ECLI:NL:RBDHA:2026:19780

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
SGR 23/8305
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 7:1a AwbArt. 11 PwArt. 16 PwArt. 54 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking AIO-aanvulling wegens ontbreken rechtmatig verblijf en toepassing Koppelingswet

Eiseres, geboren in 1944 en sinds 1998 in Nederland woonachtig, ontving een AIO-aanvulling naast een AOW-uitkering. Na intrekking van haar Nederlanderschap in 2017 en afwijzing van haar asielaanvraag, blokkeerde en trok de Sociale Verzekeringsbank (SVB) haar AIO-aanvulling in per 1 mei 2023. Eiseres stelde beroep in tegen deze besluiten.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen de blokkering niet-ontvankelijk is, omdat eiseres geen belang meer heeft bij de beoordeling daarvan. De intrekking van de AIO-aanvulling is een besluit op grond van de Participatiewet (Pw) en is gebaseerd op het ontbreken van rechtmatig verblijf en het feit dat eiseres niet meer de Nederlandse nationaliteit bezit. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet valt binnen de kring van rechthebbenden op bijstand volgens artikel 11 Pw Pro.

Eiseres voerde aan dat toepassing van de Koppelingswet in haar situatie onredelijk en in strijd met het EVRM en de Terugkeerrichtlijn zou zijn. De rechtbank verwerpt deze betogen, stellende dat de wetgever rekening heeft gehouden met situaties zoals die van eiseres en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een contra-legem toepassing rechtvaardigen. Ook is geen strijd met artikel 8 en Pro 14 EVRM of de Terugkeerrichtlijn vastgesteld.

De rechtbank verklaart het beroep tegen de intrekking van de AIO-aanvulling ongegrond en bevestigt het besluit van de SVB. Eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep tegen de blokkering is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de intrekking van de AIO-aanvulling is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/8305

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
en

de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder

(gemachtigde: mr. G.E. Eind).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de blokkering en intrekking van de AIO-aanvulling op grond van de Pw van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep voor zover het is gericht tegen de blokkering van de AIO-aanvulling niet-ontvankelijk is. Verder is de AIO-aanvulling ingetrokken op een juiste grondslag en is het beroep in zoverre ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat wat eiseres heeft aangevoerd en onder 5 wordt verwezen naar het toetsingskader. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Bij besluit van 12 juni 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de betaling van de aan eiseres toegekende Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Participatiewet (Pw) per 1 mei 2023 geblokkeerd.
2.1.
Bij besluit van 27 oktober 2023 (bestreden besluit 1) is verweerder bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1 en verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft op 14 november 2024 zitting gehouden (bij de enkelvoudige kamer) waar de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen. Het onderzoek ter zitting is geschorst in afwachting van een mogelijke heroverweging door verweerder naar aanleiding van stukken over de medische situatie van eiseres.
2.4.
Op 19 december 2024 heeft verweerder de rechtbank laten weten dat het bestreden besluit 1 wordt gehandhaafd.
2.5.
Met het besluit van 23 december 2024 (bestreden besluit 2) heeft verweerder de AIO-aanvulling ingetrokken per 1 mei 2023.
2.6.
Op 30 december 2024 heeft eiseres nadere stukken overgelegd.
2.7.
Op 27 januari 2025 en 22 december 2025 heeft eiseres nadere gronden aangevoerd en op 12 januari 2026 heeft verweerder nadere stukken ingediend.
2.8.
De zaak is door een enkelvoudige kamer van de rechtbank verwezen naar een meervoudige kamer.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde en door M.O. van der Meer, en de gemachtigde van verweerder. Als tolk was aanwezig C.M.F. Smits-Chatain.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1944 in [land] en is op 20 maart 1998 naar Nederland gekomen. Op 5 november 2003 is aan haar een verblijfsvergunning regulier toegekend en bij koninklijk besluit van 24 april 2009 is aan haar het Nederlanderschap verleend. Eiseres ontvangt vanaf 1 mei 2009 een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met 80% korting omdat zij ruim 40 jaar niet verzekerd is geweest voor de AOW, en een AIO-aanvulling.
3.1.
