Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Uitspraak van de meervoudige kamer van
[eiser],
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Het procesverloop
De beoordeling
Vervolgens ligt de vraag voor of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder van het in paragraaf B1/4.4.1. van de Vc 2000 gevoerde beleid zou moeten afwijken.
De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat verweerder zich baseert op een BMA-advies van meer dan zes maanden oud, onvoldoende is om te concluderen dat het BMA-advies onjuist of onvolledig is. Zoals het BMA-protocol van 2010 vermeldt en zoals ook staat vermeld in de standaardtekst onderaan BMA-adviezen is in het kader van de zes maanden termijn relevant of binnen deze zes maanden is aangetoond dat de medische situatie en/of de medische behandeling van betrokkene wezenlijk is veranderd. In dat geval wordt een nieuw adviesverzoek aanbevolen.
De stelling dat ten onrechte niet van een dergelijk voorbehoud kan worden gesproken, nu in het BMA-advies van 25 maart 2011 onterecht niet de medische reisvoorwaarde van overdracht aan een psychiater is voorgeschreven, leidt evenmin tot het oordeel dat het advies onzorgvuldig, onvolledig of niet-inzichtelijk is. Uit het advies blijkt immers niet dat de medische behandeling direct na aankomst gecontinueerd moet worden. Gelet hierop en op het feit dat uit het BMA-advies blijkt dat behandeling in Angola in medisch-technische zin beschikbaar is, faalt het betoog dat het advies op dit punt gebreken vertoont. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de behandelaars van eiser in bovengenoemde brieven van 6 april 2011, 10 februari 2012 en 5 maart 2012 in hun reactie op het advies evenmin stellen dat een dergelijke reisvoorwaarde noodzakelijk is.
Nu eiser, onder meer met de in beroep overgelegde brief van de behandelaars van eiser van Stichting Centrum ’45 van 21 maart 2013 alsnog een reactie heeft gegeven op het advies ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe overweegt zij het volgende.
Voor zover eiser heeft betoogd dat verweerder het BMA om een standpunt had dienen te vragen aangaande mantelzorg stelt de rechtbank voorop dat de omstandigheid dat de medisch adviseur in het BMA-advies niet te kennen heeft gegeven dat eiser niet afhankelijk is van mantelzorg, niet betekent dat hij niet heeft beoordeeld of dat het geval is. Nu eiser niet heeft gestaafd dat er voor hem in Angola geen mantelzorgnetwerk beschikbaar is, heeft verweerder zelf geen onderzoek naar die stelling hoeven doen. De rechtbank wijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI1582).
Het niet behandeld kunnen worden als er sprake is van een reactie naar aanleiding van een trigger die een behandelend psychiater zou kunnen veroorzaken laat ik voor rekening van de psycholoog. Dit betreft een veronderstelling op een veronderstelling. Er is voor ondergetekende geen aanleiding op voorhand te veronderstellen dat de aandoening elders niet behandeld kan worden.”
Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de enkele stelling dat de vreemdeling in het land van herkomst traumatische ervaringen heeft opgedaan en na terugkeer de aanwezige klachten zullen verergeren, volgens vaste jurisprudentie van het CTG (onder meer de beslissing van 18 september 2012 in zaaknr. C2011/244 (JV 2012/244) onvoldoende is. De beroepsgrond slaagt niet.
De ter zitting door gemachtigden van eiser gedane verwijzing naar het arrest Abdida van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 december 2014 (C-562/13) kan eiser evenmin baten, nu de rechtsvragen die in die zaak voorlagen niet relevant zijn voor de onderhavige procedure. In dit arrest werd immers de vraag aan de orde gesteld of een vreemdeling, hangende de beroepsprocedure tegen de afwijzing om een verblijfsvergunning, recht had op noodzakelijke medische zorg. Gesteld noch gebleken is dat eiser, ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Vw 2000, hier te lande geen aanspraak meer kan blijven maken op (noodzakelijke) medisch hulp. De beroepsgrond slaagt niet.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1470.