ECLI:NL:RBAMS:2026:1692

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
C/13/701248 / HA ZA 21-421
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 102 VWEUArt. 2 Griekse mededingingswet (GCA)Art. 9 Antitrust Damages Act (ADA)Art. 338 Grieks RvArt. 340 Grieks Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding wegens misbruik machtspositie op Griekse biermarkt door Athenian Brewery en Heineken

Deze civiele procedure betreft een follow-on schadeclaim van Macedonian Thrace Brewery (MTB) tegen Athenian Brewery (AB) en diens Nederlandse moedermaatschappij Heineken wegens misbruik van machtspositie op de Griekse biermarkt gedurende 1998-2014. De Griekse mededingingsautoriteit (HCC) heeft deze inbreuk reeds vastgesteld en beboet.

MTB vordert een schadevergoeding van circa €82 miljoen wegens misgelopen winst door uitsluitingspraktijken van AB, waaronder exclusiviteitsverplichtingen, loyaliteitskortingen en discriminatie, die de toegang tot distributienetwerken en marktaandeel van MTB hebben beperkt. De rechtbank beoordeelt de vordering naar Grieks recht en bevestigt dat de civiele rechter gebonden is aan het oordeel van de HCC over de inbreuk.

De rechtbank gaat in op de methodiek van schadeberekening, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen de feitelijke situatie en een counterfactual zonder inbreuk. MTB krijgt grotendeels gelijk over het volume en de kosten, maar niet over de prijs, vanwege een accijnsverhoging die losstaat van de inbreuk. De rechtbank wijst de gevorderde litigation interest toe, maar wijst wettelijke rente tot dagvaarding af wegens niet-naleving van voorwaarden. Over de kosten van de economische deskundige Oxera wordt een nadere toelichting verlangd. De zaak wordt aangehouden voor nadere aktewisseling en het arrest van de Hoge Raad over de rechtsmacht.

Uitkomst: De rechtbank wijst de schadevergoeding toe met uitzondering van het deel van de prijsstijging door accijnsverhoging en bepaalt nadere procedure over berekening en kosten deskundigen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/701248 / HA ZA 21-421
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
MACEDONIAN THRACE BREWERY S.A.,
te Komotini (Griekenland),
eisende partij,
hierna te noemen: MTB,
advocaat: mr. M.H.J. van Maanen,
tegen

1.HEINEKEN N.V.,

te Amsterdam,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
ATHENIAN BREWERY S.A.,
te Athene (Griekenland),
gedaagde partijen,
hierna te noemen: Heineken en AB,
advocaat: mr. J.S. Kortmann.

1.Waar deze zaak over gaat

1.1.
Deze zaak gaat over een schadeclaim van in hoofdsom € 82 miljoen wegens een inbreuk op de mededinging door de Griekse bierbrouwerij AB op de Griekse biermarkt. De claim is ingesteld door MTB, een concurrent van AB, en gericht tegen zowel AB als de Nederlandse moedervennootschap van AB, Heineken.
1.2.
Het gaat om een zogenoemde
follow on-zaak. De inbreuk is namelijk al eerder vastgesteld door de Griekse mededingingsautoriteit (
Hellenic Competition Commission, HCC) en bestaat uit misbruik van machtspositie op de Griekse biermarkt gedurende een periode van 16 jaar (1998-2014) via verschillende praktijken gericht op uitsluiting van concurrenten.
1.3.
In dit vonnis gaat het om de begroting van de schade van MTB, waartoe een vergelijking moet worden gemaakt tussen de feitelijke situatie en de denkbeeldige situatie zoals die zou zijn geweest als de inbreuk niet zou hebben plaatsgevonden (ook wel:
counterfactual). De vordering moet naar Grieks recht worden beoordeeld.
1.4.
Partijen hebben hierover uitvoerig gedebatteerd. Daarbij hebben zij voor het toepasselijke Griekse recht verwezen naar verschillende
legal opinionsen voor de economische aspecten naar verschillende rapporten van hun eigen economische deskundige. Deze deskundigen,
Oxera Consulting Ltd(Oxera) namens MTB en
Charles River Associates(CRA) namens AB en Heineken, hebben ook ter zitting een toelichting gegeven.
1.5.
Dé vraag in deze zaak is of MTB in de situatie zonder inbreuk (counterfactual) een hogere winst zou hebben behaald. Volgens MTB is dit het geval omdat zij in die situatie:
1) meer bier zou hebben verkocht (een hoger volume), 2) tegen hogere prijzen en 3) met lagere kosten. AB en Heineken spreken dit tegen.
1.6.
De rechtbank geeft MTB grotendeels gelijk, maar niet wat betreft de counterfactual-prijs. De prijs die MTB als uitgangspunt neemt, is sterk beïnvloed door een accijnsverhoging en die staat los van de inbreuk. AB en Heineken hebben al berekend welke winst MTB is misgelopen als de accijnsverhoging buiten beschouwing wordt gelaten. Omdat MTB zich nog niet over die specifieke berekening heeft kunnen en hoeven uitlaten, mag zij dat alsnog doen, nadat AB en Heineken eerst meer inzicht in die berekening hebben gegeven.

2.De procedure

De eerdere beslissingen in deze procedure
2.1.
Eerder zijn in deze zaak al de volgende beslissingen genomen.
2.2.
In het vonnis van 9 mei 2018 in het incident [1] heeft de rechtbank zich bevoegd verklaard in de zaak tegen Heineken en zich onbevoegd verklaard in de zaak tegen AB en verder het verzoek tot aanhouding van de zaak afgewezen. Tegen dit vonnis heeft Heineken hoger beroep ingesteld.
2.3.
In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam in zijn arrest van 16 februari 2021 de Nederlandse rechter alsnog bevoegd verklaard in de zaak tegen AB en de zaak terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam ter verdere berechting. [2] Tegen dit arrest heeft AB op haar verzoek tussentijds cassatie mogen instellen, terwijl Heineken en AB ermee akkoord gingen dat ondanks de cassatie, de procedure voor de rechtbank Amsterdam zou worden voortgezet. Deze cassatieprocedure loopt nog. Daarin heeft de Hoge Raad in een arrest van 23 juni 2022 prejudiciële vragen gesteld [3] , die het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) op 13 februari 2025 [4] heeft beantwoord. De Hoge Raad zal naar verwachting in maart 2026 beslissen op het cassatieberoep van Heineken en AB in de bevoegdheidskwestie.
2.4.
Deze rechtbank heeft in de hoofdzaak in het tussenvonnis van 25 mei 2022 [5] geoordeeld:
dat de vorderingen van MTB worden beheerst door Grieks recht,
dat het beroep van AB en Heineken op verjaring van de vorderingen (naar Grieks recht) wordt gepasseerd,
dat behoefte bestaat aan uitleg van enkele bepalingen uit het Griekse recht.
2.5.
In de tussenvonnissen van 24 augustus 2022 [6] , 22 februari 2023 [7] , en 21 juni 2023 [8] is het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) benoemd als deskundige en zijn vragen geformuleerd. Na beantwoording van de vragen door het IJI, is in het tussenvonnis van 6 december 2023 [9] geoordeeld:
  • i) dat de civiele rechter gebonden is aan het oordeel van de HCC, namelijk dat AB misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie, omdat de vastgestelde inbreuk, de daaraan ten grondslag liggende feiten en de juridische kwalificaties daarvan onder het onweerlegbaar vermoeden van artikel 9 van Pro de Griekse
  • ii) dat geen tussentijds hoger beroep tegen deze uitspraak zal worden opengesteld.
2.6.
In het tussenvonnis van 23 oktober 2024 [10] is geoordeeld:
i) dat Heineken beslissende invloed op het handelen van AB heeft gehad, zodat Heineken en AB deel uitmaken van dezelfde onderneming in de zin van artikel 102 VWEU Pro [11] en dat Heineken daardoor tezamen met AB hoofdelijk aansprakelijk is voor de nog vast te stellen schade van MTB als gevolg van de door de HCC vastgestelde inbreuk op het Griekse mededingingsrecht.
2.7.
Daarna is verder geprocedeerd over de (gestelde) schade en zijn de volgende stukken aan het dossier toegevoegd:
- akte omvang schade en wijziging eis van MTB, met producties 52-57,
- antwoordakte schade en resterende onderwerpen van AB en Heineken, met producties 75-78,
- akte houdende overlegging producties van MTB, met producties 58-60,
- akte overlegging producties van AB en Heineken, met producties 79-81,
- verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 november 2025,
- akte uitlating kosten deskundigen tevens wijziging eis van 3 december 2025 met producties 61-63,
- antwoordakte wijziging eis van 7 januari 2026.
2.8.
De rechtbank heeft bepaald dat vandaag daarover uitspraak wordt gedaan.

3.De feiten die van belang zijn voor dit vonnis

Introductie van partijen
3.1.
MTB exploiteert een bierbrouwerij die actief is op de Griekse biermarkt. MTB is opgericht in 1996 in Komotini in de regio in het noordoosten van Griekenland genaamd Oost-Macedonië en Thracië (de Engelse afkorting van deze regio: EMT). In 1998 was MTB een ontluikende microbrouwerij met een jaarlijkse productiecapaciteit van 60.000 hectoliter zonder een gevestigd distributienetwerk en met beperkte financiële middelen. Een microbrouwerij is een brouwerij met kleinschalige productie (maximaal 200.000 hectoliter per jaar) gericht op specifieke marktsegmenten, die doorgaans haar producten in haar eigen filialen verkoopt. [12] In 1998 begon MTB met de productie en verkoop van
Vergina, met als doel een
premiumbiermerk van lokaal gebrouwen Grieks bier te introduceren.
3.2.
Ook AB exploiteert een bierbrouwerij die actief is op de Griekse biermarkt. AB is opgericht in 1962 door onder andere Amstel Brouwerij B.V. (Amstel). Heineken is een beursgenoteerde (houdster)vennootschap die Amstel heeft overgenomen en gedurende de in deze procedure relevante periode indirect - als (over)grootmoedervennootschap - nagenoeg het gehele kapitaal (98,8%) van AB in handen had.
AB produceerde dan wel importeerde hoofdzakelijk de buitenlandse biermerken
Heinekenen
Amstel. In 1999 heeft AB
Alfageherintroduceerd als Grieks biermerk.
Algemene kenmerken van de Griekse biermarkt
3.3.
De Griekse biermarkt kan worden onderverdeeld in de koude markt (of
immediate consumption marketof
on trade consumption market) bestaande uit kort gezegd horeca-locaties, en de warme markt (of
off trade marketof
future consumption market), bestaande uit supermarkten en buurtwinkels.
Op de Griekse biermarkt zijn bierproducenten voor de distributie van hun producten naar de koude markt grotendeels aangewezen op groothandelaren/distributeurs door de geografische spreiding van die markt. [13] Griekenland is een groot land dat bestaat uit een bergachtig vasteland, meer dan 6.000 eilanden en (daardoor) veel afgelegen gebieden.
3.4.
De vraag naar bierproducten in Griekenland is seizoensgebonden, en piekt - evenredig aan het toerisme - in de zomermaanden. [14] De toerismesector is groot in Griekenland en concentreert zich sterk rond de hoofdstad Athene en de bekende zuidoostelijk gelegen eilanden.
3.5.
In de in deze zaak relevante periode (1998-2014) vond de bierverkoop vooral (60-70%) plaats in de koude markt, waarbij enige verschuiving richting de warme markt zichtbaar was.
3.6.
Feitelijke drempels voor bierproducenten om toe te treden tot de Griekse biermarkt zijn voornamelijk de vereiste reclame-investeringen en de vereiste totstandbrenging van een effectief distributienetwerk. [15]
3.7.
In de afgelopen twintig jaar is de meest opvallende ontwikkeling op de Griekse biermarkt dat tientallen nieuwe partijen de markt hebben betreden, vooral in de periode na 2005.
De HCC-beschikking
3.8.
Naar aanleiding van onderzoek heeft de Hellenic Competition Commission (HCC) op 19 september 2014 een beschikking gegeven (hierna: de HCC-beschikking), die op 15 december 2015 is gepubliceerd. In haar beschikking heeft de HCC geoordeeld:
- dat AB op de Griekse [16] biermarkt [17] een economische machtspositie inneemt,
- dat AB van die machtspositie misbruik heeft gemaakt in de periode van september 1998 tot september 2014 (hierna: de inbreukperiode),
- dat dit kwalificeert als één enkele voortdurende inbreuk op het Europese (artikel 102 VWEU Pro) en het Griekse (artikel 2 Griekse Pro mededingingswet (GCA)) verbod van misbruik van machtspositie (hierna: de inbreuk). Vanwege de inbreuk heeft de HCC aan AB een boete opgelegd van ruim € 31 miljoen overeenkomstig het toegestane wettelijk maximum van 10% van de omzet van AB in het jaar voorafgaand aan het besluit. [18] Deze boete is later in de administratieve procedure verlaagd tot € 27 miljoen.
3.9.
In het beschikkende gedeelte van het besluit (het dispositief) oordeelt de HCC dat AB in het bijzonder misbruik van machtspositie heeft gemaakt doordat zij (AB):
“(…)
  • i)
  • ii)
  • iii)
3.10.
Het tegen de beschikking door AB ingestelde hoger beroep is verworpen. Het daartegen bij de Griekse
Council of Stateingestelde beroep is bij beslissing van 31 mei 2023 verworpen.