Bij besluit van 28 september 2017 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de staatssecretaris) het Nederlanderschap van eiseres ingetrokken. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 januari 2021 (hierna: de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2021:114, is dat besluit onherroepelijk geworden. Op 27 januari 2023 is verweerder door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gewezen op de uitspraak van 20 januari 2021. Na deze uitspraak heeft eiseres op 3 februari 2021 een asielaanvraag ingediend. Die aanvraag is met het besluit van 12 mei 2023 afgewezen. Daartegen heeft eiseres beroep ingesteld bij deze rechtbank. Bij uitspraak van 16 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17863, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Bij besluit van 8 september 2023 heeft de staatssecretaris aan eiseres bericht dat het ten aanzien van haar genomen terugkeerbesluit en het haar opgelegde inreisverbod zijn ingetrokken.
3.2.
Met het primaire besluit is de betaling van de AIO-aanvulling geblokkeerd vanaf 1 mei 2023. Met een besluit van 12 april 2023 is de betaling van de AOW per 1 mei 2023 geschorst. Tegen beide besluiten heeft eiseres bezwaar gemaakt. Bij besluit van 31 augustus 2023 is het bezwaar, voor zover gericht tegen de schorsing van de AOW, gegrond verklaard en is de betaling van de AOW per 1 mei 2023 hervat.
3.3.
Met bestreden besluit 1 heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Volgens verweerder volgt uit jurisprudentie en de Koppelingswet dat een AIO-aanvulling kan worden geblokkeerd bij een gegrond vermoeden dat het recht daarop niet (meer) bestaat. Die situatie doet zich hier voor. Het recht op bijstand komt op grond van artikel 11 van Pro de Pw alleen toe aan Nederlanders en aan vreemdelingen die met een Nederlander worden gelijkgesteld. Eiseres heeft niet meer de Nederlandse nationaliteit sinds die is ingetrokken. Daarnaast is volgens verweerder geen sprake van een gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Evenmin kan er een beroep worden gedaan op artikel 11, derde lid, van de Pw. Voor het onderscheid tussen Nederlanders en vreemdelingen met een verblijfstitel enerzijds en vreemdelingen zonder verblijfstitel anderzijds heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een toereikende rechtvaardiging aanwezig geacht (ECLI:NL:CRVB:2001:AB2276). Nu eiseres geen Nederlander is en niet met een Nederlander wordt gelijkgesteld, heeft zij geen recht op bijstand en dus ook niet op een AIO-aanvulling, aldus verweerder.
3.4.
Met bestreden besluit 2 heeft verweerder de AIO-aanvulling ingetrokken. De motivering voor die intrekking is in de kern dezelfde als de motivering voor de blokkering.
Wat vindt eiseres?
4. Kort samengevat betoogt eiseres dat, voor zover uit artikel 11 van Pro de Pw volgt dat zij geen recht heeft op een AIO-aanvulling, die bepaling buiten toepassing zou moeten worden gelaten, omdat de situatie van eiseres zo bijzonder is dat de wetgever daar niet over heeft nagedacht. Eiseres heeft namelijk geen verblijfsvergunning in Nederland maar kan ook niet terugkeren naar Rwanda vanwege een dreigende schending van artikel 3 van Pro het EVRM (verbod van foltering). Het is onevenredig, discriminatoir en in strijd met onder meer Richtlijn 2008/115/EG (hierna: de Terugkeerrichtlijn) om haar minimale bestaansmiddelen te onthouden. Eiseres wijst ter onderbouwing op een aantal arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) en uitspraken van de Afdeling. Verder betoogt eiseres dat verweerder een eigen verplichting heeft om te toetsen of er sprake is van een verblijfsrecht op grond van Richtlijn 2011/95/EU (hierna: de Kwalificatierichtlijn), zolang er geen onherroepelijk besluit is op haar aanvraag om een verblijfsvergunning asiel. Er is geen sprake van een actuele bedreiging van de openbare orde in het geval van eiseres. Eiseres bevindt zich in een schrijnende situatie, mede vanwege de woningbrand die zij kort geleden heeft meegemaakt en de verwondingen die zij daarbij heeft opgelopen. Eiseres verzoekt de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat oordeelt de rechtbank?
Omvang van het geding
6. De rechtbank ziet zich – zoals ook op de zitting met partijen is besproken – allereerst gesteld voor de vraag of bestreden besluit 2 gekwalificeerd kan worden als een besluit in de zin van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als dat zo is heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dat besluit.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is bestreden besluit 2 geen besluit als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Awb. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
7.1.
De blokkering van een uitkering is het nalaten van een feitelijke handeling ter uitvoering van een eerder besluit om die uitkering te verlenen. Dat nalaten wordt op grond van artikel 79 van Pro de Pw voor de mogelijkheid bezwaar te maken of beroep in te stellen gelijkgesteld met een besluit. De blokkering van de AIO-aanvulling is erop gericht dat – gedurende het onderzoek naar het recht op bijstand – vermeden wordt dat ten onrechte bijstand wordt verstrekt. Intrekking van een uitkering daarentegen is wel een besluit, gebaseerd op de wettelijke bevoegdheid van artikel 54, derde en vierde lid, van de Pw. Die bevoegdheid kan, in tegenstelling tot de bevoegdheid tot blokkering, pas worden gebruikt als in voldoende mate vaststaat dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Gezien de verschillende grondslag en strekking van de beide bevoegdheden kan het bestreden besluit 2 niet worden gezien als een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit 1.
7.2.
De verwijzing door eiseres naar de uitspraak van de CRvB van 12 juni 2018 leidt niet tot een ander oordeel. [1] In die uitspraak heeft de CRvB een besluit tot intrekking van een AIO-aanvulling beschouwd als een 6:19-besluit ten opzichte van een eerder besluit tot blokkering. Daarbij werd echter uitdrukkelijk betrokken dat, volgens de bewoordingen van het intrekkingsbesluit en de toelichting ter zitting door de SVB, intrekking van de AIO-aanvulling uitsluitend was bedoeld om aan de aanvrager in die zaak een voorschot te kunnen toekennen. Die specifieke situatie doet zich in het geval van eiseres niet voor. Verweerder heeft immers niet beoogd om aan eiseres een voorschot te verlenen, maar heeft juist na afronding van het onderzoek de conclusie getrokken dat geen recht (meer) bestond op de bijstand. Daarom is in het geval van eiseres geen sprake van een 6:19-besluit.
8. Ter zitting is echter met partijen afgesproken dat het beroep, om redenen van proceseconomie, wordt opgevat als mede gericht tegen het bestreden besluit 2, met toepassing van artikel 7:1a van de Awb.
9. Eiseres heeft aangegeven geen belang meer te hebben bij beoordeling van bestreden besluit 1. Ook de rechtbank ziet niet in welk belang eiseres bij beoordeling van de blokkering zou kunnen hebben. De rechtbank zal daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaren voor zover het is gericht is tegen dat besluit.
9.1.
De rechtbank beoordeelt hierna het op bestreden besluit 2 betrekking hebbende beroep.
Heeft eiseres volgens de Pw recht op een AIO-aanvulling?
10. De te beoordelen periode betreft de datum met ingang waarvan de AIO-aanvulling is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat is 1 mei 2023 tot en met 23 december 2024.
10. Het betreft een voor eiseres belastend besluit waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op verweerder rust.
10. Op grond van het koppelingsbeginsel geldt in de socialezekerheidswetgeving het uitgangspunt dat het recht op uitkeringen en voorzieningen van overheidswege gekoppeld is aan het hebben van (een vorm van) rechtmatig verblijf. [2] Dit beginsel komt onder meer tot uitdrukking in artikel 11 van Pro de Pw. Op grond van dat artikel is de kring van rechthebbenden op bijstand van overheidswege beperkt tot iedere in Nederland woonachtige Nederlander. Daarmee wordt gelijkgesteld de in Nederland woonachtige vreemdeling met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ook bepaalde andere in Nederland woonachtige vreemdelingen voor het recht op bijstand met Nederlanders worden gelijkgesteld.
13. Vast staat dat eiseres, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, door de intrekking van haar Nederlanderschap niet langer de Nederlandse nationaliteit had. Ook staat vast dat haar aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd was afgewezen en dat die afwijzing in beroep bij de rechtbank in stand was gebleven. Eiseres was ten tijde van het bestreden besluit evenmin een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie en had ook geen verblijfsrecht op grond van het Associatiebesluit 1/80. Ten slotte staat vast dat eiseres op dat moment niet viel onder het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Participatiewet, IOAW en IOAZ. Het voorgaande betekent, zoals terecht gesteld door verweerder, dat eiseres buiten de kring van rechthebbenden op bijstand op grond van de Pw viel.
13.1.
