Uitspraak
3. Onderwerp van deze vaststellingsovereenkomst
Rechtbank Noord-Holland
Eiser, een ondernemer met een interieurwinkel en vaste marktplaatsen, had buitenlandse bankrekeningen bij een Luxemburgse bank waarop aanzienlijke bedragen waren gestort die niet in zijn belastingaangiften waren vermeld. Verweerder legde navorderingsaanslagen op voor de jaren 2004, 2006 en 2007, waarbij hij de stortingen aanmerkte als buitenlandse ondernemingswinsten en de verlengde navorderingstermijn toepaste.
De rechtbank oordeelde dat de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, AWR niet van toepassing is op inkomsten die in Nederland zijn opgekomen en vervolgens op buitenlandse rekeningen zijn gestort. Eiser kon niet overtuigend aantonen dat de stortingen niet terug te voeren waren op buitenlandse winstbestanddelen. Verweerder kon evenwel geen concrete feiten of omstandigheden aandragen die de schatting van buitenlandse ondernemingswinsten rechtvaardigden.
Daarmee was de schatting van verweerder onredelijk en willekeurig. De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond, vernietigde de uitspraken op bezwaar en verminderde de navorderingsaanslagen tot de bedragen zoals oorspronkelijk aangegeven door eiser. Tevens werden de heffingsrente en proceskosten dienovereenkomstig aangepast.
Uitkomst: De navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2004, 2006 en 2007 worden verminderd wegens onredelijke en willekeurige schatting van buitenlandse ondernemingswinsten.