Belanghebbende, een vennootschap, voerde in cassatie beroep tegen het oordeel van het Gerechtshof Den Haag inzake de toepassing van artikel 10a, lid 3, letter b, van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969. Centraal stond de vraag of de toets op een compenserende heffing eenmalig moet plaatsvinden of na een cessie van de vordering opnieuw beoordeeld kan worden.
De feiten betreffen een geldlening van belanghebbende aan een exploitatiemaatschappij, waarbij de vordering in 2002 werd gecedeerd aan een nieuwe crediteur onder een ander belastingregime. Het Hof oordeelde dat de toets op compenserende heffing niet eenmalig is en dat na cessie een nieuwe beoordeling mogelijk is.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het beslissend is of over de rente die onder artikel 10a, lid 2, valt, bij de crediteur een redelijke belasting wordt geheven volgens Nederlandse maatstaven. Na cessie moet deze beoordeling opnieuw plaatsvinden. De overige middelen van belanghebbende falen en het voorwaardelijke incidentele beroep vervalt.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.