Anders dan eiseres heeft gesteld, mag de bijstandverlenende instantie ervan uitgaan dat de verblijfsrechtelijke informatie van de IND juist is. Dat is namelijk de instantie die, onder verantwoordelijkheid van de staatssecretaris, beoordeelt of vreemdelingen rechtmatig in Nederland verblijven. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de CRvB. [3] Verweerder hoefde daarom geen eigen onderzoek te doen naar de vraag of eiseres rechtmatig verblijf had als bedoeld in artikel 11 van Pro de Pw of niet. Het beginsel van unietrouw strekt, eveneens anders dan eiseres betoogt, niet zover dat op grond daarvan verweerder verplicht zou zijn zich zelf een oordeel te vormen over de vraag of eiseres recht heeft op internationale bescherming op grond van de Kwalificatierichtlijn.
14. Omdat eiseres niet viel binnen de kring van rechthebbenden op bijstand op grond van de Pw, had zij op grond van die wet geen recht op een AIO-aanvulling.
14.1.
Voor zover eiseres bedoelt te betogen dat haar, op grond van artikel 16, eerste lid, van de Pw, vanwege zeer dringende redenen bijstand moest worden verstrekt ondanks het feit dat zij daar geen recht op heeft, slaagt dit betoog ook niet. Artikel 16, tweede lid, van de Pw bepaalt immers dat die mogelijkheid niet geldt voor vreemdelingen die niet op grond van artikel 11, tweede en derde lid, met een Nederlander worden gelijkgesteld.
Moet de Koppelingswet buiten toepassing worden gelaten?
15. Eiseres betoogt dat de Koppelingswet in haar geval buiten toepassing moet worden gelaten. Het niet toekennen van de AIO-aanvulling brengt mee dat eiseres minimale bestaansmiddelen worden onthouden, en dat is volgens haar in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zij verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1225 en van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, en naar de conclusie van de staatsraden advocaat-generaal van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1468.
15. Ten aanzien van het beroep op het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet (Gw) belet dat de rechter een wet in formele zin – zoals de Koppelingswet – mag toetsen aan de Grondwet of aan algemene rechtsbeginselen, zoals het evenredigheidsbeginsel. Dat is slechts anders als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever waardoor aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt (contra-legemtoepassing). [4] Dit is het geval als de niet verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
16.1.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat er in het geval van eiseres sprake is van niet-verdisconteerde omstandigheden. Het doel van de koppelingswetgeving is te zorgen dat vreemdelingen die niet in het bezit zijn van een verblijfstitel geen aanspraak kunnen maken op uitkeringen en verstrekkingen. Daarmee wil de wetgever voorkomen dat deze vreemdelingen hun verblijf kunnen voortzetten, wat uiteindelijk tot schijnlegaliteit zou kunnen leiden. [5] Dat betekent dat de wetgever, naar mag worden aangenomen, rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat een vreemdeling die geen verblijfstitel heeft, zoals eiseres, geen aanspraak kan maken op uitkeringen zoals de AIO-aanvulling. Dat eiseres in het verleden gedurende een aantal jaren de Nederlandse nationaliteit heeft gehad maakt dat niet anders, want dat doet er niet aan af dat ze sinds de intrekking daarvan geen verblijfstitel meer heeft, en daarmee binnen het bereik van de Koppelingswet valt. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd ook geen grond om aan te nemen dat het feit dat eiseres op enig moment niet uitzetbaar is een niet verdisconteerde omstandigheid is zoals hiervoor bedoeld. Uit de parlementaire geschiedenis lijkt juist naar voren te komen dat de wetgever zich ervan bewust is geweest dat ook niet-uitzetbare vreemdelingen onder de Koppelingswet kunnen vallen. [6]
16.2.
De verwijzingen door eiseres naar de twee genoemde uitspraken van de Afdeling en de conclusie van de staatsraden advocaat-generaal leidt niet tot een ander oordeel. Daarin wordt onder meer verwezen naar het eerder door de Hoge Raad aanvaarde criterium voor toetsing van formele wetten aan rechtsbeginselen dat hiervoor werd weergegeven. Eiseres heeft echter niet verduidelijkt op welke wijze uit de beide uitspraken en de conclusie zou volgen dat de Koppelingswet wegens de specifieke situatie van eiseres buiten toepassing zou moeten blijven, omdat die situatie door de wetgever niet zou zijn voorzien.
Is de intrekking in strijd met het EVRM?
17. Ten aanzien van het beroep op het EVRM betoogt eiseres dat bestreden besluit 2 in strijd is met artikel 8 (recht op bescherming van privéleven) en artikel 14 (discriminatieverbod) van het EVRM.
17.1.
