Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 21 februari 2023 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Eindhoven, verweerder.
Procesverloop
De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak tussen eiseres en verweerder met zaaknummer HAA 20/3641.
Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, vergezeld van [naam 1] , kantoorgenoot van gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
Overwegingen
(de rechtbank begrijpt dat “bewaken” onjuist is en dat dit “bewerken” moet zijn, zoals ter zitting is besproken). In de vergunning zijn voor het hoofdveredelingsproduct de GS-posten 5208 en 4910 vergund en voor het bijkomende veredelingsproduct GS-post 5208. De vergunning vermeldt een opbrengstpercentage van 101,3%. De faciliteit van artikel 546 van Pro de Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: TCDW) maakt deel uit van de vergunning.
Het verzoek om terugbetaling van eiseres heeft betrekking op een utb die door verweerder is opgelegd ter zake van in de periode 13 juni 2014 tot en met 30 april 2016 door eiseres onder de douaneregeling AV/S geplaatste goederen. Van een specifiek geval waardoor een regel van materieel recht uit het DWU van toepassing kan zijn, is niet gebleken. De rechtbank zal het verzoek van eiseres dan ook toetsen aan de regels van materieel recht opgenomen in de artikelen 220 van het CDW, artikel 236 van Pro het CDW en 239 van het CDW.