader van cosmetisch herstel zijn opgenomen. Het aanvullend nivelleren van de verzakte delen dient volgens Vergnes nader te worden onderzocht. Over nivelleren als herstelmaatregel is in het nader advies van Timmer opgemerkt dat dit dan zou gaan om het deel van het gebouw dat niet op palen, maar op staal is gefundeerd.
10.2.
Gelet op hetgeen hiervoor, onder 6.5, is overwogen dient het Instituut bij een nieuw te nemen beslissing op bezwaar onderscheid te maken in schades die te wijten zijn aan zetting van de fundering van het in 1930 gebouwde voorhuis en schades die te wijten zijn aan zetting van de fundering van de in 1957 herbouwde schuur. Met deze uitspraak zijn de verzakkingsschades van het in 1930 gebouwde voorhuis beslecht. Dit betekent dat het Instituut niet hoeft over te gaan tot het vergoeden van de kosten van het plaatsen van een paalfundering op de zandlaag onder het voorhuis. Nivelleren als Vergnes voorstelt is hier dan ook niet aan de orde. Het primaire verzoek om de verzakking van het voorhuis als zijnde bevingsschade aan eiseres te vergoeden wordt dan ook niet gevolgd.
10.3.
Het (opnieuw) te nemen besluit ziet daarmee op de schades aan de schuur, inclusief de volledige voorgevel van de schuur en het deel in de schuur dat onderkelderd is en waar volgens de plattegrond bij het advies van 13 mei 2024 de keuken en bijkeuken is gesitueerd. Verder volgt uit deze uitspraak dat ook een nieuw besluit moet worden genomen met betrekking tot schades 42, 43, 49, 93 t/m 97, 99, 123 en 145. De rechtbank ziet in het in beroep gevoerde betoog verder geen aanleiding om het Instituut op te dragen andere schades dan deze schades opnieuw te bekijken. De rechtbank zal het Instituut, gelet op rechtspraak van de ABRvS, in de gelegenheid stellen om, indien het daartoe aanleiding ziet, nader onderzoek uit te voeren naar de oorza(a)k(en) van de schades. [11] Indien het Instituut daartoe overgaat, dient het daarbij acht te slaan op de overwegingen in deze uitspraak.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb vernietigd ten aanzien van schades 1 t/m 27, 29 t/m 43, 46 t/m 54, 56 t/m 58, 62 t/m 67, 69 t/m 115, 117 t/m 121, 123, 125 t/m 131, 133 t/m 141 en 145 t/m 147.
11.1.
De rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand ten aanzien van de schades waarvan de oorzaak is gevonden in zetting van de fundering van het in 1930 gebouwde voorhuis. Verder blijft het bestreden besluit in stand ten aanzien van de door eiseres bestreden schades 55, 68 en 122.
11.2.
Het Instituut dient aan eiseres voor schades 3, 9, 10 en 50 de toe te kennen vergoeding aan te vullen met een bedrag van € 2.170,54, te vermeerderen met wettelijke rente, vanaf 25 september 2019 tot en met de dag van betaling.
11.3.
Het Instituut dient binnen een termijn van zes maanden een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Die termijn kan -in overleg met eiseres- worden verlengd.
11.4.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het Instituut het door eiseres betaalde griffierecht en de door haar gemaakte proceskosten aan haar betalen. Partijen hebben met elkaar afspraken gemaakt over de betaling van proces- en deskundigenkosten. De rechtbank zal de proceskosten in beroep begroten op € 2.342,50
(2,5 x € 937,-) en gaat ervan uit dat deze kosten zullen worden verrekend met de reeds ontvangen kosten voor deze beroepsprocedure, zoals ter zitting is besproken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit ten aanzien van schades 1 t/m 27, 29 t/m 43, 46 t/m
54, 56 t/m 58, 62 t/m 67, 69 t/m 115, 117 t/m 121, 123, 125 t/m 131, 133 t/m 141 en 145 t/m 147;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven ten aanzien van schades waarvan de oorzaak is gevonden in zetting van de fundering van het in 1930 gebouwde voorhuis;
- bepaalt dat de aan eiseres toe te kennen vergoeding voor schades 3, 9, 10 en 50 dient te worden aangevuld met een bedrag van € 2.170,54, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 september 2019 tot en met de dag van betaling;
- draagt het Instituut op om binnen een termijn van zes maanden na deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen over de overige schades met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- laat het bestreden besluit voor het overige in stand;
- draagt het Instituut op het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het Instituut in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van in totaal
€ 2.342,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, mr. M.R. Gans, en mr. P. van der Stroom, leden, in aanwezigheid van mr. H.L. Brandes-Boers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Ir. P.C. van Staalduinen en Ing. H.J. Everts, ‘Over de invloed van trillingen door bevingen op zettingen van gebouwen’.
2.Notitie, blz. 3: Deze notitie is dus niet bruikbaar voor gebouwen die op palen zijn gefundeerd.
3.Zie b.v. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 5 april 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:1455, en de uitspraak van de ABRvS van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631, r.o. 63.
5.Vgl. de uitspraak van de ABRvS van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631, r.o. 38.
6.Waaronder de uitspraak van de ABRvS van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4250.
8.zie de uitspraak van 8 mei 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:1780, r.o. 2.18.3.
9.Vgl. de uitspraak van deze rechtbank van 18 augustus 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3502, r.o. 6.4.
10.Zie bijvoorbeeld ABRvS 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2947, r.o. 18
11.Vgl. de uitspraken van de ABRvS van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631, en 4 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2557, § 23, en de uitspraak van deze rechtbank van 5 april 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:1455.