De zaak betreft hoger beroepen van appellante tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam inzake WMO-voorzieningen. Na een tussenuitspraak werd het college opgedragen gebreken in eerdere besluiten te herstellen. Bij gewijzigde beslissing verklaarde het college de bezwaren gegrond, kende een traplift toe en vergoedde kosten voor aanpassing doucheruimte en rechtsbijstand.
Appellante trok daarop de hoger beroepen in en verzocht de Raad het college te veroordelen in proceskosten en om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het college diende een verweerschrift in. De Raad besloot zonder nadere zitting.
De Raad oordeelde dat het college de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep moet vergoeden, begroot op €3.514,18. Over de redelijke termijn oordeelde de Raad dat de totale procedure in de hoofdzaak met ruim zeven maanden was overschreden en dat deze overschrijding volledig aan het college toerekenbaar is. Voor deze overschrijding kent de Raad een schadevergoeding toe van €1.000,-. In de andere procedure was geen overschrijding.
De uitspraak sluit de procedure af en bepaalt dat het college het griffierecht rechtstreeks aan appellante moet vergoeden.