3.12.Fijnder is met het bestreden besluit II – met overneming van het advies van de Commissie Bezwaarschriften van 8 november 2024 – bij het primaire besluit III gebleven.
4. Eiser voert – samengevat – het volgende aan. Omdat boodschappen in Duitsland aanzienlijk goedkoper zijn dan in Nederland, doet eiser regelmatig boodschappen voor zijn vrienden in Duitsland. Door deze vriendendiensten komt hij onder de mensen. Gelet op het beperkte inkomen van eiser wordt, voordat hij de gevraagde boodschappen doet, eerst een betaling van de betreffende vriend ontvangen. Eiser neemt dit bedrag vervolgens op bij een geldautomaat om daarmee vervolgens in de Duitse supermarkt contant te betalen. Na aflevering van de boodschappen geeft hij dan het wisselgeld terug, dat hij in voorkomende gevallen mag houden als compensatie van zijn benzinekosten. Eiser verwijst naar de verklaringen van vrienden die hij in de bezwaarprocedure heeft overgelegd. Vanzelfsprekend wordt door eiser van de vriendendiensten, waaraan hij niet verdient, geen administratie bijgehouden. Er is sprake van verrekening van kosten, niet van inkomsten. Eiser staat sinds april 2018 onder budgetbeheer bij de Stadsbank. De bijstand van eiser wordt ontvangen door de Stadsbank en die betaalt daarvan de vaste lasten van eiser en administreert de baten en de lasten. Met een medewerker van de Stadsbank zijn medio 2020 de boodschappen en betaalverzoeken uitdrukkelijk besproken. Eiser is daarover geadviseerd om de betaalverzoeken van een duidelijke omschrijving te voorzien. Dan zou eiser niet in de problemen komen met zijn recht op bijstand. Dit is ook zichtbaar op de door Fijnder geleverde jaaroverzichten van betaalverzoeken van eiser. Eiser heeft openheid van zaken gegeven aan Fijnder. Eiser meent dat de inlichtingenplicht niet door hem geschonden is. Dit omdat de ontvangen betaalverzoeken op zijn bankrekening geen inkomsten betreffen. Eiser kan niet goed met geld omgaan. Daarom neemt hij altijd direct contant geld op van zijn rekening, wanneer hij geld daarop krijgt bijgeschreven. Eiser wil graag over contant geld beschikken. Dan kan hij niet meer uitgeven dan dat zich in zijn portemonnee bevindt. Dat blijkt evident ook uit het transactie-overzicht dat zich in het dossier bevindt. Zodra eiser (leef)geld van de Stadsbank heeft ontvangen, neemt hij dat bedrag op. Hetzelfde geldt voor alle vanuit zijn vriendenkring ontvangen voorschotten voor de boodschappen, die door eiser meestal daags na de ontvangst in Duitsland voor hen worden gedaan. Er is sprake van een bestendige handelswijze.
Eiser is langdurig en volledig arbeidsongeschikt. Daarom is het ook niet aannemelijk, dat door hem inkomsten worden vergaard door lichamelijke arbeid als klus- of tuinwerkzaamheden of dat eiser zou bijverdienen als illegale ambulante vishandelaar. Eiser beschikt niet over criminele antecedenten en houdt zich ook niet bezig met criminele activiteiten. Wanneer dit het geval zou zijn, zouden deze niet via zijn bankrekening verlopen, maar geheel contant. De onderhavige kwestie heeft een aanzienlijk negatieve invloed op het dagelijks leven van eiser en zijn welbevinden. Dat de facto een verbod om nog langer boodschappen voor zijn vrienden te doen bestaat, belemmert eiser ook aanzienlijk in zijn sociale leven en in een nuttige dagbesteding.
Fijnder stelt met een beroep op de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), dat eiser een administratie van de betalingen diende bij te houden en dat hij dient te bewijzen dat de ontvangsten geen inkomsten zijn. Eiser is van mening dat de bijschrijvingen op zijn bankrekening en de omschrijvingen daarvan, het kort daarna opnemen van die bedragen, zijn meewerkende houding en eigen verklaringen, zijn volledige arbeidsongeschiktheid, de door hem aan Fijnder overgelegde verklaringen, het gegeven dat eiser reeds langdurig onder budgetbeheer en financieel toezicht van de Stadsbank verkeert en dat die op de hoogte is van de ontvangsten, voldoende bijdragen aan het standpunt van eiser. Dat maakt voldoende aannemelijk dat de ontvangsten geen inkomsten zijn. Fijnder had nader onderzoek moeten doen, aldus eiser.
5. Fijnder stelt zich in het verweerschrift van 31 juli 2024 op het volgende standpunt. Eiser heeft op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw de inlichtingenplicht. Hij heeft verklaard goed te weten wat deze verplichting inhoudt en ook dat het hierbij gaat om het ontvangen van inkomsten. Eiser heeft inkomsten niet gemeld. In bepaalde periodes ontving eiser meer inkomen door middel van tikkies dan aan bijstand. Gelet op het aantal bijschrijvingen en de waarde daarvan is niet langer sprake van een vriendendienst of een hobby. Het gaat hier om het structureel verrichten van diensten aan derden. Er waren veel bijschrijvingen met een andere vermelding dan boodschappen. Fijnder deelt het standpunt van eiser niet dat de ontvangsten op zijn bankrekening niet zijn aan te merken als inkomsten. Fijnder verwijst daarbij naar overweging 4.4 van de uitspraak van de CRvB van 9 april 2024.Fijnder heeft niet beweerd dat eiser zich bezighoudt met drugshandel. Het gaat Fijnder niet om de precieze achtergrond van de inkomsten. Het gaat erom dat het inkomsten betreffen die relevant zijn voor de Pw en die niet door eiser zijn opgegeven.
Wat vindt de rechtbank?
Zijn de bijschrijvingen op de rekening van eiser aan te merken als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, en als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Pw?
6. Niet in geschil is dat de te beoordelen periode (met uitzondering van enkele perioden) loopt van 1 januari 2018 tot en met 31 mei 2023 en dat eiser in deze periode in totaal 864 bijschrijvingen heeft ontvangen op zijn bankrekening voor een bedrag van € 42.573,39. Evenmin is in geschil dat eiser deze bijschrijvingen niet heeft gemeld aan Fijnder. Wel is in geschil of de bijschrijvingen door Fijnder terecht als inkomen zijn aangemerkt, en of eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het niet melden van die bijschrijvingen.
7. Het besluit tot herziening en intrekking van het recht op bijstand en de terugvordering van de betaalde bijstand is een voor eiser belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan in beginsel op Fijnder. Dit betekent dat Fijnder de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. Het ligt daarom op de weg van Fijnder om aan de hand van uit onderzoek verkregen gegevens aannemelijk te maken dat eiser de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Pw op hem rustende inlichtingenverplichting niet of niet naar behoren is nagekomen door geen, onvolledige of onjuiste mededeling te doen van feiten of omstandigheden die van invloed zijn of kunnen zijn op het recht op bijstand. Meer concreet houdt deze bewijslast in dit geval in dat Fijnder aannemelijk moet maken dat eiser onjuiste of onvolledige inlichtingen over de bijschrijvingen van geld door derden heeft verstrekt.