ECLI:NL:RBNNE:2026:1931

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
25/444
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 AWRArt. 67d AWRArt. 67e AWRArt. 4:17 AwbArt. 5:49 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslagen en vergrijpboeten inkomstenbelasting 2017-2020

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 21 mei 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2017 tot en met 2020, inclusief vergrijpboeten en belastingrente. Eiser betwistte de navorderingsaanslagen en boetes opgelegd door de inspecteur van de Belastingdienst.

De rechtbank oordeelde dat de navorderingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 tijdig en terecht zijn opgelegd, mede omdat eiser uitstel had gevraagd voor het indienen van de aangiften. De inspecteur beschikte over nieuwe feiten die navordering rechtvaardigen, zoals onjuiste aftrek van kosten vrijwilligerswerk, giften aan niet-ANBI-instellingen en onterechte aftrek van onderhoudsverplichtingen. De rechtbank stelde vast dat eiser willens en wetens onjuiste aangiften heeft gedaan, wat kwade trouw en opzet oplevert.

De navorderingsaanslag 2020 werd verminderd omdat de inspecteur de looninkomsten onterecht had verhoogd zonder voldoende bewijs. De vergrijpboeten voor 2017 en 2018 werden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl die voor 2019 en 2020 in stand bleven maar ook werden gematigd. De rechtbank wees een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De beroepen tegen de navorderingsaanslagen 2017-2019 en bijbehorende belastingrente werden ongegrond verklaard, het beroep tegen de aanslag 2020 gegrond.

Uitkomst: Navorderingsaanslagen 2017-2019 bevestigd, aanslag 2020 en vergrijpboeten deels verminderd, immateriële schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/444, 25/445, 25/446 en 25/447

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 21 mei 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. V.W.J.H. Kobossen),
en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, de inspecteur.

(gemachtigde: [naam 1] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2024.
LEE 25/444 (navorderingsaanslag 2017)
1.1.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) met dagtekening 18 april 2023 opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.927.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur eiser € 1.058 belastingrente in rekening gebracht en eiser een vergrijpboete van € 2.485 opgelegd.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslag, belastingrentebeschikking en boetebeschikking gehandhaafd.
LEE 25/445 (navorderingsaanslag 2018)
1.4.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2018 een navorderingsaanslag in de IB/PVV met dagtekening 19 april 2024 opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.398.
1.5.
Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur eiser € 1.061 belastingrente in rekening gebracht en eiser een vergrijpboete van € 2.354 opgelegd.
1.6.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslag, belastingrentebeschikking en boetebeschikking gehandhaafd.
LEE 25/446 (navorderingsaanslag 2019)
1.7.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2019 een navorderingsaanslag in de IB/PVV met dagtekening 13 april 2024 opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.530.
1.8.
Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur eiser € 998 belastingrente in rekening gebracht en eiser een vergrijpboete van € 2.208 opgelegd.
1.9.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslag, belastingrentebeschikking en boetebeschikking gehandhaafd.
LEE 25/447 (aanslag 2020)
1.10.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2020 een aanslag in de IB/PVV met dagtekening 19 april 2024 opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.084.
1.11.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiser € 165 belastingrente in rekening gebracht en eiser een vergrijpboete van € 1.273 opgelegd.
1.12.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag, belastingrentebeschikking en boetebeschikking gehandhaafd.
Alle zaaknummers:
1.13.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.14.
Partijen hebben voor de zitting nadere stukken overgelegd.
1.15.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 december 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 2] . Het onderzoek is ter zitting gesloten.
1.16.
Eiser is met kennisgeving vooraf aan de rechtbank niet op de zitting verschenen. Ter zitting hebben partijen ingestemd met het voorstel van de rechtbank om het onderzoek te heropenen (om partijen in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren) als de rechtbank bij de beoordeling van het geschil tot de conclusie zou komen dat er nog vragen onbeantwoord zijn gebleven die alleen eiser zelf kan beantwoorden. De rechtbank heeft na de beraadslaging geconstateerd dat dat niet het geval is en heeft daarom heropening achterwege gelaten.

Feiten

2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.
2.1.
Eiser is geboren op 28 maart 1964 en is gehuwd met [naam 3] . Eiser was van 9 juni 2000 tot en met 6 februari 2002 gehuwd met [naam 4] (ex-echtgenote). Eiser heeft een zoon, [naam 5] , geboren op [geboortedatum] 2001 en een dochter, [naam 6] , geboren op [geboortedatum] 2007.
2.2.
Eiser is bestuurder van [vereniging] en van [stichting] , die beide geen ANBI- of SBBI-status hebben.
2.3.
Eiser verricht naast zijn dienstverband als docent aan een school voor voortgezet onderwijs werkzaamheden (geven van bijlessen) ten behoeve van [bedrijf 4] .
Aanslagregeling 2020
2.4.
Bij brief van 27 februari 2021 heeft de inspecteur eiser uitgenodigd om voor 1 mei 2021 aangifte IB/PVV over 2020 te doen.
2.5.
Op verzoek van eiser heeft de inspecteur eiser uitstel voor het doen van de aangifte IB/PVV 2020 verleend tot 1 september 2021.
2.6.
De inspecteur heeft op 31 augustus 2021 de aangifte IB/PVV over 2020 van eiser ontvangen, waarin eiser onder meer het volgende heeft aangegeven.
Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking:
[bedrijf 1]
€ 25.260
[bedrijf 2]
€ 33.661
[bedrijf 3] B.V.
€ 2.451
Saldo:
€ 61.372
Resultaat uit overige werkzaamheden:
[bedrijf 4] (bijlesinstituut Friesland)
€ 2.860
Reiskosten eigen vervoer
€ 1.518
-/-
Telefoon
€ 564
-/-
Boeken etc.
€ 250
-/-
Afschrijving
€ 1.500
-/-
Saldo:
€ -972
Inkomsten uit eigen woning:
Eigenwoningforfait
€ 1.932
Rente ABN AMRO Flexibel Hypotheek Krediet
€ 503
-/-
Rente ABN AMRO Hypotheek [nummer]
€ 345
-/-
Rente ABN AMRO Hypotheek [nummer]
€ 7.480
-/-
Rente ABN AMRO Hypotheek [nummer]
€ 4.420
-/-
Rente interbank
€ 8.077
-/-
Saldo:
€ -18.893
Uitgaven voor onderhoudsverplichtingen:
[naam 4]
€ 2.880
Aftrek:
€ -2.880
Aftrekbare giften:
Greenpeace
€ 240
[stichting]
€ 1.700
[vereniging]
€ 1.700
Drempel (1% van drempelinkomen)
€ 595
-/-
Saldo:
€ 3.045
Aftrek (maximaal 10% van drempelinkomen)
€ -3.045
2.7.
Bij brief van 14 januari 2022 heeft de inspecteur eiser verzocht om informatie ter beoordeling van de aangifte IB/PVV 2020. Het informatieverzoek ziet op:
  • de in aftrek gebrachte kosten bij het resultaat uit overige werkzaamheden;
  • de in aftrek gebrachte rente bij de inkomsten uit eigen woning;
  • de in aftrek gebrachte uitgaven voor onderhoudsverplichtingen;
  • de in aftrek gebrachte giften.
2.8.
Eiser heeft per e-mail van 30 juni 2022 inhoudelijk gereageerd op het informatieverzoek. In zijn reactie schrijft eiser onder meer:

De partneralimentatie is een tikfoutje maar is inderdaad van de zoon [naam 5] ten behoeve van ouderlijke bijdrage studie , deze gegevens kunt u gewoon controleren bi DUO en volgens mij is dat wel degelijk aftrekbaar.
De giften van Greenpeace heb ik opgevraagd over 2020 , heb even een bewijs in de bijlage gedaan, bankafschriften gaan helaas niet verder dan 198 maanden tegenwoordig bij de bank vandaar.
Ik was/ben zowel voorzitter van [vereniging] als de [stichting] . Zonder ook maar 1 eurocent vergoeding. Dit doe ik dus op vrijwilliger basis dus ben een vrijwilliger. Uiteraard als je voorzitter ben maak je jaarlijkse wel kosten zoals bezoek brengen aan politiek in Den haag, Brussel maar ook in Leeuwarden. Ik dacht dat je dat mag bekijken als vrijwilliger en heb daarom gebruik gemaakt als een gift maar als u een betere idee hebt of adviezen dan hoor ik het graag. Ik wijs u erop dat formeel in gelijk ben gesteld in zaaknummer LEE16/153.
Eiser heeft onder meer een foto van zijn beeldscherm meegestuurd waarop gegevens staan vermeld van leningdeel 49.86.92.728/113.
2.9.
Bij brief van 8 augustus 2022 heeft de inspecteur aan eiser meegedeeld voornemens te zijn bij het opleggen van de aanlag IB/PVV af te wijken van de aangifte van eiser. In deze brief is onder meer het volgende opgemerkt:

“Persoonsgebonden aftrek

Betaalde onderhoudsverplichtingen
U trekt een bedrag af van € 2.880 voor betalingen van partneralimentatie aan uw ex-echtgenote. In mijn verzoek om informatie van 14 januari 2022 heb ik u verzocht informatie te overleggen inzake het aangegeven bedrag aan partneralimentatie. Daarbij heb ik tevens vermeld dat u ten aanzien van het belastingjaar 2011 heeft aangegeven dat een bedrag van € 2.880 ziet op betaalde alimentatie voor uw zoon [naam 5] in plaats van partneralimentatie. In uw reactie van 30 juni 2022 geeft u hiervan aan dat het inderdaad geen partneralimentatie is maar ziet op de ouderlijke bijdrage voor de studie van uw zoon [naam 5] . U bent van mening dat deze bijdrage wel aftrekbaar is. U geeft verder niet aan op basis waarvan u deze mening bent toegedaan. Vanaf 2015 is het niet meer mogelijk om alimentatie voor kinderen in aftrek te brengen.
Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 2.880.
Giften
U neemt een bedrag van € 3.045 aan giften (na toepassing drempel) in uw aangifte in aanmerking. U heeft het bedrag aan overige andere giften als volgt gespecificeerd:
[vereniging]
€ 1.700
Stichting Greenpeace
€ 240
[stichting]
€ 1.700
Af: drempel
€ 595
Totaal:
€ 3.045
In mijn verzoek om informatie van 14 januari 2022 heb ik u verzocht om de betaalbewijzen van de giften aan Stichting Greenpeace, alsmede de onderbouwende stukken ten aanzien van de aangegeven giften van [vereniging] en [stichting] .
Bij uw reactie van 30 juni 2022 hebt u ten aanzien van het aangegeven bedrag aan giften voor Greenpeace ad € 240 een betalingsbewijs van € 10 van een gift aan Greenpeace op 27 mei 2022 overgelegd. Betalingsbewijzen voor het belastingjaar 2020 heb ik niet van u ontvangen. Ik ben hierdoor van mening dat u geen bedrag aan giften Greenpeace voor 2020 aannemelijk hebt gemaakt. Ik ben voornemens geen bedrag aan giften Greenpeace in aanmerking te nemen.
In uw reactie van 30 juni 2022 hebt u aangegeven dat u als voorzitter vrijwilliger bent voor zowel de [vereniging] als de [stichting] . Tevens geeft u aan hiervoor kosten te maken. U hebt bij uw reactie van 30 juni 2022 verder geen onderbouwende stukken hierover overgelegd.
Als gift merken wij aan: 'bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat aan algemeen nut beogende instellingen (ANBI) voor zover zij met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd'.
Bij onderlinge samenhang tussen het toekennen van een 'beloning' en het afzien daarvan moeten de vrijgevigheid en waarde worden beoordeeld.
Er is geen sprake van een gift als de ANBI geen middelen heeft of niet de bedoeling heeft om deze vrijwilligers'beloning' voor (al) haar vrijwilligers te betalen. Er is dan feitelijk geen sprake van een bevoordeling.
Als de ANBI geen vrijwilligers'beloning' toekent, leidt dit evenmin tot een aftrekpost omdat er geen sprake is van een bevoordeling van de ANBI.
U hebt geen onderbouwende informatie ten aanzien van het afzien van een onkostenvergoeding of vrijwilligersvergoeding overgelegd. Op basis hiervan ben ik reeds van mening dat u niet aannemelijk maakt dat u heeft afgezien van een onkostenvergoeding of vrijwilligersvergoeding van [stichting] en [vereniging] . Daarnaast constateer ik dat beiden niet als ANBI staan geregistreerd. Hetgeen ook een vereiste is voor giftenaftrek. In mijn verzoek om informatie van 14 januari 2022 heb ik u dit reeds aangegeven. Met uw reactie van 30 juni 2022 hebt u dit ook niet weerlegd. Tevens blijkt een overeenkomstig standpunt uit de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland van 12 maart 2018, zaaknummer LEE 16/1853, aangaande het door u ingediende beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2012. In uw reactie van 30 juni 2022 geeft u aan dat u hierbij formeel in het gelijk bent gesteld.
Het beroep is inderdaad gegrond verklaard in verband met het ontbreken van een deugdelijke motivering bij de uitspraak op bezwaar (punt 3 uitspraak), echter is de aftrek van de giften niet door de Rechtbank toegekend, omdat deze giften onvoldoende onderbouwd waren, daarnaast is door u niet aannemelijk gemaakt dat [stichting] een ANBI of SBBI is (punt 7 uitspraak).
De rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar zijn hierdoor in stand gebleven (punt 9 uitspraak).
Doordat u voor het belastingjaar 2020 geen onderbouwende informatie ten aanzien van het afzien van een onkostenvergoeding of vrijwilligersvergoeding hebt overgelegd, ben ik van mening dat u geen bedrag aan giften aan [stichting] en [vereniging] aannemelijk hebt gemaakt. Daarnaast staan beiden ook niet geregistreerd als ANBI.
Ik ben van mening dat geen bedrag aan giften aannemelijk is gemaakt. Dit betekent dat het bedrag dat u hebt afgetrokken voor giften te hoog is. Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken met € 3.045.”
2.10.
In de afwijkingsbrief van 8 augustus 2022 heeft de inspecteur eveneens het volgende vermeld:
“Inkomsten uit loondienst: loon
In de aangifte hebt u € 2.451 aangegeven voor de inkomsten uit loondienst die u hebt ontvangen van [bedrijf 3] B.V. Uit mijn informatie blijkt dat u naast het aangegeven bedrag van € 2.451 aan inkomsten uit loondienst van [bedrijf 3] B.V. nog een bedrag van € 1.061 aan in komsten uit loondienst van deze werkgever hebt ontvangen. Omdat niet alle inkomsten uit loondienst van [bedrijf 3] B.V. zijn aangegeven, is het totaal van de inkomsten uit loondienst € 1.061 te laag. Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 1.061.
2.11.
De inspecteur heeft als Bijlage 79 bij het verweerschrift een print uit de geautomatiseerde systemen overgelegd waarop de loongegevens staan vermeld van eiser zoals die door de inhoudingsplichtigen voor de loonheffingen zijn doorgegeven voor het jaar 2020. Daarop staat onder meer:

Naam Inhoudingsplichtige (BvR) Tijdvak Loonheffing Loon
(…)
[bedrijf 3] B.V. 01-01 t/m 31-03 395 1.061
[bedrijf 3] B.V. 01-03 t/m 31-12 910 2.451”.
2.12.
Bij e-mail van 2 oktober 2022 heeft eiser inhoudelijk gereageerd op de voorgenomen afwijkingen van de aangifte IB/PVV 2020. Eiser heeft daarbij diverse stukken overgelegd. In zijn reactie schrijft eiser onder meer:
“ (…)

WMW dienstverlening heeft mij een jaaropgave 2020 gegeven. U wilt daarvan afwijken met bedrag van 1061 euro voor de maanden januari en februari. Dit is echt feitelijk onjuist wat ik ook kan aantonen met een berekening: totaal verdiensten 2451 voor 10 maanden dus per maand : 245,10 euro waarbij aangetekend dat ik in zomervakantie meer werk dan normaal. Ik heb echt geen 1061 in de maanden januari/februari 2020 verdient, weet ook niet waar de tijd er voor weg moet halen, werk 4 uren per week voor dit bedrijf.
(…)

Onderhoudsplichtig betreffende kosten van de zoon [naam 5] is wel degelijk, het bedrag 2880 euro is de vrijwilliger ouderlijke bijdrage voor zijn studiefinanciering.
(…)
  • Ik ben ook vrijwilliger samen met mijn vrouw voor Greenpeace in 2020 zie bijlage. Graag wil ik [stichting] veranderen in Greenpeace, deze organisatie is zoals u weet wel aangesloten bij ANBI. Wij hebben geen vrijwilligersvergoeding gekregen dus mogen wij als giftenaftrek gebruiken. Wij doen dit in belang van onze aarde!!!
  • Ook heb ik donatie gedaan voor Greenpeace , 120 euro zie bijlage.
2.13.
Tot de onder 2.12. vermelde bijlage behoren een onder meer een tweetal documenten. In het ene document is het volgende opgenomen:

