Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van
[eiseres] (voorheen [eiseres] ), te Zeist, eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
.De benodigde liquide middelen voor de aankoop van de bankleningen zijn door de moedermaatschappij als eigen vermogen gestort in eiseres.
- Primair dient de aanslag te worden verminderd tot een bedrag berekend overeenkomstig een belastbare winst van € 10.578 (€ 221.757 minus de aangegeven rente van € 302.961 plus nader bepaalde rente van € 91.782);
- Subsidiair dient de aanslag te worden verminderd tot een bedrag berekend overeenkomstig de aangegeven belastbare winst van € 221.757;
- Meer subsidiair dient de aanslag te worden verminderd tot een bedrag berekend overeenkomstig een belastbare winst van € 6.918.796 (€ 221.757 minus € 302.961 plus € 7.000.000, zijnde het bedrag van de aflossing op de bankleningen als gevolg van de verkoop van het belang in [bedrijf F] );
- Nog meer subsidiair dient de aanslag te worden verminderd tot een bedrag berekend overeenkomstig een belastbare winst van € 12.213.741 (€ 18.963.741, de door verweerder bepaalde belastbare winst minus € 6.750.000, zijnde het bedrag van de fiscaal aan de kostprijs van de bankleningen toe te rekenen agiostorting in [bedrijf A] ).
- de uitoefening van de zekerheidsrechten door het bankensyndicaat;
- het handelen/nalaten van eiseres.
“in die freie Kapitalrücklage der Gesellschaft gem. § 272 Abs. 2 Nr. 4 HGB”. [12] Waarom van het civielrechtelijke uitgangspunt in fiscaal opzicht dient te worden afgeweken ziet de rechtbank niet in, en is gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad ook niet voor de hand liggend. [13] Het bedrag van de stortingen kan dus niet worden toegerekend aan de fiscale kostprijs van de overgenomen bankleningen. Het gelijk wat dit punt betreft is aan verweerder.
“Belastingplichtige heeft bij monde van [persoon A] expliciet te kennen gegeven de waardering (ook) niet ter discussie te zullen stellen in een bezwaar- of beroepsfase”(bladzijde 3) maakt dit oordeel niet anders, omdat gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad geen ‘wie zwijgt stemt toe’ benadering tot uitgangspunt mag worden genomen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ondubbelzinnig afstand doen. [15]
“Bericht über die Prüfung des Konzernabschlusses und des Konzernlageberichts für das Geschäftsjahr vom 1. Januar 2017 bis zum 31. Dezember 2017 der [naam bedrijf A] [naam] ”is daarentegen een geconsolideerde omzet 2017 van [bedrijf A] van € 144.861.000 vermeld. Daarnaast is sprake van een positieve cashflow 2017 van € 10.394.000. Tenslotte volgt uit het memorandum van 1 april 2019 dat eiseres heeft bijgesloten bij haar tiendagenstuk, dat er interesse van een derde is tot overname van [groep] . Op pagina zeven van dit memorandum is het volgende vermeld: