ECLI:NL:PHR:2026:655

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
25/02835
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:98 BWArt. 6:119 BWArt. 150 RvArt. 22 RvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding huurder café wegens tekortschieten verhuurder en causaal verband

Deze zaak betreft een langdurig geschil tussen een voormalig verhuurder en huurder van een bedrijfspand waarin een café werd geëxploiteerd. De verhuurder had boven het café een appartement gerealiseerd en de milieudienst ingeschakeld wegens geluidsoverlast, wat leidde tot sluiting van het café in 2006 en faillissement van de exploitatiemaatschappij in 2007.

De huurder vorderde schadevergoeding wegens toerekenbaar tekortschieten van de verhuurder in de huurovereenkomst. Na diverse procedures en cassaties oordeelde het hof Amsterdam dat er causaal verband bestaat tussen het tekortschieten van de verhuurder en de schade van de huurder, waaronder misgelopen salaris en gederfde goodwill. De schade werd begroot en toegewezen, met verrekening van huurachterstand.

In het onderhavige cassatieberoep betoogt de verhuurder onder meer dat het causaal verband ontbreekt, dat de schade niet juist is vastgesteld en dat het hof onjuist heeft geoordeeld over alternatieve oorzaken. De Hoge Raad concludeert dat het hof Amsterdam zijn oordelen voldoende heeft gemotiveerd en dat het cassatieberoep moet worden verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verhuurder wordt verworpen; het hof Amsterdam heeft terecht de verhuurder veroordeeld tot schadevergoeding aan de huurder wegens toerekenbaar tekortschieten.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02835
Zitting3 juli 2026
CONCLUSIE
T. Hartlief
In de zaak
[eiser](hierna: ‘ [eiser] ’)
tegen
[verweerder](hierna: ‘ [verweerder] ’)
Dit tweede cassatieberoep in een schadestaatprocedure betreft een al bijna twintig jaar durend geschil tussen een voormalig verhuurder, [eiser] , en huurder, [verweerder] , van een bedrijfspand waarin [verweerder] vanaf 1994 een café exploiteerde. Op een zeker moment heeft [eiser] in de ruimte boven het café een appartement gerealiseerd, waarna [eiser] in 2002 de milieudienst heeft ingeschakeld in verband met geluidsoverlast als gevolg van de exploitatie van het café. Dit heeft uiteindelijk geleid tot sluiting van het café in mei 2006 en het faillissement van de vennootschap waarin het café werd geëxploiteerd in januari 2007.
In de procedure die [verweerder] vervolgens aanhangig heeft gemaakt, is [eiser] veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [verweerder] , nader op te maken bij staat, vanwege het moeten sluiten van het café door het toerekenbaar tekortschieten van [eiser] in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. In de daaropvolgende schadestaatprocedure heeft de kantonrechter van de rechtbank De Haag de vorderingen van [verweerder] afgewezen, kort gezegd omdat [verweerder] de door hem gestelde schade niet had aangetoond. Het hof Den Haag heeft deze uitspraak vervolgens bekrachtigd. Nadat [verweerder] daartegen met succes was opgekomen in cassatie, [1] heeft het hof Amsterdam na verwijzing, kort gezegd, geoordeeld dat sprake is van causaal verband tussen de schade van [verweerder] en de tekortkoming van [eiser] , de schade van [verweerder] (onder meer bestaande in misgelopen salaris en gederfde
goodwill) vastgesteld en [eiser] veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
In dit tweede tegen verschillende arresten van het hof Amsterdam gerichte cassatieberoep betoogt [eiser] in essentie dat de schade van [verweerder] is veroorzaakt door andere omstandigheden dan de tekortkoming van [eiser] , dat het hof Amsterdam de omvang van de schade van [verweerder] niet mocht en niet kon vaststellen aan de hand van de door [verweerder] overgelegde deskundigenrapporten en dat het hof Amsterdam een betwisting van het causaal verband door [eiser] ten onrechte heeft uitgelegd als een beroep op ‘alternatieve causaliteit’.

1.Feiten

1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. [2]
1.2
[eiser] was eigenaar van een pand te [plaats] . [verweerder] huurde sinds 1994 de begane grond en kelder van het pand. Hij exploiteerde daarin een horecagelegenheid, genaamd [het café] (hierna: het ‘café’). Hij deed dit aanvankelijk in de vorm van een eenmanszaak. Nadien heeft [verweerder] zijn eenmanszaak ingebracht in een [de B.V.] B.V. (hierna: de ‘B.V.’), waarvan hij (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder was.
1.3
[eiser] heeft op de eerste verdieping van het pand een appartement gerealiseerd. In 2002 heeft hij de Milieudienst West-Holland (hierna: de ‘milieudienst’) ingeschakeld in verband met geluidsoverlast in het appartement als gevolg van de exploitatie van het café. De milieudienst heeft vervolgens een last onder dwangsom opgelegd aan het café. Dit heeft geleid tot het verbeuren van dwangsommen. Nadat de milieudienst tevergeefs een termijn had gegeven om maatregelen te treffen ter voorkoming van geluidsoverlast, is het café op 17 mei 2006 gesloten. Op 24 januari 2007 is de B.V. failliet gegaan.
1.4
In de aan deze schadestaatprocedure voorafgegane hoofdzaak heeft de kantonrechter van de rechtbank Den Haag (i) [eiser] veroordeeld tot vergoeding van de door [verweerder] geleden schade als gevolg van het moeten sluiten van het café door het toerekenbaar tekortschieten van [eiser] in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, nader op te maken bij staat, en (ii) [verweerder] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 107.029,05 wegens huurachterstand, vermeerderd met de contractuele rente. [3]
1.5
Bij arrest van 6 juli 2010 heeft het hof ’s-Gravenhage het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag bekrachtigd voor wat betreft de veroordeling van [eiser] . [4] Dit arrest heeft kracht van gewijsde.

2.Procesverloop

Eerste aanleg

2.1
Bij exploot van 30 maart 2012 heeft [verweerder] de schadestaatprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Den Haag. [verweerder] heeft gevorderd dat de door hem geleden schade wordt vastgesteld op € 563.756,83, bestaande uit:
(i) € 539.982,00 aan schade ten gevolge van het faillissement van de B.V.;
(ii) € 20.774,83 aan rechtsbijstandskosten in het executiegeschil; en
(iii) € 3.000 aan kosten voor het opstellen van het rapport van [A] . [5]
2.2
Bij tussenvonnis van 17 juli 2013 heeft de kantonrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de ‘kantonrechter’) geoordeeld dat [verweerder] de schade, die hij als huurder heeft geleden (en die hij onder meer met een schaderapport van [A] had onderbouwd), vooralsnog niet heeft aangetoond. [6]
2.3
Bij vonnis van 9 oktober 2013 heeft de kantonrechter tussentijds hoger beroep opengesteld tegen het vonnis van 17 juli 2023. [7] Het tussentijds hoger beroep heeft geresulteerd in het arrest van het hof Den Haag van 17 maart 2015. [8]
2.4
De kantonrechter heeft in het eindvonnis van 25 oktober 2017 [9] (hierna: het ‘eindvonnis’), onder verwijzing naar het in het vorige randnummer genoemde arrest van het hof Den Haag van 17 maart 2015, overwogen dat [verweerder] in de vermogenspositie dient te worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd in het geval dat hij de exploitatie van het café na de sluiting op 17 mei 2006 ongehinderd had kunnen voortzetten. [10] Nu [verweerder] het café ten tijde van de sluiting van het café niet als eenmanszaak exploiteerde, maar in de vorm van een besloten vennootschap waarvan [verweerder] middellijk de aandelen hield, moet zijn schade volgens de kantonrechter in beginsel worden berekend op de schade die hij heeft geleden in zijn vermogen doordat die besloten vennootschap minder waard is geworden. [11] Ook heeft de kantonrechter aangehaald dat het hof Den Haag in het tussentijds hoger beroep heeft overwogen dat, gelet op dit uitgangspunt, de mogelijkheid van exploitatie van het café in het gehuurde op geld moet worden gewaardeerd. [12] Derhalve is volgens de kantonrechter onder meer bepalend het aantal jaren dat de exploitatie na de sluiting in mei 2006 zou hebben voortgeduurd alsmede het inkomen dat [verweerder] per jaar uit de exploitatie van het café zou hebben gegenereerd. [13]
2.5
De kantonrechter heeft overwogen dat [verweerder] het verlangde bewijs van zijn schade door middel van een deskundigenbericht wil leveren [14] en dat [verweerder] hiertoe een voorschot van € 20.000 moet voldoen. [15] [verweerder] heeft daarop laten weten dat hij niet in staat is om het voorschot te voldoen. [16] De kantonrechter heeft echter geoordeeld dat [verweerder] dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. [17]
2.6
De kantonrechter is in het eindvonnis tot de slotsom gekomen dat [verweerder] de door hem gestelde schade van € 539.982 niet heeft aangetoond. [18] Die vordering heeft de kantonrechter daarom alsnog afgewezen. Ook de vordering van € 20.884,83 aan rechtsbijstandskosten in het executiegeschil en van € 3.000 aan kosten voor het opstellen van het rapport van [A] heeft de kantonrechter afgewezen. [19]
Hoger beroep vóór verwijzing
2.7
[verweerder] is bij het hof Den Haag in hoger beroep gekomen van het eindvonnis van de kantonrechter. [verweerder] heeft zijn eis gewijzigd en gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van:
- primair € 832.974,83, [20] bestaande uit:
(i) € 239.000 aan schade ten gevolge van de verloren
goodwill;
(ii) € 558.200 aan misgelopen salaris;
(iii) € 20.774,83 aan rechtsbijstandskosten in het executiegeschil; en
(iv) € 15.000 aan kosten voor het opstellen van de [A] -rapporten;
- subsidiair € 575.756,83, bestaande uit:
(i) € 539.982 aan schade ten gevolge van het faillissement van de B.V.;
(ii) € 20.774,83 aan rechtsbijstandskosten in het executiegeschil; en
(iii) € 15.000 aan kosten voor het opstellen van de [A] -rapporten.
2.8
Na het wijzen van een tussenarrest op 11 februari 2020, [21] heeft het hof Den Haag bij eindarrest van 6 oktober 2020, [22] dat is aangevuld bij herstelarrest van 1 december 2020, [23] het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
Eerste cassatieberoep
2.9
Bij procesinleiding van 5 januari 2021 heeft [verweerder] tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de in het vorige randnummer genoemde arresten van het hof Den Haag.
2.1
Bij arrest van 10 juni 2022 [24] heeft Uw Raad [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep voor zover dit zich richtte tegen de weigering van het hof Den Haag om het arrest van 6 oktober 2020 aan te vullen, het eindarrest van 6 oktober 2020 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het hof Amsterdam (hierna: het ‘verwijzingshof’).
2.11
Uw Raad heeft zich eerst gebogen over de onderdelen 4 tot en met 7, die er, in mijn woorden, op neerkomen dat het hof Den Haag een onjuiste dan wel onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de uitspraken van de kantonrechter en het hof in de hoofdzaak:
“4.1.1 De onderdelen 4 tot en met 7 van het middel richten zich tegen de door het hof gegeven uitleg van de dicta van de hiervoor in 2.1 onder (iii) genoemde uitspraken in de hoofdzaak, welke uitleg – kort gezegd – inhoudt dat alleen naar de schadestaatprocedure is verwezen ter vaststelling van de door de huurder sinds mei 2006 geleden schade als gevolg van de sluiting van het café. De onderdelen betogen onder meer dat de overwegingen van de kantonrechter en het gerechtshof in de hoofdzaak geen aanknopingspunten bevatten voor een uitleg die erop neerkomt dat, hoewel vaststaat dat de verhuurder sinds 2002 toerekenbaar is tekortgeschoten, hij toch niet aansprakelijk zou zijn voor de volledige daardoor veroorzaakte schade. Ook de gedingstukken in de hoofdzaak bieden die aanknopingspunten niet. Uit die gedingstukken blijkt juist dat de huurder ook vergoeding heeft gevorderd van de schade die hij tussen 2002 en 2006 als gevolg van de tekortkoming van de verhuurder heeft geleden. Het is volgens de onderdelen ook niet goed voorstelbaar dat de huurder opzettelijk een deel van de schade buiten de procedure zou hebben gelaten. De door het hof gegeven uitleg aan de uitspraken van de kantonrechter en het gerechtshof in de hoofdzaak is daarom onjuist dan wel onbegrijpelijk, aldus de onderdelen.”
2.12
Nadat Uw Raad het relevante juridisch kader heeft gegeven, heeft Uw Raad opgesomd wat uit de gedingstukken van de hoofdzaak blijkt (voetnoten weggelaten):
“4.1.2 Uitgangspunt is dat de rechter in de hoofdprocedure de grondslag voor aansprakelijkheid vaststelt en dat de rechter in de schadestaatprocedure gebonden is aan dat oordeel. Daartoe dient de rechter in de schadestaatprocedure de uitspraak in de hoofdzaak uit te leggen.
Het dictum van een uitspraak moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid. In cassatie is – terecht – niet bestreden het oordeel van het hof (in rov. 2.26 van het tussenarrest) dat voor de uitleg van de dicta van de uitspraken in de hoofdzaak het daaraan ten grondslag liggende partijdebat mede van belang kan zijn.
4.1.3
Uit de gedingstukken van de hoofdzaak blijkt het volgende.
- De huurder heeft in eerste aanleg onder meer aangevoerd (i) dat de verhuurder zijn verplichtingen niet naar behoren is nagekomen en er alles aan heeft gedaan om de exploitatie
van het café te frustreren, (ii) dat de verhuurder vanaf begin 2002 heeft getracht door het inschakelen van de Milieudienst de exploitatie te beëindigen, (iii) en dat de huurder vanwege de (dreigende) tekortkoming van de verhuurder heeft besloten om in 2003 de betaling van huurpenningen op te schorten. De huurder heeft gevorderd de verhuurder te veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat, op grond van toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de verplichtingen voorvloeiend uit de huurovereenkomst.
- De kantonrechter te Den Haag heeft bij tussenvonnis van 15 november 2006 vastgesteld dat de verhuurder in 2002 de Milieudienst heeft ingeschakeld en dat bij besluit van 1 augustus 2002 ten aanzien van het café een last onder dwangsom is opgelegd en dat vervolgens dwangsommen zijn verbeurd. In dat vonnis is voorts overwogen dat de verhuurder zich jegens de huurder niet als goed verhuurder heeft gedragen, omdat de hoofdverplichting van de verhuurder bestaat uit het verschaffen van het huurgenot en de verhuurder er alles aan gedaan heeft om de exploitatie in het gehuurde onmogelijk te maken en de huurder aldus het huurgenot te ontnemen. Als slotsom vermeldt het tussenvonnis dat de verhuurder tekortgeschoten is in zijn verplichtingen als verhuurder en dus aansprakelijk is voor de daardoor door de huurder geleden en te lijden schade en dat de vordering tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat dan ook zal worden toegewezen. In het eindvonnis van 29 augustus 2007 heeft de kantonrechter, zonder nadere overwegingen hieromtrent, de verhuurder veroordeeld tot vergoeding aan de huurder van de door deze geleden schade als gevolg van het moeten sluiten van het café door toerekenbaar tekortschieten van de verhuurder in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst.
- In hoger beroep heeft de huurder aangevoerd dat de verhuurder in 2002 in verzuim is geraakt ten aanzien van zijn verbintenis het huurgenot te verschaffen. De huurder heeft in hoger beroep zijn eis gewijzigd en primair gevorderd de verhuurder te veroordelen tot betaling van € 517.430,--. De huurder heeft een rapport van een door hem ingeschakelde deskundige overgelegd waarin de schade op dat bedrag wordt begroot. In het rapport staat dat de omzet van het café in de jaren 2003-2005 aanzienlijk lager is dan in de daaraan voorafgaande jaren en dat de omzetdaling volgens de huurder een gevolg is van de geluidseisen van de Milieudienst. In het rapport worden de gederfde goodwill en het teloorgaan van het eigen vermogen berekend door de waarde daarvan per ultimo 2001 te vergelijken met de waarde ten tijde van de sluiting van het café. Voorts wordt in het rapport afzonderlijk de gederfde winst over de periode 2002-2006 begroot.
- De verhuurder heeft de juistheid van het rapport bestreden, maar niet aangevoerd dat de huurder geen vergoeding kan vorderen van schade die is geleden in de periode voorafgaand aan de sluiting van het café.
- Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft het volgende overwogen. De verhuurder wist bij het aangaan van de huur wat voor een soort café de huurder wenste te exploiteren, de verhuurder is in 2002 toch overgegaan tot verbouwing van het appartement teneinde deze te kunnen verhuren of verkopen aan een derde zonder zich te bekommeren om de belangen van de huurder en zonder zorg te dragen voor een goede geluidsisolatie en de verhuurder heeft de Milieudienst ingeschakeld en heeft aangedrongen op bestuursdwang, terwijl bewoning van het appartement de bedrijfsruimte feitelijk onbruikbaar maakt voor de overeengekomen bestemming als café. Dit een en ander levert een toerekenbare tekortkoming jegens de huurder op. De omstandigheid dat de huurder in reactie op bovengenoemde tekortkoming de huurbetaling (in 2003) heeft stopgezet, heeft deze tekortkoming niet ongedaan gemaakt. De verhuurder was als eerste in verzuim.”
2.13
Uw Raad heeft daaruit opgemaakt wat [verweerder] heeft gevorderd en aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd en wat het hof ’s-Gravenhage in de hoofdzaak heeft geoordeeld, waarna Uw Raad heeft geoordeeld dat de uitleg door het hof Den Haag in de schadestaatprocedure van dit oordeel van het hof ’s-Gravenhage in de hoofdzaak onbegrijpelijk is:
“4.1.4. Uit het bovenstaande blijkt dat in de hoofdzaak (a) de huurder heeft gevorderd de verhuurder te veroordelen tot schadevergoeding op grond van toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de verplichtingen voorvloeiend uit de huurovereenkomst, waaraan hij ten grondslag heeft gelegd dat de verhuurder in 2002 in verzuim is geraakt ten aanzien van zijn verbintenis het huurgenot te verschaffen, en dat de huurder in hoger beroep de schade heeft begroot over de periode vanaf 2002 en (b) dat het hof heeft geoordeeld dat de verhuurder vanaf 2002 in verzuim was met zijn verplichting tot het verschaffen van het genot van het gehuurde. In het licht daarvan en in aanmerking genomen hetgeen hiervoor in 4.1.2 is overwogen, is het oordeel van het hof dat alleen naar de schadestaatprocedure is verwezen ter vaststelling van de door de huurder sinds mei 2006 geleden schade als gevolg van de sluiting van het café, onbegrijpelijk. De onderdelen 4 tot en met 7 bevatten daarop gerichte klachten die dan ook slagen.”
2.14
Vervolgens heeft Uw Raad de onderdelen 3 en 8 besproken, die er, opnieuw in mijn woorden, op neerkomen dat het hof Den Haag in strijd met art. 23 Rv Pro de door [verweerder] gevorderde vergoeding voor het gemis aan inkomsten uit zijn arbeidsbetrekking met de B.V., de kosten van de rechtsbijstand in een executiegeschil en de kosten van een expertiserapport ten aanzien van het door [verweerder] gesteld verlies aan
goodwillniet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken (rov. 4.2.1). Uw Raad heeft geoordeeld dat deze klachten slagen, op de grond dat het hof Den Haag niet, althans uit de motivering niet kenbaar, heeft beslist over deze gevorderde schadeposten.
2.15
De overige klachten heeft Uw Raad verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
Ná verwijzing
2.16
Bij exploot van 8 augustus 2022 heeft [verweerder] [eiser] opgeroepen om voort te procederen voor het verwijzingshof. [verweerder] heeft vervolgens een memorie na verwijzing tevens houdende wijziging van eis ingediend. [verweerder] heeft daarin naar zijn eerdere processtukken verwezen, zijn standpunten nader toegelicht en geconcludeerd dat het verwijzingshof de vonnissen van de kantonrechter vernietigt en de door hem geleden schade zal vaststellen op de door hem genoemde bedragen. [eiser] heeft een memorie van antwoord na verwijzing ingediend. [eiser] heeft daarin eveneens naar zijn eerdere processtukken verwezen, zijn standpunten nader toegelicht en, geconcludeerd tot verwerping van het principale appel en toewijzing van het incidentele appel conform de eerdere memorie van antwoord voor zover een en ander na verwijzing nog aan de orde is, te vermeerderen met de proceskosten.
2.17
Na het wijzen van het tussenarrest van 30 juli 2024 [25] (hierna: het ‘bestreden eerste tussenarrest’) en het tussenarrest van 17 december 2024 [26] (hierna: het ‘bestreden tweede tussenarrest’) heeft het verwijzingshof bij eindarrest van 8 juli 2025 [27] (hierna: het ‘bestreden eindarrest’) de in hoger beroep bestreden vonnissen van de kantonrechter vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, [eiser] veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 131.970,95 (vanwege gederfde
goodwillwaarop de huurachterstand van € 107.029,05 in mindering is gebracht), een bedrag van € 111.640 aan misgelopen salaris, een bedrag van € 5.291,25 (exclusief BTW) in verband met de [A] -rapporten en de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verwijzingshof heeft deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.
2.18
Ik verwijs hierna naar de zojuist bedoelde arresten gezamenlijk als de ‘bestreden arresten’ en naar de zojuist bedoelde tussenarresten gezamenlijk als de ‘bestreden tussenarresten’. Ik bespreek de bestreden arresten hierna één voor één. Daarbij beperk ik me zo veel als mogelijk tot hetgeen in deze cassatieprocedure van belang is.