“Greenpeace Nederland

Aan:
Beste meneer [eiser] ,
hartelijk dank voor uw mail.
Zoals afgesproken sturen wij u een schriftelijke opgave met uw giften over het jaar 2020: In 2020 steunde u ons met € 10 per maand. Uw gift over 2020 bedroeg € 120 in totaal.
Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Hebt u nog vragen dan kunt u tijdens kantooruren bellen met onze Supportercare 0800-4223344 of mailen naar info@greenpeace.nl.
Met vriendelijke groet,
[naam 7]”.
In het andere document is onder meer opgenomen:

Greenpeace Nederland
Aan:
Beste [naam 8] ,
Bij deze de bevestiging vanuit Greenpeace dat de heer [eiser] en zijn vrouw in 2020 vrijwilligerswerk hebben verricht voor Greenpeace.
Met vriendelijke groet,
[naam 9]
(…)”.
2.14.
Bij brief van 13 juli 2023 heeft de inspecteur bij Greenpeace informatie opgevraagd over eiser en zijn partner. Deze brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

Mijn verzoek betreft:
(…)
-
heeft voorgenoemde persoon en/of partner van voorgenoemde persoon, in 2020 vrijwilligerswerk verricht voor Greenpeace Nederland. Zo ja, bestaat er recht op een vergoeding voor de verrichtte werkzaamheden, voor welk bedrag bestaat er recht en is door de vrijwilliger(s) besloten af te zien van uitbetaling van deze vergoeding.(…)
2.15.
Bij e-mail van 14 september 2023 heeft Greenpeace gereageerd op het informatieverzoek van de inspecteur. Deze e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

We kunnen inderdaad bevestigen dat de persoon in kwestie donateur van Greenpeace is en in 2020 heeft gesteund met een totaal bedrag van €120,-. Het is echt niet gelukt om te achterhalen of meneer in de aangegeven periode ook vrijwilligerswerk voor ons gedaan heeft.
2.16.
Eiser heeft op 8 december 2025 een stuk overgelegd aan de rechtbank waarop het volgende staat vermeld:
“GREENPEACE

DANKBETUIGING

Namens Greenpeace Nederland wordt deze dankbetuiging uitgereikt aan de Heer en Mevrouw:

[eiser]

Als blijk van waardering voor de jarenlange financiële steun sinds 2014 en de vrijwillige inzet als betrokken supporter van Greenpeace tussen 2016 en 2023. Ondanks een aangeboden vergoeding kozen meneer en mevrouw [naam 3] ervoor hun inzet belangeloos te leveren.
Dankzij mensen zoals zij kan Greenpeace blijven opkomen voor de natuur, (zee)dieren en
anderen zonder stem.
2.17.
Bij brief van 31 januari 2024 heeft de inspecteur eiser meegedeeld zijn in de brief van 8 augustus 2022 genoemde afwijkingen van de aangifte te handhaven en voornemens te zijn bij het opleggen van de aanslag een vergrijpboete op te leggen. De inspecteur heeft eiser daarbij in de gelegenheid gesteld om voor 15 februari 2024 te reageren. Deze brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“3. Voornemen opleggen vergrijpboete

Verder ben ik van plan u een vergrijpboete op te leggen op grond van artikel 67d van de AWR en de regelgeving van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB). Hierna ga ik in op de boete. Ook leest u waarom ik denk dat een vergrijpboete geboden is.

Vergrijpboeten kunnen bij vaststelling van de aanslag alleen worden opgelegd indien er sprake is van (voorwaardelijke) opzet.
Met betrekking tot de hiervoor genoemde correcties ben ik van mening dat er voor een deel van de correcties sprake is van (voorwaardelijke) opzet. (…)

Motivering boete

De reden waarom ik een vergrijpboete opleg, motiveer ik hierna.
Mijn onderbouwing splits ik op naar twee onderdelen van de aangifte: giften en onderhoudsverplichtingen.
1. Giften

In het bezwaar tegen de aanslag 2012 en de tegen de uitspraak op het bezwaar 2012 ingestelde beroepszaak, waar op 12 maart 2018 uitspraak door de Rechtbank is gedaan, heeft u verzocht om giftenaftrek ad 2 x € 1.500 in verband met het afzien van een vrijwilligersvergoeding ten aanzien van [stichting] . Uit de uitspraak van de Rechtbank blijkt dat u geen recht heeft op giftenaftrek voor het afzien van een vrijwilligersvergoeding ten aanzien van [stichting] omdat u niet aan de voorwaarden voldoet, alsmede omdat de Stichting geen ANBI of steunstichting voor een SBBI is.

U dient uw aangifte 2020 op 31 augustus 2021 in. Ten tijde van indiening van de aangifte was u meer dan genoegzaam bekend dat voor aftrek van giften het vereiste geldt dat giften uitsluitend aftrekbaar zijn als deze zijn gedaan aan een ANBI of SBBI. De vragen of het een ANBI of SBBI betreft zijn ook opgenomen in de elektronisch aangifte. De elektronische aangifte leidt tot de melding dat de gift niet aftrekbaar is, als u beiden vragen met "nee" zou hebben beantwoord. Uit de ontvangen aangifte en in aftrek gebrachte bedragen aan giften leid ik af dat u één van beide vragen bewust onterecht met "ja" heeft beantwoord. Dit zowel ten aanzien van [stichting] als [vereniging] .
Daarnaast constateer ik dat vanaf 2013 voor het vrijwilligerswerk voor de stichting en/of de [vereniging] bedragen voor aftrek in aanmerking neemt bij:
de giftenaftrek in belastingjaar 2016 en 2019
de kosten resultaat uit overig werk (ROW) in belastingjaar 2013
de giftenaftrek alsmede de kosten ROW in de belastingjaren 2014, 2015, 2017, 2018 en 2020.
Dat voor het vrijwilligerswerk, nog afgezien van de hoogte van de bedragen, bij beide posten voor meerdere jaren in wisselende samenstelling bedragen worden aangegeven, is naar mijn mening duidelijk dat u geen onderbouwd standpunt heeft dat er recht bestaat op aftrek, bij welke post en voor welk bedrag.
Op basis van voorstaande ben ik dan ook van mening dat u willens en wetens het bedrag van € 3.400 (2 x € 1.700) onjuist aan giften heeft opgevoerd in uw aangifte 2020. U heeft in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat uw handelen tot gevolg heeft dat een beboetbare gedraging wordt begaan. Ik ben daar bovenop van mening dat u als politicus een voorbeeldfunctie in dezen heeft. Ik ben van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet.
In geval van opzet legt de Belastingdienst in de regel een boete op van 50% van de te weinig geheven belasting. Van dit percentage wordt afgeweken als er zich bijzondere omstandigheden voordoen dan wel hebben voorgedaan. Ik ben van mening dat er geen sprake is van dergelijke omstandigheden. Ik ben voornemens een boete van 50% van de te weinig geheven belasting, ten aanzien van de correctie giften, op te leggen. De grondslag waarover deze boete wordt berekend is het belastingbedrag dat niet is geheven als gevolg van uw opzet.
2. Betaalde onderhoudsverplichtingen

Bij de beoordeling van uw aangifte 2011 heeft u aangegeven dat dit bedrag ziet op betaalde alimentatie voor uw zoon [naam 5] en niet op partneralimentatie. Het bedrag aan partneralimentatie is toen gecorrigeerd en er is een forfaitair bedrag voor levensonderhoud kinderen jonger dan 30 jaar in aanmerking genomen. Ook voor het jaar 2012 is deze post overeenkomstig aan 2011 gecorrigeerd. In 2013 en 2014 heeft u deze juist aangegeven als zijnde levensonderhoud van kinderen. Met ingang van belastingjaar 2015 is deze aftrekpost voor de inkomstenbelasting komen te vervallen. In onze brief van 27 februari 2015 hebben wij u hiervan ook op de hoogte gesteld. Vanaf belastingjaar 2015 tot en met heden neemt u echter wederom een bedrag van € 2.880 als zijnde partneralimentatie in aanmerking. U heeft bij de beoordeling van de aangifte 2020 aangegeven dat het aangegeven bedrag van € 2.880 betrekking heeft op de ouderlijke bijdrage van uw zoon en dat het een tikfoutje betreft. U bent van mening dat deze bijdrage wel aftrekbaar is, maar geeft niet aan op basis waarvan. U onderbouwt de door u ingenomen stelling op geen enkele manier. Uit het feit dat u deze bijdrage meerdere jaren als partneralimentatie in aanmerking neemt, concludeer ik dat dit geen tikfoutje kan betreffen. Daarnaast heeft u het voor het jaar 2013 en 2014 deze bijdrage juist in uw aangifte vermeld en vanaf 2015, toen de aftrekpost levensonderhoud kinderen verviel, bent u deze wederom aan gaan geven als zijnde partneralimentatie. Ik ben dan ook van mening dat u willens en wetens het bedrag van € 2.880 onjuist heeft opgevoerd in uw aangifte 2020. U heeft in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat uw handelen tot gevolg heeft dat een beboetbare gedraging wordt begaan. Ik ben van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet.

In geval van opzet legt de Belastingdienst in de regel een boete op van 50% van de te weinig geheven belasting. Van dit percentage wordt afgeweken als er zich bijzondere omstandigheden voordoen dan wel hebben voorgedaan. Ik ben van mening dat er geen sprake is van dergelijke omstandigheden. Ik ben voornemens een boete van 50% van de te weinig geheven belasting, ten aanzien van de correctie betaalde onderhoudsverplichtingen, op te leggen. De grondslag waarover deze boete wordt berekend is het belastingbedrag dat niet is geheven als gevolg van uw opzet.”
2.18.
Met dagtekening 19 april 2024 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2020 vastgesteld overeenkomstig de afwijkingen van de aangifte zoals vermeld in de brief van 31 januari 2024. De inspecteur heeft tegelijk met de aanslag een vergrijpboete van € 1.273 opgelegd.
Aanslagregeling en navordering 2017
2.19.
Bij brief van 28 februari 2018 heeft de inspecteur eiser uitgenodigd om voor 1 mei 2018 aangifte IB/PVV over 2017 te doen.
2.20.
De inspecteur heeft eiser bij brief van 8 mei 2018 als volgt geïnformeerd.

Op 22 april 2018 hebt u uitstel aangevraagd voor het doen van uw aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw) 2017
Ik verleen u hiervoor uitstel tot 1 september 2018.
2.21.
De inspecteur heeft als Bijlage 3 bij het verweerschrift een print uit de geautomatiseerde systemen inzake het verleende uitstel met betrekking tot de aangifte IB/PVV 2017 overgelegd waarop onder meer staat vermeld:

Beconregeling Uitstel verleend tot
Verzoek uitstel individueel 22-04-2018 NEE 01-09-2018”.
2.22.
De inspecteur heeft op 30 augustus 2018 de aangifte IB/PVV over 2017 van eiser ontvangen. Met dagtekening 29 november 2019 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2017 vastgesteld overeenkomstig de aangifte van eiser.
2.23.
Bij brief met dagtekening 20 maart 2023 heeft de inspecteur eiser meegedeeld dat hij van plan is een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2017 en een vergrijpboete op te leggen. Deze brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

De behandeling van uw aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020 heeft mij aanleiding gegeven om de reeds vastgestelde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2017, aanslagnummer [nummer] , opnieuw te beoordelen.
(…)
Navordering
Ik ben van plan ten aanzien van de volgende posten een navordering vast te stellen:
  • in aanmerking genomen bedrag aan kosten bij inkomsten uit overig werk;
  • in aanmerking genomen bedrag aan betaalde onderhoudsverplichtingen;
  • in aanmerking genomen bedrag aan giften.
Kosten bij inkomsten uit overig werk
(…)
Bij uw aangifte 2017 heeft u als kosten uit overig werk ook tweemaal een bedrag van € 1.500 in aanmerking genomen. U heeft hierbij als omschrijving vrijwilligers werk Stichting en vrijwilligers werk Vereniging opgenomen. De omschrijving wijst er niet op dat deze betrekking hebben op het aangegeven bedrag aan inkomsten van het bijlesinstituut [bedrijf 4] en er is op basis van de aangifte geen andere bron van inkomen uit overig werk aangegeven.
Op basis van de gecombineerde gegevens van de aangiften van voorgaande jaren van u en uw partner, de correspondentie over de belastingjaren 2013 tot en met 2016 inzake de aangiften van uw partner, de bezwaarschriften 2013, 2014 en 2016 van uw partner en de rechtbankuitspraak van Rechtbank Noord-Nederland van 21 oktober 2022 (zaaknummer LEE 21/2936) inzake de aangifte 2016 van uw partner ben ik van mening dat de aangegeven bedragen van 2x € 1.500 zien op [stichting] en [vereniging] .
Van aftrek van kosten kan slechts sprake zijn indien er een bron van inkomen is. Uw partner heeft in de jaren 2013 tot en met 2016 zelf ook kosten uit overig werk voor de [stichting] en/of [vereniging] aangegeven, omdat zij als bestuurder belangeloos werkzaamheden heeft verricht waar zij geen bezoldiging of onkostenvergoeding voor heeft ontvangen. Uw partner heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bron van inkomen. Dit blijkt ook uit de Rechtbankuitspraak van 21 oktober 2022 inzake de aangifte 2016 (€ 3.000 kosten aangegeven) van uw partner, waarin is aangegeven dat er geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd dat er een bron van inkomen is. Uit uw aangiften vanaf 2011 tot en met heden blijkt er eveneens geen sprake te zijn van een bron van inkomen met betrekking tot [stichting] of [vereniging] . Ik ben dan ook van mening dat er geen kosten voor vrijwilligerswerk voor [stichting] en [vereniging] in aftrek kunnen worden gebracht.
Ik ben voornemens een bedrag van € 3.000 aan kosten overig werk te corrigeren en daarmee een bedrag van € 1.409 aan resultaat uit overig werk in aanmerking te nemen.
Grond van de navordering kosten overig werk
(…)
Naar mijn mening had de inspecteur geen reden om aan de juistheid van uw aangifte te twijfelen, nu uw aangifte een verzorgde indruk maakte en de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte juist was. Dit mede gezien het feit dat u wel inkomsten uit overig werk geniet. De inspecteur was daarom niet gehouden om de aangifte verder te onderzoeken. Door het ontbreken van een verklaring ten aanzien van het aangegeven bedrag van € 1.500 aan kosten in het belastingjaar 2020 is nader onderzoek gedaan naar de aangegeven kosten in het belastingjaar 2017. Dit nader onderzoek heeft, op basis van de gecombineerde gegevens van uw aangiften en de aangiften van uw partner, er toe geleid dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. (…).
Betaalde onderhoudsverplichtingen
(…)
Bij de behandeling van uw aangifte inkomstenbelasting 2020 is gebleken dat u geen partneralimentatie ad € 2.880 betaald. In uw reactie van 30 juni 2022 geeft u aan dat het bedrag van € 2.880 geen partneralimentatie is ten behoeve van [naam 4] , maar ziet op de ouderlijke bijdrage voor de studie van uw zoon [naam 5] . Ook voor het belastingjaar 2011 en 2012 heeft u aangegeven dat het in aanmerking genomen bedrag van € 2.880 geen partneralimentatie is ten behoeve van [naam 4] . Ik ben op basis van voorstaande van mening dat het aangegeven bedrag in 2017 niet ziet op betaalde partneralimentatie aan [naam 4] .
Kosten voor levensonderhoud van kinderen zijn in 2017 niet aftrekbaar. Ik ben dan ook voornemens het in aanmerking genomen bedrag van € 2.880 te corrigeren.
Grond van de navordering betaalde onderhoudsverplichtingen
(…)
In uw aangiften 2011 en 2012 heeft u ook een bedrag van € 2.880 aangegeven als zijnde partneralimentatie aan [naam 4] . Bij de beoordeling van uw aangifte 2011 heeft u, na vragen inzake uw aangifte, aangegeven dat dit bedrag ziet op betaalde alimentatie voor uw zoon [naam 5] en niet op partneralimentatie. Het bedrag aan partneralimentatie is toen gecorrigeerd en er is een forfaitair bedrag voor levensonderhoud kinderen jonger dan 30 jaar in aanmerking genomen. Ook voor het jaar 2012 is deze post overeenkomstig aan 2011 gecorrigeerd. In 2013 en 2014 heeft u deze juist aangegeven als zijnde levensonderhoud van kinderen. Met ingang van belastingjaar 2015 is deze aftrekpost voor de inkomstenbelasting komen te vervallen. In onze brief van 27 februari 2015 hebben wij u hiervan ook op de hoogte gesteld. Vanaf belastingjaar 2015 tot en met heden neemt u echter wederom een bedrag van € 2.880 als zijnde partneralimentatie in aanmerking. U heeft bij de beoordeling van de aangifte 2020 aangegeven dat het aangegeven bedrag van € 2.880 betrekking heeft op de ouderlijke bijdrage van uw zoon en dat het een tikfoutje betreft. U bent van mening dat deze bijdrage wel aftrekbaar is, maar geeft niet aan op basis waarvan. U onderbouwt de door u ingenomen stelling op geen enkele manier. Uit het feit dat u deze bijdrage meerdere jaren als partneralimentatie in aanmerking neemt, concludeer ik dat dit geen tikfoutje kan betreffen. Daarnaast heeft u het voor het jaar 2013 en 2014 deze bijdrage juist in uw aangifte vermeld en vanaf 2015, toen de aftrekpost levensonderhoud kinderen verviel, bent u deze wederom aan gaan geven als zijnde partneralimentatie. Ik ben dan ook van mening dat u willens en wetens het bedrag van € 2.880 onjuist heeft aangegeven in uw aangifte 2017. U heeft in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat uw handelen tot gevolg heeft dat een beboetbare gedraging wordt begaan. Ik ben van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet en dat daarmee sprake is van kwader trouw dat navordering rechtvaardigt ingevolge artikel 16, lid 1 AWR.
Giften
(…)
Bij de behandeling van uw aangifte inkomstenbelasting 2020 is gebleken dat u onterecht bedragen in aanmerking neemt voor giften aan [vereniging] en [stichting] . Zowel [vereniging] als [stichting] is geen algemeen nut beogende instelling (ANBI) of steunstichting voor Sociaal Belang Behartigende Instelling (SBBI). Op basis hiervan kunnen geen giften aan deze instellingen voor aftrek in aanmerking worden genomen. Ook het (eventuele) afzien van een vrijwilligersvergoeding of onkostenvergoeding ten aanzien van deze instellingen kan daardoor niet als aftrekbare gift in aanmerking worden genomen. Ook kunnen deze niet, zoals hierboven reeds vermeld, niet als zijnde kosten uit overig werk in aanmerking worden genomen, omdat geen sprake is van een bron van inkomen.
In uw reactie van 30 juni 2022 geeft u aan dat u jaarlijks kosten maakt als voorzitter van Vereniging en [stichting] . De voor aftrek in aanmerking genomen bedragen voor giften aan [stichting] en/of [vereniging] tref ik in de belastingjaren 2014 tot en met 2020 met diverse omschrijvingen bij de giften aan. (…)
Ik leid uit bovenstaand overzicht af dat alle drie genoemde bedragen in 2017 zien op Vereniging of [stichting] . Aangezien beiden geen ANBI's of steunstichting voor SBBI's zijn, kan voor eventueel gedane giften aan deze 2 organisaties geen aftrek in aanmerking worden genomen. Ik ben dan ook voornemens het in aanmerking genomen bedrag van € 7.715 (€ 4.715 + € 1.500 + € 1.500) aan giften te corrigeren.
(…)
Het resterende bedrag van € 300 aan giften blijft onder de drempel ad € 642, zijnde 1% van uw drempelinkomen € 46.927 plus drempelinkomen mevrouw
[naam 3] € 17.317. Ik ben voornemens het in aanmerking genomen bedrag aan giften ad € 6.408 te corrigeren naar € 0.
Grond van de navordering giften
(…)
In het bezwaar tegen de aanslag 2012 en de tegen de uitspraak op het bezwaar 2012 ingestelde beroepszaak, waar op 12 maart 2018 uitspraak door de Rechtbank is gedaan, heeft u verzocht om giftenaftrek ad 2 x € 1.500 in verband met het afzien van een vrijwilligersvergoeding ten aanzien van [stichting] . Uit de uitspraak van de Rechtbank blijkt dat u geen recht heeft op giftenaftrek voor het afzien van een vrijwilligersvergoeding voor [stichting] omdat u niet aan de voorwaarden voldoet, alsmede omdat de Stichting geen ANBI of steunstichting voor een SBBI is.
U dient uw aangifte 2017 op 30 augustus 2018 in. Ten tijde van indiening van de aangifte was u meer dan genoegzaam bekend dat voor aftrek van giften het vereiste geldt dat giften uitsluitend aftrekbaar zijn als deze zijn gedaan aan een ANBI of SBBI. De vragen of het een ANBI of SBBI betreft zijn ook opgenomen in de elektronisch aangifte. De elektronische aangifte leidt tot de melding dat de gift niet aftrekbaar is, als u beiden vragen met "nee" zou hebben beantwoord. Uit de ontvangen aangifte en in aftrek gebrachte giften leid ik af dat u één van beide vragen bewust onterecht met "ja" heeft beantwoord. Dit zowel ten aanzien van [stichting] als [vereniging] .
Daarnaast constateer ik dat vanaf 2013 voor het vrijwilligerswerk voor de stichting en/of de [vereniging] bedragen voor aftrek in aanmerking neemt bij:
1. de giftenaftrek in belastingjaar 2016 en 2019
2. de kosten resultaat uit overig werk (ROW) in belastingjaar 2013
3. de giftenaftrek alsmede de kosten ROW in de belastingjaren 2014, 2015, 2017, 2018 en 2020.
Dat voor het vrijwilligerswerk, nog afgezien van de hoogte van de bedragen, bij beide posten voor meerdere jaren in wisselende samenstelling bedragen worden aangegeven, is naar mijn mening duidelijk dat u geen onderbouwd standpunt heeft dat er recht bestaat op aftrek, bij welke post en voor welk bedrag.
Op basis van voorstaande ben ik dan ook van mening dat u willens en wetens het bedrag van € 7.715 onjuist aan giften heeft aangegeven in uw aangifte 2017. U heeft in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat uw handelen tot gevolg heeft dat een beboetbare gedraging wordt begaan. Ik ben van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet en dat daarmee sprake is van kwader trouw dat navordering rechtvaardigt ingevolge artikel 16, lid 1 AWR.
Samenvatting voornemen navordering
Ik ben voornemens het belastbaar inkomen box 1 als volgt vast te stellen:
Belastbaar inkomen volgens aangifte (vastgesteld)
34.639
Bij: correctie kosten overige werk
3
Bij: correctie betaalde onderhoudsverplichtingen
2.88
Bij: correctie giften
6.408
Belastbaar inkomen volgens navorderingsaanslag
46.927

Kennisgeving boete

Verder ben ik van plan u een vergrijpboete op te leggen op grond van artikel 67e van de AWR en de regelgeving van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB). Hierna ga ik in op de boete. Ook leest u waarom ik denk dat een vergrijpboete geboden is.

Vergrijpboeten kunnen alleen worden opgelegd indien er sprake is van grove schuld of (voorwaardelijke) opzet.
(…)

Motivering boete

Kosten uit overig werk
Zoals hierboven reeds vermeld bij de giften constateer ik dat u vanaf 2013 voor het vrijwilligerswerk voor de stichting en/of de [vereniging] bedragen voor aftrek in aanmerking neemt bij:
1. de giftenaftrek in belastingjaar 2016 en 2019
2. de kosten resultaat uit overig werk (ROW) in belastingjaar 2013
3. de giftenaftrek alsmede de kosten ROW in de belastingjaren 2014, 2015, 2017, 2018 en 2020.
Dat u voor het vrijwilligerswerk, nog afgezien van de hoogte van de bedragen, bij beide posten voor meerdere jaren in wisselende samenstelling bedragen aangeeft, is naar mijn mening duidelijk dat u geen onderbouwd standpunt heeft dat er recht bestaat op aftrek, bij welke post en voor welk bedrag. Als u al over de post kosten overig werk twijfelde had u dit kunnen aangegeven bij de behandeling van uw beroepsprocedure of dit kunnen voorleggen bij de Belastingdienst. Dit heeft u niet gedaan.
Daarnaast constateer ik dat voor de jaren 2013 en 2014 navorderingsaanslagen zijn opgelegd aan uw partner mevrouw [naam 3] in verband met aangegeven bedrag aan kosten overig werk ten aanzien van de vrijwilligersvergoeding. Bij vaststelling van de aanslag 2015 van uw partner is afgeweken van het aangegeven bedrag aan kosten overig werk ten aanzien van de vrijwilligersvergoeding [stichting] . Bij vaststelling van de aanslag 2016 van uw partner is afgeweken van het aangegeven bedrag aan kosten overig werk en giften ten aanzien van de vrijwilligersvergoeding [stichting] .
Bij meerdere brieven aan uw partner is, ten aanzien van het aangegeven bedrag aan kosten overig werk, duidelijk aangegeven dat het afzien van vrijwilligersvergoeding of kostenvergoeding, niet aftrekbaar is als kosten overig werk in verband met het ontbreken van een bron van inkomen. In de correspondentie van 1 november 2017 is dit reeds voor de 1e keer aangegeven. U heeft uw aangifte 2017 op 30 augustus 2018 ingediend, waarbij u voornoemde op voorhand wist. Daarnaast had u gezien de tussenliggende tijd dit ook nog kunnen corrigeren door een herziene aangifte in te dienen. Ik vind het niet
aannemelijk dat u van deze correspondentie niet op de hoogte was. Bij het beroep tegen de uitspraak op bezwaar 2016 van uw partner heeft de rechtbank eveneens geoordeeld dat voor het afzien van de vrijwilligersvergoeding of kostenvergoeding geen bedrag voor aftrek in aanmerking kan worden genomen als kosten overig werk.
Op basis van bovenstaande ben ik van mening dat ten aanzien van het onjuist in aanmerking genomen bedrag van € 3.000 aan kosten overig werk sprake is van dermate lichtvaardig handelen door u dat sprake is van grove schuld. Als gevolg hiervan heeft u te weinig belasting aangegeven en is de aanslag inkomstenbelasting te laag vastgesteld.
In geval van grove schuld legt de Belastingdienst in de regel een boete op van 25% van de te weinig geheven belasting. Van dit percentage wordt afgeweken als er zich bijzondere omstandigheden voordoen dan wel hebben voorgedaan. Ik ben van mening dat er geen sprake is van dergelijke omstandigheden. Ik ben voornemens een boete van 25% van de te weinig geheven belasting, ten aanzien van de correctie kosten overig werk, op te leggen. De grondslag waarover deze boete wordt berekend is het belastingbedrag dat niet is geheven als gevolg van uw grove schuld.
Betaalde onderhoudsverplichtingen
Bij de beoordeling van uw aangifte 2011 heeft u aangegeven dat dit bedrag ziet op betaalde alimentatie voor uw zoon [naam 5] en niet op partneralimentatie. Het bedrag aan partneralimentatie is toen gecorrigeerd en er is een forfaitair bedrag voor levensonderhoud kinderen jonger dan 30 jaar in aanmerking genomen. Ook voor het jaar 2012 is deze post overeenkomstig aan 2011 gecorrigeerd. In 2013 en 2014 heeft u deze juist aangegeven als zijnde levensonderhoud van kinderen. Met ingang van belastingjaar 2015 is deze aftrekpost voor de inkomstenbelasting komen te vervallen. In onze brief van 27 februari 2015 hebben wij u hiervan ook op de hoogte gesteld.
Vanaf belastingjaar 2015 tot en met heden neemt u echter wederom een bedrag van € 2.880 als zijnde partneralimentatie in aanmerking. U heeft bij de beoordeling van de aangifte 2020 aangegeven dat het aangegeven bedrag van € 2.880 betrekking heeft op de ouderlijke bijdrage van uw zoon en dat het een tikfoutje betreft. U bent van mening dat deze bijdrage wel aftrekbaar is, maar geeft niet aan op basis waarvan. U onderbouwt de door u ingenomen stelling op geen enkele manier. Uit het feit dat u deze bijdrage meerdere jaren als partneralimentatie in aanmerking neemt, concludeer ik dat dit geen tikfoutje kan betreffen. Daarnaast heeft u het voor het jaar 2013 en 2014 deze bijdrage juist in uw aangifte vermeld en vanaf 2015, toen de aftrekpost levensonderhoud kinderen verviel, bent u deze wederom aan gaan geven als zijnde partneralimentatie. Ik ben dan ook van mening dat u willens en wetens het bedrag van € 2.880 onjuist heeft opgevoerd in uw aangifte 2017. U heeft in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat uw handelen tot gevolg heeft dat een beboetbare gedraging wordt begaan. Ik ben van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet.
In geval van opzet legt de Belastingdienst in de regel een boete op van 50% van de te weinig geheven belasting. Van dit percentage wordt afgeweken als er zich bijzondere omstandigheden voordoen dan wel hebben voorgedaan. Ik ben van mening dat er geen sprake is van dergelijke omstandigheden. Ik ben voornemens een boete van 50% van de te weinig geheven belasting, ten aanzien van de correctie betaalde onderhoudsverplichtingen, op te leggen. De grondslag waarover deze boete wordt berekend is het belastingbedrag dat niet is geheven als gevolg van uw opzet.
Giften
In het bezwaar tegen de aanslag 2012 en de tegen de uitspraak op het bezwaar 2012 ingestelde beroepszaak, waar op 12 maart 2018 uitspraak door de Rechtbank is gedaan, heeft u verzocht om giftenaftrek ad 2 x € 1.500 in verband met het afzien van een vrijwilligersvergoeding ten aanzien van [stichting] . Uit de uitspraak van de Rechtbank blijkt dat u geen recht heeft op giftenaftrek voor het afzien van een vrijwilligersvergoeding ten aanzien van [stichting] omdat u niet aan de voorwaarden voldoet, alsmede omdat de Stichting geen ANBI of steunstichting voor een SBBI is.
U dient uw aangifte 2017 op 30 augustus 2018 in. Ten tijde van indiening van de aangifte was u meer dan genoegzaam bekend dat voor aftrek van giften het vereiste geldt dat giften uitsluitend aftrekbaar zijn als deze zijn gedaan aan een ANBI of SBBI. De vragen of het een ANBI of SBBI betreft zijn ook opgenomen in de elektronisch aangifte. De elektronische aangifte leidt tot de melding dat de gift niet aftrekbaar is, als u beiden vragen met "nee" zou hebben beantwoord. Uit de ontvangen aangifte en in aftrek gebrachte bedragen aan giften leid ik af dat u één van beide vragen bewust onterecht met "ja" heeft beantwoord. Dit zowel ten aanzien van [stichting] als [vereniging] .
Daarnaast constateer ik dat vanaf 2013 voor het vrijwilligerswerk voor de stichting en/of de [vereniging] bedragen voor aftrek in aanmerking neemt bij:
1. de giftenaftrek in belastingjaar 2016 en 2019
2. de kosten resultaat uit overig werk (ROW) in belastingjaar 2013
3. de giftenaftrek alsmede de kosten ROW in de belastingjaren 2014, 2015, 2017, 2018 en 2020.
Dat voor het vrijwilligerswerk, nog afgezien van de hoogte van de bedragen, bij beide posten voor meerdere jaren in wisselende samenstelling bedragen worden aangegeven, is naar mijn mening duidelijk dat u geen onderbouwd standpunt heeft dat er recht bestaat op aftrek, bij welke post en voor welk bedrag.
Op basis van voorstaande ben ik dan ook van mening dat u willens en wetens het bedrag van € 7.715 onjuist aan giften heeft opgevoerd in uw aangifte 2017. U heeft in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat uw handelen tot gevolg heeft dat een beboetbare gedraging wordt begaan. Ik ben van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet.
In geval van opzet legt de Belastingdienst in de regel een boete op van 50% van de te weinig geheven belasting. Van dit percentage wordt afgeweken als er zich bijzondere omstandigheden voordoen dan wel hebben voorgedaan. Ik ben van mening dat er geen sprake is van dergelijke omstandigheden. Ik ben voornemens een boete van 50% van de te weinig geheven belasting, ten aanzien van de correctie giften, op te leggen. De grondslag waarover deze boete wordt berekend is het belastingbedrag dat niet is geheven als gevolg van uw opzet.
(…)

Vervolg

Als u het niet eens bent met mijn voornemen om een navorderingsaanslag op te leggen, verzoek ik u vóór 29 maart 2023 te reageren. Als ik vóór 29 maart 2023 geen reactie van u heb ontvangen, ontvangt u enige tijd daarna de navorderingsaanslag. Ik vermeld hierbij alvast dat ik u géén uitstel van de reactietermijn kan verlenen. Mocht het niet lukken om voor deze datum te reageren, dan kunt u na vaststelling van de navorderingsaanslag en boetebeschikking nog tijdig bezwaar maken en hierbij uw gronden/reactie kenbaar maken.(…)”
2.24.
Met dagtekening 18 april 2023 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 opgelegd overeenkomstig het voornemen uit de brief van 20 maart 2023. Tegelijk met de navorderingsaanslag heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van € 2.485.
Aanslagregeling en navordering 2018
2.25.
Bij brief van 28 februari 2019 heeft de inspecteur eiser uitgenodigd om voor 1 mei 2019 aangifte IB/PVV over 2018 te doen.
2.26.
De inspecteur heeft als onderdeel van Bijlage 23 bij het verweerschrift een brief van 18 april 2019 overgelegd, waarin eiser als volgt wordt geïnformeerd.

