ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3286
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Belanghebbende krijgt immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in hoger beroep belastingzaken
Belanghebbende had navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen ontvangen voor de jaren 1992 tot en met 2000. Na afwijzing van bezwaar door de inspecteur en een ongegrondverklaring van beroep door de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam.
Het hof oordeelde op 5 juli 2012 over de hoofdzaak en constateerde dat de redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep was overschreden. De termijn tussen het instellen van het hoger beroep op 3 november 2006 en de uitspraak op 5 juli 2012 bedroeg circa vijf jaar en acht maanden. Het hof vond onvoldoende bijzondere omstandigheden die deze lange duur rechtvaardigen.
Op verzoek van belanghebbende heropende het hof het onderzoek naar een immateriële schadevergoeding wegens deze termijnoverschrijding. Het hof stelde vast dat de overschrijding circa drie jaar en acht maanden bedroeg, afgerond op vier jaar, en kende een vergoeding toe van €500 per halfjaar, totaal €4.000.
Daarnaast veroordeelde het hof de Minister van Veiligheid en Justitie in de proceskosten van belanghebbende voor de verzoekprocedure tot een bedrag van €236. De uitspraak werd gedaan door de belastingkamer van het hof en is openbaar op 30 mei 2013.
Uitkomst: Belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van €4.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.