ECLI:NL:RBNHO:2013:10805
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging navorderingsaanslagen wegens onvoldoende voortvarendheid en toekenning immateriële schadevergoeding
De zaak betreft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 2000. Eiser was rekeninghouder bij een Luxemburgse bank, wat aanleiding gaf tot navordering door de Belastingdienst. De kern van het geschil is of de navorderingsaanslagen met voldoende voortvarendheid zijn opgelegd, met name voor de jaren waarop de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar van toepassing is.
De rechtbank stelt vast dat de Belastingdienst vanaf oktober 2002 over alle benodigde gegevens beschikte, maar pas in april 2003 het voornemen tot navordering kenbaar maakte, wat een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden inhoudt. Hierdoor worden de navorderingsaanslagen en boetes over de jaren 1991-1997 vernietigd. Voor de jaren 1998-2000 en 1999-2000 wordt de matiging van boetes van 20% gehandhaafd, omdat verdere verlaging niet gerechtvaardigd is.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaren is overschreden en kent eiser een immateriële schadevergoeding toe van €500 per half jaar, totaal €2.000. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep staat open bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Navorderingsaanslagen over 1991-1997 vernietigd wegens onvoldoende voortvarendheid, matiging boetes gehandhaafd en immateriële schadevergoeding van €2.000 toegekend.