ECLI:NL:RBDHA:2024:9830
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag belasting personenauto’s en motorrijwielen en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de Belastingdienst. De kern van het geschil betrof de juiste belastingplichtige, de waardebepaling van de auto, de toepassing van het Unierecht, de hoorplicht, en de berekening van de verschuldigde BPM. De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd aan eiseres, mede gezien de nauwe relatie met de BV die de auto registreerde.
De rechtbank stelde vast dat de hoorplicht niet was geschonden omdat eiseres meerdere keren de uitnodiging voor een hoorgesprek had afgewezen. De rechtbank verwierp de stellingen dat de naheffing in strijd was met artikel 110 VWEU Pro en het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel. Ook was er geen sprake van een onjuiste waardebepaling, aangezien het taxatierapport van eiseres niet voldeed en de door DRZ vastgestelde waardering en afschrijving als juist werden beschouwd.
Verder oordeelde de rechtbank dat eiseres geen recht had op extra leeftijdskorting of een lager tarief op grond van een gewijzigde datum eerste toelating. De rechtbank wees het verzoek om prejudiciële vragen af en bevestigde de bevoegdheid van de nationale rechter om Unierecht uit te leggen. Tot slot kende de rechtbank een vergoeding van immateriële schade toe van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, verdeeld over verweerder en de Staat, en vergoedde zij proceskosten en griffierecht deels aan eiseres.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en eiseres ontvangt een vergoeding voor immateriële schade wegens termijnoverschrijding.