ECLI:NL:RBGEL:2026:4785

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
ARN 22/3069
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet BPMartikel 110 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens correctie historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de inspecteur, waarbij discussie bestond over de juiste handelsinkoopwaarde, historische nieuwprijs en waardevermindering van een gebruikte auto.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht een deskundige van DRZ heeft ingeschakeld en dat de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld op € 38.110, hoger dan door de inspecteur aangenomen. De rechtbank wijst het beroep af dat meer schade in aanmerking moet worden genomen dan door de inspecteur vastgesteld, omdat belanghebbende dit niet aannemelijk heeft gemaakt.

De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde vast op € 14.810 en wijst de door belanghebbende voorgestelde herleidingsmethode voor de bruto BPM af. De naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 1.517. Tevens kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt de inspecteur tot betaling van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot € 1.517 en belanghebbende ontvangt een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 22/3069

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juni 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve processen, de inspecteur.
en
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 24 februari 2022.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 6 augustus 2021 een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) van € 1.755 opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Namens belanghebbende heeft de gemachtigde hieraan deelgenomen, bijgestaan door [persoon A]. Namens de inspecteur hebben deelgenomen [persoon B] en mr. [persoon C].

Feiten

1. Belanghebbende heeft op 8 december 2020 aangifte voor de BPM gedaan voor een Opel Mokka X 1.4 Turbo Innovation (de auto) met als datum van eerste toelating 16 mei 2019.
2. In de aangifte is de te betalen belasting op basis van een taxatierapport van [naam bedrijf] B.V. berekend op € 3.144. De taxateur van belanghebbende heeft de historische nieuwprijs van de auto bepaald op € 35.766. In het taxatierapport van belanghebbende is de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat vastgesteld op € 16.761. De taxateur heeft de herstelkosten van de schade begroot op € 6.590, wat heeft geleid tot een waardevermindering van € 6.590 (100%). In de schadecalculatie is een negatieve correctie van € 250 meegenomen met als omschrijving “correctie conform autotelex Matrix” en een extra waardevermindering van € 2.000 vanwege “geen oordeel kilometerstand”. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 8.421.
3. De inspecteur heeft een bedrag van € 1.755 nageheven. Daarbij heeft de inspecteur zich gebaseerd op een onderzoek waardebepaling van H. Wilbrink, werkzaam bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 18 december 2020. Hierbij is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 36.547 op basis van een koerslijst van Xray en is de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat vastgesteld op € 17.971 op basis van een koerslijst van Xray rental. Verder is in dat rapport de waardevermindering als gevolg van schade vastgesteld op € 2.032 (72% van € 2.822). De handelsinkoopwaarde bedraagt volgens het rapport van DRZ € 15.939. Rekening houdend met de correctie markt- en dealersituatie bedraagt de handelsinkoopwaarde volgens de inspecteur € 14.810.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de naheffingsaanslag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
5. In geschil is de handelsinkoopwaarde, de historische nieuwprijs en de bruto bpm. Daarbij is in het bijzonder in geschil of:
  • de aanslag gebaseerd mag worden op de rapportage van DRZ;
  • de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld, omdat moet uit worden gegaan van de bruto bpm van de auto en niet van die van het referentievoertuig;
  • de inspecteur te weinig schade in aanmerking heeft genomen;
  • de bruto bpm moet worden herleid uit de herrekende bpm.
6. De rechtbank komt tot het oordeel dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rapportage DRZ
7. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat DRZ niet onafhankelijk is, zodat de aanslag niet op de rapportage mocht worden gebaseerd. Belanghebbende wijst in dat verband op een afsprakendocument tussen de Belastingdienst en de hertaxateurs van DRZ dat naar aanleiding van een Woo-verzoek openbaar is gemaakt. Volgens belanghebbende zijn de inspecteur en DRZ geen onafhankelijke derden, waardoor een oordeel van DRZ niet meer is dan een intern standpunt van de inspecteur zelf. De inspecteur kan daarom ter onderbouwing van de naheffingsaanslag niet enkel verwijzen naar de DRZ-rapportage. Belanghebbende heeft in dat kader tevens gewezen op de uitspraak van Rechtbank Den Haag van 16 augustus 2023. [1]