Uit rechtspraak van de CRvB volgt dat, voor zover er op grond van artikel 8 van Pro het EVRM een positieve verplichting bestaat ten aanzien van vreemdelingen die niet voor de toepassing van de Pw met Nederlanders zijn gelijkgesteld, deze, gelet op het primaat van de wetgever en teneinde doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, niet met toepassing van de Pw gestalte kan worden gegeven. Die verplichting ligt in zo’n geval primair bij de bestuursorganen die belast zijn met de uitvoering van wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen. [7]
17.2.
De rechtbank overweegt verder dat uit rechtspraak van de CRvB ook volgt dat voor het onderscheid dat de Koppelingswet maakt tussen enerzijds Nederlanders en vreemdelingen met verblijfstitel en anderzijds vreemdelingen zonder verblijfstitel in beginsel een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. [8] In het geval van eiseres ziet de rechtbank, zoals hiervoor overwogen, geen zeer bijzondere omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat het koppelingsbeginsel hier buiten toepassing zou moeten blijven.
17.3.
Noch uit artikel 8, noch uit artikel 14 van Pro het EVRM volgt dan ook dat verweerder de AIO-aanvulling van eiseres niet mocht intrekken.
Is de intrekking in strijd met de Terugkeerrichtlijn?
18. Eiseres betoogt dat de intrekking van haar AIO-aanvulling in strijd is met de Terugkeerrichtlijn. Zij wijst in dat verband op een aantal arresten van het HvJ EU, waaruit volgens haar volgt dat het in strijd met die richtlijn is als aan een vreemdeling die zich in de positie van eiseres bevindt voorzieningen voor basisbehoeften worden onthouden.
18.1.
Ook dit betoog slaagt niet. Noch uit de Terugkeerrichtlijn, noch uit de door eiseres genoemde arresten volgt dat eventuele voorzieningen waarop eiseres op grond van die richtlijn recht heeft moeten worden verstrekt in de vorm van een uitkering of aanvulling op grond van de Pw.
Slotsom
19. Het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 2 slaagt niet. Gezien het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU, zoals eiseres heeft verzocht.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk. Voor zover het beroep is gericht tegen bestreden besluit 2 is het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het besluit tot intrekking van haar AIO-aanvulling in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 27 oktober 2023 (bestreden besluit 1) niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 23 december 2024 (bestreden besluit 2) ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mrs. T.A. Oudenaarden, voorzitter, J.E. van Essen en
A. Drahmann, leden, in aanwezigheid van mr.E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Grondwet
Artikel 120
De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 6:19
1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
2. Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen.
3. Het bestuursorgaan stelt het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.
4. Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door.
5. De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
6. Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.
Artikel 7:1a
1. In het bezwaarschrift kan de indiener het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, zulks in afwijking van artikel 7:1.
[…]
3. Het bestuursorgaan kan instemmen met het verzoek indien de zaak daarvoor geschikt is.
[…]
Participatiewet
Artikel 11
1. Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of
b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.
Artikel 16
1. Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op andere vreemdelingen dan die, bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid.
Artikel 47a
1. De Sociale verzekeringsbank heeft tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan:
a. alleenstaanden en alleenstaande ouders die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt;
b. gehuwden, van wie beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt dan wel van wie één echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Vreemdelingenwet 2000Artikel 8
De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;
b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, geen aantekening als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;
c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;
d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;
e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
f. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;
g. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20, 33 en 45a, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;
h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;
i. gedurende de vrije termijn, bedoeld in artikel 12, zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens artikel 12 is Pro toegestaan;
j. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan als bedoeld in artikel 64;
k. gedurende de periode waarin de vreemdeling door Onze Minister in de gelegenheid wordt gesteld aangifte te doen van overtreding van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht;
l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;
m. indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet Pro in behandeling is genomen op grond van artikel 30 terwijl Pro hij in afwachting is van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening.
EVRMArtikel 8
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 14
Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de CRvB van 12 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1860, r.o. 4.3.
2.De zgn. Koppelingswet, wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland, Stb. 1998, 203.
3.Zie de uitspraak van de CRvB van 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4212.
4.Vgl. de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, en van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
5.Zie de memorie van toelichting bij de Koppelingswet, Kamerstukken II, 24 233, nr. 3, blz. 1-2.
6.Zie de memorie van toelichting bij de Koppelingswet, Kamerstukken II, 24 233, nr. 3, blz. 10.
7.Vergelijk de uitspraak van de CRvB van 9 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:208.
8.Vergelijk, over het koppelingsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6, tweede en derde lid, van de Algemene kinderbijslagwet, de uitspraken van de CRvB van 16 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2191 en van 5 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:994.