Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en kreeg bijzondere (leen)bijstand toegekend. Het college ontdekte via een melding van het UWV dat appellante mogelijk een woning in Turkije bezat die niet was gemeld, wat leidde tot onderzoek en intrekking van bijstand en oplegging van een boete.
De rechtbank vernietigde deels de besluiten van het college, stelde de boete lager vast en wees schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college bevoegd was het onderzoek in te stellen en dat het gesprek met appellante niet onrechtmatig was, omdat zij uit eigen beweging informatie gaf.
De Raad vernietigt het deel van de uitspraak waarin de boete op € 1.020,- werd vastgesteld en stelt de boete vast op € 867,-. Daarnaast veroordeelt de Raad het college en de Staat tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van griffierechten en proceskosten.