Het bestreden eerste tussenarrest
2.19
Na een beschrijving van de feiten, [28] het procesverloop in deze schadestaatprocedure [29] en het procesverloop na verwijzing tot op dat moment [30] heeft het verwijzingshof vooropgesteld dat na verwijzing opnieuw moet worden onderzocht of en in hoeverre de door [verweerder] opgevoerde schade voor vergoeding door [eiser] in aanmerking komt. In dat verband heeft het verwijzingshof overwogen dat het de door het hof ’s-Gravenhage uitgesproken veroordeling in de hoofdzaak zo begrijpt dat deze veroordeling mede betreft de schade die is veroorzaakt door het verwijtbare handelen van [eiser] in de periode 2002 tot 17 mei 2006:
“4.9 Het voorgaande betekent dat in deze procedure na verwijzing door de Hoge Raad opnieuw moet worden onderzocht of en in hoeverre genoemde door [verweerder] opgevoerde schade voor vergoeding door [eiser] in aanmerking komt. In de hoofdzaak is hieromtrent reeds overwogen door het gerechtshof Den Haag in het arrest van 6 juli 2010 (rov. 3.11) dat aannemelijk is dat [verweerder] , als huurder schade heeft geleden als gevolg van de tekortkoming van [eiser] , dat [eiser] is gehouden deze schade te vergoeden en dat in de schadestaatprocedure de vraag aan de orde kan komen of en zo ja in hoeverre de schade aan [verweerder] zelf is toe te rekenen wegens eigen schuld. Het gerechtshof Den Haag heeft in datzelfde arrest vervolgens bekrachtigd de door de kantonrechter te Den Haag op 29 augustus 2007 uitgesproken veroordeling van [eiser] tot vergoeding aan [verweerder] van de door deze geleden, nader bij staat op te maken schade als gevolg van het moeten sluiten van het café door het toerekenbaar tekortschieten van [eiser] in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Het hof begrijpt deze veroordeling aldus dat dit mede de schade betreft die is veroorzaakt door het verwijtbare handelen van [eiser] in de periode 2002 tot 17 mei 2006. De door [eiser] opnieuw bepleite beperkte uitleg van het dictum blijkt niet uit het door [eiser] aangehaalde arrest van 17 maart 2015 van het gerechtshof Den Haag.”
2.2
Het verwijzingshof heeft vervolgens de na verwijzing gewijzigde vordering van [verweerder] [31] en de toelichting daarop alsmede het bezwaar van [eiser] tegen de eiswijziging beschreven en geoordeeld dat de door [eiser] in dat verband aangevoerde beginselen van de goede procesorde en partijautonomie niet in de weg staan aan de nieuwe formulering van de vordering, wat daarvan verder ook zij, aangezien alle componenten daarvan materieel gezien al in de procedure bij het hof Den Haag in de memorie van grieven zijn opgevoerd:
“4.10 [verweerder] vordert thans:
1. de door [verweerder] in persoon geleden schade vast te stellen op € 575.756,83, gespecificeerd als volgt:
(i) schade ten gevolge van het faillissement van de B.V. € 539.982,00
(ii) kosten van rechtsbijstand in het executiegeschil € 20.774,83
(iii) kosten voor het opstellen van de [A] -rapporten € 15.000,00
ofwel
2. de door [verweerder] in persoon geleden schade vast te stellen op € 832.974,83, gespecificeerd als volgt:
(iv) schade ten gevolge van de verloren goodwill € 239.000,00
(v) misgelopen salaris € 558.200,00
(vi) kosten rechtsbijstand in het executiegeschil € 20.774,83
(vii) kosten voor het opstellen van de [A] -rapporten € 15.000,00
steeds vermeerderd met rente.
4.11
[verweerder] heeft hierbij naar voren gebracht dat de gevorderde totaalbedragen (die eerder als subsidiair en primair werden gevorderd, zie rov. 4.2 hierboven) als alternatieven van elkaar hebben te gelden; als een wordt toegewezen, dan behoeft de andere geen bespreking meer. Bewijslevering ten aanzien van de aanvankelijk primaire vordering kan, zo dit nodig zou worden geoordeeld, achterwege blijven, hetgeen tot tijdsbesparing zal leiden. Deze eiswijziging is voor [eiser] niet nadelig, aldus [verweerder] . [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging met een beroep op de goede procesorde en de partijautonomie.
4.12
Het hof overweegt dat deze beginselen niet in de weg staan aan de nieuwe formulering van de vordering door [verweerder] , wat daarvan ook verder zij, aangezien alle componenten daarvan materieel gezien al in de procedure bij [het] gerechtshof Den Haag in de memorie van grieven zijn opgevoerd. [eiser] heeft ook niet toegelicht hoe hij procesrechtelijk wordt benadeeld. Hoe dan ook zal het hof in lijn met de oorspronkelijke formulering van de vordering van [verweerder] in hoger beroep eerst het oorspronkelijk als primair opgevoerde deel van de vordering behandelen, waarop ook door [eiser] impliciet met zijn bezwaar tegen de eiswijziging wordt aangestuurd. Zoals vermeld is daarbij onder meer opgevoerd schade ten gevolge van de verloren goodwill ten bedrage van € 239.000,00 en misgelopen salaris ten bedrage van € 558.200,00.”
2.21
Het verwijzingshof heeft zich eerst gebogen over het oorspronkelijk als primair opgevoerde deel van de vordering, dat neerkomt op de in rov. 4.10, onder 2., van het bestreden eerste tussenarrest uitgeschreven € 832.974,83. Het verwijzingshof heeft in dat verband onder het kopje “
Causaal verband” het causaal verband tussen de schade van [verweerder] en de tekortkoming van [eiser] besproken. Het verwijzingshof heeft in dat kader de stellingen van [verweerder] en de verweren van [eiser] beschreven en de relevante regels over de stelplicht en bewijslast aangehaald:

Causaal verband
4.13
[verweerder] , die ter zake van zijn schade en het causaal verband daarvan met de tekortkoming van [eiser] de stelplicht (en zo nodig ook de bewijslast) heeft, heeft gesteld dat [eiser] met het aansturen op handhaving door de Milieudienst heeft veroorzaakt dat [verweerder] de muziek in het door hem via de B.V. geëxploiteerde studenten(feest)café vanaf 2002 veel zachter moest zetten. Het publiek vond het café hierdoor niet meer leuk en bleef grotendeels weg. Het café kon daardoor niet meer op de vóór 2002 uiterst succesvolle wijze worden geëxploiteerd en werd uiteindelijk gedwongen op 17 mei 2006 de deuren te sluiten. Met het daarop volgend door de teruglopende omzet veroorzaakt faillissement is de goodwill die met het inbrengen van de eenmanszaak van [verweerder] in de B.V. mede is ingebracht, verloren gegaan. Deze goodwill zou bij verkoop van de onderneming bij pensionering van [verweerder] bij hem zijn terechtgekomen. Hiernaast ontving [verweerder] als directeur van de B.V. jaarlijks in persoon een salaris, dat hij als gevolg van de sluiting van het café is misgelopen en nog steeds misloopt, aldus [verweerder] .