4.Het geschil

4.1.
MTB vordert van de rechtbank in de hoofdzaak - samengevat, en na tweemaal wijziging van eis - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren voor recht dat Heineken en AB wegens het schenden van artikel 102 VWEU Pro c.q. artikel 2 GCA Pro op de Griekse biermarkt in de periode vanaf september 1998 tot en met 14 september 2014 toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld jegens MTB;
Heineken en AB hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan MTB van een schadevergoeding ter hoogte van € 82.230.000 of € 195.460.000,- inclusief rente, althans € 75.230.000 of € 181.840.000 inclusief rente, te vermeerderen met de daarover verschuldigde Griekse procesrente (
litigation interest), althans de Griekse wettelijke rente, vanaf 1 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
Heineken en AB hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan MTB van de kosten van de werkzaamheden van Oxera ter hoogte van € 1.163.390,44, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum van de betreffende facturen van Oxera tot aan de dag der algehele voldoening;
Heineken en AB hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.
4.2.
MTB stelt dat zowel AB als Heineken met de inbreuk op Europese en Griekse mededingingsregels naar Griekse recht onrechtmatig hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade inclusief rente die MTB door de inbreuk heeft geleden MTB vindt ook dat zij de kosten van haar economisch deskundige Oxera moeten betalen.
4.3.
Volgens MTB bestaat haar schade (vordering II) uit misgelopen winst (vermeerderd met rente), doordat de inbreuk bij MTB heeft geleid tot de combinatie van:
een volumeverlies;
een prijsverlies; en
hogere kosten.
4.4.
AB en Heineken spreken de vorderingen van MTB volledig en op alle onderdelen tegen. Daarbij gaan AB en Heineken in op de wijze waarop de HCC beschikking (al dan niet) doorwerkt in de beoordeling van deze civiele schadevordering, de wijze waarop schade en de gestelde rente naar Grieks recht dient te worden beoordeeld en zij betwisten de schadebegroting van MTB inhoudelijk, ook met verwijzing naar rapporten van CRA.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De verdere beoordeling

