Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2020 in de zaken tussen
[X] , wonende te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
“1. ContextIn de visie van de Belastingdienst past het niet om aan belastingplichtige een belastingaanslag naar aanleiding van positieve correcties (op de grondslag) op te leggen, die slechts een “gering bedrag” aan te betalen belasting inhoudt.
2. CorrectiebeleidEen bedrag van niet meer dan € 225 kan als een ‘gering bedrag” beschouwd worden. Op basis hiervan geldt het volgende correctiebeleid:
1. Een te hanteren bedrag aan (minimaal) te betalen belasting naar aanleiding van correcties van € 225 per individuele belastingaanslag, dus per middel en belastingplichtige; […]
3. Het te hanteren bedrag bij een inkomenscorrectie bedraagt € 500;
4. Het te hanteren bedrag bij een navordering bedraagt € 450 (c.q. € 1.000 inkomen)”
2012-2013-2014-
Dhr./ Mevr…
[X]….
Geb…..
[#]….
lijdt aan incontinentie/ onbedoeld vochtverlies
[…]
Aldus verklaard en ondertekend”
niet-ontvankelijk verklaard worden.
van € 310 en verwijst daarbij naar de verklaring van de huisarts. Verweerder heeft het recht op de aftrek betwist, omdat uit de verklaringen van de gemachtigde van eiseres en van de huisarts niet duidelijk genoeg wordt van welke aard het vochtverlies is en of daar een ziekte aan ten grondslag ligt. Verder wijst verweerder erop dat de jaartallen op de verklaring van de huisarts met de hand zijn bijgeschreven.
(2 x € 500) en moet deze door verweerder vergoed worden.
Beslissing
- verklaart het beroep in zaaknummer HAA 19/3234 (2014) niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen in zaaknummers HAA 19/3232 (2012) en HAA 19/2839 (2015) gegrond;
- verklaart het beroep in zaaknummer HAA 19/3233 (2013) ongegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar in zaaknummers HAA 19/3232 (2012) en
- vernietigt – indien dat heden nog niet is gebeurd – de navorderingsaanslagen ib/pvv over 2012 en 2015;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiseres van de immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.064, en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden.