ECLI:NL:RBZWB:2023:6901
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen BPM-heffing en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de BPM-heffing op een Fiat 500, waarbij zij stelde dat de schade aan het voertuig onvoldoende was meegenomen en dat er onterecht een correctie werd toegepast wegens het ontbreken van een RDW-oordeel over de kilometerstand. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de schade hoger was dan de taxatie en dat de correctie voor het ontbreken van het RDW-oordeel onterecht was toegepast. Tevens werd het beroep op extra leeftijdskorting buiten behandeling gelaten vanwege interne compensatie.
Belanghebbende voerde aan dat de BPM-heffing in strijd was met artikel 110 VWEU Pro, omdat er mogelijk een hogere BPM werd geheven dan op gelijksoortige voertuigen. De rechtbank vond dat niet aannemelijk is gemaakt dat de voertuigen gelijksoortig waren en verwierp dit beroep.
Verder werd een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn met 12 maanden was overschreden en kende een vergoeding van € 1.000 toe, die voor rekening van de Staat komt. Daarnaast werd proceskostenvergoeding en griffierecht toegekend aan belanghebbende. Het beroep werd ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak op bezwaar in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep tegen de BPM-heffing wordt ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van € 1.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.