ECLI:NL:HR:2021:1977
Hoge Raad
- Artikel 81 RO-zaken
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in douanerechtelijke zaak
Belanghebbende, een besloten vennootschap, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam inzake uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De Hoge Raad heeft de middelen die belanghebbende tegen het hof had ingebracht beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet uitvoerig omdat de ingebrachte vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen.
Belanghebbende had tevens een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure. Het hof had reeds een vergoeding toegekend voor de overschrijding van de redelijke termijn na verwijzing door de Hoge Raad. De Hoge Raad achtte de duur van de cassatieprocedure niet onredelijk en wees een aanvullende vergoeding af.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Dit arrest werd uitgesproken op 24 december 2021 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.