Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
BNB2020/134 [11] volgt eveneens dat het gaat om een redelijke uitleg. Dit arrest betreft de vraag of het beleid om bedragen van hoogstens € 450 niet na te vorderen uitsluitend geldt bij het opleggen van deze aanslagen of ook bij latere vermindering. Het arrest beslist dat dit ook geldt bij latere vermindering, mede op grond van een redelijke uitleg daarvan:
BNB2020/134 zijn de navorderingsaanslagen vernietigd, omdat zij (uiteindelijk) waren opgelegd naar lagere bedragen dan € 450. Ik merk op dat de inkomenscorrectie voor elk uiteindelijk meer dan € 1.000 was. [12] Maar de vraag of (ook) daarom navordering bleef toegestaan, is – voor zover ik heb kunnen nagaan – niet in geschil geweest in de zaak die heeft geleid tot dit arrest. Ik meen dan ook dat dit arrest die vraag onbeantwoord heeft gelaten.
BNB2020/134 heeft overwogen (zie punt 3.8), is dit beleid ingegeven vanuit een tweeledig perspectief, namelijk dat van een doelmatige heffing door de inspecteur en dat van meewerkend gedrag door belastingplichtigen. Nergens wordt opgemerkt dat het beleid daarnaast enig uitvoeringsbelang van inkomensafhankelijke regelingen dient. Ook ligt zo’n belang mijns inziens niet reeds besloten in het belang van een doelmatige heffing. Integendeel, het belang van een doelmatige heffing wordt in onderdeel 1 van het correctiebeleid uitsluitend betrokken op het bedrag aan te betalen belasting (zie punt 2.2).
vet: rechtbank):
artikel 9.4 Wet IB 2001, waarin wettelijk is geregeld dat voor specifiek omschreven situaties,
gekoppeld aan een bepaald bedrag, ook geen aanslag wordt opgelegd.”
vet: rechtbank):
een te betalen minimum bedrag aan belastingals resultante van een besluitvormingsproces, ongeacht de belastingplichtige/-schuldige, wordt niet in strijd geacht met het gelijkheidsbeginsel.”
BNB2020/134 volgt dat het tweeledige perspectief dat is verwoord in onderdeel 1 van het correctiebeleid, mede van belang is voor een redelijke uitleg daarvan (zie punt 3.8). Zoals het is in aangehaald in punt 2.2, benadrukt onderdeel 1 het bedrag aan te betalen belasting, niet dat van de inkomenscorrectie; integendeel, volgens dit onderdeel blijft juist de inkomenscorrectie achterwege als de daarbij behorende belasting zodanig gering wordt geacht dat het bedrag ervan niet een gepercipieerde irritatiegrens overtreft. Dit betreft het belang van meewerkend gedrag van belastingplichtigen. Het geldt evenzeer voor dat van een doelmatige heffing, zoals blijkt uit de in punt 3.17 aangehaalde passages van hetzelfde onderdeel 1. In deze passages wordt uiteengezet dat – kort gezegd – een doelmatige heffing volgens het correctiebeleid in overeenstemming wordt geacht met het rechtvaardigheids- en gelijkheidsbeginsel juist omdat het “uitsluitend uitgaat van een te betalen minimum bedrag aan belasting” en aansluit bij artikel 9.4 Wet IB 2001 [20] , dat ook uitgaat van zo’n minimum.
ofdie van € 450 voor de na te vorderen belasting. Deze lezing is niet zonder bezwaren (zie punt 3.24). Bovendien doet die betekenis niet eraan af dat punt 4 van onderdeel 2 de grens van € 1.000 verwoordt als ondergeschikt aan de grens van € 450 (zie punt 3.12) wat betekent dat het correctiebeleid ertoe strekt het minimum bedrag aan te betalen belasting bovengeschikt te achten aan dat van enige inkomenscorrectie (zie punt 3.22).