ECLI:NL:HR:2019:1818

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 november 2019
Publicatiedatum
20 november 2019
Zaaknummer
19/01594
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Redelijke termijn overschreden bij berechting na terugwijzing in belastingzaak

Belanghebbende kreeg naheffingsaanslagen en boetes opgelegd over de periode 2008-2010. Na bezwaar en verschillende procedures bij rechtbank en gerechtshof werd de zaak terugverwezen naar de inspecteur voor nieuwe uitspraak op bezwaar. De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden en kende belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe.

Het hof stelde dat na terugwijzing een nieuwe termijn van twee jaar begint te lopen, waardoor de termijn niet was overschreden. De Hoge Raad verwierp deze uitleg en stelde dat de redelijke termijn niet opnieuw start bij terugwijzing, maar het totale tijdsverloop telt. Hierdoor is de redelijke termijn overschreden.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof, bevestigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de Staat tot vergoeding van proceskosten. Dit arrest verduidelijkt de berekening van redelijke termijnen bij terugwijzing in bestuursrechtelijke belastingzaken.

Uitkomst: De redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg is overschreden en belanghebbende heeft recht op immateriële schadevergoeding; het arrest van het hof wordt vernietigd en het vonnis van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/01594
Datum22 november 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAAT (de Minister van Justitie en Veiligheid)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 februari 2019, nr. 17/00834, op het hoger beroep van de Staat tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 16/4599) betreffende een aan belanghebbende over tijdvakken in de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft een verweerschrift ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1.1
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd. Tegelijkertijd is bij beschikking een boete opgelegd. Tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking heeft belanghebbende op 12 juli 2012 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 1 september 2012 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.2
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij uitspraak van 17 april 2014 geoordeeld dat de bezwaren tijdig zijn gemaakt en daarom ontvankelijk zijn. Die rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en heeft de zaak afgedaan. Zij heeft de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd.
2.1.3
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep van belanghebbende bij uitspraak van 15 april 2016 gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en de beide uitspraken van de Inspecteur vernietigd, en de Inspecteur opgedragen opnieuw uitspraak te doen op de bezwaren.
2.1.4
De Inspecteur heeft opnieuw uitspraak op de bezwaren gedaan. Hij heeft de boete verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn en de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen deze uitsprakenberoep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 25 oktober 2017 het beroep gegrond verklaard voor zover het de boetebeschikking betreft en de uitspraak op bezwaar betreffende die boetebeschikking alsook de boetebeschikking vernietigd. Zij heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard, en heeft – vanwege de te lange behandelingsduur door de rechter – de Staat veroordeeld tot vergoeding van € 500 aan immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.2.1
De Staat heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld.
Bij het Hof was in geschil of de in aanmerking te nemen termijn voor de fase van berechting tot aan de uitspraak van de Rechtbank (hierna: de berechting in eerste aanleg) is overschreden.
2.2.2
Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Het Hof heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de berechting van een zaak in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaren nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat na terugwijzing door het hof naar de inspecteur in beginsel opnieuw van een termijn van twee jaren voor de behandeling van het bezwaar en beroep dient te worden uitgegaan. Na terugwijzing van de zaak door het hof naar de inspecteur vangt volgens het Hof de in aanmerking te nemen termijn voor behandeling van de zaak in eerste aanleg aan op de dag na de uitspraak van het hof die tot deze terugwijzing leidde. Dit betekent volgens het Hof dat in dit geval die termijn op 16 april 2016 is aangevangen. Aangezien de Rechtbank op 25 oktober 2017 uitspraak heeft gedaan, is volgens het Hof de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg niet overschreden.
2.3
Het middel is gericht tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof.

3.Beoordeling van het middel

3.1
Het Hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat de berechting van een zaak in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden indien de rechtbank niet binnen twee jaren nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet (vgl. rechtsoverweging 3.4.2 van het overzichtsarrest [1] ).
3.2
Het Hof heeft echter miskend dat als de bestuursrechter de zaak terugwijst naar de inspecteur om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen, voor het vaststellen van de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg niet een nieuwe behandelingsfase start. [2] In zulke zaken geldt als uitgangspunt dat de berechting in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden als het totale tijdsverloop in deze fase, dat is dus de optelsom van het tijdsverloop van die fase vóór terugwijzing en van die fase na terugwijzing, langer heeft geduurd dan twee jaren. Daarbij geldt dat de duur van de hervatte berechting in eerste aanleg aanvangt op de dag nadat de terugwijzingsuitspraak is gewezen.
3.3
3Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, slaagt het middel. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het hoger beroep van de Staat dient ongegrond te worden verklaard. Aangezien belanghebbende geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank, moet de uitspraak van de Rechtbank worden bevestigd.

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan het Hof een griffierecht van € 250 te betalen voor de behandeling van het hoger beroep, en
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 253 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2019.

Voetnoten

1.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
2.Vgl. ABRvS 7 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0213, en CRvB 25 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9991.