5.1.
De beoordeling is als volgt ingedeeld:
zie vanaf rechtsoverweging:
I.
Inleiding5.2
II.
Verzoek om het eerste rapport van Oxera5.4
III.
Causaal verband en schade
a.
Toetsingskader 5.13
b.
Kartelschaderichtlijn, Mededeling en Praktische Gids 5.21
c.
Standpunten van partijen 5.23
d.
Vergelijkingsmethode, formule, methodes 5.27
e.
Reikwijdte van de bindende kracht van de HCC-beschikking 5.31
f.
Vastgestelde inbreuk 5.37
g.
Wijze waarop de inbreuk van invloed kan zijn geweest op derelevante markt 5.41
h.
Tussenconclusie 5.45
i.
Feitelijke situatie 5.49
i. Marktaandelen
5.55
ii. Volume
5.59
iii. Prijs
5.64
j.
Situatie zonder inbreuk (counterfactual) 5.67
i. Volume
5.68
ii. Prijs
5.77
iii. Kosten
5.86
k.
Waar de vergelijking toe leidt 5.88
IV.
Rente en kosten Oxera5.89
V.
Verder procesverloop: aktewisseling5.104
I. Inleiding
5.2.
De naar Grieks recht te beoordelen
follow on-vorderingen van MTB zijn volledig gebaseerd op de enkele, voortdurende inbreuk op Europese en Griekse mededingingsregels door AB die de HCC in haar besluit als bevoegde Griekse nationale mededingingsautoriteit heeft vastgesteld, welk besluit in de verdere Griekse administratieve procedure in stand is gebleven. Eerder is in deze procedure na een uitvoerig debat beslist dat de civiele rechter gebonden is aan het oordeel van de HCC dat AB misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie: de in de HCC-beschikking vastgestelde inbreuk. Met de vastgestelde inbreuk staat ook de enkele, uniforme [19] onrechtmatige daad die daarmee samenvalt, definitief vast. Nog niet eerder als zodanig vastgesteld, maar ook niet in geschil, is dat uit de legal opinions van partijen volgt dat het specifiek gaat om een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 914 Grieks Pro Burgerlijk Wetboek (GCC).
5.3.
Partijen hebben voor hun standpunten over de (gestelde) schade die hiervan het gevolg zou zijn ieder voor zich verwezen naar verschillende rapporten van hun economisch deskundigen.
II. Het verzoek om het eerste rapport van Oxera
5.4.
Heineken en AB hebben eerder in de procedure het verzoek gedaan aan MTB om het eerste rapport van Oxera in het geding te brengen op grond van artikel 85 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit is het rapport waarop MTB de dagvaarding lijkt te hebben gebaseerd.
5.5.
Dit verzoek, waar MTB niet aan heeft voldaan, hebben AB en Heineken ter zitting als volgt nader toegelicht. Eerst moet worden vastgesteld wat de meest waarschijnlijke (negatieve) invloed op de markt is geweest - de zogenoemde
theory of harm-, pas daarna kunnen de economen die theory of harm testen en modelleren. Wat uitdrukkelijk niet de bedoeling is, is dat de theory of harm ná de modellering wordt gekozen of aangepast, zoals volgt uit het oordeel van de Engelse
Competition Appeal Tribunal(CAT) in de Stellantis-zaak: “
it is not appropriate to reformulate the hypothesis to fit the data”. [20] In het geval van Oxera zijn er duidelijk aanwijzingen dat de schadeanalyses wel achteraf op die manier zijn aangepast. Het zwaartepunt van de dagvaarding naar de nadere aktes is volgens AB en Heineken verschoven van “afzetgroei” en “productiecapaciteit” naar “prijs”.
5.6.
Uit de toelichting van AB en Heineken blijkt dat zij in feite hun eerdere verzoek aan AB opnieuw doen, waarbij zij menen dat als MTB blijft weigeren om daaraan te voldoen, dit afdoet aan de betrouwbaarheid van de overige rapporten van Oxera, althans dat de rechtbank daardoor de betrouwbaarheid van die rapporten niet kan beoordelen.
5.7.
Artikel 85 Rv Pro geeft volgens vaste rechtspraak geen zelfstandig vorderingsrecht tot afgifte van de bescheiden. AB en Heineken vragen ook geen beslissing van de rechtbank op hun verzoek, maar hun visie komt er wel op neer dat afgifte noodzakelijk is, althans dat de rechtbank niet deugdelijk in staat is te oordelen zonder kennisname van het eerste rapport van Oxera.
5.8.
De rechtbank deelt de visie van AB en Heineken niet om de volgende redenen.
5.9.
Er bestaat in de eerste plaats geen aanleiding meer om het eerste rapport van Oxera in het geding te brengen, omdat MTB zich niet langer op dit rapport beroept. MTB heeft bovendien haar schadetheorie, die gebaseerd op de Oxera-rapportages, wel aangepast, maar niet wezenlijk. In het tweede Oxera-rapport is, anders dan in het eerste rapport, voor zover kenbaar uit de dagvaarding, rekening gehouden met het gegeven dat MTB een korting op de accijnzen genoot zolang zij niet meer produceerde dan 200.000 hectoliter bier. Het volume is daarom telkens onder dit aantal gebleven. De schadetheorie is daaraan aangepast, waardoor het accent minder kwam te liggen op afzetgroei en productiecapaciteit en meer op de schadecomponent prijs, maar die was ook in de dagvaarding al genoemd. Van een wezenlijke wijziging is dus geen sprake.
5.10.
De rechtbank heeft ook geen concrete aanwijzingen dat aanpassingen zijn gedaan om tot een welgevallige(r) uitkomst te komen. Het gaat om een aangepaste benadering die mede voortvloeit uit het partijdebat. De rechtbank ziet dan ook geen bezwaren om het tweede rapport te beoordelen zonder kennis te nemen van het eerste. Naar het op dit punt toepasselijke Nederlandse procesrecht (zie rov. 5.14 hierna) is er geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat een schadetheorie op onderdelen wordt aangepast of doorontwikkeld.
Conclusie
5.11.
De conclusie van het voorgaande is dat de rechtbank kan oordelen over de vorderingen in deze zaak, zonder kennis te nemen van het eerste rapport van Oxera.
III. Causaal verband en schade
5.12.
Daarmee is de beoordeling van de schade van MTB aan de orde. Het gaat om een vordering tot schadevergoeding wegens de inbreuk op Europese en Griekse mededingingsregels, waarbij het debat zich concentreert op de begroting van de schade van MTB en het oorzakelijk verband tussen die inbreuk en de schade, welke beoordeling plaatsvindt naar Grieks recht. Een en ander leidt tot het hierna weergegeven toetsingskader.
a. Toetsingskader
5.13.
Het recht op volledige schadevergoeding bij een inbreuk (mede) op Europese mededingingsregels volgt rechtstreeks uit het unierecht, en omvat - voor zover hier relevant - zowel gederfde winst als de betaling van rente. [21]
5.14.
Voor uitoefening van dat recht geldt, bij gebreke van een unierechtelijk kader, het toepasselijke recht, in dit geval Grieks recht. Omdat de procedure voor de Nederlandse rechter wordt gevoerd, geldt voor de procedure het Nederlands procesrecht, zoals voortvloeit uit artikel 10:3 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
5.15.
Het Griekse recht houdt voor zover hier relevant het volgende in, zoals volgt uit de legal opinions van partijen.
5.16.
Naar Grieks recht rust de bewijslast voor het bestaan en de omvang van schade op de eiseres (artikel 338 en Pro 340 Grieks Rv).
5.17.
Naar Grieks recht is de methode aan de hand waarvan moet worden bepaald dat MTB schade heeft geleden door de inbreuk, de zogenoemde vergelijkingsmethode (ook wel
but-for analysis [22] ). Bij die methode wordt een vergelijking gemaakt tussen de feitelijke situatie en de denkbeeldige situatie zoals die zou zijn geweest als de inbreuk niet zou hebben plaatsgevonden (ook wel:
counterfactual).
5.18.
Naar Grieks recht geldt als criterium voor specifiek gederfde winst dat deze ‘
probable’ (waarschijnlijk) moet zijn
“in the usual course of events”, zoals volgt uit artikel 298 Grieks Pro BW:
“The compensation includes both the reduction of the creditor’s existing assets
(actual damage) and the loss of profit. Such profit is deemed to be that which can be
expected as probable profit in the usual course of events or by reference to the special circumstances and particularly to the preparatory measures taken.”
5.19.
Naar Grieks recht bestaat voor de rechter een uitzonderingsmogelijkheid om schade te schatten. Op dit punt bestaat enige discussie tussen partijen. MTB meent dat een beroep op die uitzondering niet nodig is dan wel geen wezenlijk verschil maakt ten opzichte van de al bestaande vrijheid van de rechter om schade te begroten. AB en Heineken stellen zich daarentegen op het standpunt dat de uitzonderingsmogelijkheid hier niet van toepassing is.
5.20.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hier gevorderde schade door een mededingingsrechtelijke inbreuk naar haar aard niet nauwkeurig vast te stellen. Dat betekent dat de uitzonderingsmogelijkheid van toepassing is en de rechter de schade mag schatten. Daarbij dient gelet op het vereiste van waarschijnlijkheid zo goed mogelijk, op basis van de ontwikkelingen die zich voor, tijdens en na de inbreuk hebben voorgedaan te worden benaderd welke ontwikkeling waarschijnlijk zou zijn geweest in het scenario zonder inbreuk. In het onderhavig geval ligt de nadruk op de vergelijking tussen de situatie tijdens en na de inbreuk, omdat AB onbetwist heeft gesteld dat zij voorafgaand aan de inbreukperiode al een machtspositie had op de markt en er toen nog relatief weinig concurrentie was.
b. Kartelschaderichtlijn, Mededeling en Praktische gids
5.21.
De Kartelschaderichtlijn [23] is in Griekenland geïmplementeerd met de Antitrust Damages Act (ADA). De ADA is temporeel van toepassing in deze zaak (vgl. het tussenvonnis van 6 december 2023, rov. 4.9), maar niet voor zover daarin materiële bepalingen uit de richtlijn zijn geïmplementeerd. Die zijn pas vanaf 27 december 2016 van kracht en hebben - in lijn met artikel 22 lid 1 van Pro de kartelschaderichtlijn - géén terugwerkende kracht.
5.22.
In de aanloop naar de invoering van de kartelschaderichtlijn heeft de Europese Commissie een Praktische Gids voor de schade wegens inbreuken op de Europese mededinging gepubliceerd (hierna: de Praktische Gids), [24] bij haar Mededeling over hetzelfde onderwerp. [25] Deze stukken zijn slechts informatief van aard en niet bindend voor de nationale rechter [26] , maar geven wel een relevante visie op de begroting van schade in gevallen als het onderhavige [27] . Uit de toelichting bij de Praktische Gids blijkt dat bij de opstelling daarvan gebruik is gemaakt van verschillende studies en opmerkingen van externe deskundigen. [28] Hieruit volgt dat de Praktische Gids, ondanks het niet-bindende karakter, wel degelijk inzicht kan verschaffen in de schade die verboden concurrentieverstorende gedragingen kunnen veroorzaken en informatie kan geven over de voornaamste beschikbare methoden en technieken om deze schade te begroten. [29] Ook partijen nemen dit tot uitgangspunt.
c. Standpunten van partijen
5.23.
MTB heeft haar schade in de kern als volgt toegelicht.
MTB heeft volumeverlies geleden doordat zij door de onrechtmatige praktijken van AB er niet in slaagde om horecagelegenheden (eindverkooppunten) of consumenten in een aantal belangrijke gebieden in Griekenland te bereiken. Zo heeft het misbruik ervoor gezorgd dat MTB nauwelijks toegang had tot de distributienetwerken van groothandelaren en was MTB bijvoorbeeld niet in staat met succes door te dringen in belangrijke toeristische gebieden. Die gebieden zijn relevant vanwege de hoge bierconsumptie van toeristen.
Daarnaast heeft MTB haar bier moeten verkopen tegen lage prijzen, onder meer vanwege het moeten geven van hoge kortingen aan de groothandelaren om te compenseren voor de onrechtmatige kortingsregelingen en andere stimulansen van AB die een belangrijke rol hebben gespeeld bij het vestigen van AB’s machtspositie op de Griekse biermarkt. Ook moest ze haar productmix herzien, waarbij het accent minder kwam te liggen op haar premium bier Vergina. Om te overleven moest MTB zich toeleggen op het verkopen van goedkoper ‘
white label’ bier.
Door het misbruik van AB was MTB aangewezen op rechtstreekse leveringen aan detailhandelaars en klanten om het gebrek aan toegang tot groothandelaren/distributeurs te compenseren. In 2012 werd bijna tweederde van de verkoop van MTB gedistribueerd via eigen vervoer en vervoer door derden. Daarnaast richtte MTB in 2001 en 2002 de distributiecentra op in Thessaloniki en Athene, als uitvalsbasis voor directe verkoop in die steden, opnieuw als reactie op het gebrek aan toegang tot het groothandelsnetwerk door, naar achteraf bleek, het onrechtmatig handelen van AB. Deze tegenmaatregelen hebben geleid tot hogere transport- en beheerkosten, een verlies aan schaalvoordelen en een zeer beperkte toegang tot de horecamarkt, aangezien sommige gebieden zeer afgelegen waren gezien de geografische kenmerken van Griekenland, zoals bijvoorbeeld de eilanden.
5.24.
Tegen deze achtergrond betoogt MTB - samengevat - dat zij in de counterfactual een hogere winst zou hebben behaald, doordat zij in die situatie:
1) meer bier zou hebben verkocht (een hoger volume), en
2) hogere prijzen zou hebben gehanteerd (en minder kortingen zou hoeven hanteren),
3) naar rato gelijke kosten zou hebben gehad (MTB stelt dat zij hiermee kiest voor een conservatieve benadering, want in de counterfactual zou zij vermoedelijke lagere kosten hebben gehad).
5.25.
AB en Heineken betwisten de schade van MTB, en betwisten dat de counterfactual van MTB juist is. Zij hebben een eigen counterfactual geformuleerd. AB en Heineken voeren aan:
dat MTB niet heeft kunnen groeien tijdens de relevante periode is niet het gevolg van het misbruik door AB en Heineken, maar komt door een gebrek aan investeringen door MTB in reclame en in distributie;
de wijze waarop Oxera de counterfactual prijzen en volumes heeft begroot is inconsistent en niet betrouwbaar. Oxera heeft geen bewijs geleverd waaruit de counterfactual-volumes zouden volgen;
het zou in strijd met een algemene economische theorie zijn dat zowel de volumes als de prijzen zouden zijn gestegen in de counterfactual;
doordat de volumes in de counterfactual hoger zijn, zouden sommige kosten zoals marketing- en reclame-uitgaven, hoger moeten uitvallen.
MTB's huidige schadeberekening is bijna twee keer te hoog door een misrekening in de counterfactual-prijzen. MTB heeft ten onrechte een significante verhoging van de in Griekenland verschuldigde accijnzen in 2016, meegenomen bij berekening van de counterfactual
-prijzen in de jaren daarvoor;
MTB had in elk geval niet uitsluitend Vergina bier verkocht en de prijzen van Vergina tot uitgangspunt nemen in het counterfactual-scenario is dan ook onrealistisch;
het is onwaarschijnlijk dat een nieuwkomer als MTB hogere prijzen had kunnen rekenen zo kort na toetreding tot de markt;
een vergelijking met nieuwkomers in andere landen laat zien dat MTB's marktaandeel zelfs harder is gegroeid dan van een gemiddelde nieuwkomer;
MTB was gericht op de lokale EMT-markt. Dit was een strategische keuze en Oxera’s counterfactual-volumes, die zich voor de overige regio’s baseren op de volumes in de EMT-regio (en dan specifiek uit 2005), zijn dan ook arbitrair en overschat;
het is onwaarschijnlijk dat de inbreuk enig effect had na september 2014.
5.26.
Beide partijen verwijzen voor hun standpunten naar de rapporten van hun eigen economisch deskundige, te weten Oxera en CRA.
d. Vergelijkingsmethode, formule, methodes
5.27.
Voor de begroting van de schade zal de rechtbank de formule hanteren die MTB gebruikt. Deze is niet door AB en Heineken betwist en wordt ook door de Europese Commissie geschikt geacht voor de berekening van gederfde winst [30] . Het gaat om de volgende formule:
5.28.
Oxera hanteert voor haar counterfactual-scenario een hybride methode. Enerzijds, voor de volumes, hanteert zij de methode van vergelijking tussen verschillende regio’s in de geografische markt, ook wel
cross sectional analysis. Anderzijds, voor de prijzen hanteert zij een ‘tijdens-en-na vergelijking’ op dezelfde geografische markt, ook wel
time series analysis.
5.29.
CRA heeft deze gehanteerde hybride benadering aan de hand van verschillende methoden als zodanig niet betwist. In de Praktische Gids worden beide methoden geschikt geacht om de winst te berekenen die concurrenten zijn misgelopen ten gevolge van uitsluitingsgedrag [31] . Ook de rechtbank gaat daarom uit van de geschiktheid van deze methoden.
5.30.
Eerste vertrekpunt voor de vaststelling van de schade van MTB aan de hand van al het voorgaande is de concrete vastgestelde inbreuk en de manier waarop deze van invloed is geweest op de relevante markt, in dit geval de Griekse biermarkt. Daarom zal de rechtbank hierna met een nadere beschouwing van die twee elementen beginnen, na bespreking van de discussie van partijen over de reikwijdte van de bindende kracht van de HCC-beschikking.
e. Reikwijdte van de bindende kracht van de HCC-beschikking
5.31.
Partijen zijn het niet eens over de reikwijdte van de bindende kracht van de HCC-beschikking, en dan met name de vraag of de rechtbank gebonden is aan de verklaringen die in de HCC-beschikking worden aangehaald (visie MTB), of dat dit slechts illustratieve voorbeelden zijn (visie AB en Heineken).
5.32.
Deze discussie heeft de rechtbank al beslecht in haar tussenvonnis van 6 december 2023. Daarin heeft de rechtbank niet alleen vastgesteld
datmaar ook
in hoeverrezij gebonden is aan het oordeel van de HCC. De rechtbank heeft namelijk geoordeeld dat zij gebonden is aan het oordeel van de HCC dat AB misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie, omdat “
de vastgestelde inbreuk, de daaraan ten grondslag liggende feiten en de juridische kwalificaties daarvan”onder het onweerlegbaar vermoeden van artikel 9 van Pro de Griekse Antitrust Damages Act (ADA) vallen.
5.33.
Hieraan voegt de rechtbank nu toe dat dit ook volgt uit de jurisprudentie van het HvJEU over besluiten van de Europese mededingingsautoriteit waarin een inbreuk op de Europese mededingingsregels wordt vastgesteld. Die jurisprudentie is in beginsel niet van toepassing op dergelijke besluiten van de nationale mededingingsautoriteit, maar de Griekse wetgever heeft desondanks ook voor die besluiten kennelijk wel bij de jurisprudentie van het HvJEU aan willen sluiten. Immers, artikel 9 ADA Pro kent (dezelfde) bindende kracht toe aan dergelijke besluiten van zowel de Europese als de nationale mededingingsautoriteit.
5.34.
Uit de jurisprudentie van het HvJEU volgt dat het besluit, het onderwerp van de administratieve procedure, bindende kracht heeft wat betreft de gedraging in het dispositief, waarbij de motivering in aanmerking moet worden genomen om te bepalen, wat precies in het dispositief is vastgesteld. [32]
5.35.
De bindende kracht van de HCC-beschikking is dus tot het voorgaande beperkt. Dat betekent echter niet dat de rechtbank zich op de overige inhoud van de HCC-beschikking niet mag oriënteren of baseren [33] . Daar bestaat bovendien ook in het bijzonder aanleiding toe, omdat de beoordeling in deze zaak van de concrete schade die de inbreukmakende gedraging bij een individuele marktdeelnemer heeft veroorzaakt, in het verlengde ligt van de toets in de administratieve procedure of de gedraging (
potentiële)mededingingsbeperkende effecten heeft op de relevante markt, als noodzakelijk vereiste voor het bestaan van een inbreuk. [34] Een nadere analyse van de HCC-beschikking is dus ook om die reden op zijn plaats. Bovendien kan het beperkte dispositief sowieso niet afdoende worden doorgrond zonder nadere analyse van de beschikking.
5.36.
Kortom, zoals aangekondigd zal de rechtbank die analyse van de concrete vastgestelde inbreuk en de manier waarop deze van invloed kan zijn geweest op de relevante markt, in dit geval de Griekse biermarkt mede tot uitgangspunt nemen.
f. Vastgestelde inbreuk
5.37.
In het dispositief van haar beschikking heeft de Griekse mededingingsautoriteit vastgesteld dat AB misbruik heeft gemaakt van haar economische machtspositie op de Griekse biermarkt tussen 1 september 1998 en 19 september 2014. Als concrete misbruikgedragingen heeft de Griekse mededingingsautoriteit, samengevat, vastgesteld dat AB:
- exclusiviteitsverplichtingen heeft opgelegd aan het koude markt-segment (
key horeca accountsen kleine outlets);
- in het supermarkten-segment getrouwheidskortingen aan supermarkten heeft verleend op voorwaarde van "
satisfactory shelf-space";
- in het groothandels
-segment van de markt uitsluitingsstrategieën heeft gehanteerd, zoals het gebruiken van kredieten om exclusiviteit af te dwingen, en het geven van garanties, hypotheken, leningen en andere prikkels in ruil voor exclusiviteit en het discriminatoir behandelen van niet-exclusieve afnemers.
5.38.
5.38. De rechtbank zal deze inbreukmakende gedragingen gezamenlijk aanduiden als “de uitsluitingspraktijken”.
5.39.
De in het dispositief vastgestelde inbreuk bestaat dus uit de uitsluitingspraktijken
in combinatie metde vaststelling dat AB een economische machtspositie heeft. Van
diemachtspositie heeft AB misbruik gemaakt door de uitsluitingspraktijken te hanteren. Over de machtspositie van AB heeft de HCC in haar overwegingen het volgende overwogen:
“303 In the case at hand it is characteristic that, in the majority of the years of the infringement, AB held invariably a market share of approx. 70%, i.e. by far the largest share in the market, which rose clearly above 50% in the first quarter of 2013, whereas Olympic Brewery and Mythos Brewery come a distant second, holding shares several times smaller than that of AB's (15% and 12%, respectively). A similar situation existed also at the wholesale level.
(…)
312 (…) the Respondent [AB, rechtbank] is an “unavoidable trading partner” for many wholesalers and retailers in the beer market. This is because, the above circumstances - which mainly indicate: (a) That AB has been holding a very large market share for many years, and, by extension, the production and supply volume that such market share represents; (b) AB's powerful and well-established position, as opposed to that of its competitors (who hold much smaller market shares), and AB's absolute predominance also over the small points of sale (given that, apart from holding a large market share and a substantially higher market penetration rate, AB is currently the exclusive supplier of many points of sale); (c) That AB owns the largest and most reputable product line in the reference market and (d) the broadest sale and distribution network and (e) highly reputable brands, which are systematically supported by substantial investments - are - according to case-law - the essential components of the concept of "unavoidable" or "essential" trading partner.
(…)
314 As it is thoroughly demonstrated below, the nature of AB's beer products as "must-stock brands", in conjunction with the fact that AB is an "unavoidable trading partner" for many wholesalers and retailers, intensifies the inability of AB's competitors to compete with it for customer demand at an arms-length basis, and increases the exclusionary effects arising from such inability.”
5.40.
Over de duur van de te onderscheiden uitsluitingspraktijken van AB heeft de HCC het volgende overwogen:
“Duration of the infringement established
(..)
1500 In particular, based on the data of the case file for each abusive practice, the first abusive practice established above (exclusivity and loyalty rebates to the on-trade consumption market for key accounts and other final points of sale) was implemented in the period 1999-2014, i.e. during fifteen and a half (15.5) years, i.e. for as many years as the relevant agreements and abusive terms imposed had been effective. The third abusive practice (exclusionary practices at the wholesale level) started in September 1998 and it is still on-going, covering overall a period of sixteen (16) years. The second abusive practice (imposition by Athenian Brewery of a term relating to achieving satisfactory, to it, shelf space in consideration of granting a relevant loyalty rebate to supermarkets) has extended over one (1) year, 2000, i.e. for as long as the relevant agreements had been effective.”
g. Wijze waarop de inbreuk van invloed kan zijn geweest op de relevante markt
5.41.
Over de manier waarop de inbreuk van invloed kan zijn geweest op de markt heeft de HCC het volgende overwogen:
“(…)
CHAPTER A
ATHENIAN BREWERY'S EXCLUSIONARY PRACTICES ON THE ON-TRADE CONSUMPTION MARKET
(…)

