Processuele aspecten27.In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over drie beroepen inzake drie uitspraken op bezwaar. De achtergrond van deze uitspraken op bezwaar wordt telkens gevormd door dezelfde verzoeken om terugbetaling. Drie keer heeft verweerder een nieuw primair besluit genomen. Telkens weer was dit een afwijzing. Eiseres heeft tegen deze afwijzingen steeds bezwaar gemaakt en tegen de handhaving van de afwijzingen in de drie uitspraken op bezwaar ook steeds beroep ingesteld. Ter zitting is dit door partijen benoemd als een “conglomeraat van besluiten”. De rechtbank begrijpt daaruit dat partijen al deze besluiten als één, uit diverse onderdelen samengesteld, geheel van besluitvorming zien. Dit neemt echter niet weg dat drie maal beroep is ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar en de rechtbank dus drie uitspraken op bezwaar moet beoordelen.
Zaken HAA 22/2066 en HAA 22/2067
28. Bij besluit van 3 februari 2022 heeft verweerder het bezwaar tegen de afwijzingsbesluiten van 22 april 2021 gegrond verklaard, de afwijzingsbesluiten vernietigd en een inhoudelijk antwoord op de terugbetalingsverzoeken in het vooruitzicht gesteld. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld (zaken HAA 22/2066 en HAA 22/2067). Verweerder benoemt dat de uitspraak op bezwaar geen volledige beoordeling van de verzoeken bevat, maar alleen een globale reactie. Onder verwijzing naar artikel 7:11, tweede lid, van de Awb deelt verweerder mee dat het proces van het nemen van een nieuw besluit nog steeds gaande is. In die procedure wordt artikel 22, zesde lid, van het DWU correct gevolgd, aldus verweerder.
29. Op grond van artikel 22, zesde lid, van het DWU moet verweerder, indien een voor een aanvrager ongunstige beslissing wordt verleend, meedelen op welke gronden dit voornemen is gebaseerd. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft eiseres betoogd dat dit niet is gebeurd en dat de besluiten vanwege deze schending moeten worden vernietigd (punt 3.9 van de pleitnota). Niet in geschil is dat de mededeling niet is gedaan.
30. Op grond van vaste jurisprudentieleidt schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder het recht om te worden gehoord, naar Unierecht pas tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben. De rechtbank dient dit te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval.Hoewel deze jurisprudentie dateert van voor de inwerkingtreding van het DWU en in artikel 22, zesde lid, van het DWU expliciet is opgenomen dat voordat een ongunstige beslissing wordt genomen, aan de aanvrager wordt meegedeeld op welke gronden dit voornemen is gebaseerd, heeft naar het oordeel van de rechtbank het uitgangspunt om vóór vernietiging eerst te bezien of zonder de onregelmatigheid (van het niet tevoren horen) een andere afloop mogelijk was, niet aan betekenis ingeboet. Een andere benadering zou afbreuk doen aan de proceseconomie.
31. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft eiseres uitgebreid haar standpunt naar voren kunnen brengen over bijzondere omstandigheden die volgens haar aanleiding zouden moeten zijn om tot terugbetaling over te gaan. Verweerder heeft eiseres daarbij de gelegenheid gegeven een grote hoeveelheid stukken over te leggen. Deze stukken heeft verweerder niet betrokken in de uitspraak op bezwaar van 3 februari 2022.
32. Verweerder had, ook met het oog op een voortvarende behandeling van het bezwaar en de plicht om bij herroeping van een primair besluit in bezwaar een nieuw primair besluit te nemen (artikel 7:11, tweede lid, van de Awb), onder ogen moeten zien of het tijdens de bezwaarfase voorleggen van een nieuw voornemen teneinde alsnog te horen, zou hebben kunnen leiden tot een andere afloop. Hij had in die afweging de in bezwaar overgelegde stukken dienen te betrekken. Hij heeft er echter voor gekozen deze nadere stukken niet in het kader van de bezwaarprocedure te beoordelen, maar in een nieuwe primaire fase. Hij heeft daarbij miskend dat achteraf horen in het kader van een rechtsbeschermingsprocedure in de zin van artikel 44, tweede lid, van het DWU tegen een afwijzend besluit, onder bepaalde voorwaarden de eerbiediging kan verzekeren van het recht om te worden gehoord.Er is geen rechtsregel die verweerder verbiedt om, als in bezwaar blijkt dat een primair besluit is genomen zonder dat de procedurele bepalingen van artikel 22, zesde lid, van het DWU in acht zijn genomen, in het kader van de bezwaarprocedure alsnog te horen. Dit horen kan ook geschieden met een oogmerk om te beoordelen of de besluitvorming vanwege het niet horen voor het primaire besluit een andere afloop had kunnen hebben.
33. Eiseres heeft aan verweerder verzocht om, als verweerder het niet met haar eens is over terugbetaling, eerst een voorlopig standpunt in te nemen en – naar de rechtbank aanneemt – naar aanleiding van dit voorlopig standpunt eiseres vervolgens in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. Dit verzoek betekent echter niet dat verweerder het primaire besluit zonder meer had moeten vernietigen omdat eiseres in de primaire besluitvormingsfase niet is gehoord. Leidend blijft of door het niet horen in de fase van het nemen van het primaire besluit, de procedure een andere afloop had kunnen hebben.
34. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, door na te laten om na te gaan of het horen voor het nemen van een nieuw besluit tot een andere afloop had kunnen leiden, de primaire afwijzingen te voortvarend herroepen. Verweerder had in de uitspraken op bezwaar niet mogen volstaan met een globale reactie op de bezwaren, maar een volledige herbeoordeling moeten verrichten, ook aan de hand van de in bezwaar overgelegde stukken. Gezien de in de bezwaarprocedure beschikbare informatie over de bijzondere omstandigheden die volgens eiseres zouden moeten leiden tot terugbetaling, welke informatie in de bezwaarfase ook niet wezenlijk is aangevuld, was naar het oordeel van de rechtbank geen andere afloop denkbaar (zie overweging 12 en verder). Vernietiging van de primaire afwijzingen was dus niet aangewezen.
35. De beroepen in zaken HAA 22/2066 en HAA 22/2067 zijn gegrond omdat verweerder in bezwaar ten onrechte niet het andere-afloopcriterium in aanmerking heeft genomen en geen volledige heroverweging in bezwaar heeft verricht. Omdat verweerder de verzoeken om terugbetaling in de besluiten van 22 april 2021 terecht heeft afgewezen – wat er ook zij van de daartoe gebezigde gronden – en het in acht nemen van het voorschrift van artikel 22, zesde lid, van het DWU niet tot een andere uitkomst had kunnen leiden, zijn de afwijzingsbesluiten van 22 april 2021 ten onrechte vernietigd. De uitspraak op bezwaar van 3 februari 2022 kan dus niet in stand blijven. De rechtbank zal deze uitspraak op bezwaar vernietigen en het bezwaar tegen de afwijzingsbesluiten ongegrond verklaren. Materieel bezien is eiseres met deze beslissing niet slechter af: haar verzoeken om terugbetaling waren voorafgaand aan deze uitspraak van de rechtbank afgewezen en blijven afgewezen.
zaak HAA 23/145536. Uit het oordeel van de rechtbank in zaken HAA 22/2066 en HAA 22/2067 volgt dat de afwijzingen van 22 april 2021 herleven. Er was daardoor (in retrospectief bezien) geen aanleiding om op 24 augustus 2022 een nieuw besluit op de verzoeken om terugbetaling te nemen. De uitspraak op het bezwaar tegen het besluit van 24 augustus 2022 is dus in zoverre juist dat het bezwaar terecht gegrond wordt verklaard en het besluit van 24 augustus 2022 terecht wordt vernietigd. Hoewel de rechtbank op grond van een andere motivering tot een gegrond bezwaar komt, kunnen daarom de gronden van het beroep niet slagen voor zover ze zijn gericht tegen de gegrondverklaring van het bezwaar.
zaak HAA 24/197037. Uit het oordeel van de rechtbank in zaken HAA 22/2066 en HAA 22/2067 volgt dat de afwijzingsbesluiten van 22 april 2021 herleven. Er was daardoor (in retrospectief bezien) geen aanleiding om op 21 september 2023 een besluit op de verzoeken om terugbetaling te nemen. Het afwijzingsbesluit van 21 september 2023 kan dus niet in stand blijven. Het bezwaar tegen dit besluit had gegrond verklaard moeten worden en het afwijzingsbesluit van 21 september 2023 had moeten worden vernietigd. De uitspraak op bezwaar van 11 maart 2024 moet daarom ook worden vernietigd. Materieel bezien is eiseres ook met deze beslissing niet slechter af: haar verzoeken om terugbetaling waren voorafgaand aan deze uitspraak van de rechtbank afgewezen en blijven afgewezen.
38. De beroepen in de zaken HAA 22/2066 en HAA 22/2067 zijn gegrond omdat verweerder in de uitspraak op bezwaar van 3 februari 2022 ten onrechte niet het andere-afloopcriterium in aanmerking heeft genomen en in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb geen volledige heroverweging in bezwaar heeft verricht. Verweerder heeft echter de verzoeken om terugbetaling in de primaire besluiten van 22 april 2021 terecht afgewezen. Deze afwijzingen kunnen in stand blijven, ofschoon niet is gehoord vóórdat verweerder de afwijzende besluiten nam. Het achteraf horen in het kader van een rechtsbeschermingsprocedure tegen een afwijzend besluit, heeft in dit geval de eerbiediging verzekerd van het recht om te worden gehoord. De bezwaarprocedure had ook niet tot een andere uitkomst kunnen leiden indien eiseres voorafgaand aan het nemen van de besluiten van 22 april 2021 was gehoord. De rechtbank zal het bezwaar tegen deze afwijzingen daarom alsnog ongegrond verklaren. De beroepen zijn bovendien gegrond omdat verweerder heeft erkend dat hij een te lage proceskostenvergoeding voor de bezwaarprocedure heeft toegekend (zie hierna onder 49).
39. Hoewel verweerder in de uitspraak op bezwaar van 16 december 2022 de afwijzende beslissing van 24 augustus 2022 terecht heeft vernietigd, is het beroep in zaak HAA 23/1455 gegrond omdat verweerder heeft erkend dat hij een te lage proceskostenvergoeding voor de bezwaarprocedure heeft toegekend (zie hierna onder 49).
40. Het beroep in zaak HAA 24/1970 is gegrond omdat het bezwaar gegrond verklaard had moeten worden en het besluit van 21 september 2023 had moeten worden vernietigd.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
41. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
42. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016wordt indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden, verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. Voor de behandeling van een bezwaar is een termijn van zes maanden redelijk en voor de behandeling van een beroep een termijn van anderhalf jaar.
43. De rechtbank beschouwt de vier beroepszaken als samenhangend in die zin dat zij in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, omdat zij alle gaan over de afwijzing van de drie verzoeken om terugbetaling die eiseres heeft gedaan op 19 februari 2014 (één verzoek) onderscheidenlijk 25 maart 2014 (twee verzoeken). Alsdan wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd.In de onderhavige zaken roept dit de vraag op hoe dient te worden omgegaan met het feit dat volgtijdelijk drie maal een bezwaarprocedure is doorlopen in relatie tot dezelfde verzoeken om terugbetaling. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het in de rede om bij de beantwoording van die vraag aan te sluiten bij het uitgangspunt dat als de belastingrechter de zaak terugwijst naar de inspecteur om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen, voor het vaststellen van de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg niet een nieuwe behandelingsfase start.Voor de onderhavige zaken betekent dit dat de redelijke termijn voor de procedures in eerste aanleg gezamenlijk twee jaar bedraagt, waarbij de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de totale duur daarvan een half jaar overschrijdt.
44. De behandeling van de onderhavige zaken is aangevangen met de ontvangst van het eerste bezwaarschrift door verweerder op 4 mei 2021 (per e-mailbericht) en is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op 20 december 2024. De voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn bedraagt dus afgerond 44 maanden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigen. De redelijke termijn is daarom overschreden met afgerond 20 maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 2.000.
45. Van deze overschrijding is een periode van afgerond 35 maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase, die is voltooid toen verweerder met dagtekening 11 maart 2024 de laatste uitspraak op bezwaar deed. Omdat in de beroepsfase geen termijn is overschreden, dient verweerder het gehele bedrag van € 2.000 te betalen. De rechtbank zal verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.000.
Griffierecht en proceskosten
46. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat het griffierecht en een forfaitaire proceskostenvergoeding in drie zaken voor rekening van verweerder zijn. Bezien tegen de achtergrond van het betoog van verweerder dat de beroepen in de zaken HAA 22/2066, HAA 22/2067 en HAA 23/1455 gegrond moeten worden verklaard vanwege een te lage proceskostenvergoeding in bezwaar (zie overweging 10), begrijpt de rechtbank dat verweerder deze drie zaken bedoelt.
47. Omdat de rechtbank het beroep in HAA 24/1970 ook gegrond zal verklaren moet verweerder echter in beginsel in alle vier de zaken het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft drie keer griffierecht betaald. In zaken HAA 22/2066 en HAA 22/2067 een bedrag van € 365 gezamenlijk, in zaak HAA 23/1455 een bedrag van € 365 en in zaak HAA 24/1970 een bedrag van € 371. Verweerder moet dus in totaal een bedrag van € 1.101 aan griffierecht aan eiseres vergoeden.
48. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten in alle vier de zaken. De rechtbank beschouwt de vier beroepszaken als samenhangend. Deze vergoeding bedraagt dan voor de beroepsfase € 1.750 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 875).
49. Tussen partijen is niet in geschil dat de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase in de uitspraken op bezwaar van 3 februari 2022 en 16 december 2022 te laag is vastgesteld. Verweerder heeft ter zitting voorgerekend dat deze vergoedingen op respectievelijk € 1.082 en € 541 hadden moeten worden bepaald. Eiseres heeft ingestemd met deze door verweerder berekende vergoedingen en de rechtbank zal ze aldus toekennen.
50. In de uitspraak op bezwaar van 11 maart 2024 is geen proceskostenvergoeding toegekend. De rechtbank zal die wel toekennen, nu het beroep tegen die uitspraak gegrond wordt verklaard. Er is in bezwaar geen hoorzitting geweest. De rechtbank kent voor deze bezwaarprocedure 1 punt toe voor het indienen van een bezwaarschrift. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, r.o. 5.8.2 geoordeeld dat bij toekenning van een vergoeding van proceskosten punt 1 van onderdeel B2 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht buiten toepassing moet blijven. Dit betekent dat voor belastingzaken, waaronder douanezaken, bij het toekennen van een proceskostenvergoeding in bezwaar na 1 januari 2024 een waarde per punt geldt van € 624. Verweerder dient dus € 624 te vergoeden. 51. In totaal dient verweerder dus aan proceskosten te vergoeden een bedrag van € 3.997 (€ 1.750 + € 1.082 + € 541 + € 624).