ECLI:NL:HR:2023:97
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijsmaatstaf voor boete bij navorderingsaanslag inkomstenbelasting
Belanghebbende is een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd over het jaar 2009, inclusief een boete op grond van artikel 67e, lid 1, AWR wegens het niet opgeven van aanzienlijke inkomsten op een Luxemburgse bankrekening.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat belanghebbende opzet had omdat hij wist dat de inkomsten niet in de aangifte waren opgenomen en daardoor te weinig belasting werd geheven. Belanghebbende stelde in cassatie dat het hof ten onrechte de bewijsmaatstaf van 'aannemelijk maken' hanteerde in plaats van de strengere maatstaf van overtuigend aantonen.
De Hoge Raad bevestigt dat de bewijsmaatstaf voor het vaststellen van een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals opzet, de maatstaf van overtuigend aantonen is, in lijn met het arrest van 8 april 2022. Het hof heeft deze maatstaf niet miskend en zijn oordeel over het opzet van belanghebbende is begrijpelijk en kan in cassatie niet worden getoetst.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Hiermee blijft de uitspraak van het hof in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het hof dat sprake is van opzet blijft in stand.