1.KEY ACCOUNT CLAUSES OF EXCLUSIVITY

(…)
350 Thus, the practices described herein, in conjunction with AB's other abusive practices, as same are thoroughly described in the relevant sections, expand to nearly all distribution channels of the relevant products (wholesale and retail level, on-trade and future consumption market), creating a set of contractual obligations and financial incentives which, viewed either individually or as a whole, are intended to impose, essentially and de facto, exclusivity on the points of sale, to bind a substantial part of demand, exclude competitors from the distribution channels and limit their development prospects. The potential results of such successive exclusivity practices are further intensified by the discount and rebate systems granted by AB, as same are thoroughly described below.
351 It should be noted from the outset that, out of a total of over fifty (50) mass catering chains which have been investigated, approx. 78% of the fast-food facilities nationwide were found to have explicit and de facto exclusivity arrangements in place, namely approx. 78% of the investigated fast-food facilities have entered into exclusivity agreements with AB. (…)
The importance of key accounts as distribution channels - General considerations about key accounts
579 Based on the contents of the case file, exclusivity agreements were stipulated with the largest and most popular chains ('key accounts'), which cumulatively hold a considerable share in the fast-food chain market, which in 2007 indicatively reached approx. 77,8% of the fast-food outlets nationwide, whereas AB's counter-parties in these agreements are leaders in the individual sectors of fast-food outlets.
580 (…) Given that customers are required to cover all or a major part of their demand (needs) through products supplied by the dominant undertaking, these exclusivity obligations could potentially lead to exclusion; at the same time, the very purpose of these agreements is to exclude competitors from the respective market segments.
581 These agreements normally provide significant financial rebates in the form of various types of discounts granted against the sale of AB's products, to such a degree as to ensure that the needs of AB's counter-party are thoroughly met. (…)
584 In the Commission's unanimous opinion, based on the above facts it is solidly established that the Respondent has entered into agreements with exclusivity terms or equivalent contractual terms, with a substantial number of customers, including some of the most reputable traders in the market, often by offering significant financial incentives for the exclusive sale of its products, and that it draws up its business strategy with a view to preventing competitors from accessing this specific distribution channel. (…)
Hence, the above facts substantiate an abuse of dominance, consisting primarily in the imposition of exclusivity on the part of the Respondent, which is a particularly serious exclusionary practice and raises permanent barriers to the entry/expansion of its competitors.

2.REBATES GRANTED BY THE RESPONDENT TO KEY ACCOUNTS

Conclusions with regard to granting fees as a percentage of the expected value of purchases by a customer satisfying its total requirements
(…)
627 In this manner, the respondent would make more difficult the entry and/or expansion of its competitors on the relevant market and would reinforce its dominant position by distorting competition. In light of the above, the rebates and ex ante payments scheme at issue is considered to be abusive. Through the above-described abuses, the respondent has distorted competition and has managed to fully exclude its competitors from the aforementioned mass catering chains which represented a very important and prominent channel for distributing beer products.

3.On AB’s views regarding the on-trade consumption market

(…)
652 On the contrary, it has been demonstrated from the evidence in the case file that the aforementioned clauses and incentives were granted by AB to exclude its competitors.
(…)
679 In conclusion, according to HCC’s unanimous opinion, the respondent abused its dominant position by entering into exclusivity agreements with mass catering chains and other final points of sale, as explained above. Such exclusivity clauses have by their nature a foreclosing capability, and it is not necessary to demonstrate the actual impact of such practices on the market. To wit, there is no need to establish whether the intended exclusion of competitors has indeed been achieved, or which portion of the market is bound under exclusivity clauses, or whether substantial barriers are raised to the entry or expansion of potential or existing competitors, etc., because, precisely due to the dominant position held by the supplier, competition in said market is already limited and its structure is distorted.
In particular, on the respondent’s views on exclusivity rebates and the cited necessity to demonstrate anticompetitive effects
(…)
689 (…) The mechanism of the exclusivity rebates is still capable of making access to the market more difficult for competitors of the undertaking in a dominant position, even if that access is not economically impossible.
Conclusions
(…)
698 To conclude, AB systematically promoted, negotiated, concluded, and maintained exclusive agreements for many customer categories in key accounts, for example, mass catering chains and short sea shipping operators, airports, hotels, cinemas, etc. The practices at issue tended to the same substantial effect as the other practices implemented by the respondent at the wholesale and retail levels (successive exclusivities, sales target rebates, etc.), i.e. tying wholesalers and retailers and, consequently, preventing the access of competitors to final points of sale, taking into account that competition in the relevant market was already weakened because of AB’s dominant position. In this regard, these exclusivities to customers are appreciated in combination and together with the other practices, since they also tend to exclusivity.

