ECLI:NL:CRVB:2018:208
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- M. ter Brugge
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens ontbreken rechtmatig verblijf en toepassing hardheidsclausule Participatiewet
Appellant, van Afghaanse nationaliteit en sinds 1997 in Nederland, verloor zijn verblijfsvergunning asiel onherroepelijk in 2013. Hij vroeg vervolgens bijstand aan, maar het college weigerde deze omdat hij geen rechtmatig verblijf had. Appellant stelde dat zijn langdurige verblijf en schrijnende persoonlijke omstandigheden rechtvaardigen dat hij bijstand ontvangt.
De Raad oordeelt dat appellant rechtmatig verblijf genoot op grond van artikel 8 lid Pro f Vreemdelingenwet 2000, wat echter niet gelijkgesteld kan worden met het verblijfsrecht van een Nederlander of vreemdeling die recht op bijstand heeft. Artikel 16 lid 2 Participatiewet Pro sluit de toepassing van de hardheidsclausule voor deze categorie uit.
De Raad verwijst naar vaste rechtspraak dat het college geen bijstand hoeft te verlenen aan vreemdelingen zonder verblijfsrecht, ook niet op grond van schrijnende omstandigheden of het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Eventuele opvang en voorzieningen zijn de verantwoordelijkheid van het COA, hetgeen in deze zaak ook is gebeurd.
Het beroep van appellant wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.