ECLI:NL:HR:2020:874
Hoge Raad
- Cassatie
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- P.M.F. van Loon
- L.F. van Kalmthout
- E.F. Faase
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt civielrechtelijke kwalificatie van perpetual securities als geldlening voor renteaftrek vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een Nederlandse naamloze vennootschap, gaf in 2010 perpetual securities uit ter financiering van een overname. Deze effecten hadden geen vaste looptijd en waren achtergesteld, maar het hof oordeelde dat zij civielrechtelijk als geldlening moesten worden aangemerkt vanwege de terugbetalingsverplichting. Belanghebbende bracht de rente op deze perpetual securities in aftrek voor de vennootschapsbelasting.
De Staatssecretaris stelde in hoger beroep dat deze rentekosten niet aftrekbaar waren omdat de perpetual securities geen schuld vormden maar kapitaalverstrekking of deelnemerschapslening waren. Het hof verwierp dit en bevestigde dat de rentekosten aftrekbaar waren. De Hoge Raad toetste deze beoordeling en stelde vast dat de civielrechtelijke vorm bepalend is voor de fiscale kwalificatie. De terugbetalingsverplichting maakt dat sprake is van een geldlening, ook al is deze voorwaardelijk en achtergesteld.
De Hoge Raad verwierp het verweer dat sprake was van een deelnemerschapslening, omdat de vergoeding niet winstafhankelijk was en de voorwaarden van de perpetual securities dit niet wezenlijk veranderden. De paripassubepaling en de mogelijkheid tot opschorting van rentebetaling stonden hieraan niet in de weg. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de renteaftrek op de perpetual securities blijft toegestaan.