8. De rechtbank overweegt dat het de inspecteur vrijstaat om een deskundige naar keuze in te schakelen. De deskundige verricht zijn werkzaamheden vervolgens onder de verantwoordelijkheid van de inspecteur, die vervolgens de plicht heeft om zich ervan te vergewissen dat de deskundige het onderzoek objectief en zorgvuldig heeft verricht. In zoverre bestaat geen geschreven of ongeschreven rechtsregel die de inspecteur ertoe verplicht om een onafhankelijk deskundige in te schakelen. Dat belanghebbende het niet eens is met de uitkomsten van het onderzoek, betekent op zichzelf niet dat het onderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd. De aangehaalde civielrechtelijke uitspraak van rechtbank Den Haag ziet op de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen door de Staat door de hertaxaties voor de BPM niet aan te besteden. De vraag of de aanbestedingsregels geschonden zijn, valt buiten het kader van dit geschil. De beroepsgrond slaagt niet.
Historische nieuwprijs
9. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de gehanteerde historische nieuwprijs te laag is en moet worden vastgesteld op € 38.110, uitgaande van een netto catalogusprijs van € 20.460, € 4.296 btw en een bruto bpm van € 13.354.
10. Deze beroepsgrond slaagt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de afschrijving moet plaatsvinden op basis van de som van onder meer het bedrag aan bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop dat motorrijtuig voor het eerst in gebruik werd genomen en niet het bedrag aan bpm van een referentievoertuig. [2] De netto catalogusprijs is niet in geschil. De historische nieuwprijs moet daarom worden vastgesteld op € 38.110.
Handelsinkoopwaarde
11. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur met meer schade rekening had moeten houden. Belanghebbende wijst op het taxatierapport.
12. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van schade tot een bedrag van bruto € 2.822 en verwijst naar het DRZ-rapport. De handelsinkoopwaarde moet volgens de inspecteur hoger worden vastgesteld, als van een hogere historische nieuwprijs moet worden uitgegaan. De koerslijstwaarde kan niet één op één worden overgenomen als taxatiewaarde van het importvoertuig. Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken wat de verschillen doen met de waarde van de auto. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende niet aan deze bewijslast voldaan en dient het beroep ook om die reden ongegrond verklaard te worden.
13. De rechtbank komt tot het oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat met meer schade rekening moet worden gehouden dan de inspecteur heeft gedaan. Op de foto’s bij het taxatierapport en het DRZ-rapport is geen schade in de zin van meer dan normale gebruikssporen waar te nemen. Belanghebbende heeft verder niet concreet gesteld welke andere schade aanwezig zou zijn en uit de foto’s bij het taxatierapport en het DRZ-rapport kan dit niet worden afgeleid.
14. Ten aanzien van het standpunt van de inspecteur dat de handelsinkoopwaarde hoger moet worden vastgesteld, omdat de historische nieuwprijs hoger moet worden vastgesteld, oordeelt de rechtbank als volgt.
15. Niet in geschil is dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft en bijgevolg de taxatiemethode kan worden toegepast. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde vastgesteld op € 8.421 en de deskundige van de inspecteur (DRZ) heeft de handelsinkoopwaarde vastgesteld op € 14.810. De bewijslast van de taxatiewaarde berust bij belanghebbende [3] . De blote stelling van de inspecteur dat een hogere CO2-uitstoot wel moet leiden tot een hogere handelsinkoopwaarde, is onvoldoende om de door DRZ vastgestelde handelsinkoopwaarde ter zijde te schuiven of de handelsinkoopwaarde hoger vast te stellen. Het is geen feit van algemene bekendheid dat een hogere CO2-uitstoot een hogere handelsinkoopwaarde tot gevolg heeft.
16. Belanghebbende bepleit een waardevermindering wegens het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket. De inspecteur heeft daarmee evenwel reeds rekening gehouden bij de naheffingsaanslag.
Waardecorrectie ‘geen oordeel’ kilometerstand
17. Belanghebbende stelt dat geen oordeel kan worden gegeven over de kilometerstand en dat die omstandigheid dus een waardedrukkend effect heeft op de auto.
18. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand kan in beginsel een waardedrukkende factor zijn, omdat dit zou kunnen duiden op kilometertellerfraude. Het ontbreken van een dergelijk oordeel kan tevens een omstandigheid zijn die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. Belanghebbende heeft in dit geval echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand. [4] De taxateur heeft in zijn taxatierapport ook geen melding gemaakt van een mogelijke onjuiste kilometerstand of anderszins twijfel geuit over de betrouwbaarheid daarvan.
Waardevermindering als gevolg van begrote herstelkosten
19. Belanghebbende stelt dat de waardevermindering als gevolg van de begrote herstelkosten 100% bedraagt omdat de auto nog jong is en weinig kilometers heeft gereden (23.000 km) en de auto daarmee – nagenoeg – in nieuwstaat dient te verkeren, althans eerder tegen 100% aanligt dan op 72%.
20. De bewijslast van de waardevermindering als gevolg van schade, en dus ook met betrekking tot het in geding zijnde percentage, rust op belanghebbende. [5] De wet komt tegemoet aan deze bewijslast door de waardevermindering in ieder geval op 72% van de aanwezige schade te stellen. Voor de vraag of het redelijk is om meer dan 72% van de berekende reparatiekosten in aanmerking te nemen, moet worden gekeken naar diverse feiten en omstandigheden ten aanzien van de auto in kwestie. Daarbij kan de leeftijd van de auto een rol spelen, maar ook het aantal met de auto gereden kilometers, de aard van de schade en de exclusiviteit van de auto. Een dergelijke beoordeling vergt dus een op de auto toegesneden beoordeling. [6] De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen aanleiding bestaat om een hoger afwijkend percentage van de reparatiekosten als waardevermindering in aanmerking te nemen omdat geen sprake is van een exclusieve auto en evenmin van een lage kilometerstand. Bovendien stelt belanghebbende dat de auto veel gebruikssporen heeft hetgeen in strijd is met het standpunt dat de auto als praktisch nieuw heeft te gelden en dient te worden hersteld naar nieuwstaat. Juist door de vele gebruikssporen zal bij het herstel van de schade een deel van de gebruikssporen verdwijnen en de auto dus in een betere staat komen te verkeren. Dat en waarom dat in dit geval niet op zou gaan, heeft belanghebbende niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie handelsinkoopwaarde
21. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld op de door DRZ vastgestelde handelsinkoopwaarde van € 14.810.
Bruto BPM: herleiding uit herrekende BPM
22. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 110 van Pro het VWEU met zich brengt dat de verschuldigde bpm moet worden herleid uit de herrekende bruto bpm die is vastgesteld op basis van de restwaarde van een eerder ingevoerd referentievoertuig. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat deze methode voor het vaststellen van een vermindering wettelijk niet is toegestaan. Omdat de toegestane methoden op zichzelf geen strijd met artikel 110 van Pro het VWEU opleveren, is er geen reden hiervan af te wijken.
23. De rechtbank komt tot het oordeel dat deze beroepsgrond faalt. Op grond van artikel 10 van Pro de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 kan de in aanmerking te nemen vermindering voor een gebruikte auto worden vastgesteld aan de hand van de tabelafschrijving, op basis van een koerslijst of in bepaalde gevallen de taxatiemethode. Andere methoden, waaronder de door belanghebbende voorgestane herleidingsmethode, zijn niet toegestaan. Daarnaast kan belanghebbende met de herleidingsmethode niet aantonen dat in vergelijking met gelijksoortige voertuigen te veel bpm wordt geheven en dat dus in strijd met artikel 110 van Pro het VWEU is gehandeld. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in zijn arrest van 11 juli 2025 [7] .
Hoogte naheffingsaanslag
24. De naheffingsaanslag dient op grond van het bovenstaande als volgt te worden verminderd.
Historische nieuwprijs
€ 38.110
Handelsinkoopwaarde voor schade
€ 17.971
Schade (72% van € 2.822)
-/- € 2.032
Correctie markt- dealersituatie
-/- € 1.129
Handelsinkoopwaarde na schade
€ 14.810
Afschrijving
€ 23.300
Bruto historische BPM
€ 13.354
Afschrijvingspercentage
61,1388%
Afschrijving
€ 8.164
Verschuldigde BPM
€ 5.190
Extra leeftijdskorting
-/- € 529
Verschuldigde BPM
€ 4.661
Voldaan op aangifte
-/- € 3.144
Na te heffen
€ 1.517
Overschrijding van de redelijke termijn
25. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek. [8]
26. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016. [9] Belastingzaken moeten binnen een redelijke termijn worden behandeld van in beginsel twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen.
27. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende op 13 augustus 2021 ontvangen. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) vier jaar en elf maanden. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met 35 maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 3.000. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur is van 24 februari 2022. Dit is één maand buiten de beslistermijn van zes maanden die geldt voor de inspecteur.
28. De overschrijding van de redelijke termijn is dus voor het 1/35 deel toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor 34/35 deel aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 86 aan belanghebbende te betalen en de Staat veroordelen om een bedrag van € 2.914 aan belanghebbende te betalen.

Conclusie en gevolgen

29. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. de naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 1.517.
30. De rechtbank ziet in de gegrondverklaring van het beroep aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en stelt de te vergoeden proceskosten vast op € 3.200 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666 en 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
31. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 1.517;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 86;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 2.914;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 17 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag, 16 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12379.
2.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
3.Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310.
4.Zie ook Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 oktober 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:7433, 21 september 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:6901 en Rechtbank Gelderland 5 september 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4970.
5.Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:2019:1084.
6.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:258, 25 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1687 en 30 maart 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1040.
7.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
8.Beleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.