Op 3 april 2019 hebt u uitstel aangevraagd voor het doen van uw aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw) 2018
Ik verleen u hiervoor uitstel tot 1 september 2019.
2.27.
Eiser heeft met dagtekening 18 augustus 2019 met een daartoe bestemd formulier van de inspecteur uitstel gevraagd voor het indienen van zijn aangifte IB/PVV 2018, en wel tot 1 januari 2020 (onderdeel van Bijlage 23 bij het verweerschrift).
2.28.
De inspecteur heeft eiser bij brief van 17 september 2019 als volgt geïnformeerd.

Op 20 augustus 2019 hebt u uitstel aangevraagd voor het doen van uw aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw) 2018
Ik verleen u geen uitstel omdat de motivering in het uitstelverzoek ontbreekt of onvolledig is.
2.29.
De inspecteur heeft als Bijlage 18 bij het verweerschrift een print uit de geautomatiseerde systemen inzake het verleende uitstel met betrekking tot de aangifte IB/PVV 2018 overgelegd waarop onder meer staat vermeld:

Beconregeling Uitstel verleend tot
Verzoek uitstel individueel 20-08-2019 NEE
Verzoek uitstel individueel 03-04-2019 NEE 01-09-2019”.
2.30.
De inspecteur heeft op 18 september 2019 de aangifte IB/PVV over 2018 van eiser ontvangen. Met dagtekening 1 oktober 2020 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 vastgesteld overeenkomstig de aangifte van eiser.
2.31.
Bij brief met dagtekening 31 januari 2024 heeft de inspecteur eiser meegedeeld dat hij van plan is een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2018 en een vergrijpboete op te leggen. Deze brief komt inhoudelijk, wat de aard en onderbouwing van de correcties betreft, voor het overgrote deel overeen met de aankondigingsbrief over het jaar 2017 van 20 maart 2023 (2.23.). Wel wijken de bedragen (soms) af. Hierna volgen een paar passages uit de brief van 31 januari 2024 die specifiek zien op 2018.

Navordering
Ik ben van plan ten aanzien van de volgende posten een navordering vast te stellen:
  • in aanmerking genomen bedrag aan kosten bij inkomsten uit overig werk;
  • in aanmerking genomen bedrag aan betaalde onderhoudsverplichtingen;
  • in aanmerking genomen bedrag aan giften.
(…)
Inkomsten uit overig werk
(…)
Ik ben voornemens een bedrag van € 1.500 aan kosten overig werk te corrigeren en daarmee een bedrag van € 0 aan resultaat uit overig werk in aanmerking te nemen.
Grond van de navordering kosten overig werk
(…)
Opmerking opbrengst overig werk en kosten omschrijving "auto"
Voor de volledigheid merk ik hierbij op dat ik tijdens de beoordeling, naast bovengenoemde, ook nog de volgende onjuistheden ben tegengekomen bij de inkomsten uit overig werk. In de aangifte heeft u een bedrag aan opbrengst uit overig werk van € 3.900 in aanmerking genomen. Dit bedrag sluit niet aan bij de door [bedrijf 4] gerenseigneerde inkomsten van € 5.135. Ik ben dan ook van mening dat u niet het juiste bedrag aan opbrengst uit overig werk heeft aangegeven. Ondanks dat ik van mening ben dat u niet het juiste bedrag aan opbrengst in aanmerking hebt genomen, neem ik het verschil aan opbrengst van € 1.235 niet mee bij vaststelling van de navorderingsaanslag.
Daarnaast heeft u, naast de aangegeven reiskosten van € 1.400, een bedrag aan kosten van € 2.500 in aanmerking genomen met de omschrijving "auto". Het aangegeven bedrag van € 2.500, met als omschrijving auto, is niet mogelijk als zijnde kosten. Hoogstens zouden dit afschrijvingskosten kunnen zijn. De auto is echter niet geactiveerd op de balans en er vind geen bijtelling privé gebruik auto plaats. Ook uit uw reactie inzake de aangifte 2020 blijkt er geen sprake te zijn van mogelijke afschrijvingskosten. Ik ben dan ook van mening dat geen bedrag aan kosten "auto" in aanmerking kunnen worden genomen. Ondanks dat ik van mening ben dat u onterecht een bedrag aan kosten met de omschrijving "auto" in aanmerking hebt genomen, neem ik het verschil aan kosten van € 2.500 niet mee bij vaststelling van de navorderingsaanslag.
Ik merk hierbij wel op dat wanneer in de toekomst vergelijkbare onjuistheden in de aangifte worden aangetroffen, tot correctie kan worden overgegaan.
Betaalde onderhoudsverplichtingen
(…)
Grond van de navordering betaalde onderhoudsverplichtingen
(…)
Ik ben dan ook van mening dat u willens en wetens het bedrag van € 2.880 onjuist heeft aangegeven in uw aangifte 2018. U heeft in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat uw handelen tot gevolg heeft dat een beboetbare gedraging wordt begaan. Ik ben van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet en dat daarmee sprake is van kwader trouw dat navordering rechtvaardigt ingevolge artikel 16, lid 1 AWR.
Giften
(…)
Ik leid uit bovenstaand overzicht af dat alle drie genoemde bedragen in 2018 zien op Vereniging of [stichting] . Aangezien beiden geen ANBI's of steunstichting voor SBBI's zijn, kan voor eventueel gedane giften aan deze 2 organisaties geen aftrek in aanmerking worden genomen. Ik ben dan ook voornemens het in aanmerking genomen bedrag van € 6.890 (€ 890 + € 3.000 + € 3.000) aan giften te corrigeren.
(…)
Het resterende bedrag van € 450 aan giften blijft onder de drempel ad € 690, zijnde 1% van uw drempelinkomen € 48.398 plus drempelinkomen mevrouw [naam 3] € 20.700. Ik ben voornemens het in aanmerking genomen bedrag aan giften ad € 6.660 te corrigeren naar € 0.
Grond van de navordering giften
(…)
Op basis van voorstaande ben ik dan ook van mening dat u willens en wetens het bedrag van € 6.890 onjuist aan giften heeft aangegeven in uw aangifte 2018. U heeft in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat uw handelen tot gevolg heeft dat een beboetbare gedraging wordt begaan. Ik ben van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet en dat daarmee sprake is van kwader trouw dat navordering rechtvaardigt ingevolge artikel 16, lid 1 AWR.
Samenvatting voornemen navordering
Ik ben voornemens het belastbaar inkomen box 1 als volgt vast te stellen:
Belastbaar inkomen volgens aangifte (vastgesteld)
37.358
Bij: correctie kosten overige werk
1.5
Bij: correctie betaalde onderhoudsverplichtingen
2.88
Bij: correctie giften
6.66
Belastbaar inkomen volgens navorderingsaanslag
48.398

Voornemen opleggen vergrijpboete

(…)

Motivering boete

De reden waarom ik een vergrijpboete opleg, motiveer ik hierna.
Mijn onderbouwing splits ik op naar drie onderdelen van de aangifte: resultaat uit overig werk, giften en onderhoudsverplichtingen.
1. Resultaat uit overig werk
(…)
Kosten overig werk
Zoals hierboven in mijn brief aangegeven heeft u ten onrechte een bedrag van € 1.500 als kosten uit overig werk in aanmerking heeft genomen. U heeft hierbij de omschrijving Vrijwilliger opgenomen. U heeft mij voor een aangegeven bedrag van€ 1.500 aan kosten bij belastingjaar 2020 geen verklaring gegeven. Zoals hierboven in mijn brief aangegeven hebben deze kosten geen betrekking op de inkomsten van het bijlesinstituut [bedrijf 4] zodat u geen recht op aftrek hebt. Desondanks heeft u deze kosten in uw aangifte in uw voordeel opgenomen.
[stichting]
Zoals hierboven weergegeven in mijn brief (en de verwijziging naar de gecombineerde gegevens van de aangiften van voorgaande jaren van u en uw partner, de correspondentie over de belastingjaren 2013 tot en met 2016 inzake de aangiften van uw partner, de bezwaarschriften 2013, 2014 en 2016 van uw partner en de rechtbankuitspraak van Rechtbank Noord-Nederland van 21 oktober 2022 (zaaknummer LEE 21/2936) inzake de aangifte 2016 van uw partner) concludeer ik dat het aangegeven bedrag van € 1.500 opnieuw ziet op [stichting] dan wel [vereniging] , die eerder door u en/of uw partner in de aangiften zijn opgenomen. U is bekend dan wel had u bij navraag bekend kunnen zijn dat deze kosten niet aftrekbaar zijn omdat geen sprake is van een bron van inkomen. Toch brengt u opnieuw in uw eigen aangifte deze bedragen in aftrek, al dan niet wisselend onder andere posten, zoals de giften en laat u na nader onderzoek te doen naar de aftrekbaarheid van deze kosten. Dit doet u reeds vanaf uw aangifte 2013, zo heeft u bedragen in aftrek genomen bij:
1. de giftenaftrek in belastingjaar 2016 (en later ook in uw aangifte 2019)
2. de kosten resultaat uit overig werk (ROW) in belastingjaar 2013
3. de giftenaftrek alsmede de kosten ROW in de belastingjaren 2014, 2015, 2017, 2018 en 2020.
(…)
Op basis van bovenstaande ben ik van mening dat ten aanzien van de door u aangegeven en in aftrek genomen bedragen betreffende uw inkomen uit overige werkzaamheden sprake is van dermate lichtvaardig handelen door u dat sprake is van grove schuld. Als gevolg hiervan heeft u te weinig belasting aangegeven en is de aanslag inkomstenbelasting te laag vastgesteld.
In geval van grove schuld legt de Belastingdienst in de regel een boete op van 25% van de te weinig geheven belasting. Van dit percentage wordt afgeweken als er zich bijzondere omstandigheden voordoen dan wel hebben voorgedaan. Ik ben van mening dat er geen sprake is van dergelijke omstandigheden. Ik ben voornemens een boete van 25% van de te weinig geheven belasting, ten aanzien van de correctie kosten overig werk, op te leggen. De grondslag waarover deze boete wordt berekend is het belastingbedrag dat niet is geheven als gevolg van uw grove schuld.
2. Giften
(…)
Op basis van voorstaande ben ik dan ook van mening dat u willens en wetens het bedrag van € 6.890 onjuist aan giften heeft opgevoerd in uw aangifte 2018. U heeft in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat uw handelen tot gevolg heeft dat u onjuist aangifte doet en dat een beboetbare gedraging wordt begaan. Ik ben daar bovenop van mening dat u als politicus een voorbeeldfunctie in dezen heeft. Ik ben van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet.
In geval van opzet legt de Belastingdienst in de regel een boete op van 50% van de te weinig geheven belasting. Van dit percentage wordt afgeweken als er zich bijzondere omstandigheden voordoen dan wel hebben voorgedaan. Ik ben van mening dat er geen sprake is van dergelijke omstandigheden. Ik ben voornemens een boete van 50% van de te weinig geheven belasting, ten aanzien van de correctie giften, op te leggen. De grondslag waarover deze boete wordt berekend is het belastingbedrag dat niet is geheven als gevolg van uw opzet.
3. Onderhoudsverplichtingen
(…)
Bij de behandeling van uw aangifte inkomstenbelasting 2020 is gebleken dat u geen partneralimentatie ad€ 2.880 betaald. In uw reactie van 30 juni 2022 geeft u aan dat het bedrag van € 2.880 geen partneralimentatie is ten behoeve van [naam 4] , maar ziet op de ouderlijke bijdrage voor de studie van uw zoon [naam 5] . Kosten voor levensonderhoud van kinderen zijn in 2018 niet aftrekbaar.
(…)
Ik ben dan ook van mening dat u willens en wetens het bedrag van € 2.880 onjuist heeft opgevoerd in uw aangifte 2018. U heeft in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat uw handelen tot gevolg heeft dat een beboetbare gedraging wordt begaan. Ik ben van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet.
In geval van opzet legt de Belastingdienst in de regel een boete op van 50% van de te weinig geheven belasting. Van dit percentage wordt afgeweken als er zich bijzondere omstandigheden voordoen dan wel hebben voorgedaan. Ik ben van mening dat er geen sprake is van dergelijke omstandigheden. Ik ben voornemens een boete van 50% van de te weinig geheven belasting, ten aanzien van de correctie betaalde onderhoudsverplichtingen, op te leggen. De grondslag waarover deze boete wordt berekend is het belastingbedrag dat niet is geheven als gevolg van uw opzet.
(…)

Mondelinge toelichting

Ik stel u in de gelegenheid uw standpunt ten aanzien van de voorgenomen navordering en vergrijpboete toe te lichten. Als u van de gelegenheid gebruik wilt maken kunt u uiterlijk 15 februari 2024 telefonisch of per e-mail een afspraak maken.
(…)

Vervolg

Als u het niet eens bent met mijn voornemen om een navorderingsaanslag op te leggen, verzoek ik u vóór 15 februari 2024 te reageren. Als ik vóór 15 februari 2024 geen reactie van u heb ontvangen, ontvangt u enige tijd daarna de navorderingsaanslag. Mocht het niet lukken om voor deze datum te reageren, dan kunt u na vaststelling van de navorderingsaanslag en boetebeschikking nog tijdig bezwaar maken en hierbij uw gronden/reactie kenbaar maken.
2.32.
Met dagtekening 19 april 2024 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 opgelegd overeenkomstig het voornemen uit de brief van 31 januari 2024. Tegelijk met de navorderingsaanslag heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van € 2.354.
Aanslagregeling en navordering 2019
2.33.
Bij brief van 28 februari 2020 heeft de inspecteur eiser uitgenodigd om voor 1 mei 2020 aangifte IB/PVV over 2019 te doen.
2.34.
Op verzoek van eiser heeft de inspecteur eiser op 29 april 2020 uitstel voor het doen van de aangifte IB/PVV 2019 verleend tot 1 september 2020.
2.35.
De inspecteur heeft op 31 augustus 2020 de aangifte IB/PVV over 2019 van eiser ontvangen. Met dagtekening 26 november 2021 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 vastgesteld overeenkomstig de aangifte van eiser.
2.36.
Bij brief met dagtekening 31 januari 2024 heeft de inspecteur eiser meegedeeld dat hij van plan is een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2019 en een vergrijpboete op te leggen. Deze brief komt inhoudelijk, wat de aard en onderbouwing van de correcties betreft, voor een groot deel overeen met de aankondigingsbrief over het jaar 2017 van 20 maart 2023 (2.23.) en de aankondigingsbrief over het jaar 2018 van 31 januari 2024 (2.31.), met dien verstande dat in 2019 geen correctie van het aangegeven ROW speelt. Wel wijken de bedragen (soms) af. Verder heeft de inspecteur over 2019 (anders dan over 2017 en 2018) de aangegeven inkomsten uit eigen woning gecorrigeerd. Hierna volgen een paar passages uit de brief van 31 januari 2024 die specifiek zien op 2019.

(…)Navordering
Ik ben van plan ten aanzien van de volgende posten een navordering vast te stellen:
  • in aanmerking genomen bedrag aan rente van eigenwoningschulden;
  • in aanmerking genomen bedrag aan betaalde onderhoudsverplichtingen;
  • in aanmerking genomen bedrag aan giften.
Rente van eigenwoningschulden
Bij de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2019 heeft u een bedrag van € 3.551 aan rente van eigenwoningschulden in aanmerking genomen voor de lening van Interbank en een saldo per 31-12-2019 van € 49.746. De aanslag is overeenkomstig uw aangifte vastgesteld.
Bij behandeling van uw aangifte inkomstenbelasting 2020 heeft u met de toegezonden stukken niet aannemelijk gemaakt dat de lening van Interbank is aangegaan ten behoeve van de eigen woning en dat deze daarmee als eigenwoningschuld in aanmerking kan worden genomen.
Ik ben dan ook voornemens het in aanmerking genomen bedrag aan rente van eigenwoningschulden van € 15.993 te corrigeren met € 3.551.
Grond van de navordering rente van eigenwoningschulden
(…)
Naar mijn mening had de inspecteur geen reden om aan de juistheid van uw aangifte te twijfelen, nu uw aangifte een verzorgde indruk maakte en de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte juist was. De inspecteur was daarom niet gehouden om de aangifte verder te onderzoeken. Doordat de lening van Interbank in het belastingjaar 2020 niet door u aannemelijk is gemaakt als zijnde eigenwoningschuld is nader onderzoek gedaan naar het aangegeven bedrag aan rente van eigenwoningschulden in het belastingjaar 2019. Dit nader onderzoek heeft er toe geleid dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Op grond van bovengenoemde ben ik voornemens een navorderingsaanslag ten aanzien van de inkomsten uit eigen woning op te leggen over het jaar 2019 ingevolge artikel 16, lid 1 AWR.
Betaalde onderhoudsverplichtingen
(…)
Grond van de navordering betaalde onderhoudsverplichtingen
(…)
Ik ben dan ook van mening dat u willens en wetens het bedrag van € 2.880 onjuist heeft aangegeven in uw aangifte 2019. U heeft in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat uw handelen tot gevolg heeft dat een beboetbare gedraging wordt begaan. Ik ben van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet en dat daarmee sprake is van kwader trouw dat navordering rechtvaardigt ingevolge artikel 16, lid 1 AWR.
Giften
(…)
Ik leid uit bovenstaand overzicht af dat beide genoemde bedragen van € 3.400 in 2019 zien op Vereniging of [stichting] . Aangezien beiden geen ANBI's of steunstichting voor SBBI's zijn, kan voor eventueel gedane giften aan deze 2 organisaties geen aftrek in aanmerking worden genomen. Ik ben dan ook voornemens het in aanmerking genomen bedrag van € 7.650 (€ 3.400 + € 3.400 + € 850 verhoging) aan giften te corrigeren.
(…)
Het resterende bedrag van € 450 aan giften blijft onder de drempel ad € 675, zijnde 1% van uw drempelinkomen € 47.530 plus drempelinkomen mevrouw [naam 3] € 20.024. Ik ben voornemens het in aanmerking genomen bedrag aan giften ad € 7.338 te corrigeren naar € 0.
Grond van de navordering giften
(…)
Op basis van voorstaande ben ik dan ook van mening dat u willens en wetens het bedrag van € 7.338 onjuist aan giften heeft aangegeven in uw aangifte 2019. U heeft in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat uw handelen tot gevolg heeft dat een beboetbare gedraging wordt begaan. Ik ben van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet en dat daarmee sprake is van kwader trouw dat navordering rechtvaardigt ingevolge artikel 16, lid 1 AWR.
Samenvatting voornemen navordering
Ik ben voornemens het belastbaar inkomen box 1 als volgt vast te stellen:
Belastbaar inkomen volgens aangifte (vastgesteld)
33.761
Bij: correctie inkomsten uit eigen woning
3.551
Bij: correctie betaalde onderhoudsverplichtingen
2.88
Bij: correctie giften
7.338
Belastbaar inkomen volgens navorderingsaanslag
47.53

Opmerking ten aanzien inkomsten uit overig werk

Voor de volledigheid merk ik hierbij op dat ik tijdens de beoordeling, naast bovengenoemde, ook nog de volgende onjuistheid ben tegengekomen bij de inkomsten uit overig werk. In de aangifte heeft u geen bedrag aan opbrengst uit overig werk in aanmerking genomen. Dit komt niet overeen met de door [bedrijf 4] gerenseigneerde inkomsten van € 1.855. Ik ben dan ook van mening dat u onterecht geen opbrengst uit overig werk heeft aangegeven. Ondanks dat ik van mening ben dat u onterecht geen bedrag aan opbrengst uit overig werk heeft aangegeven, neem ik het verschil aan opbrengst van € 1.855 niet mee bij vaststelling van de navorderingsaanslag.

Ik merk hierbij wel op dat wanneer in de toekomst vergelijkbare onjuistheden in de aangifte worden aangetroffen, tot correctie kan worden overgegaan.

Voornemen opleggen vergrijpboete

(…)

Motivering boete

De reden waarom ik een vergrijpboete opleg, motiveer ik hierna. Mijn onderbouwing splits ik op naar twee onderdelen van de aangifte: giften en onderhoudsverplichtingen.

1. Giften
(…)
Op basis van voorstaande ben ik dan ook van mening dat u willens en wetens het bedrag van€ 7.650 onjuist aan giften heeft opgevoerd in uw aangifte 2019. U heeft in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat uw handelen tot gevolg heeft dat u onjuist aangifte doet en dat een beboetbare gedraging wordt begaan. Ik ben daar bovenop van mening dat u als politicus een voorbeeldfunctie in dezen heeft. Ik ben van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet.
In geval van opzet legt de Belastingdienst in de regel een boete op van 50% van de te weinig geheven belasting. Van dit percentage wordt afgeweken als er zich bijzondere omstandigheden voordoen dan wel hebben voorgedaan. Ik ben van mening dat er geen sprake is van dergelijke omstandigheden. Ik ben voornemens een boete van 50% van de te weinig geheven belasting, ten aanzien van de correctie giften, op te leggen. De grondslag waarover deze boete wordt berekend is het belastingbedrag dat niet is geheven als gevolg van uw opzet.
2. Betaalde onderhoudsverplichtingen
(…)
Ik ben dan ook van mening dat u willens en wetens het bedrag van € 2.880 onjuist heeft opgevoerd in uw aangifte 2019. U heeft in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat uw handelen tot gevolg heeft dat een beboetbare gedraging wordt begaan. Ik ben van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet.
In geval van opzet legt de Belastingdienst in de regel een boete op van 50% van de te weinig geheven belasting. Van dit percentage wordt afgeweken als er zich bijzondere omstandigheden voordoen dan wel hebben voorgedaan. Ik ben van mening dat er geen sprake is van dergelijke omstandigheden. Ik ben voornemens een boete van 50% van de te weinig geheven belasting, ten aanzien van de correctie betaalde onderhoudsverplichtingen, op te leggen. De grondslag waarover deze boete wordt berekend is het belastingbedrag dat niet is geheven als gevolg van uw opzet.
(…)

Mondelinge toelichting

Ik stel u in de gelegenheid uw standpunt ten aanzien van de voorgenomen navordering en vergrijpboete toe te lichten. Als u van de gelegenheid gebruik wilt maken kunt u uiterlijk 15 februari 2024 telefonisch of per e-mail een afspraak maken. (…)

Vervolg

Als u het niet eens bent met mijn voornemen om een navorderingsaanslag op te leggen, verzoek ik u vóór 15 februari 2024 te reageren. Als ik vóór 15 februari 2024 geen reactie van u heb ontvangen, ontvangt u enige tijd daarna de navorderingsaanslag. Mocht het niet lukken om voor deze datum te reageren, dan kunt u na vaststelling van de navorderingsaanslag en boetebeschikking nog tijdig bezwaar maken en hierbij uw gronden/reactie kenbaar maken.
2.37.
Met dagtekening 13 april 2024 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 opgelegd overeenkomstig het voornemen uit de brief van 31 januari 2024. Tegelijk met de navorderingsaanslag heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van € 2.208.
Overige feiten
2.38.
De inspecteur is bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2011 en 2012 afgeweken van de door eiser ingediende aangiften over die jaren en heeft een correctie doorgevoerd ten aanzien van de geclaimde aftrek partneralimentatie. De inspecteur heeft eiser geïnformeerd over deze correctie en onder meer geschreven:

Uit de aangifte 2011 blijkt dat u deze uitgaven hebt gedaan voor uw kind [naam 5] , geboren op [geboortedatum] 2001.
2.39.
Op 19 september 2013 ontving de inspecteur een brief van eiser, met dagtekening
15 september 2013. In deze brief heeft eiser onder meer geschreven:

E. betaalde alimentatie: U hebt gelijk dat het geen betaling is voor mijn ex, mevrouw [naam 4] , echter is het wel voor mijn zoon. [naam 5] .
2.40.
Bij het vaststellen van de definitieve aanslag IB/PVV 2011 is de aftrekpost alimentatie gecorrigeerd. De inspecteur heeft wel een forfaitaire aftrek voor kosten levensonderhoud voor kinderen jonger dan 30 jaar toegepast bij het vaststellen van deze aanslag.
2.41.
Dezelfde correctie heeft plaatsgevonden inzake het belastingjaar 2012. In zijn aangiften IB/PVV 2013 en 2014 heeft eiser de betreffende kosten in de rubriek kosten levensonderhoud voor kinderen jonger dan 30 jaar aangegeven.
2.42.
In zijn brief met dagtekening 27 februari 2015, met als onderwerp ‘Aftrek kosten levensonderhoud kinderen in uw aangifte 2014’, heeft de inspecteur eiser onder meer als volgt geïnformeerd:

“Let op!

2014 is het laatste jaar dat u van deze aftrekmogelijkheid gebruik kunt maken. In uw aangifte over 2015 mag u geen kosten meer aftrekken voor het levensonderhoud van uw kinderen jonger dan 21 jaar.
Ingebrekestelling
2.43.
Eiser heeft de inspecteur in gebreke gesteld ter zake van het uitblijven van een uitspraak op bezwaar over de jaren 2018, 2019 en 2020. De inspecteur heeft de ingebrekestellingen op 25 september 2024 ontvangen. In zijn e-mail van 27 september 2024 heeft de inspecteur aan eiser onder meer geschreven:

Deze e-mail zend ik u naar aanleiding van ons telefonisch onderhoud van zojuist. Tijdens dit onderhoud hebt u mij medegedeeld dat u uw ingebrekestelling wenst in te trekken. Ik heb u verzocht om dit (ook) middels een (aangetekende) brief te doen. Hierbij vermeld ik u het betreffende postadres:
(…)
Tevens verzoek ik u om mij als reactie op deze e-mail uw intrekking van uw ingebrekestelling te bevestigen. Zoals reeds vermeld, verzoek ik u tevens om de intrekking van de ingebrekestelling ook aan het eerder in deze e-mail genoemde postadres te zenden.
2.44.
In zijn e-mail van 29 september 2024 heeft eiser op de 2.46. vermelde e-mail als volgt gereageerd:

Hiermee bevestig ik de gedane afspraak en de post is onderweg , ik hoop u hiermee voldoende te hebben ingelicht.
2.45.
De inspecteur heeft op de zitting een stuk overgelegd. Het betreft een brief, bestaande uit 1 A4, die door de inspecteur op 2 oktober 2024 is ontvangen. Daarin is onder meer vermeld:

Onderwerp: intrekking ingebrekestelling belastingjaar 2018,2019 en 2020
Goedemiddag,
Hierbij schort ik de ingebrekestelling van de belastingjaren 2018,2019 en 2020 voorlopig op.
Met vriendelijke groet
w.g.
[eiser] .
Vergrijpboeten
2.46.
De inspecteur heeft in zijn verweerschrift een cijfermatige uitwerking van de (grondslag van de) vergrijpboeten opgenomen. Daarbij heeft de inspecteur eerst het belastingnadeel dat samenhangt met alle correcties gezamenlijk berekend. Vervolgens heeft hij het belastingnadeel uit hoofde van de IB/PVV (voor 2017 bijvoorbeeld: € 5.014) en de algemene heffingskorting (voor 2017 bijvoorbeeld: € 588) naar evenredigheid van de hoogte van de correcties toegerekend aan die correcties. Het belastingnadeel uit hoofde van de arbeidskorting (voor 2017 bijvoorbeeld: € 108) is geheel toegerekend aan de correctie ROW. Ten slotte heeft de inspecteur het aldus bepaalde belastingnadeel per afzonderlijke correctie, voor zover van toepassing, gehanteerd als boetegrondslag.
Inzake 2017 vermeldt het verweerschrift het volgende:

Op basis van bovenstaande informatie kom ik tot de volgende vergrijpboete:
Belastingnadeel correctie resultaat uit overige werkzaamheden € 3.000:
€ 5.014 * 24,41% = € 1.224
€ 588 * 24,41% = € 143
€ 108 * 100% = € 108
Totaal belastingnadeel resultaat uit overige werkzaamheden € 1.475
Vergrijpboete resultaat uit overige werkzaamheden 25% € 369
Belastingnadeel correctie alimentatie € 2.880:
€ 5.014 * 23,44% = € 1.175
€ 588 * 23,44% = € 137
Totaal belastingnadeel alimentatie € 1.312
Vergrijpboete alimentatie 50% € 656
Belastingnadeel correctie giften € 6.408:
€ 5.014 * 52,15% = € 2.614
€ 588 * 52,15% = € 306
Totaal belastingnadeel giften € 2.920
Vergrijpboete giften 50% € 1.460
In totaal bedraagt de vergrijpboete: € 369 + € 656 + € 1.460= € 2.485.
Inzake 2018 vermeldt het verweerschrift het volgende:

Op basis van bovenstaande informatie kom ik tot de volgende vergrijpboete:
Belastingnadeel correctie resultaat uit overige werkzaamheden € 1.500:
€ 4.510 * 13,59% = € 613
€ 517 * 13,59% = € 70
€ 54 * 100% = € 54
Totaal belastingnadeel ROW € 737
Vergrijpboete resultaat uit overige werkzaamheden 25% € 184
Belastingnadeel correctie alimentatie € 2.880:
€ 4.510 * 26,09% = € 1.176
€ 517 * 26,09% = € 134
Totaal belastingnadeel alimentatie € 1.310
Vergrijpboete alimentatie 50% € 655
Belastingnadeel correctie giften € 6.660:
€ 4.510 * 60,32% = € 2.720
€ 517 * 60,32% = € 311
Totaal belastingnadeel giften € 3.031
Vergrijpboete giften 50% € 1.515
In totaal bedraagt de vergrijpboete: € 184 + € 655 + € 1.515 = € 2.354.
Inzake 2019 vermeldt het verweerschrift het volgende:

Op basis van bovenstaande informatie kom ik tot de volgende vergrijpboete:
Belastingnadeel correctie alimentatie € 2.880:
€ 5.246 * 20,92% = € 1,097
€ 709 * 20,92% = € 148
Totaal belastingnadeel alimentatie € 1.245
Vergrijpboete alimentatie 50% € 622
Belastingnadeel correctie giften € 7.338:
€ 5.246 * 53,29% = € 2.796
€ 709 * 53,29% = € 377
Totaal belastingnadeel giften € 3.173
Vergrijpboete giften 50% € 1.586
In totaal bedraagt de vergrijpboete: € 1.586 + € 622 = € 2.208.
Inzake 2020 vermeldt het verweerschrift het volgende:

Op basis van bovenstaande informatie kom ik tot de volgende vergrijpboete:
Belastingnadeel correctie alimentatie € 2.880:
€ 6.911 * 15,56% = € 1.075
€ 1.049 * 15,56% = € 163
Totaal belastingnadeel alimentatie € 1.238
Vergrijpboete alimentatie 50% € 619
Belastingnadeel correctie giften € 3.045:
€ 6.911 * 16,46% = € 1.137
€ 1.049 * 16,46% = € 172
Totaal belastingnadeel giften € 1.309
Vergrijpboete giften 50% € 654
In totaal bedraagt de vergrijpboete: € 619 + € 654 = € 1.273.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak, aan de hand van de beroepsgronden van eiser, de volgende vragen:
Zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en 2018 (en de bijbehorende boete- en rentebeschikkingen) tijdig vastgesteld?
Was de inspecteur bevoegd om de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 vast te stellen?
Zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 terecht en tot het juiste bedrag opgelegd, en is de aanslag IB/PVV 2020 tot het juiste bedrag opgelegd?
Zijn de vergrijpboeten terecht opgelegd, en zo ja, zijn deze passend en geboden?
Heeft eiser recht op een dwangsom in de zin van artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?
Heeft de inspecteur artikel 5:49 en Pro/of 7:4 en/of 8:42 van de Awb geschonden?
Heeft eiser recht op een immateriële schadevergoeding?
Is terecht en tot het juiste bedrag belastingrente in rekening gebracht?
i.
i) Zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en 2018 en de bijbehorende beschikkingen tijdig vastgesteld?
4.1.
Eiser stelt dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en 2018 buiten de navorderingstermijn van vijf jaar zijn opgelegd. Eiser is van mening dat er (voor 2018: in eerste instantie) ongevraagd uitstel is verleend voor het indienen van de aangiften IB/PVV en dat dergelijk uitstel de navorderingstermijn niet kan verlengen.
4.2.
De inspecteur stelt dat de navorderingstermijn vijf jaar bedraagt en wordt verlengd met het verleende uitstel. Volgens de inspecteur is voor het doen van de aangiften IB/PVV over zowel 2017 als 2018 uitstel gevraagd door eiser. Voor de aangifte van beide jaren is vier maanden uitstel verleend.
De navorderingstermijn voor 2017 is daardoor verlengd tot en met 30 april 2023 en die voor 2018 tot en met 30 april 2024. De navorderingsaanslagen zijn daarmee tijdig, want binnen vier maanden na de vijfjaarstermijn, opgelegd.
4.3.
Artikel 16, derde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) luidt, voor zover hier van belang:

De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Artikel 11, vierde lid, is te dezen van toepassing. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd.(…)”
4.4.
De rechtbank overweegt verder dat de navorderingstermijn niet altijd wordt verlengd met de duur van het uitstel, maar uitsluitend met de duur van het uitstel dat (kenbaar) is verleend op verzoek van eiser. [1] Tussen partijen is in geschil of eiser voor beide jaren heeft verzocht om het uitstel. De inspecteur moet dat bewijzen, omdat hij zich beroept op het rechtsgevolg van het uitstel.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat eiser om uitstel heeft gevraagd voor het doen van de aangiften IB/PVV over 2017 en 2018. De rechtbank neemt daartoe het volgende in aanmerking. Vast staat dat in dit geval
individueeluitstel is verleend aan eiser in plaats van uitstel op basis van een (gezamenlijk) verzoek van een adviseur (op grond van de zogenoemde BECON-regeling). Op de zitting heeft de inspecteur onweersproken gesteld dat individueel uitstel nooit automatisch wordt verleend, maar alleen als daar om wordt gevraagd. Deze bewering vindt naar het oordeel van de rechtbank steun in de specifieke (onderling verschillende) data van de verzoeken zoals de inspecteur die in het systeem heeft vermeld (zie voor de jaren 2017 en 2018: 2.21. respectievelijk 2.29.; uit Bijlage 32 en 42 van het verweerschrift volgt dat dit voor de jaren 2019 en 2020 niet anders is). De rechtbank acht het daarom uiterst onwaarschijnlijk dat aan eiser, zonder een daartoe gedaan verzoek, spontaan uitstel is verleend voor het indienen van de aangiften IB/PVV 2017 en 2018. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank voorbij aan het door de inspecteur ter zitting gedane bewijsaanbod om alsnog de uitstelverzoeken van eiser te overleggen. De rechtbank is er immers al van overtuigd dat die uitstelverzoeken zijn gedaan.
4.6.
Samenvattend komt de rechtbank tot de conclusie dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat eiser voor het doen van de aangiften IB/PVV over zowel 2017 als 2018 vier maanden uitstel heeft gevraagd (en vervolgens gekregen). Met dat verleende uitstel is de navorderingstermijn verlengd en dus heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en 2018 tijdig vastgesteld.
ii) Was de inspecteur bevoegd om de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 vast te stellen?
5. Ten aanzien van de navorderingsbevoegdheid rust op de inspecteur de bewijslast. De rechtbank zal de navorderingsbevoegdheid van de inspecteur hierna per correctie behandelen.
Resultaat uit overige werkzaamheden (2017, 2018)
5.1.1.
Ten aanzien van de correctie op het resultaat uit overige werkzaamheden (2017 en 2018) stelt de inspecteur primair dat hij beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Subsidiair stelt de inspecteur dat navordering voor de jaren 2017 en 2018 mogelijk is op grond van kwader trouw. Eiser betwist zowel het bestaan van een nieuw feit als dat sprake is van kwade trouw.
5.1.2.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur op dit punt beschikt over een nieuw feit. Daartoe overweegt zij als volgt.
5.1.3.
Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren. [2] Op de inspecteur rust ten aanzien van de ingediende aangifte een zekere onderzoeksplicht. Schiet hij in dat opzicht tekort, dan begaat hij een ambtelijk verzuim en heeft hij geen nieuw feit.
5.1.4.
De inspecteur mag bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn. [3]
5.1.5.
Bij de beoordeling van de vraag of een inspecteur zijn onderzoeksplicht heeft geschonden en daarmee een ambtelijk verzuim heeft begaan, is het vaste jurisprudentie dat een inspecteur bij het beoordelen van de aangifte en het opleggen van de (primitieve) aanslag, in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het dossier van de belastingplichtige zelf, voor zover dat betrekking heeft op de belastingsoort in kwestie. Dossiers van andere belastingplichtigen of andere belastingen hoeft de inspecteur in beginsel niet te raadplegen. [4] Dit is alleen anders als het dossier van de belastingplichtige zelf aanleiding geeft om ook daarbuiten te gaan kijken.
5.1.6.
Het gaat hier om posten die in de rubriek ROW als kostenpost zijn aangegeven. De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de betreffende kostenposten, met als omschrijving ‘Vrijwilligerswerk Stichting’, ‘Vrijwilligerswerk Vereniging’ en ‘Vrijwilliger’, in de aangiften IB/PVV 2017 en 2018 geen vooringevulde posten zijn. Deze posten heeft eiser zelf ingevuld en zijn niet van de inspecteur afkomstig.
5.1.7.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur uitsluitend vanwege de omschrijvingen van de kostenposten (5.1.6.) in redelijkheid nog niet hoefde te twijfelen aan de juistheid. De niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangiften op dit punt toch juist waren. Dat een particulier die zijn aangifte invult, de term ‘vrijwilliger(swerk)’ hanteert, betekent nog niet dat hij daarmee het oog heeft op de vrijwilliger in fiscale zin. Het is denkbaar dat er in fiscale zin een werkzaamheid bestond, die de belastingplichtige als vrijwilligerswerk aanduidde. Dat deze kostenposten achteraf bezien zagen op een al eerder ter discussie staande
giftenaftrek, met vergelijkbare afgeronde bedragen (2.17.), maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Uit alleen de (omschrijving in de) betreffende aangifte kan dat niet worden opgemaakt. In die omschrijving ontbreekt namelijk een in dat opzicht essentieel gegeven, te weten de naam van de vereniging en de stichting ( [stichting] ). Met andere woorden: de inspecteur werd niet op het spoor van [stichting] (en daarmee op de al eerder gevoerde discussie) gezet. De rechtbank wijst er ter illustratie op dat de omschrijvingen op een
andereplek in de aangifte, te weten bij de geclaimde posten in het blokje giften, wél aanknopingspunten bieden om te vermoeden dat het om juist deze vereniging en stichting ging.
5.1.8.
De rechtbank overweegt verder dat de inspecteur niet verplicht was om de dossiers van de echtgenote van eiser te raadplegen. Hoewel zij heeft geprocedeerd over vergelijkbare kostenposten in haar aangifte IB/PVV 2016 is het niet zo dat de aangifte van
eiserop dit punt aanleiding gaf om in de aangifte(historie) van zijn echtgenote te gaan kijken. In dat geval geldt de hoofdregel dat de inspecteur de dossiers van de echtgenote van eiser niet hoefde te raadplegen.
5.1.9.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de uitkomst van de controle inzake de aangifte IB/PVV 2020 van eiser een nieuw feit oplevert, dat navordering op dit punt rechtvaardigt.
Uitgaven voor onderhoudsverplichtingen (2017, 2018, 2019)
5.2.1.
Ten aanzien van de correctie inzake de onderhoudsverplichtingen (2017, 2018 en 2019) stelt de inspecteur primair dat hij beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Subsidiair stelt de inspecteur dat navordering voor de jaren 2017, 2018 en 2019 mogelijk is op grond van kwader trouw. Eiser betwist zowel het bestaan van een nieuw feit als dat sprake is van kwade trouw.
5.2.2.
De rechtbank is van oordeel, gelet op het feitencomplex (2.23. en 2.31.), dat de inspecteur niet beschikte over een nieuw feit. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de inspecteur inzake de onderhoudsverplichtingen in redelijkheid behoorde te twijfelen aan de juistheid, omdat al in 2013 (2.39.) is komen vast te staan dat er geen sprake was van partneralimentatie. De kans dat deze er vanaf 2017 wel had kunnen zijn omdat eiser en zijn ex-echtgenote alsnog een regeling hadden kunnen treffen, zoals de inspecteur heeft gesteld, acht de rechtbank alleen al vanwege het tijdsverloop sinds het einde van het huwelijk verwaarloosbaar. Verder wijst de rechtbank erop dat eiser steeds hetzelfde bedrag als alimentatie heeft aangegeven en dat hij zijn ex-echtgenote met naam en toenaam heeft vermeld in de aangifte. Hier is dus wél sprake van de situatie dat de inspecteur de aangiftehistorie van de IB/PVV van eiser erbij had moeten pakken (5.1.5-5.1.7), waarna hij in één oogopslag zou hebben gezien dat de aangifte op dit punt vrijwel zeker onjuist was. De inspecteur heeft dus een ambtelijk verzuim begaan door dat niet te doen.
5.2.3.
De rechtbank overweegt dat van kwade trouw sprake is als de belastingplichtige bij het doen van aangifte opzettelijk onjuiste gegevens of inlichtingen verstrekt of opzettelijk de juiste gegevens of inlichtingen aan de inspecteur onthoudt. Onder opzet valt in dit kader ook voorwaardelijk opzet, te weten het zich willens en wetens blootstellen aan de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting wordt geheven en het bewust aanvaarden van die kans. Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. [5] De bewijslast dat sprake is van kwade trouw rust op de inspecteur.
5.2.4.
Onder verwijzing naar de feiten onder 2.39. en 2.40. overweegt de rechtbank als volgt. Eiser wist in 2013 dat hij in zijn aangifte geen kosten voor onderhoudsverplichtingen voor zijn ex-echtgenote kon aftrekken, eenvoudigweg omdat er helemaal geen sprake was van betaalde partneralimentatie. De inspecteur had eiser bovendien expliciet geïnformeerd dat hij vanaf 2015 geen kosten voor het levensonderhoud van zijn zoon meer kon aftrekken (2.42.). Beide aftrekposten waar eiser in het verleden een beroep op heeft gedaan, waren dus in 2017 en volgende jaren niet (meer) mogelijk. Door desondanks de aangiften IB/PVV 2017, 2018 en 2019 in te dienen met daarin een aftrek uit hoofde van onderhoudsverplichtingen, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat, als de aangiften zouden worden gevolgd, te weinig belasting zou worden geheven en heeft hij deze kans bovendien welbewust aanvaard. Sterker nog, het is voor de rechtbank buiten redelijke twijfel dat eiser wist dat zijn aangiften op dit punt niet klopten en ook dat hij die toch als zodanig heeft ingediend. Uit de manier waarop eiser in de loop van de jaren te werk is gegaan (zo lang het kon nog de aftrek voor levensonderhoud kinderen claimen, toen dat niet meer kon weer terugschakelen naar partneralimentatie) volgt dat het niet anders kan zijn dan dat eiser dit moedwillig heeft gedaan, met het oogmerk om ten onrechte een aftrek te krijgen. De rechtbank vindt het volstrekt ongeloofwaardig dat het hier (althans in de aangifte over 2020) om een schrijffout zou gaan, zoals eiser heeft gesteld. Die schrijffout zou dan niet alleen het invullen van een bedrag op de verkeerde plaats betreffen, maar ook de vermelding van de naam en het BSN-nummer van zijn ex-echtgenote omvatten, dit terwijl eiser naar eigen zeggen beoogde het levensonderhoud van zijn zoon op te voeren. Dat wil er bij de rechtbank niet in. Het op deze wijze doen van aangiften op dit punt vormt kwade trouw in de zin van artikel 16, eerste lid, van de AWR. Dat rechtvaardigt navordering op dit punt. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de aanwezigheid van kwade trouw overtuigend heeft aangetoond.
Giften (2017, 2018, 2019)
5.3.1.
Ten aanzien van de correctie op de giftenaftrek (2017, 2018 en 2019) stelt de inspecteur dat eiser te kwader trouw is en dat om die reden navordering mogelijk is. De inspecteur wijst daarbij met name op het indieningsmoment van de aangiften, die alle liggen nadat eiser bekend is geworden met de uitspraak van de rechtbank van 12 maart 2018 (2.9.) ten aanzien van zijn aanslag IB/PVV 2012. In die uitspraak oordeelde de rechtbank onder meer dat geen giftenaftrek mogelijk was voor vrijwilligerswerk voor [stichting] door (onder meer) het ontbreken van een ANBI- of SBBI-status.
5.3.2.
Eiser betwist de stelling van de inspecteur. Eiser stelt dat hij op het punt van de giftenaftrek niet te kwader trouw heeft gehandeld bij het invullen van zijn aangiften. Eiser heeft ter zitting verklaard dat wat hij in zijn reactie van 2 oktober 2022 inzake de aangifte IB/PVV 2020 over de giftenaftrek heeft gesteld (2.12.), ook voor de jaren 2017, 2018 en 2019 geldt. Dat houdt in dat hij (ook) voor Greenpeace vrijwilligerswerk heeft gedaan, waarbij hij heeft afgezien van een vrijwilligersvergoeding.
5.3.3.
Onder verwijzing naar 5.2.3. en de feiten onder 2.23., 2.31. en 2.36. overweegt de rechtbank als volgt. Eiser wist in ieder geval begin 2018, na de uitspraak van de rechtbank, dat hij in zijn aangiften geen giften kon aftrekken voor goede doelen die geen ANBI- of SBBI-status hadden. Ook wist eiser dat [stichting] die status niet had. Ten slotte wist eiser vanaf dat moment dat er nog meer voorwaarden gelden om als ‘vrijwilliger’ het afzien van een (kosten)vergoeding als gift te kunnen aftrekken. Zie voor dit alles de overwegingen 6 en 7 van de uitspraak van 12 maart 2018.
5.3.4.
Door desondanks de aangiften IB/PVV 2017, 2018 en 2019 in te dienen met daarin een aftrek van giften aan dezelfde stichting of vereniging zonder ANBI- of SBBI-status en zonder aan de bijzondere voorwaarden te voldoen, heeft eiser zich naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat, als de aangiften zouden worden gevolgd, te weinig belasting zou worden geheven en deze kans bovendien welbewust aanvaard. Het is voor de rechtbank buiten redelijke twijfel dat eiser wist dat zijn aangiften op dit punt (op deze manier aangegeven), niet klopten en dat hij die toch als zodanig heeft ingediend. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de aanwezigheid van kwade trouw overtuigend heeft aangetoond.
5.3.5.
Dat eiser eerst ter zitting stelt dat hij
ookin verband met zijn vrijwilligerswerk voor Greenpeace recht heeft op (hetzelfde bedrag aan) giftenaftrek, doet hier niet aan af. De omschrijvingen in de aangifte leiden immers tot de conclusie dat eiser daarin giftenaftrek
ter zake van [stichting]heeft geclaimd. De rechtbank zal het aanvullende standpunt van eiser wel meewegen bij de inhoudelijke beoordeling van de (hoogte van de) navorderingsaanslagen en de vergrijpboetes (zie hierna in 6.3.3. en 6.3.4. respectievelijk 8.3.5.). [6]
Eigenwoningregeling (2019)
5.4.1.
Ten aanzien van de correctie op het inkomen uit eigen woning in de aangifte IB/PVV 2019 stelt de inspecteur dat hij beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Eiser betwist het bestaan van een nieuw feit.
5.4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur op dit punt beschikt over een nieuw feit. Daartoe overweegt zij als volgt.
5.4.3.
Onder verwijzing naar 5.1.4. overweegt de rechtbank dat de inspecteur mocht uitgaan van de juistheid van de aangifte IB/PVV 2019 van eiser. Alleen de vermelding van ‘Interbank’ en een rekeningnummer geeft geen aanleiding tot nader onderzoek. Het is best mogelijk (en dus niet-onwaarschijnlijk) dat eiser bij die instantie een lening heeft opgenomen die voldoet aan de voorwaarden van de eigenwoningregeling. Bij de controle van de aangifte IB/PVV 2020 is gebleken dat eiser niet kon onderbouwen dat de lening van Interbank een eigenwoningschuld is. Die constatering is het nieuwe feit dat grond geeft voor het navorderen. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden geconcludeerd dat de inspecteur al voor het opleggen van de aanslag IB/PVV 2019 op de hoogte was of kon zijn van de reden voor correctie van deze aftrekpost.
iii) Zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 terecht en tot het juiste bedrag opgelegd, en is de aanslag IB/PVV 2020 tot het juiste bedrag opgelegd?
Resultaat uit overige werkzaamheden
6.
6.1.1.
De rechtbank stelt voorop dat op de zitting is komen vast te staan dat op dit punt uitsluitend nog in geschil is of de inspecteur de als kosten opgenomen bedragen voor vrijwilligerswerk onder het resultaat uit overige werkzaamheden voor de jaren 2017 en 2018 terecht heeft gecorrigeerd. Het gaat voor 2017 om tweemaal € 1.500 en voor 2018 om eenmaal € 1.500. De overige correcties inzake het resultaat uit overige werkzaamheden zijn niet meer in geschil.
6.1.2.
De rechtbank heeft het standpunt van eiser zo begrepen dat hij recht had op een (vrijwilligers)vergoeding voor zijn werkzaamheden voor [stichting] of [vereniging] (2.2.) waarvan hij zelf bestuurder was. Door af te zien van deze vergoeding ontstaat er volgens eiser een recht op aftrek, omdat hij wel kosten maakt uit hoofde van zijn functie.
6.1.3.
De inspecteur is van mening dat het afzien van een vrijwilligersvergoeding onder voorwaarden aftrekbaar is als gift en hoe dan ook niet thuishoort in de rubriek resultaat uit overige werkzaamheden. Verder levert [stichting] geen bron van inkomen c.q. geen werkzaamheid op.
6.1.4.
Bij de beoordeling van dit geschilpunt verwijst de rechtbank naar haar uitspraak in de zaak van de echtgenote van eiser van 21 oktober 2022 [7] , die door het gerechtshof op 26 november 2024 is bevestigd. [8] Ook in dit geval stelt de rechtbank voorop dat een voordeel in de sfeer van de inkomstenbelasting slechts (negatief) inkomen kan zijn als daar een bepaalde bron aan ten grondslag ligt. Volgens vaste jurisprudentie [9] worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs – eventueel in de toekomst – kan worden behaald.
6.1.5.
De bewijslast van feiten en omstandigheden die leiden tot de conclusie dat er sprake is van een bron die ten grondslag ligt aan de in aftrek te brengen kosten, rust in het onderhavige geval op eiser. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat er naast de bron van inkomen bestaande uit het geven van bijlessen voor [bedrijf 4] (2.3.), waar de betwiste kosten niet op zien, sprake is van een bron van inkomen. Eiser is er kennelijk – onterecht – vanuit gegaan dat hij het afzien van een vrijwilligersvergoeding van [stichting] of [vereniging] mocht aftrekken als resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank merkt op dat het afzien van een vrijwilligersvergoeding eventueel aftrekbaar zou kunnen zijn als gift [10] , maar dat dat in dit geval niet opgaat omdat [stichting] of [vereniging] geen ANBI- of SBBI-status heeft en er reeds om die reden geen aftrek kan plaatsvinden (zie 5.3.3. hiervoor en vanaf 6.3.1. hierna).
6.1.6.
Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur het resultaat uit overige werkzaamheden op dit punt terecht gecorrigeerd.
Uitgaven voor onderhoudsverplichtingen
6.2.1.
De inspecteur heeft in alle jaren, 2017 tot en met 2020, de aangegeven aftrek van uitgaven voor onderhoudsverplichtingen van € 2.880 ten behoeve van de ex-echtgenote van eiser gecorrigeerd.
6.2.2.
Eiser heeft gesteld dat hij geen alimentatie aan zijn ex-echtgenote heeft betaald, maar dat hij jaarlijks bijdraagt in het levensonderhoud van zijn zoon en dat hij de kosten daarvoor wilde aftrekken in zijn aangiften.
6.2.3.
De rechtbank overweegt dat in het verleden, op grond van artikel 6.13 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 21 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige werden onderhouden, konden worden afgetrokken. Per 1 januari 2015 is deze regeling komen te vervallen. Ook overigens bestaat er geen wettelijke grondslag voor deze aftrekpost. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur deze aftrekpost terecht heeft gecorrigeerd.
Giftenaftrek
6.3.1.
De inspecteur heeft voor alle jaren de giftenaftrek ter zake van aangegeven posten die zagen op [stichting] gecorrigeerd. Hij is verder van mening dat eiser geen giften heeft gedaan, althans niet aannemelijk heeft gemaakt, die boven de drempel [11] voor de aftrek uitkomen.
6.3.2.
Zoals hiervoor al is overwogen (5.3.2.), heeft eiser ter zitting verklaard dat hij de correctie van de inspecteur wat betreft de giften (het afzien van de vrijwilligersvergoeding) aan [stichting] en/of [vereniging] vanwege het ontbreken van de ANBI- of SBBI-status erkent. Dat is dus niet (meer) in geschil. De rechtbank zal nog wel het aanvullende standpunt van eiser, dat hij
ookin verband met zijn vrijwilligerswerk voor Greenpeace recht heeft op (hetzelfde bedrag aan) giftenaftrek, beoordelen. [12]
6.3.3.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 6.35 in samenhang met artikel 6.33 van de Wet IB 2001 volgt dat (andere dan periodieke) giften alleen aftrekbaar zijn als die zijn gedaan aan een ANBI of een steunstichting SBBI. Verder volgt uit artikel 6.36, eerste lid, van de Wet IB 2001 dat het afzien van een (vrijwilligers)vergoeding als gift in aanmerking kan worden genomen. Daarvoor gelden dan wel de volgende voorwaarden:
a. de instelling heeft een verklaring afgegeven dat de belastingplichtige zich heeft ingezet als vrijwilliger;
b. de belastingplichtige kan aanspraak maken op de in de verklaring genoemde vergoeding;
c. de instelling is bereid en in staat die vergoeding uit te keren, en
d. de belastingplichtige heeft de vrijheid over de vergoeding te beschikken.
6.3.4.
De rechtbank is van oordeel dat eiser, op wie in dezen de bewijslast rust, er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat aan de onder 6.3.3. vermelde cumulatieve voorwaarden wordt voldaan. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt meerdere documenten overgelegd (2.13. en 2.16.). De rechtbank stelt vast dat de onder 2.13. vermelde documenten niet zijn ondertekend, dat slechts één belastingjaar (2020) wordt genoemd en dat daarin niet wordt gerept van enige aanspraak op een vergoeding. Het andere document (2.16.) is niet ondertekend en er is geen contactpersoon vermeld. Voor alle documenten geldt dat ze ongedateerd zijn. De rechtbank heeft de nodige twijfels bij de authenticiteit van de stukken die eiser heeft ingebracht, vooral bij de ‘Dankbetuiging’ (2.16.). Die twijfels worden verder gevoed doordat Greenpeace op uitdrukkelijk verzoek van de inspecteur niet heeft kunnen achterhalen of eiser in 2020 vrijwilligerswerk voor Greenpeace heeft gedaan (2.15.). De rechtbank overweegt dat ook uit de onder 2.16. vermelde dankbetuiging sec niet kan worden afgeleid dat eiser in ieder van de daargenoemde jaren afzonderlijk (1) werkzaamheden heeft verricht, (2) aanspraak kon maken op een bepaalde, benoemde vergoeding (de hoogte is niet weergegeven) én (3) heeft afgezien van die specifieke vergoeding. De rechtbank is van oordeel dat eiser onder deze omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan alle voorwaarden voldoet.
6.3.5.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de inspecteur de giftenaftrek op dit punt terecht heeft gecorrigeerd.
6.3.6.
In zijn aangifte inkomstenbelasting 2017 heeft eiser als giften ten behoeve van [stichting] of [vereniging] ook nog een bedrag van € 4.715 afgetrokken, waarvan hij heeft verklaard dat dit door hem betaalde (juridische) kosten zijn voor de [stichting] of [vereniging] .
6.3.7.
De rechtbank overweegt dat nu [stichting] of [vereniging] geen ANBI- of SBBI-status heeft (hetgeen eiser ter zitting heeft bevestigd), deze gift, wat daar overigens ook van zij, hoe dan ook niet voor aftrek in aanmerking komt.
6.3.8.
