Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3. Waarschuwing
13.Erfdienstbaarheden en andere zakelijke rechten
3.Inleidende beschouwingen
geenrechtsmiddel open, afgezien van cassatie in het belang der wet (art. 186 Liw Pro).
geenrechtsmiddel openstond (art. 202 onder Pro f jo. 186 Liw).
nietmogelijk is, dat de gerechtelijke procedure volgens de Landinrichtingswet waarin over de ruilverkaveling werd beslist als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang moet worden beschouwd.
4.Bespreking van het principaal cassatieberoep
eerste onderdeel(punt 2.1 van de procesinleiding in cassatie) richt zich tegen rechtsoverwegingen 6.11-6.16 van het arrest van het hof en de daarop voortbouwende rechtsoverwegingen 6.17-6.18. Ik citeer die overwegingen:
tweede onderdeelbetreft het leerstuk van verschoonbare termijnoverschrijding. Het hof zou hebben miskend dat van [de eigenaar] kon worden verlangd dat zij zo spoedig als dit redelijkerwijs kon, nadat zij op de hoogte was gekomen van de voor haar nadelige inhoud van het plan en de akte van toedeling in 2017, alsnog rechtsmiddelen zou aanwenden. Volgens het onderdeel staat het plan van toedeling weliswaar vast, maar geldt dat niet voor de lijst der geldelijke regeling.
derde onderdeelklaagt dat de beslissing van het hof in rechtsoverweging 6.16 onjuist, althans onbegrijpelijk is. Geen uitgangspunt kan zijn dat indien [de eigenaar] tijdig bezwaar zou hebben gemaakt, aannemelijk is dat de wijziging van de onderhoudsverplichting uiteindelijk niet door de rechter zou zijn aanvaard, aldus het onderdeel.
uit het oogpunt van de ruilverkavelinghet belang lag van het vervallen van de oude onderhoudsverplichting (en deze te vervangen door de nieuwe) heeft de Staat volgens het hof ter zitting ook niet kunnen uitleggen.
uit het oogpunt van de ruilverkavelingeen belang was om de onderhoudsverplichting te wijzigen. Het is het laatste waarop het hof het oog heeft. Het oordeel van het hof is, ook in het licht van de aangevoerde stellingen, niet onbegrijpelijk.
vierde onderdeelbehoeven geen bespreking reeds omdat zij in het lot van de voorgaande onderdelen delen.
5.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
kande rechter, op vordering van de benadeelde, de schadevergoeding ook in andere vorm dan betaling van een geldsom toekennen. Het is de vraag hoe ver die discretionaire bevoegdheid strekt. Aangenomen wordt wel dat, indien schadevergoeding in natura wordt gevorderd en in de omstandigheden van het geval mogelijk is én een passend middel is om de door de schuldeiser geleden schade weg te nemen, de rechter een veroordeling daartoe moet uitspreken, en dat uit de ‘kan-bepaling’ slechts voortvloeit dat de rechter geen zware motiveringsplicht ter zake van zijn beslissing heeft. [42] De discretionaire bevoegdheid wordt begrensd door de redelijkheid en billijkheid, hetgeen kan meebrengen dat de rechter een goede reden moet hebben om een vordering van een benadeelde tot schadevergoeding in natura af te wijzen. [43]