ECLI:NL:RVS:2014:638
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inreisverbod en afwijzing verblijfsvergunning vreemdeling
De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel vaardigde op 1 augustus 2012 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling en wees op 29 augustus 2012 diens aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De vreemdeling maakte bezwaar en stelde beroep in tegen beide besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het inreisverbod ongegrond en het beroep tegen het bezwaar niet-ontvankelijk. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat de rechtbank de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000, juist heeft toegepast en dat het beroep kennelijk ongegrond is. De vreemdeling voerde onder meer aan dat de rechtbank in strijd met het recht op een effectief rechtsmiddel had gehandeld door een uitspraak van de Afdeling na sluiting van het onderzoek te betrekken en dat de jurisprudentie in strijd zou zijn met Europese richtlijnen en het EU-Handvest. Deze argumenten werden verworpen.
De Afdeling bevestigde dat de toetsing van een zwaar inreisverbod en de beoordeling van de verblijfsvergunning in samenhang moeten worden bezien en dat de vreemdeling geen belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning zolang het inreisverbod van kracht is. Ook werd geoordeeld dat het verzoek om opheffing van het inreisverbod niet was ingediend. De Afdeling bevestigde de uitspraken van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt kennelijk ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.