Gelet op het bovenstaande betekent dit dat de door eiser gedane giften die wél als zodanig kwalificeren, in alle jaren onder de betreffende drempel blijven en in het geheel geen aftrek mogelijk is.
Eigenwoningregeling
6.4.1.
Wat betreft de aftrekbare kosten eigen woning is in 2019 en 2020 een bedrag aan rente in geschil dat is betaald aan de Interbank. Tevens is voor 2020 in geschil of een bedrag van € 345 aan rente is betaald op een lening bij de ABNAMRO bank, met het nummer [nummer] .
6.4.2.
Eiser stelt dat hij recht heeft op aftrek van de rente betaald aan de Interbank. Eiser is tevens van mening dat hij recht heeft op aftrek van € 345 inzake de lening bij de ABNAMRO bank, met het nummer [nummer] .
6.4.3.
De inspecteur is van mening dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de van Interbank geleende bedragen heeft gebruikt voor de aanschaf, onderhoud of verbetering van de eigen woning. Om die reden staat de inspecteur de aftrek van de daarop betaalde rente niet toe. De inspecteur is verder, op basis van een door hem verkregen renseignement, van mening dat op de lening bij de ABNAMRO bank, met het nummer [nummer] geen rente in rekening is gebracht.
6.4.4.
De rechtbank overweegt dat op eiser, die aftrek claimt, de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat en zo ja, in hoeverre, de door hem gestelde (rente)kosten in aanmerking komen als aftrekbare kosten eigen woning. Om voor aftrek van rente in aanmerking te komen dienen de leningen te zijn aangegaan ten behoeve van aanschaf, verbetering of onderhoud van de eigen woning en dienen de leningen bovendien aan een reeks voorwaarden te voldoen. [13] Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. De rechtbank overweegt dat eiser de lening bij Interbank niet heeft onderbouwd met overeenkomsten van geldlening of andere schriftelijke bescheiden waaruit blijkt dat de gestelde bedragen geleend zijn voor dan wel besteed zijn aan de aanschaf, het onderhoud of de verbetering van de eigen woning. Uit de jaaropgave volgt dat er sprake is van een ‘Doorlopend krediet’, zodat het vermoeden is gerechtvaardigd dat de lening niet kwalificeert als eigenwoningschuld. De rechtbank overweegt verder dat eiser de betaling van € 345 inzake de lening bij de ABNAMRO bank, met het nummer [nummer] niet aannemelijk heeft gemaakt. In het door eiser overgelegde stuk bij zijn e-mail van 30 juni 2022 (2.8.) staat vermeld dat het maandbedrag voor dit leningdeel € 0 betreft en het rentepercentage 0,00% bedraagt, wat aansluit bij zijn mededeling dat gebruik is gemaakt van de ‘coronabetaalpauze’.
6.4.5.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de inspecteur deze in aftrek gebrachte rente voor de eigen woning in 2019 en 2020 terecht heeft gecorrigeerd.
Correctie looninkomsten 2020
6.5.1.
Eiser stelt dat hij bij het invullen van de aangifte IB/PVV 2020 de door zijn werkgever WMW Dienstverlening verstrekte jaaropgave heeft gevolgd. Hij mag uitgaan van de juistheid van die jaaropgave, aldus eiser. Eiser heeft er bovendien op gewezen (2.12.) dat de correctie van de inspecteur ziet op de maanden januari en februari 2020 en dat het onverklaarbaar is dat hij in die maanden bijna de helft van het jaarsalaris van deze werkgever zou hebben bijverdiend.
6.5.2.
De inspecteur stelt dat hij bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020 gebruik heeft gemaakt van de door de werkgever van eiser aan hem verstrekte informatie. Eiser heeft de jaaropgave, waar volgens hem een ander bedrag op staat, niet overgelegd. Het loon uit dienstbetrekking is daarom terecht hoger vastgesteld, aldus de inspecteur.
6.5.3.
De rechtbank overweegt dat de bewijslast op de inspecteur rust. De inspecteur beschikte met de door de werkgever van eiser verstrekte informatie over een vermoeden dat eiser te weinig looninkomsten had aangegeven in zijn aangifte IB/PVV 2020. Eiser heeft dat vermoeden evenwel ontzenuwd door gemotiveerd aan te geven waarom het redelijkerwijs moet worden betwijfeld (2.12.). Naar het oordeel van de rechtbank had het vervolgens op de weg van de inspecteur gelegen om nader onderzoek te doen (bij eiser of, het meest voor de hand liggend, zijn werkgever). De splitsing in de aangeleverde gegevens (1-1 t/m 31-3 versus 1-3 t/m 31-12, zie 2.11) roept, zeker tegen de achtergrond van eisers betwisting, eveneens vragen op. Door onder deze omstandigheden eenvoudigweg vast te houden aan de door de werkgever van eiser overgelegde informatie, heeft de inspecteur de door eiser opgeworpen twijfel niet weggenomen en heeft de inspecteur deze correctie op de aangifte IB/PVV 2020 dus niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal het beroep van eiser op dit punt gegrond verklaren en het belastbaar inkomen uit werk en woning op dit punt verlagen.
iv) Zijn de vergrijpboeten terecht opgelegd, en zo ja, zijn deze passend en geboden?
7.
7.1.
Voorafgaand aan de (afzonderlijke) beoordeling van de vergrijpboetes, overweegt de rechtbank dat zij uit de stukken van het dossier heeft afgeleid dat eiser
zelfzijn aangiften IB/PVV 2017, 2018, 2019 en 2020 heeft ingediend. Desgevraagd heeft zijn gemachtigde dit op de zitting bevestigd.
7.2.
De rechtbank overweegt verder dat de inspecteur op grond van artikel 67e van de AWR met betrekking tot een belasting die bij wege van aanslag wordt geheven aan een belastingplichtige een vergrijpboete kan opleggen, indien het aan diens opzet of grove schuld is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. In de gegeven situatie heeft de inspecteur van die mogelijkheid gebruik gemaakt door bij de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2017, 2018 en 2019 ten aanzien van de correcties onderhoudsverplichtingen en giften een vergrijpboete van 50% wegens opzet op te leggen. De inspecteur heeft daarnaast ten aanzien van de correctie van het resultaat uit overige werkzaamheden voor de jaren 2017 en 2018 een vergrijpboete van 25 % opgelegd wegens grove schuld.
7.3.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 67d, eerste lid, van de AWR de inspecteur een vergrijpboete kan opleggen, indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven, de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan. In de gegeven situatie heeft de inspecteur van die mogelijkheid gebruik gemaakt door bij de aanslag IB/PVV 2020 ten aanzien van de correcties onderhoudsverplichtingen en giften een vergrijpboete van 50% op te leggen.
Resultaat uit overige werkzaamheden
8. De inspecteur heeft aan eiser inzake de correctie van het resultaat uit overige werkzaamheden voor de jaren 2017 en 2018 een vergrijpboete van 25 % opgelegd, omdat er volgens hem sprake is van grove schuld.
8.1.1.
Eiser heeft betwist dat hem op dit punt bij het doen van aangifte IB/PVV iets te verwijten valt.
8.1.2.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met de gestelde feiten en omstandigheden (zie in het bijzonder 6.1.5 en 5.3.3) overtuigend heeft aangetoond dat de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 op dit punt tot een te laag bedrag zijn vastgesteld en bovendien dat eiser daarop het opzet heeft gehad.
8.1.3.
Die omstandigheden – in samenhang bezien en naar hun uiterlijke verschijningsvorm beoordeeld – zijn dat eiser op het moment dat hij de aangiften deed, wist dat hij een ‘vrijwilligersvergoeding’ van een instelling zonder ANBI- of SBBI-status nooit als gift in aftrek kon brengen op zijn belastbaar inkomen, maar dat hij vond dat hij wel recht had op die aftrek. De omschrijvingen in de aangifte en de (nota bene dubbele) verantwoording (zowel onder ROW als onder de giften) laat geen andere conclusie toe dan dat eiser met dat doel (een niet-toegestane aftrek realiseren) deze aftrekpost onder het resultaat uit overige werkzaamheden heeft opgenomen. Hij wist dat het niet kon, maar deed het toch. Dit betekent dat eiser willens en wetens onjuiste aangiften heeft gedaan met het oogmerk dat de aanslagen naar te lage bedragen zouden worden vastgesteld (of anderszins te weinig belasting zou worden geheven).
8.1.4.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 22 september 1999 [14] en 11 april 2003 [15] onder meer dat in het verwijt van opzet niet tevens het verwijt van grove schuld besloten ligt. Opzet en grove schuld zijn nadrukkelijk van elkaar te onderscheiden kwalificaties, elk met een geheel eigen toetsingskader. De aard van het verwijt is fundamenteel anders. Nu de inspecteur in deze procedure alleen heeft gesteld (en onderbouwd) dat het aan de grove schuld van eiser is te wijten dat te weinig inkomstenbelasting zou worden geheven, moet de rechtbank dus louter beoordelen of de inspecteur heeft bewezen dat er sprake is geweest van
grove schuld.
8.1.5.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat de bewijsmiddelen leiden tot de conclusie dat bij eiser sprake was van
opzet. Die conclusie kan niet tevens inhouden dat bij eiser sprake was van
grove schuld. Hieruit volgt dat de inspecteur zijn stelling dat het aan de grove schuld van eiser is te wijten dat te weinig inkomstenbelasting wordt geheven, niet heeft bewezen. Dit brengt mee dat de boetes op dit punt moeten vervallen.
Uitgaven voor onderhoudsverplichtingen
8.2.1.
De inspecteur heeft aan eiser inzake de correctie van de onderhoudsverplichtingen voor de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020 een vergrijpboete opgelegd, omdat er volgens hem primair sprake is van (voorwaardelijke) opzet. De inspecteur is van mening dat gelet op de feiten en omstandigheden een boete van 50% passend en geboden is. Subsidiair is de inspecteur wat betreft de boeten voor 2017, 2018 en 2019 van mening dat sprake is van grove schuld.
8.2.2.
Eiser heeft betwist dat hem op dit punt bij het doen van aangifte IB/PVV iets te verwijten valt.
8.2.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat het aan de opzet van eiser is te wijten dat de aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld en dat de aangifte IB/PVV 2020 onjuist is gedaan. De rechtbank verwijst daarvoor naar wat hiervoor is overwogen in 5.2.4. en is van oordeel dat dit eveneens geldt voor het verwijt ten aanzien van de aangifte IB/PVV 2020. In dit geval valt het object van de kwade trouw (het geven van onjuiste informatie in de aangifte) samen met het object van de boete (het veroorzaken van een te lage aanslag respectievelijk het doen van een onjuiste aangifte). De daarop gerichte opzet valt dan ook samen.
8.2.4.
Eiser wist dat bijdragen in levensonderhoud ten behoeve van zijn zoon niet meer aftrekbaar waren. Door ter zake daarvan toch (weer) bedragen als aftrekbare alimentatie op te nemen, heeft eiser willens en wetens onjuiste aangiften gedaan met het oogmerk dat de aanslagen naar te lage bedragen zouden worden vastgesteld (of anderszins te weinig belasting zou worden geheven).
8.2.5.
De rechtbank is van oordeel dat eiser goed is weggekomen met een boete van 50% Beleidsmatig is 50% het uitgangspunt bij opzet (verder mag de inspecteur zonder bijkomende omstandigheden niet gaan). Zelf zou de rechtbank nog wat hoger zijn gaan zitten. De rechtbank vindt het namelijk verwerpelijk wat eiser heeft gedaan. Eiser heeft zijn eigen opvattingen over hoe de belastingwet moet luiden en waar hij recht op meent te hebben, maar vergeet dat hij in een rechtsstaat niet zelf de wet kan gaan herschrijven. Eiser moet de belastingwet respecteren en niet eigenhandig (en ten koste van andere belastingbetalers) gaan proberen de fiscus een pootje te lichten. Wat de rechtbank in het bijzonder kwalijk vindt, is dat eiser – nadat de aftrek wettelijk niet meer mogelijk was – zijn oude handelwijze heeft opgepakt door het dan maar weer aan te geven als alimentatie. Mede gelet op het beroep dat eiser uitoefent, heeft de rechtbank daar geen goed woord voor over. Eiser moet hier echt mee ophouden.
8.2.6.
De rechtbank mag de boete evenwel niet verhogen en zal dat dus ook niet doen.
Giftenaftrek
8.3.1.
De inspecteur heeft aan eiser inzake de correctie van de giftenaftrek voor de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020, een vergrijpboete opgelegd, omdat er volgens hem primair sprake is van (voorwaardelijke) opzet. De inspecteur is van mening dat gelet op de feiten en omstandigheden een boete van 50% passend en geboden is. Subsidiair is de inspecteur wat betreft de boeten voor 2017, 2018 en 2019 van mening dat sprake is van grove schuld.
8.3.2.
Eiser heeft betwist dat hem op dit punt bij het doen van aangifte IB/PVV iets te verwijten valt.
8.3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat het aan de opzet van eiser is te wijten dat de aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld en dat de aangifte IB/PVV 2020 onjuist is gedaan. De rechtbank verwijst daarvoor naar wat hiervoor is overwogen in 5.3.3. en 5.3.4. en is van oordeel dat dit eveneens geldt voor het verwijt ten aanzien van de aangifte IB/PVV 2020. In dit geval valt het object van de kwade trouw (het geven van onjuiste informatie in de aangifte) samen met het object van de boete (het veroorzaken van een te lage aanslag respectievelijk het doen van een onjuiste aangifte). De daarop gerichte opzet valt dan ook samen.
8.3.4.
Eiser wist dat giften aan een instelling zonder ANBI- of SBBI-status niet aftrekbaar waren, hij wist dat [stichting] die status niet had én hij wist dat er extra voorwaarden golden aan het aftrekken van giften in de vorm van het afzien van een vergoeding (waaraan hij niet voldeed). Dit was geen opvatting van de Belastingdienst waar eiser het wellicht wel of niet mee eens kon zijn: het was het oordeel van de rechter uit 2018, in eisers eigen zaak over 2012. Door deze aftrekpost toch weer (en bovendien in verschillende hoedanigheden) in zijn aangiften op te nemen (zie ook 8.1.3.), heeft eiser willens en wetens onjuiste aangiften heeft gedaan met het oogmerk dat de aanslagen naar te lage bedragen zouden worden vastgesteld (of anderszins te weinig belasting zou worden geheven).
8.3.5.
Het eerst op de zitting ingenomen standpunt dat eiser voor dezelfde bedragen recht op giftenaftrek zou hebben vanwege vermeend vrijwilligerswerk voor Greenpeace kan hem naar het oordeel van de rechtbank in dit verband niet baten. Dit standpunt bevestigt immers dat eiser (opzettelijk, zie 8.3.3. en 8.3.4.) een onjuiste aangifte heeft gedaan, aangezien eiser daarmee toegeeft dat de aangegeven giften aan [stichting] niet bestonden. Voor zover eiser heeft willen beweren dat hij bij het doen van aangifte al bedoeld had om (alleen) giften ten behoeve van Greenpeace in aftrek te brengen, is de rechtbank van oordeel dat dat volstrekt ongeloofwaardig is. Eiser heeft in zijn aangiften namelijk telkens ook al (andere) giften aan Greenpeace aangegeven (en daarnaast dus de giften aan [stichting] ). Aldus staat voor 2020 vast dat eiser het beboetbare feit heeft begaan (het doen van een onjuiste aangifte). In het verlengde daarvan staat voor 2017, 2018 en 2019 eveneens het uiteindelijke gevolg van de onjuiste aangiften vast (dat de aanslag te laag werd vastgesteld) en daarmee ook dat het beboetbare feit voor die jaren is begaan. Weliswaar had het gewijzigde standpunt van eiser, indien juist bevonden, ertoe kunnen leiden dat de
grondslagvoor de boetes lager zou worden, maar dat is in dit geval niet gebeurd. Eiser heeft zijn gewijzigde standpunt immers niet aannemelijk gemaakt (zie 6.3.3. en 6.3.4.).
8.3.6.
Over de hoogte van de boete overweegt de rechtbank als volgt. Ook hier meent de rechtbank dat eiser goed is weggekomen met een boete van 50 %. De rechtbank ziet strafverzwarende omstandigheden, maar zal daar niets mee doen omdat alleen de opgelegde boete ter toetsing voorligt. De rechtbank verwijst in dit verband naar 8.2.5 en voegt daar nog het volgende aan toe. Eiser heeft met zijn koppige handelen tegen beter weten in de belastingbetaler (verder) op kosten gejaagd: zowel de Belastingdienst als de rechterlijke macht hebben er hun handen vol aan gehad om eiser, die door diverse procedures over belastingaanslagen van zowel hemzelf als zijn echtgenote heus wel beter weet, te corrigeren.
8.3.7.
De rechtbank mag de boete evenwel niet verhogen en zal dat dus ook niet doen.
Undue delay
8.4.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van berechting op het moment waarop deze uitspraak wordt gedaan, is overschreden. De rechtbank heeft op de zitting met partijen besproken dat hierin aanleiding bestaat om de boeten te matigen. Partijen hebben verklaard dat de rechtbank om deze reden de vergrijpboete die ziet op 2017 zou moeten verminderen met 10% en de boeten die zien op 2018, 2019 en 2020 met 5%. [16] De rechtbank zal aldus beslissen.
8.5.
Nu eiser de cijfermatige uitkomsten van de standpunten van de inspecteur inzake de vergrijpboetes niet heeft bestreden, vertaalt de rechtbank haar hiervoor gegeven oordelen (onder verwijzing naar 2.46.) als volgt:
2017
Opgelegde vergrijpboete bedroeg: € 2.485
Correctie boete ROW:
€ 369
€ 2.116
Vermindering undue delay:
€ 212
€ 1.904
2018
Opgelegde vergrijpboete bedroeg: € 2.354
Correctie boete ROW:
€ 184
€ 2.170
Vermindering undue delay:
€ 109
€ 2.061
2019
Opgelegde vergrijpboete bedroeg: € 2.208
Vermindering undue delay:
€ 111
€ 2.097
2020
Opgelegde vergrijpboete bedroeg: € 1.273
Vermindering undue delay:
€ 64
€ 1.209
v) Heeft eiser recht op een dwangsom in de zin van artikel 4:17 Awb Pro?
9.1.
Eiser voert aan dat de inspecteur een dwangsom in de zin van artikel 4:17 Awb Pro moet betalen, omdat hij meer dan 14 dagen na de door hem ingediende ingebrekestelling uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Eiser voert daarbij aan dat hij de ingebrekestelling niet, zoals de inspecteur stelt, heeft ingetrokken. Eiser twijfelt aan het bestaan van de onder 2.45. vermelde brief en als die al bestaat, dat hij de ingebrekestelling dan slechts voorlopig heeft ingetrokken.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat alleen al gelet op de door de inspecteur overgelegde e-mails (2.43. en 2.44.), die eiser niet heeft betwist, eiser zijn ingebrekestelling heeft ingetrokken. Uit de context en bewoordingen van eisers reactie (2.44.) volgt dat eiser de afspraak zoals de inspecteur die heeft verwoord, onderschrijft. Daaronder valt ook de intrekking van de ingebrekestelling. Dat de inspecteur die graag ook per post wil ontvangen, maakt niet dat de intrekking niet zou hebben plaatsgevonden. Eiser zou naar het oordeel van de rechtbank bovendien in strijd met de goede procesorde handelen door eerst per e-mail de intrekking van de ingebrekestelling te bevestigen, toe te zeggen die per post toe te zenden (sterker nog: te beweren dat die al onderweg is) en vervolgens het standpunt in te nemen de ingebrekestelling nooit te hebben ingetrokken. Mocht eiser na de onder 2.44. vermelde e-mail al reden hebben gehad om terug te willen komen op de intrekking van zijn ingebrekestelling, dan had eiser dat duidelijker en gemotiveerd moeten vermelden. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de brief die de inspecteur heeft ingebracht (2.45.) binnen de context van de gemaakte afspraken (zoals in de e-mails vastgelegd) juist bevestigen dat eiser zijn ingebrekestelling heeft ingetrokken, al gebruikt hij in de brief het woord ‘opschorten’.
9.3.
Aldus verbeurt de inspecteur geen dwangsom, omdat eiser zijn ingebrekestelling heeft ingetrokken als onderdeel van een gemaakte afspraak met de inspecteur.
vi) Heeft de inspecteur artikel 5:49 en Pro/of 7:4 en/of 8:42 van de Awb geschonden?
10.
10.1.
Ter zitting heeft eiser verklaard dat de rechtbank geen oordeel meer hoeft te geven over de vraag of het recht van eiser om zijn dossier in te zien, is geschonden. Eiser heeft ter zitting wel gesteld dat het dossier niet compleet is en dat de inspecteur niet alle stukken in de zin van artikel 8:42 van Pro de Awb heeft overgelegd. Eiser wijst daarbij op het onder 2.45. vermelde stuk dat eerst op de zitting is overgelegd.
10.2.
De rechtbank overweegt dat het op de weg van eiser ligt om voldoende gemotiveerd te stellen dat de inspecteur heeft verzuimd bepaalde op de zaak betrekking hebbende stukken in te brengen. De rechtbank is van oordeel dat eiser, behalve het onder 2.45. vermelde stuk, niets concreets heeft aangedragen dat het vermoeden rechtvaardigt dat er meer op de zaak betrekking hebbende stukken (hebben) bestaan dan zijn ingebracht (en die de inspecteur dus heeft achtergehouden).
10.3.
De rechtbank constateert uitsluitend wat betreft het onder 2.45. vermelde stuk dat de inspecteur niet tijdig alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingezonden, terwijl hij hiertoe wel verplicht was. [17] De inspecteur heeft dus niet aan zijn verplichting zoals neergelegd in artikel 8:42 van Pro de Awb voldaan. De rechtbank kan daaruit in beginsel de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen. [18] De rechtbank overweegt in dat kader dat eiser op de zitting inhoudelijk heeft kunnen reageren op het stuk en dat ook heeft gedaan (door de authenticiteit ervan in twijfel te trekken). Eiser is dus niet benadeeld doordat het stuk niet eerder is overgelegd. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de inspecteur op dit punt niet tijdig aan zijn verplichting heeft voldaan om alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden.
vii) Heeft eiser recht om een immateriële schadevergoeding?
11.
11.1.
Eiser heeft ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 gesteld dat de redelijke termijn van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, en een verzoek gedaan om een immateriële schadevergoeding. De inspecteur heeft het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag ontvangen op 4 mei 2023.
11.2.
Ter zitting is vastgesteld dat als de rechtbank voor 4 mei 2026 uitspraak doet, de redelijke termijn met meer dan 6 maanden, doch minder dan 12 maanden, is overschreden. De inspecteur heeft erkend dat deze overschrijding geheel voor zijn rekening komt. De daarbij horende vergoeding bedraagt € 1.000. Er is samenhang. Partijen hebben op de zitting verklaard hiermee akkoord te zijn.
11.3.
De rechtbank heeft er uiteindelijk toch langer over gedaan om uitspraak te doen. Daarom zal de rechtbank ook nog een bedrag van € 500 toekennen, dat eveneens moet worden betaald door de inspecteur. De rechtbank heeft immers wel voor 20 juni 2026 uitspraak gedaan (en dus binnen de toegestane periode van anderhalf jaar na de uitspraken op bezwaar).
11.4.
Om praktische redenen zal de rechtbank de veroordeling uitspreken in (alleen) het beroep met zaaknummer LEE 25/444.
viii) Is terecht en tot het juiste bedrag belastingrente in rekening gebracht?
12. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet voor de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank eiser erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag IB/PVV 2020 zal worden verminderd, verstaat de rechtbank dat de inspecteur het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig zal verminderen.