4.14
[eiser] heeft in deze schadestaatprocedure een aantal verweren gevoerd tegen deze door [verweerder] gemaakte aanspraak op schadevergoeding. De verweren van [eiser] die eerder in de procedure zijn aangeduid met a., b., e., f. en h.[ [32] ] zijn door het gerechtshof Den Haag behandeld en – inmiddels definitief – beslist ten nadele van [eiser] . Tussen partijen is ook niet in geschil, zo is ter zitting op 12 februari 2024 expliciet door partijen bevestigd, dat deze verweren geen nadere behandeling meer behoeven. Hierna zullen de overige verweren van [eiser] worden besproken. Voor zover [eiser] zich beroept op een alternatieve oorzaak, heeft hij daarvan de stelplicht (en zo nodig de bewijslast).
4.15
[eiser] heeft aangevoerd dat de door [verweerder] gestelde schade voor [eiser] niet voorzienbaar was en te ver verwijderd van de tekortkoming van [eiser] , zodat het vereiste causaal verband met de schade ontbreekt. De gestelde omzetdaling in de jaren 2002 tot en met 2005 die [verweerder] aan de door hem gestelde schade ten grondslag legt en [eiser] overigens betwist, is, voor zover die heeft plaatsgevonden ook niet het gevolg van de aan [eiser] verweten gedragingen maar van andere oorzaken. Zo hebben twee oud-werknemers van het café schuin tegenover het café in 2002 een ander café geopend, [café 1] genaamd. Deze vermoedelijk drijvende krachten achter het café hebben de klanten meegenomen naar dit nieuwe café. Het publiek was uitgekeken geraakt op het café en zijn herrie. [eiser] heeft ook betwist dat [verweerder] het volume van de muziek heeft verlaagd in de jaren 2002 tot en met 2006. Het café draaide volgens hem in deze periode onverminderd harde muziek, hetgeen ook de reden was dat het café moest sluiten. De gestelde schade is dan ook veroorzaakt door eigen schuld van [verweerder] .”
2.22
Daarop heeft het verwijzingshof de inhoud van art. 6:98 BW Pro (‘leer van de redelijke toerekening’) aangehaald, en vervolgens heeft het onder andere geoordeeld dat verschillende – in de sfeer van causaliteit(svragen) en eigen schuld te situeren – verweren van [eiser] onvoldoende zijn onderbouwd of toegelicht:
“4.16 Het hof overweegt dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt die schade die in zodanig verband staat met het handelen waarop de aansprakelijkheid van [eiser] berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dit handelen aan [eiser] kan worden toegerekend. Overeenkomstig deze leer van de redelijke toerekening dienen alle omstandigheden van het geval bij de beoordeling te worden betrokken. Het hof gaat hierbij ervan uit dat in de jaren 2002 tot 2006 de omzet van het café substantieel is gedaald, zoals duidelijk blijkt uit het in de ter zitting bij het hof overgelegde spreekaantekeningen van [eiser] opgenomen overzicht van de ontwikkeling van de omzet van 1998 tot en met 2005 en dat deze omzetdaling heeft geleid tot het faillissement van de B.V. Deze periode loopt gelijk met het handhavend optreden van de Milieudienst, daartoe aangestuurd door [eiser] . De betwisting door [eiser] van de stelling van [verweerder] dat hij het volume van de muziek in het café heeft geminderd, zodat de terugloop van de omzet daaraan niet kan worden toegeschreven en daarmee dus ook niet aan het handelen van [eiser] , heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd. Dit was wel aangewezen in het licht van de door [verweerder] overgelegde verklaringen van de twee oud-werknemers die genoemd ander café schuin tegenover het café zijn begonnen. De ene oud-werknemer heeft verklaard dat toen het nieuwe café was geopend, de muziek in het café veel zachter stond en het veel minder druk was en de ander dat het vanaf 2002 significant minder druk was doordat de muziek op een aanzienlijk lager volume moest worden afgespeeld. [eiser] heeft opgemerkt dat deze verklaringen te laat zijn overgelegd, maar het hof gaat daaraan voorbij, aangezien zij alleen dienen ter nadere onderbouwing van een reeds eerder door [verweerder] ingenomen stelling. Volgens [eiser] gaat het om subjectieve waarnemingen van bevriende relaties en blijkt uit de stukken van de Milieudienst dat deze verklaringen onjuist zijn. [eiser] heeft ter zitting in hoger beroep op 18 november 2019 verklaard alle rapporten van de Milieudienst te hebben ontvangen. Uit de door hem (ná het door gerechtshof Den Haag op 11 februari 2020 gewezen tussenarrest nader) in het geding gebrachte stukken van de Milieudienst blijkt echter onvoldoende dat [verweerder] structureel het eerdere geluidsniveau handhaafde. De metingen concentreren zich vooral rond het begin van de van belang zijnde periode. Metingen vonden plaats eind 2006, eind 2005 en begin 2003 en de overige alle in 2002. Ook heeft de Milieudienst gefocust op de vraag of in de woning boven het café de geluidsnorm voor een woning werd overtreden en blijkt uit de rapportage niet in hoeverre vanuit het café het volume al dan niet was aangepast. In het in de hoofdzaak gewezen arrest van het