4.RESPONDENT'S PRACTICES VIS-A-VIS FINAL ON-TRADE CONSUMPTION POINTS

(…)
IMPOSITION OF EXCLUSIVITY ON FINAL POINTS OF SALE
(..)
General observations regarding smaller on-trade consumption points
1078 (…) Although, according to settled case-law, no specific incidents or direct results need to be proven to establish that a dominant undertaking imposes exclusivity or prevents its customers from obtaining their supplies from rival suppliers, because such practice is prohibited either way as it is capable per se of causing market foreclosure and limiting competition, it is noted that, taking into account AB's position in the market over a long period of time and the fact that it has applied anti-competitive exclusivity terms and obligations on many levels / distribution networks, affecting a substantial part of total demand, its practices could have - and indeed have - generated exclusionary effects which distorted the market and constitute abuse of dominant position.
(…)
1080 The above facts substantiate an abuse of dominance, consisting in the Respondent's practice of imposing exclusivity on final on-trade consumption points, which is a particularly serious exclusionary practice and raises permanent barriers to the entry/expansion of its competitors.
(…)
CHAPTER C
ATHENIAN BREWERY PRACTICES AT THE WHOLESALE DISTRIBUTION LEVEL
(…)
1348 In any event, granting privileged credit terms for stocking purposes constitutes an abuse, because it amounts to restricting the normal development of competition and it is incompatible with the objective of undistorted competition in the common market. It is not based on any economic service justifying that advantage, but seeks to remove or restrict the purchaser's freedom of choice concerning his sources of supply and to block the access of other suppliers to the market
1. IMPOSITION OF EXCLUSIVITY TERMS / DISCRIMINATORY TREATMENT TOWARDS WHOLESALERS
(…)
CONCLUDING REMARKS: EXCLUSIONARY PRACTICES AND DISCRIMINATORY TREATMENT AT THE WHOLESALE LEVEL
(…)
2.3
Grant of other forms of consideration for exclusivity: payment of monetary sums to interrupt distribution of competing brands, triangular sales, and promotion of collaboration with final points of sale
(…)
1396 Such behaviour by Athenian Brewery (imposing on its customers conditions for stopping their collaboration with its competitors, awarding collaboration with final points of sale or triangular sales to wholesalers under the condition of exclusivity, payments to wholesalers to oust competing brands) directly harms competition, is abusive and is prohibited.
(…)
2.4
Practice of prenotation of customers’ real estate property, of granting loans or fixed assets and other incentives
1398 The same applies to the practice of prenotation of customers’ real estate property as well as of granting loans or fixed assets and other incentives which put pressure on the respondent’s wholesaler customers and through which the respondent achieves privileged treatment by using such practices as a means to approach, put pressure on, and control retailers supplied by the then affected/dependent wholesalers.
(…)
FINAL REMARKS
1473 The aforementioned exclusionary practices implemented by the respondent have created a strong exclusionary effect, directly distorted and undermined the structure of the market in an anticompetitive manner (undermining the market’s competitive structure, consolidating and promoting the respondent’s dominant position through practices excluding competitors and entailing serious risks, which are prohibited when they do not result from a better performance by the respondent), and limited, especially by controlling distribution channels, the ability of consumers to choose the product they prefer and to have access to competing products possibly of a better price/quality) both currently and in the future (by undermining potential competition).
(…)
1475 Furthermore, the discriminatory treatment applied by the respondent to categories of customers depending on whether they accepted exclusivity or on customer loyalty, in general, has had an adverse impact on trading parties: the varying collaboration terms, and in particular the pricing terms, undoubtedly affected the claimant and the other competitors of the respondent since they have created a direct incentive for wholesalers and retailers not to purchase competing products, and they could immediately cause the reduction of the competitors’ market share, without such reduction being attributable to better performance and competition on the merits by Athenian Brewery. (…)
ON THE SANCTIONS – FINES TO BE IMPOSED
(…)
Criteria for setting the amount of the fine
(…)
Nature of the infringement established
1492 The abuse of its dominant position by Athenian Brewery, through the aforementioned practices at wholesale and retail level, represents a serious restriction of competition (…). (…)
Anticompetitive effects caused or threatened to be caused in the market
1493 The aforementioned infringing practices have had detrimental effects on competition, because they have allowed Athenian Brewery to maintain and reinforce its dominant position in the relevant market by excluding its competitors and by hindering and/or restricting their growth potential. Furthermore, given that they have been implemented in practice over many years and at multiple levels / product distribution channels, it is considered that they have had an important actual impact on the market. In addition, they have had a very important inherent potentially anticompetitive effect, as explained in the grounds of the decision above.
Financial benefit obtained or sought by the offender
1498 The financial benefit obtained by Athenian Brewery from its infringing practices cannot be precisely calculated. Furthermore, although the financial benefit that the dominant undertaking sought to obtain cannot be precisely calculated, it is certainly important and it is related to the duration and the adequacy of its anticompetitive practices to confer it very high benefits. ”
5.42.
Uit deze inhoud van de HCC-beschikking leidt de rechtbank het volgende af. De HCC heeft steeds overwogen, overeenkomstig de jurisprudentie van het HvJEU, dat voor de vaststelling dat het verbod van misbruik van machtspositie is overtreden, voldoende is dat de inbreukmakende gedragingen (in dit geval de uitsluitingspraktijken)
mogelijkemededingingsbeperkende effecten kunnen hebben. In de overwegingen bij haar oordeel dat aan dat vereiste is voldaan, heeft de HCC echter diverse malen wel degelijk vastgesteld dat de uitsluitingspraktijken daadwerkelijk mededingingsbeperkende effecten
hebben gehad.
5.43.
Daarnaast blijkt dat de HCC heeft vastgesteld dat AB een ’strategie van uitsluiting’ heeft gehanteerd en dat zij haar uitsluitingspraktijken op grote schaal heeft toegepast. Tot die conclusie komt de HCC op basis van een overvloed (
plethora) aan bewijs, en legio voorbeelden, ook specifiek met betrekking tot MTB. Anders dan AB en Heineken hebben betoogd, gaat het daarbij niet om illustratieve voorbeelden, maar verklaringen waar de HCC haar oordeel mede op baseert. De HCC heeft daarbij telkens de visie van AB uitvoerig besproken, en verworpen, en dus steeds het beginsel van hoor en wederhoor in acht genomen bij haar beoordeling.
5.44.
Uit de beschikking volgt verder dat de HCC het door haar besproken bewijs representatief acht voor de marktsituatie op de Griekse biermarkt als geheel, en dat haar conclusie van marktmisbruik zich dus uitstrekt tot die gehele biermarkt, en niet alleen de door haar besproken voorbeelden.
h. Tussenconclusie
5.45.
Kortom, uit de hiervoor weergegeven inhoud van de HCC-beschikking kan het volgende worden afgeleid over het door de HCC vastgestelde misbruik, de manier waarop de inbreuk van invloed kan zijn geweest op de markt, en de effecten van de inbreuk, namelijk:
- dat AB een sterke machtspositie had, vanwege het volgende:
(i) AB had het overgrote marktaandeel, en langdurig een marktaandeel van meer dan 70%, tegenover een marktaandeel van 12% tot 15% van haar eerstvolgende concurrenten.
(ii) Een vergelijkbare situatie deed zich voor op het groothandelsniveau van de markt, AB beschikte over het grootste verkoop- en distributienetwerk en had zeer gerenommeerde
must-stock brandsin haar portefeuille.
(iii) AB was een
unavoidable trading partner.
  • dat AB misbruik heeft gemaakt van
  • dat het misbruik 16 jaar heeft voortgeduurd;
  • dat het misbruik van machtspositie door AB dus ernstig en langdurig is geweest, en gezien de sterke machtspositie van AB, ook omvangrijk, omdat het betrekking had op een groot deel van de markt;
  • dat concurrerende deelnemers op de Griekse biermarkt door dit misbruik aanzienlijke moeilijkheden en dus belemmeringen hebben ervaren om hun marktaandeel te vergroten;
  • dat dit mededingingsbeperkende effect van de inbreuk dus waarschijnlijk is, anders gezegd, dat de inbreuk waarschijnlijk tot het uitsluitingseffect van verminderde toegang tot een groot deel van de markt heeft geleid, waarbij bovendien de vastgestelde sterke machtspositie van AB dat effect van het misbruik heeft versterkt.
5.46.
Hierbij sluit aan wat in de Praktische Gids - voor zover hier relevant - staat over de mogelijke gevolgen van uitsluitingsgedrag voor concurrenten, namelijk [35] :
“Wanneer een aanvang wordt gemaakt met uitsluitingsgedrag, hebben concurrenten het doorgaans moeilijk om hun producten verkocht te krijgen (…). Dit vertaalt zich in een afkalving van hun winst ten gevolge van hogere kosten of lagere ontvangsten. Concurrenten zien doorgaans hun marktaandeel dalen, of komen uit op een lager marktaandeel dan zonder de inbreuk het geval zou zijn geweest (bijvoorbeeld doordat hun groei wordt belemmerd).”
5.47.
Hierbij sluit ook aan wat in de Mededeling [36] staat:
“De ervaring leert, dat hoe hoger het marktaandeel is en hoe langer de periode waarover dit wordt aangehouden, des te groter de kans is dat zulks een belangrijke, eerste aanwijzing is voor het bestaan van een machtspositie en, in bepaalde omstandigheden, van mogelijke ernstige effecten van onrechtmatige gedragingen (…).”
5.48.
Op deze vaststelling stuit het verweer van AB en Heineken af dat uit de afname van het marktaandeel AB en de toename van het marktaandeel van MTB in de inbreukperiode volgt dat de inbreuk
geenuitsluitingseffecten heeft gehad. Die vaststelling miskent namelijk de inbreuk en het uitsluitingseffect die hiervoor zijn vastgesteld. AB en Heineken richten zich met hun verweer kennelijk tegen een uitsluitingseffect van
onmogelijketoegang tot de markt, hetgeen zich inderdaad niet zou verhouden met een afname van het marktaandeel van AB, maar hier is het effect een
verminderdetoegang tot een groot deel van de markt. In vergelijkbare zin heeft ook de HCC al overwogen in de beschikking:
“241 (...) Any assertion that, in spite of the abusive practice, the competitors’ market share increased does not mean that the practice was without effect, given that, if the practice had not been implemented, the competitors’ share might have increased more significantly. (…)”
i. Feitelijke situatie
5.49.
De positie van MTB ten tijde van het vastgestelde misbruik was als volgt. MTB was een startende onderneming. Zij is kort voor het begin van de inbreukperiode, maar in hetzelfde jaar (1998) begonnen met de productie van bier. Zij was gevestigd in de ETM-regio in Noordoost-Griekland.
5.50.
MTB heeft in 2001 en 2002 distributiecentra opgericht in respectievelijk Thessaloniki en Athene, de twee grootste steden van Griekenland.
5.51.
MTB genoot als microbrouwerij fiscale voordelen in Griekenland, namelijk een korting op accijnsbelasting zolang zij onder een jaarverkoop van 200.000 hectoliter bleef. In 2003 werd de accijnskorting voor microbrouwerijen in Griekenland verhoogd van 25% naar 50%.
5.52.
Vanaf 2004 verkocht MTB het grootste deel van haar productie niet langer aan groothandelaren.
5.53.
In 2016 zijn de accijnzen voor bier in Griekenland verhoogd, en deze verhoging kwam neer op € 27 per hectoliter.
5.54.
MTB heeft sinds april 2024 een tweede brouwerij, waarmee haar capaciteit is uitgebreid tot 680.000 hectoliter bier per jaar.
i. Marktaandelen
5.55.
De belangrijkste brouwerijen in de Griekse biermarkt tijdens de hier relevante periode waren de volgende:
AB;
MTB;
Mythos;
Olympic Brewery;
Hellenic Breweries.
5.56.
Mythos is sinds 2008 een dochtervennootschap van het Carlsberg-concern. In 2015 zijn Mythos en Olympic Brewery gefuseerd.
5.57.
De marktaandelen van deze 5 grootste bierproducenten op de Griekse biermarkt hebben zich in de inbreukperiode als volgt ontwikkeld:
5.58.
Het marktaandeel van AB is tot in 2009 licht gedaald en vanaf 2009 enkele jaren sterker afgenomen, ten faveure van het marktaandeel van haar concurrenten, zoals ook zichtbaar is op de voorgaande afbeeldingen.
ii. Volume
5.59.
De ontwikkeling van het verkoopvolume van MTB in de inbreukperiode is als volgt geweest:
5.60.
De productiecapaciteit van MTB was bij aanvang, in 1998 60.000 hectoliter per jaar. Deze capaciteit is vanaf 2001 gestaag uitgebreid tot 200.000 hectoliter per jaar in 2011. Die capaciteit is gelijk aan het maximale verkoopvolume waaronder brouwerijen als microbrouwerij korting kunnen krijgen op accijnsbelasting.
5.61.
Zoals zichtbaar in deze afbeelding, is in de periode na de inbreukperiode het verkoopvolume van MTB gedurende meerdere jaren gedaald. Het verkoopvolume bleef telkens ruim onder het maximum van 200.000 hectoliter voor microbrouwerijen.
5.62.
De ontwikkeling van het verkoopvolume van MTB in de inbreukperiode in de regio EMT is als volgt geweest:
Verticaal is de schaalaanduiding weergegeven als
‘.000 HL’, zodat 80 op de y-as staat voor 80.000 HL.
5.63.
Een schematische weergave van de verkoop van MTB in 2012 in de Griekse regio’s is als volgt.
iii. prijs
5.64.
De ontwikkeling van de bruto en nettoprijs en totaal aangeboden kortingen voor Vergina in de inbreukperiode is als volgt:
5.65.
De ontwikkeling van gemiddelde prijzen van Vergina en andere mainstreammerken in Griekenland is als volgt geweest.
5.66.
Het aandeel van Vergina en het aandeel andere producten in het totaal van de verkopen van MTB heeft zich als volgt ontwikkeld.
j. Situatie zonder inbreuk (counterfactual)
5.67.
MTB gaat uit van een counterfactual waarin MTB meer bier zou hebben verkocht, tegen een hogere prijs, en tegen (naar rato) gelijke kosten, en waarin MTB daarmee een hogere totaalwinst zou hebben behaald. De rechtbank zal deze elementen hierna achtereenvolgens bespreken.
i. Volume
5.68.