Conclusie en gevolgen

13.
13.1.
De beroepen gericht tegen de navorderingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen zijn ongegrond. Het beroep gericht tegen de aanslag 2020 (en de bijbehorende belastingrentebeschikking) is gegrond. De beroepen gericht tegen de vergrijpboetebeschikkingen 2017 en 2018 zijn gegrond. De beroepen gericht tegen de vergrijpboetebeschikkingen 2019 en 2020 zijn ongegrond (maar deze boetes worden wel verminderd).
13.2.
De rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar in zoverre. De navorderingsaanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 en de bijhorende belastingrentebeschikkingen blijven in stand. De aanslag IB/PVV 2020 wordt verminderd tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.023 (€ 54.084 min € 1.061) en de bijhorende belastingrentebeschikking wordt dienovereenkomstig verlaagd. De vergrijpboete voor 2017 dient te worden verminderd tot € 1.904, de vergrijpboete voor 2018 dient te worden verminderd tot € 2.061, de vergrijpboete voor 2019 dient te worden verminderd tot € 2.097 en de vergrijpboete voor 2020 dient te worden verminderd tot € 1.209.
13.3.
De rechtbank stelt vast dat uitsluitend in het beroep met zaaknummer LEE 25/444 € 53 aan griffierecht is geheven. Omdat dit beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan eiser vergoeden.
13.4.
Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Op de zitting is met partijen besproken wat deze vergoeding zou moeten zijn. Partijen zijn het daarover eens geworden. In overeenstemming daarmee stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsfase op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op in totaal € 2.802 voor alle (samenhangende) beroepen gezamenlijk (2 punten voor proceshandelingen, een factor 1,5 voor de samenhang en een waarde van € 934 per punt). Per beroep is dat € 700,50.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gericht tegen de navorderingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen ongegrond;
  • verklaart het beroep gericht tegen de aanslag 2020 en de bijbehorende belastingrentebeschikking gegrond;
  • verklaart de beroepen gericht tegen de vergrijpboetebeschikkingen 2017 en 2018 gegrond;
  • verklaart de beroepen gericht tegen de vergrijpboetebeschikkingen 2019 en 2020 ongegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar in zoverre;
  • vermindert de vergrijpboete 2017 tot € 1.904;
  • vermindert de vergrijpboete 2018 tot € 2.061;
  • vermindert de vergrijpboete 2019 tot € 2.097;
  • vermindert de aanslag IB/PVV 2020 tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.023;
  • vermindert de bijhorende belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
  • vermindert de vergrijpboete 2020 tot een bedrag van € 1.209;
  • bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van de bestreden uitspraken op bezwaar;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser in het beroep met zaaknummer LEE 25/444 tot een bedrag van € 1.500;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht in het beroep met zaaknummer LEE 25/444 van € 53 aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van in totaal € 2.802 (€ 700,50 voor ieder beroep) aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Haanstra, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 21 mei 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 5 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:BH7984.
2.Artikel 16, lid 1, van de AWR.
3.Hoge Raad 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:379, r.o. 4.2.1.
4.Hoge Raad 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1343 en Hoge Raad 3 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1508.
5.Vgl. Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97.
6.Mede in het licht van Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1131, r.o. 3.3.2.
7.LEE 21/2936.
9.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 3 maart 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2826.
10.Op grond van artikel 6.36 van de Wet IB 2001.
11.Artikel 6.39 van de Wet IB 2001.
12.Zie Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1131, r.o. 3.3.2.
13.Zie artikel 3.119a van de Wet IB 2001.
16.Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.
17.Zie Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672.
18.Artikel 8:31 van Pro de Awb.