gerechtshof Den Haag van 6 juli 2010 is in rov. 3.10 vastgesteld dat de geluidgevoeligheid van de woning zodanig was dat bewoning daarvan de bedrijfsruimte feitelijk onbruikbaar maakte voor de overeengekomen bestemming als café. Anders dan [eiser] betoogt spreken de door hem overgelegde stukken dus onvoldoende tegen dat [verweerder] in de periode 2002-2006 het muziekvolume in het café substantieel heeft verlaagd. Dat hieruit in beginsel omzetderving en de door [verweerder] gestelde schade zou voortkomen was wel degelijk voorzienbaar, ook waarschijnlijk en stond in beginsel ook in nabij verband met de tekortkoming van [eiser] in de nakoming van zijn verbintenisrechtelijke verplichtingen. Voorts speelt een hoge mate van verwijtbaarheid aan de zijde van [eiser] . De stelling dat [verweerder] schadebeperkend had moeten optreden door elders aan de slag te gaan, heeft daarom geen succes, ook omdat deze stelling onvoldoende feitelijk is geconcretiseerd. De door [eiser] overigens in dit verband nog gevoerde verweren dat het faillissement van de B.V. toch al op de loer lag vanwege de verlieslatende exploitatie van het café en dat een ontbinding van de huurovereenkomst hoe dan ook aanstaande was vanwege de huurachterstand van [verweerder] negeren dat deze feiten en omstandigheden in beginsel voortkwamen uit de door de tekortkoming van [eiser] ontstane financieel penibele exploitatie van het café. [eiser] heeft in dit verband ook nog als ‘te bedenken’ redenen naar voren gebracht de invoering van de euro en het niet goed bijhouden van de omzet, winst en inkoop door de B.V. Bij gebrek aan voldoende toelichting zullen deze argumenten worden gepasseerd. [eiser] heeft tevens aangevoerd dat [verweerder] ook eigen schuld treft omdat hij heeft geweigerd mee te werken aan (nadere) geluidsisolatie. Het treffen van geluidsisolerende maatregelen is echter de verantwoordelijkheid van [eiser] . [eiser] heeft onvoldoende toegelicht dat deze maatregelen niet zonder de medewerking van [verweerder] konden worden genomen, bijvoorbeeld door isolatie aan te brengen op de vloer van het bovengelegen appartement. Daarnaast is ook hier onvoldoende toegelicht in hoeverre [verweerder] feitelijk weigerde om mee te werken. Bij deze stand van zaken ziet het hof geen aanleiding nadere bewijslevering te gelasten. In de memorie van antwoord na cassatie en verwijzing heeft [eiser] nog betoogd dat de huurovereenkomst na ommekomst van tien jaar, derhalve in 2006, hoe dan ook vanwege de ontstane onmin tussen partijen zou zijn beëindigd. Deze stelling, daargelaten dat die te laat in de procedure naar voren is gebracht, is evenmin voldoende toegelicht. Het hof overweegt dat voor toepassing van de zogenoemde omkeringsregel, zoals door [verweerder] nog bepleit in zijn memorie na verwijzing, onvoldoende is gesteld.”
2.23
Het verwijzingshof is daarna specifiek ingegaan op de stellingen van [eiser] dat het in 2002 geopende [café 1] schuin tegenover het café bij dit alles een rol heeft gespeeld en, mogelijk hiermee samenhangend, althans op hetzelfde vlak liggend, dat het publiek was uitgekeken geraakt op het café. In dat verband heeft het verwijzingshof overwogen dat, aangezien [eiser] met de stelling dat de omzetdaling van het café het gevolg is van het opstarten van het concurrerende [café 1] een beroep op “
alternatieve causaliteit” doet, de bewijslast ten aanzien van die stelling op [eiser] rust en geoordeeld dat [eiser] tot bewijslevering zal worden toegelaten:
“4.17 De rol die het in 2002 geopende café schuin tegenover het café bij dit alles heeft gespeeld, heeft het hof nog niet betrokken bij het bovenstaande, evenals de mogelijk hiermee samenhangende, althans op hetzelfde vlak liggende stelling van [eiser] dat het publiek was uitgekeken geraakt op het café. [eiser] heeft van zijn stelling dat de omzetdaling van het café het gevolg is van het opstarten van dit concurrerend café tegenbewijs aangeboden door middel van het voordragen van genoemde twee oud-werknemers, genaamd [oud-werknemer 1] en [oud-werknemer 2] . Aangezien [eiser] hiermee een beroep doet op alternatieve causaliteit, is tegenbewijs niet aan de orde, maar heeft [eiser] de bewijslast van deze stelling. Hij zal tot bewijslevering worden toegelaten.”
2.24
Vervolgens heeft het hof, voor het geval dat de in het vorige randnummer beschreven bewijslevering door [eiser] niet tot het oordeel leidt dat geen causaal verband resteert tussen de schade van [verweerder] en de tekortkoming van [eiser] , een voorschot genomen op de begroting van de schade:

Omvang schade
4.18
Voor de situatie waarin de bewijslevering niet het zodanige effect heeft dat geen causaal verband resteert tussen de tekortkoming van [eiser] en de schade van [verweerder] , wordt reeds het volgende overwogen. Het hof dient in dat geval de schade van [verweerder] te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is en indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, dan dient zij te worden geschat.”