MTB neemt tot uitgangspunt dat de feitelijke groeiontwikkeling die MTB heeft laten zien, 3 jaar eerder zou hebben plaatsgevonden. Dit illustreert zij aan de hand van de groeiontwikkeling in de regio EMT:
5.69.
MTB heeft haar counterfactual-volume als volgt toegelicht. Oxera is ervan uitgegaan dat MTB haar groeiprofiel per hoofd van de bevolking in EMT, de regio die als gezegd het dichtst bij haar brouwerij lag, eerder had kunnen bereiken dan feitelijk het geval was (namelijk 1998 ten opzichte van 2005). Het jaar 2005 was het jaar waarin MTB stelt dat zij, tot op zekere hoogte, in EMT het uitsluitingsgedrag van AB en Heineken heeft kunnen omzeilen en voorzichtig begon te groeien.
5.70.
Vervolgens gaat Oxera uit van soortgelijke groei in andere regio’s in Griekenland, maar op een gefaseerde manier waarbij de regio’s zijn onderverdeeld in ‘hoog’, ‘middelhoog’ en ‘laag’ op basis van de bevolkingsgrootte en het aantal toeristen in de betreffende regio. De fasering bevat twee elementen: (i) het moment van de groei en (ii) de omvang van de groei.
5.71.
Wat betreft de productiecapaciteit heeft Oxera verondersteld dat MTB op een grotere en eerdere vraag naar haar producten zou reageren door haar investeringen in capaciteit te vervroegen. Oxera onderscheidt hierbij twee scenario’s. In ‘scenario 1’ doet MTB dezelfde kapitaalinvesteringen als in de factual, maar dan 3 jaar eerder. Wat betreft ‘scenario 2’ doet MTB alle investeringen die zij feitelijk heeft gedaan tussen 2001 en 2016, maar dan vanaf het begin. Dit betekent dat MTB in dat scenario vanaf 1999 elk jaar in haar capaciteit investeert en dat de capaciteit dus sneller groeit dan in scenario 1, waardoor deze sneller ten volle is benut. Ook in deze benadering is Oxera ervan uit gegaan dat MTB maximaal 200.000 hectoliter per jaar zou kunnen produceren. Dit had kunnen geschieden door het uitbreiden van haar productie in haar eigen brouwerij of door het openen van een tweede brouwerij of door het uitbesteden aan een derde partij (
tolling, hetgeen een veelvoorkomend fenomeen in de bierbrouwerijwereld is en waar MTB ook eerdere ervaring mee had).
5.72.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het volume als volgt. De rechtbank acht de feitelijke groei van MTB enkel
in EMTgeen deugdelijk vertrekpunt voor het counterfactual-volume, maar de feitelijke groei van MTB
in heel Griekenlandwel. MTB heeft ondanks de inbreuk vanaf 2005 een stijgende lijn in haar verkoop bereikt, waarbij weliswaar een belangrijk deel van de omzet in de EMT-regio werd behaald, maar een toenemend aandeel van de omzet daarbuiten. Hieruit kan worden afgeleid dat zij ondanks de beperkingen in de toegang tot de markt haar omzet wist uit te breiden door ‘
competition on the merits’. Het uitgangspunt dat die groei van het totale verkoopvolume van MTB in de counterfactual drie jaar eerder zou hebben plaatsgevonden acht de rechtbank gezien de aard, omvang en duur van de inbreuk en de waarschijnlijke effecten daarvan, zoals vooropgesteld in rov 5.42 e.v., wel aannemelijk en geen ‘aggressieve’ aanname. Daarbij gaat de rechtbank uit van scenario 1, omdat dit voor een beginnende brouwerij zoals MTB het meest waarschijnlijke wordt geacht.
5.73.
Voor deze benadering is niet relevant waar in Griekenland MTB feitelijk haar groei heeft behaald en in het counterfactual-scenario snellere groei zou hebben behaald. Daarbij is van belang dat MTB heeft geïnvesteerd in twee distributiecentra, waaruit blijkt dat zij zich richtte op een groter afzetgebied dan de EMT-regio alleen. En tijdens de inbreuk
heeftMTB ook steeds meer in andere delen van Griekenland haar bier afgezet. Zij heeft haar productie echter feitelijk vanaf 2011 beperkt tot 200.000 hectoliter (en zou dat stadium in het counterfactual-scenario al drie jaar eerder hebben bereikt) en de vraag of zij in de andere regio’s van Griekenland dan het EMT-gebied nog had kunnen groeien en in welke mate is vanaf dat moment niet meer van belang. Dat dit volume in de inbreukperiode is behaald, brengt mee dat ook zonder tv-reclame dit volume haalbaar was. Dat had dus drie jaar eerder ook gekund. Het verweer van AB en Heineken dat een grotere groei van MTB in de overige delen van Griekenland (buiten EMT) niet waarschijnlijk was omdat MTB daarvoor te weinig investeerde in reclame, behoeft gelet hierop geen verdere bespreking. De berekeningen van Oxera strekken zich niet uit tot een groter volume dan die 200.000 hectoliter.
5.74.
AB en Heineken voeren verder het verweer dat een deel van de Griekse biermarkt niet werd getroffen door de uitsluitingspraktijken, dat dit deel van de Griekse biermarkt toereikend was voor MTB om haar verkoopvolume aan af te zetten, en dat MTB daardoor feitelijk niet werd gehinderd door het misbruik. AB en Heineken miskennen bij dit verweer dat het (verder) toetreden tot de markt door het misbruik werd bemoeilijkt en dat dit lagere opbrengsten en winsten met zich brengt (zie rov. 5.45) [37] .
5.75.
CRA heeft nog een alternatieve benadering toegepast, te weten een vergelijking van MTB als beginnende Griekse bierbrouwer met beginnende bierbrouwers op andere markten, waarop geen mededingingsbeperkingen aanwezig waren. CRA leidt uit die vergelijking af dat het marktaandeel van MTB tijdens de inbreukperiode harder groeide dan 90% van vergelijkbare nieuwkomers op Europese biermarkten. MTB was dus eigenlijk heel succesvol als nieuwkomer, dit wijst er volgens CRA op dat de inbreuk geen effect heeft gehad en MTB dus geen schade heeft geleden.
5.76.
De rechtbank acht de door CRA gemaakte vergelijking niet bruikbaar om te bepalen of MTB schade heeft geleden. Immers het machtsmisbruik van AB op de Griekse biermarkt staat vast en dat dit de concurrentie daadwerkelijk en aanzienlijk belemmerd heeft ook. Desondanks heeft MTB een snellere groei doorgemaakt dan vergelijkbare toetreders tot de biermarkt. Daaruit kan niet worden afgeleid dat zij niet gehinderd is door de inbreuk, immers is niet uit te sluiten en zelfs waarschijnlijk dat zij zonder inbreuk nog sneller of eerder zou zijn gegroeid. Zie voor de vergelijkbare redenering op basis van AB’s eigen marktaandeel rechtsoverweging 5.48 en het daar aangehaalde punt 241 van de HCC-beschikking.
ii. Prijs
5.77.
MTB stelt dat zij in de counterfactual-situatie waarin het misbruik is weggedacht een hogere prijs voor het door haar verkochte bier had kunnen krijgen. MTB wijst erop dat zij extreem hoge kortingen moest geven om de groothandelaren te compenseren voor de onrechtmatige kortingsregelingen en andere stimulansen van AB die een belangrijke rol hebben gespeeld bij het vestigen van AB’s machtspositie op de Griekse biermarkt. Ook moest ze haar productmix herzien, waarbij het accent minder kwam te liggen op haar premium bier Vergina. En zij moest zich om te overleven toeleggen op het verkopen van goedkoper white label-bier. De hoge kortingen en het herzien van de productmix is als zodanig door Heineken niet gemotiveerd betwist. De gewijzigde productmix is zichtbaar in de onder 5.66 opgenomen grafiek.
5.78.
AB en Heineken voeren aan dat volume en prijs niet tegelijk kunnen stijgen. Bij dat verweer miskennen zij het bestaan van de inbreuk en de aard daarvan. Die inbreuk zorgde er namelijk voor dat toetreding tot een groot deel van de markt(vraag) werd bemoeilijkt voor concurrenten, waaronder MTB, én dat MTB haar prijzen juist moest verlagen om desondanks tot die markt(vraag) enige toegang te krijgen. Prijs en volume werden tijdens het misbruik nu juist niet bepaald door de normale economische principes.
5.79.
Het is aannemelijk dat MTB in het counterfactual-scenario een hogere nettoprijs zou hebben gerekend en ook zou hebben kunnen rekenen voor haar producten, dat wil zeggen zowel over het volume dat zij feitelijk heeft verkocht als het volume dat zij extra in het counterfactual-scenario zou hebben verkocht. Wat betreft de counterfactual-prijs mag namelijk aangenomen worden dat zij in dat scenario zowel minder korting zou hoeven geven om zich toegang tot de markt te verschaffen, als dat zij in dat scenario een groter volume van haar duurdere producten (het premium biermerk Vergina) zou verkopen. MTB is na de inbreuk ook feitelijk weer meer Vergina en minder white label-bier gaan verkopen, zie de in rechtsoverweging 5.66 opgenomen grafiek. In zoverre volgt de rechtbank de redenering van MTB.
5.80.
MTB baseert de prijs die zou gelden in de counterfactual op het gemiddelde prijsniveau van haar producten in de periode 2016 tot en met 2019. AB en Heineken voeren aan dat deze prijs niet tot uitgangspunt kan worden genomen omdat de marktdynamiek in 2016-2019 fundamenteel anders was dan in de periode voor de financiële crisis. Dit verweer faalt. Het gaat bij prijzen om de nettoprijs, dus de prijzen rekening houdend met de verleende kortingen. Uit de onder 5.64 opgenomen grafiek blijkt dat na de inbreuk de door MTB verleende gemiddelde korting in een paar jaar is afgenomen van rond 55% naar rond 40% en dat de nettoprijs in 2016 fors en in 2017 licht is gestegen en dat deze daarna licht is gedaald.
De rechtbank is van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat dit een gevolg is van het einde van de inbreuk, waarbij MTB door toegenomen toegang tot de markt hetzelfde verkoopvolume kon realiseren tegen hogere prijzen en dus met minder korting.
AB en Heineken hebben niet toegelicht op welke wijze de marktdynamiek hiervoor een alternatieve verklaring zou kunnen zijn.
5.81.
MTB beroept zich op het Oxera-rapport, waarin wordt uitgegaan van een nawerking van de inbreuk gedurende de jaren 2016-2019. Zij wijst op voorraadvereisten, leningen, promotionele betalingen en kredietregelingen die langdurige gevolgen hebben.
AB en Heineken beroepen zich op het rapport van CRA, dat er van uitgaat dat het MTB niet meer dan een jaar kan hebben gekost om prijzen en kortingen jegens groothandelaren aan te passen wegens het seizoenskarakter van de biermarkt.
5.82.
Tegen de counterfactual-prijs van MTB voeren AB en Heineken verder het verweer dat een deel van die prijs geen gevolg is van de inbreuk, maar van de accijnsverhoging die in 2016 en 2017 is doorgevoerd. Volgens AB en Heineken heeft MTB deze accijnsverhoging doorberekend aan haar klanten en bovendien gebruik gemaakt van deze marktsituatie om haar winstgevendheid nog verder te verhogen. Dit verweer, dat in feite neerkomt op een variant van een
passing on-verweer, slaagt. AB en Heineken hebben namelijk gemotiveerd en met de prijsontwikkeling (5.65) onderbouwd toegelicht dat MTB daadwerkelijk deze accijnsverhoging heeft doorberekend aan haar klanten, zoals kennelijk ook gebruikelijk is in de biermarkt. Daarmee is ook de mogelijkheid van gedeeltelijke (beperkte) doorberekening, waar MTB nog (zonder nadere onderbouwing) op heeft gewezen, onaannemelijk. Voor zover de hogere prijs van bier van MTB verband houdt met de accijnsverhoging ontbreekt het causaal verband met de inbreuk. Dat betekent dat de counterfactual-prijs voor dat deel van de prijsverhoging niet tot uitgangspunt kan worden genomen bij de uiteindelijk te maken berekening van de misgelopen winst.
5.83.
CRA heeft alvast berekend welk verschil het voorgaande maakt voor de berekening van de misgelopen winst van MTB (hieronder weergegeven onder “before interest”) en de daarover gevorderde rente, en wel als volgt.
5.84.
MTB heeft zich over deze berekening nog niet expliciet uitgelaten.
5.85.
Partijen verschillen van mening over de mate waarin de inbreuk nawerking had. Het standpunt van AB en Heineken dat het effect niet langer kan duren dan een jaar wordt verworpen. Gezien de door de HCC vastgestelde langdurige en veelomvattende inbreuk is aannemelijk dat concurrenten ook na staking van de inbreuk te maken hebben met een markt die door die inbreuk in vergaande mate is bepaald. In de woorden van de HCC:
“1473 The aforementioned exclusionary practices implemented by the respondent have created a strong exclusionary effect, directly distorted and undermined the structure of the market in an anticompetitive manner (undermining the market’s competitive structure).”
Deze structuur van de markt zal niet in korte tijd veranderen. Aannemelijk is dat dit na een inbreuk van 16 jaar ook een proces van jaren is. Daarbij komt naar MTB terecht stelt dat AB zich heeft bediend van praktijken die een langdurig effect hebben. Dat geldt niet voor de door MTB genoemde voorraadvereisten, omdat kan worden aangenomen dat AB die na de inbreuk niet meer hanteert en dat die geen langdurig effect hebben, gezien het seizoenkarakter van de biermarkt. De door MTB genoemde leningen, promotionele betalingen en kredietregelingen kunnen echter wel een langduriger effect hebben.
Het feit dat MTB haar gemiddelde korting op Vergina-bier in de jaren na het einde van de inbreuk in een periode van vier jaar stapsgewijs heeft kunnen verlagen (zie de onder 5.64 weergegeven grafiek) ondersteunt de gestelde nawerking. Al met al acht de rechtbank het door Oxera aangenomen nawerkingseffect aannemelijk.
iii. Kosten
5.86.
Gelet op de aard van de inbreuk is het aannemelijk dat de kosten van MTB in het counterfactual-scenario lager zouden zijn geweest. MTB heeft namelijk gemotiveerd toegelicht dat zij in dat scenario geen tegenmaatregelen zou hebben hoeven nemen, en dat deze tegenmaatregelen feitelijk hebben geleid tot hogere transport- en beheerkosten.
5.87.
MTB gaat in haar berekening niet uit van lagere kosten maar van (naar rato) gelijke kosten. Dat is een conservatieve aanname, die dus bruikbaar is voor de berekening. Tegen dit element van de berekening hebben AB en Heineken ook geen specifiek verweer meer gevoerd.
k. Waar leidt de vergelijking toe
5.88.
Kortom, de waardes die MTB voorstelt voor de verschillende elementen van winst in het scenario waarin het misbruik wordt weggedacht, kunnen worden gehanteerd bij de berekening van schade, met uitzondering van de voorgestelde counterfactual-prijs. Daarvan is het deel dat verband houdt met de doorberekende accijnsverhoging niet bruikbaar. CRA heeft al berekend welke gevolgen dat volgens haar heeft voor de gevorderde hoofdsom. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen is alleen haar berekening van “Before interest, excl. Excise taxes, Scenario 1” (43.34, zie de onder 5.83 weergegeven tabel) van belang.
Omdat MTB zich hierover nog niet specifiek heeft kunnen laten, zal zij daartoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld, waarbij zij daartoe alleen in staat is als AB en Heineken (CRA) hun berekening eerst inzichtelijk maken. De rechtbank zal AB en Heineken daarom eerst bevelen op grond van artikel 22 Rv Pro de hiervoor bedoelde berekening nader toe te lichten op een wijze die het voor MTB (c.q. Oxera) mogelijk maakt de berekening te controleren. Vervolgens zal MTB de gelegenheid krijgen om daar bij akte op te reageren. Partijen dienen zich in hun akte tot dit punt te beperken en mogen bij hun akte geen andere producties voegen dan een rapport van hun deskundige. De maximale omvang van de akten inclusief productie is 10 pagina’s.
IV. Rente en kosten Oxera
Rente
5.89.
De gevorderde rente over de hoofdsom van MTB valt in twee delen uiteen, namelijk de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade tot aan de dagvaarding en daarnaast de litigation interest vanaf de dagvaarding.
5.90.
De laatstgenoemde
litigation interestis, ook volgens partijen, naar Grieks recht toewijsbaar. Litigation interest bestaat uit wettelijke rente (
default interest) en een verhoging van 2 procentpunt. Voor litigation interest stelt artikel 346 Grieks Pro BW de voorwaarde dat de dagvaarding is uitgebracht. Daar is in dit geval aan voldaan. Met het uitbrengen van de dagvaarding wordt meteen ook voldaan aan de voorwaarde die artikel 345 Grieks Pro BW stelt voor default interest, namelijk dat deze is
aangezegd.
5.91.
De door MTB gevorderde wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade tot aan de dagvaarding, is niet toewijsbaar. Het Grieks recht voorziet weliswaar in verschillende mogelijkheden om wettelijke rente te vorderen, maar stelt aan gebruikmaking van die mogelijkheden wel bepaalde voorwaarden, en daaraan heeft MTB niet voldaan.
Voor de hiervoor al besproken mogelijkheid van default interest stelt artikel 345 Grieks Pro BW de voorwaarde dat deze is
aangezegd. Daaraan heeft MTB in de periode tot aan de dagvaarding niet voldaan. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om voor de periode tot aan de dagvaarding rentederving te vorderen ter vergoeding van investeringsverlies (vergelijkbaar met de voorheen ook in het Nederlands recht bekende rechtsfiguur van compensatoire interessen). Voor die mogelijkheid geldt dan wel de voorwaarde dat die schade wordt gesteld en zo nodig bewezen, maar daar heeft MTB niet aan voldaan.
5.92.
Anders dan MTB heeft bepleit, is deze laatste rentevordering ook niet toewijsbaar op grond van artikel 3 lid 3 van Pro de Griekse ADA (Antitrust Damages Act) als uitvloeisel van rechtstreekse werking van het unierecht en het
Traficos Manuel Ferrer-arrest van het HvJEU [38] . Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende. Zoals al eerder in dit vonnis aan de orde is gekomen, is de kartelschaderichtlijn [39] in Griekenland geïmplementeerd met de ADA. Zoals volgt uit de preambule van de kartelschaderichtlijn, beoogt de richtlijn een effectieve uitoefening van het schadevergoedingsrecht te garanderen. In de preambule (onder 11) staat:
“Alle nationale regels betreffende de uitoefening van het recht op schadevergoeding voortvloeiend uit een inbreuk op artikel 101 of Pro artikel 102 VWEU Pro, daaronder begrepen regels betreffende aspecten die niet in deze richtlijn worden behandeld, zoals het bestaan van een causaal verband tussen de inbreuk en de schade, moeten voldoen aan de beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid. Dit betekent dat zij niet mogen worden geformuleerd of toegepast op een wijze die het buitensporig moeilijk of praktisch onmogelijk maakt om het door het VWEU gegarandeerde recht op schadevergoeding uit te oefenen, noch op een wijze die minder gunstig is dan de regels die voor vergelijkbare nationale schadevergoedingen gelden”.
5.93.
Uit artikel 22 van Pro de kartelschaderichtlijn volgt evident dat aan nationale rechtsregels die worden vastgesteld ter naleving van materiële bepalingen van de richtlijn (zoals het ingevoerde artikel 3 lid 3 ADA Pro), geen terugwerkende kracht toekomt. Deze gelden dan ook pas vanaf 27 december 2016. Zoals uit de voorgaande overwegingen (5.91) blijkt, voorzag het Griekse recht vóór de invoering van de ADA al wel in mogelijkheden om wettelijke rente te vorderen, maar stelde het aan gebruikmaking van die mogelijkheid wel bepaalde voorwaarden. Die rechtsregels (en daarin opgenomen voorwaarden) moeten voldoen aan de beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid, en in dit geval voldoen zij daar ook aan. In het bijzonder kan over de doeltreffendheid worden vastgesteld dat de geldende voorwaarden het niet buitensporig moeilijk of praktisch onmogelijk maken om het door het VWEU gegarandeerde recht op schadevergoeding (waaronder rente) uit te oefenen. Een aansprakelijkheidstelling met sommatie was voldoende geweest voor een eerdere ingangsdatum van de wettelijke rente. Daarnaast had MTB de mogelijkheid om vergoeding te vorderen van investeringsverlies (compensatoire interessen). Een dergelijke vordering heeft MTB niet ingesteld. Het genoemde arrest van het HvJEU brengt, anders dan MTB betoogt, dan ook niet mee dat het standpunt van MTB over de wettelijke rente slaagt.
Conclusie
5.94.
Op grond van het voorgaande wijst de rechtbank de gevorderde wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade tot aan de dagvaarding af, en de gevorderde litigation interest vanaf de dagvaarding toe.
Kosten Oxera
5.95.
De vordering van MTB die ziet op vergoeding van de gewijzigde kosten van Oxera wordt beoordeeld naar Grieks recht, artikel 189 Grieks Pro Rv. Dit artikel luidt als volgt:
1. Only court and extrajudicial costs that were necessary for the conduct and defense of the case shall be reimbursed, in particular
(a) stamp duties for the drafting of judgments, pleadings, court reports, and other documents of the proceedings and for the performance of procedural acts;
(b) court fees;
(c) the fees of lawyers or other legal representatives and court officials, in accordance with the applicable rates,
(d) the amounts paid to witnesses for expenses and compensation, as well as to experts for expenses and fees, in accordance with the applicable rates,
(e) the amounts paid for the production of other evidence, as well as the travel and correspondence expenses incurred by the litigant in order to appear at the trial.
2. Expenses incurred shall not be reimbursed
(a) due to disobedience, negligence, or error on the part of the litigant
himself,
(b) due to his excessive prudence.
5.96.
AB en Heineken voeren aan dat in plaats hiervan artikel 391 Grieks Pro Rv van toepassing is. Dat artikel maakt deel uit van de titel in Grieks Rv over de gerechtelijk deskundige, en luidt als volgt:
Artikel 391 Grieks Pro Rv
1. If the court appoints experts, each party may appoint a technical advisor who is qualified to be appointed as an expert.
2. The technical advisor appointed by the parties is not obliged to accept the appointment and his fee is paid by the party who appointed him.
5.97.
Zoals MTB terecht aanvoert, ziet dit artikel alleen op de situatie dat het gerecht zelf een gerechtelijk deskundige benoemt. Dat heeft de rechtbank weliswaar in deze procedure gedaan, met de benoeming van het IJI, maar dat zag op een geheel andere kwestie. Oxera is dus niet door MTB ingeschakeld in het kader van de benoeming van een gerechtelijk deskundige door de rechtbank. Daarmee is artikel 391 Grieks Pro Rv hier niet van toepassing, en artikel 189 Grieks Pro Rv wel. Op grond van dat artikel kunnen de gevorderde kosten van Oxera in beginsel worden toegewezen voor zover deze als ‘
necessary for the conduct and defense of the case’ zijn aan te merken.
5.98.
Bij akte heeft MTB gesteld dat de totale kosten van Oxera € 1.163.390,44 bedragen. Dit heeft zij onderbouwd met facturen. Deze facturen (productie 61 MTB) zien volgens MTB op:
  • Oxera Rapport d.d. 20 juli 2021
  • tweede Oxera Rapport d.d. 19 maart 2025;
  • rapport met de
  • memorandum Oxera response toCRA d.d. 14 oktober 2025;
  • voorbereiding van de mondelinge behandeling d.d. 11 november 2025;
  • mondelinge behandeling zelf.
Eerder in de procedure heeft MTB al facturen (producties 40 en 57) in het geding gebracht die volgens MTB betrekking hebben op de werkzaamheden van Oxera ter voorbereiding van het Oxera Rapport d.d. 20 juli 2021, respectievelijk ondersteunende werkzaamheden waaronder het leveren van input bij het opstellen van aktes.
De facturen zijn deels betaald en moeten deels nog voldaan worden. MTB heeft betaalbewijzen (producties 62 en 63) in het geding gebracht voor de al betaalde facturen.
5.99.
AB en Heineken betwisten dat de door MTB opgevoerde deskundigenkosten noodzakelijk waren voor de behandeling en verdediging van het geding zoals bedoeld in artikel 189 Grieks Pro Rv vereist, en dat de kosten redelijk zijn. AB en Heineken wijzen er op dat de door MTB overgelegde facturen de werkzaamheden van Oxera in buitengewoon korte, algemeen geformuleerde bewoordingen beschrijven. Zo staat op het overgrote deel van de facturen slechts dat zij “
Consultancy services” of “
Consultancy fees” betreffen. Aan de hand van dergelijke algemene beschrijvingen kan niet worden beoordeeld welke concrete werkzaamheden Oxera heeft uitgevoerd. Onduidelijk is zelfs in hoeverre dergelijke werkzaamheden überhaupt betrekking hebben gehad op de onderhavige procedure.
Op één van de facturen staat als beschrijving: “
Carlsberg work”. Onduidelijk is wat daar precies mee wordt bedoeld, waarbij gelet op deze omschrijving bepaald niet kan worden uitgesloten dat Oxera werkzaamheden heeft verricht in verband met een andere procedure bij de rechtbank Amsterdam, van Carlsbergs dochter Olympic Brewery tegen AB en Heineken.
Op een klein deel van de facturen staat een (iets) meer gespecificeerde beschrijving van Oxera’s werkzaamheden, zoals “
Review of legal submission”, “
Review of CRA reports”, “
Oxera ‘s work on second expert report”, “
Skeleton and initial damages assessment” of “
Review BarentsKrans’ pleading notes.” Op het eerste gezicht lijkt aannemelijk dat deze werkzaamheden zien op de onderhavige procedures, maar ook deze beschrijvingen zijn onvoldoende specifiek om inzicht te geven in de concrete aard en omvang van de betreffende werkzaamheden.
Daarbij komt dat de facturen van Oxera geen urenspecificatie bevatten. Ook om die reden kan niet worden beoordeeld in hoeverre de kosten noodzakelijk en redelijk zijn.
Tot slot voert MTB aan dat uit de betalingsbewijzen weliswaar kan worden afgeleid dát de facturen zijn betaald, maar niet door wie dat is gebeurd. Op de bankafschriften is de
identiteit van de rekeninghouder niet leesbaar, aldus steeds MTB.
5.100. De rechtbank stelt voorop dat op zichzelf niet betwist is dat Oxera MTB als economisch specialist heeft bijgestaan tijdens deze procedure, die langdurig is en complexe materie betreft. Gelet daarop is het aannemelijk dat Oxera substantiële werkzaamheden voor MTB heeft verricht waar navenante kosten aan zijn verbonden. Dit heeft de rapporten opgeleverd die in dit geding zijn gebracht. Dat algemene gegeven alleen is echter niet voldoende om als onderbouwing te kunnen dienen van het zeer hoge totaalbedrag aan kosten van Oxera van € 1.163.390,44. Het is MTB die deze kosten wil laten dragen door de wederpartij. Het enkel inbrengen van facturen, die een aantal keer zien op één bedrag van bijna € 80.000 met de omschrijving ‘Consultancy Services’, zonder enige uitwerking van de werkzaamheden waar dit bedrag op ziet en zonder enige urenspecificatie is onprofessioneel en volstrekt ontoereikend. Daarbij roept het feit dat ‘Carlsberg work’ in een van de facturen is vermeld vragen op aangezien dochter van Carlsberg, Olympic Brewery, eveneens een procedure tegen AB en Heineken over dezelfde inbreuk voert.
5.101. Nu duidelijk is dat kosten zijn gemaakt zal de rechtbank MTB (Oxera) in de gelegenheid stellen om bij akte de gevorderde kosten van een nadere toelichting te voorzien om te kunnen verifiëren of de door Oxera gefactureerde werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht in het kader van deze procedure en of is voldaan aan het naar Grieks recht toepasselijke noodzakelijkheidsvereiste. Daarbij dient MTB (Oxera) toe te lichten in hoeverre zij als economisch deskundige betrokken is bij de procedure van Olympic Brewery tegen AB en Heineken of nog een andere procedure over deze inbreuk van AB en Heineken op de Griekse biermarkt, en of haar werkzaamheden mede betrekking hebben op die procedure(s).
Na de te nemen akte van MTB mogen AB en Heineken daar bij antwoordakte op reageren.
5.102. Heineken heeft opgemerkt dat niet duidelijk is of de facturen wel door Oxera zijn betaald. Dit acht de rechtbank niet van belang. Ook als de aan MTB gerichte facturen door een ander dan MTB (bijvoorbeeld een procesfinancier) zouden zijn betaald, doet dat er niet aan af dat de betalingsverplichting op MTB heeft gerust. Als MTB met een derde is overeengekomen dat deze voor haar betaalt, moet worden aangenomen dat daar een (al den niet toekomstige) tegenprestatie van haar kant tegenover zal staan, zodat de betaling wel ten laste van haar vermogen gaat of zal gaan.
5.103. Na de aktewisseling zal de rechtbank over de gevorderde kosten van Oxera een beslissing nemen.
V. Verder procesverloop: aktewisseling
5.104. De volgende stap in deze procedure is de aktewisseling over de onderwerpen bedoeld in rov. 5.88 en 5.101, gevolgd door een aktewisseling over het nog te wijzen en over te leggen arrest van de Hoge Raad over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van de vorderingen tegen AB, waarvoor in het dictum instructies worden gegeven. Daarna zal de rechtbank vonnis wijzen.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
verwijst de zaak naar de rol van 18 maart 2026 voor akte uitlating:
  • aan de zijde van AB en Heineken over hetgeen is overwogen in rov. 5.88,
  • aan de zijde van MTB over hetgeen is overwogen in rov. 5.101,
waarna partijen op een termijn van 4 weken bij antwoordakte op elkaars akte mogen reageren,
6.2.
bepaalt dat elk van partijen na het wijzen door de Hoge Raad van arrest in deze zaak dit arrest in het geding brengt, desgewenst met een gelijktijdige korte akte (maximaal 10 pagina’s) over de betekenis daarvan voor deze zaak, uiterlijk op een roldatum vier weken na het wijzen van het arrest; bij deze akte mogen geen andere producties worden gevoegd dan het arrest en partijen wordt verzocht een concept-akte drie weken na het arrest met elkaar te delen, zodat zij de gelegenheid hebben in de ingediende akte op elkaar te reageren, waarna de zaak - in beginsel - op een termijn van 6 weken naar de rol zal worden verwezen voor vonnis,
6.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzitter, en mr. C.M.E. de Koning en mr. R.C.J. Hamming, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Voetnoten

