ECLI:NL:HR:1999:AA2655
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-aftrekbaarheid rente op cumulatieve obligaties Bank
In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de aftrekbaarheid van rente die een besloten vennootschap (belanghebbende) verschuldigd is aan een bank op cumulatieve achtergestelde obligaties. Voor het jaar 1994 was aan belanghebbende een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, die na bezwaar gehandhaafd bleef. Belanghebbende ging in beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat de aanslag heeft verminderd.
De kern van het geschil betrof de vraag of de rente die de bank op de obligaties betaalt, in mindering kan worden gebracht op haar resultaat, en daarmee de aftrekbaarheid van de rente die belanghebbende aan de bank verschuldigd is. Het hof oordeelde dat de vergoeding die de bank ontvangt niet afhankelijk is van de winst, zodat de obligaties niet kunnen worden gezien als winstafhankelijke financiering.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het hofarrest, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten. De Hoge Raad bevestigde daarmee de rechtspraak dat cumulatieve obligaties met vaste rente niet leiden tot winstafhankelijke financiering en dat de rente daarom niet aftrekbaar is in de zin van de vennootschapsbelasting.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt verworpen en de aanslag vennootschapsbelasting blijft verminderd conform het hofarrest.