4.ECLI:EU:C:2025:85, zaak C-393/23
11.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, 25 maart 1957 Rome, Trb. 1957, 91.
12.HCC, voetnoot 123
13.HCC 209
14.HCC 120
15.HCC 219
16.HCC 188
17.HCC 151
18.HCC 1513
19.Zie het tussenvonnis van 25 mei 2022, rov. 4.6.
20.Stellantis SAS & Others v Auroliv AB & Others [2025] CAT, rov. 234.
21.HvJEU 20 september 2001, C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465 (
22.Praktische Gids, 11 e.v.
23.Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, Pb L 349 van 5 december 2014, p. 1-19.
24.Praktische Gids betreffende de begroting van schade bij schadeacties wegens inbreuken op artikel 101 of Pro 102 VWEU, 12 e.v.
25.Mededeling betreffende de begroting van schade bij schadeacties wegens inbreuken op artikel 101 of Pro 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie’, PbEU C 167/19
26.Praktische Gids, 7.
28.Praktische Gids voetnoot 11
29.Praktische Gids 6.
30.Praktische Gids, 189.
31.Praktische Gids, 35, 54 en 194.
32.Gerecht 20 november 2002, ECLI:EU:T:2002:278, T-251/00 (
33.Vgl. ECLI:NL:PHR:2025:655, nr. 3.12.
34.HvJEU 12 mei 2022, C377/20, EU:C:2022:379, (
35.Praktische Gids betreffende de begroting van schade bij schadeacties wegens inbreuken op artikel 101 of Pro 102 VWEU, 185 e.v.
36.Mededeling, 15.
37.Praktische Gids betreffende begroting van schade bij schadeacties wegens inbreuken op artikel 101 of Pro 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
38.HvJEU l6 februari 2023, C-312/21, ECLI:EU:C:2023:99.
39.Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, Pb L 349 van 5 december 2014, p. 1-19.