2.25
Het verwijzingshof is daarop de verschillende door [verweerder] aangevoerde schadeposten afgelopen, te weten achtereenvolgens: het door [verweerder] misgelopen salaris (rov. 4.19-4.21)), de
goodwill(rov. 4.22-4.24), de kosten voor het opstellen van de [A] -rapporten (rov. 4.25) en de rechtsbijstandskosten in het executiegeschil (rov. 4.26 en 4.27). Het verwijzingshof heeft ten slotte aangekondigd dat, mocht [eiser] worden veroordeeld tot betaling van enig bedrag aan [verweerder] , dat bedrag wordt verrekend met de huurachterstand van [verweerder] (rov. 4.28). Het verwijzingshof heeft iedere verdere beslissing aangehouden (rov. 4.29).
2.26
Zoals hierna in paragraaf 3 van deze conclusie zal blijken, wordt in cassatie in het bijzonder geklaagd over de overwegingen en oordelen van het verwijzingshof met betrekking tot het misgelopen salaris [33] en de gederfde
goodwill. Daarom ga ik hierna in op deze overwegingen en oordelen.
2.27
In verband met het door [verweerder] misgelopen salaris heeft het verwijzingshof eerst de stellingen van [verweerder] en het verweer van [eiser] beschreven:
“4.19 [verweerder] heeft ter toelichting van de post misgelopen salaris, onder verwijzing naar de in eerste aanleg door hem overgelegde rapporten van [betrokkene 1] van [A] van 10 oktober 2007 en (aanvullend) 21 januari 2011 (hiervoor reeds en hierna ook: [A] -rapporten), het volgende gesteld. Uit deze rapportage blijkt dat [verweerder] als directeur van de B.V. jaarlijks in persoon een salaris ontving van bruto € 45.000,00 / netto € 22.328,00. Naar het zich laat aanzien zal [verweerder] vanwege zijn geboortedatum van 18 mei 1964 vanaf 2031 een AOW-uitkering ontvangen. [verweerder] ziet geen reden om aan te nemen dat hij de exploitatie van de B.V. niet zou hebben voortgezet tot zijn pensioen. Het misgelopen salaris betreft daarmee de periode van 2006 tot 2031, derhalve 25 jaar. Hiermee komt de post misgelopen salaris naar de stellingen van [verweerder] op een bedrag van € 558.200,00. [verweerder] laat om financiële redenen de berekening van de inflatiecorrectie door een actuaris achterwege.
4.2
[eiser] heeft verweer gevoerd tegen deze schadepost. Hij heeft allereerst verwezen naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2019 in het incident waarin [verweerder] een voorschot van € 100.000,00 op de gevorderde schadevergoeding bij wege van voorlopige voorziening had gevorderd en de desbetreffende verweren opnieuw aangevoerd; [verweerder] heeft zijn aanspraak volgens [eiser] onvoldoende onderbouwd. Ook staat de vermeende schade tot 2031 in een veel te ver verwijderd verband met de oorzaak van de schade. Van voorzienbaarheid daarvan kan niet worden gesproken. [verweerder] zal ook moeten bewijzen dat hij het café tot 2031 had kunnen exploiteren; hij heeft dat niet aangetoond. Uit de door [verweerder] aan een eerder te benoemen deskundige ter beschikking gestelde aangiften IB van 2002 tot en met 2005 blijkt dat hij in 2005 geen bruto jaarsalaris genoot van € 45.000,00 maar slechts € 5.000,00 ontving. In 2004 was het jaarsalaris zelfs € 0 en in 2003 € 6.000,00. Het relevante salaris van [verweerder] betrof dus in de periode 2002-2005 gemiddeld circa € 3.600,00 bruto per jaar, aldus [eiser] .”
2.28
Het verwijzingshof heeft, in mijn woorden, overwogen dat het in beginsel zal uitgaan van de door [eiser] aangevoerde bedragen in de aangifte inkomstenbelasting van [verweerder] , die lager liggen dan de door [verweerder] aangevoerde bedragen die in de [A] -rapporten worden genoemd. Het verwijzingshof heeft [verweerder] de mogelijkheid gegeven om het verschil tussen deze bedragen toe te lichten en [eiser] de mogelijkheid om daarop te reageren. Het verwijzingshof heeft bovendien voorshands geoordeeld dat een aan misgelopen salaris toe te wijzen bedrag tot een periode van vijf jaar zal worden beperkt, omdat een langere periode vooralsnog in een te ver verwijderd verband staat van de tekortkoming van [eiser] :
“4.21 Het hof overweegt dat de overwegingen van het gerechtshof Den Haag in genoemd tussenarrest een voorlopig karakter hebben en ook als zodanig zijn geformuleerd in dit arrest. Zoals de Hoge Raad ook heeft vastgesteld, is op de misgelopen salarispost nog niet kenbaar beslist. In de [A] -rapporten is ter onderbouwing van het salaris van [verweerder] verwezen naar een resultaatsoverzicht van de exploitatie van de B.V. over de jaren 1998 tot en met 2005. Van [verweerder] mocht echter worden verwacht dat hij zou toelichten waarom de in dit overzicht genoemde bedragen niet corresponderen met de door [eiser] aangedragen, niet door [verweerder] weersproken aangiften IB. Nu [verweerder] dat niet heeft gedaan, zal het hof in beginsel van deze aangiften IB uitgaan. Uit de door [eiser] overgelegde aangifte IB van 2002 blijkt dat [verweerder] in dit jaar € 9.529 aan loon van de B.V. heeft ontvangen. De precieze (bruto) loonbedragen van de andere jaren zijn € 6.352 (2003), € 0 (2004) en € 5.780 (2005). [verweerder] heeft over deze jaren dus blijkens deze aangiften gemiddeld (€ 21.661:4 =) € 5.415 aan (bruto) salaris ontvangen. Deze stukken vragen om een toelichting van [verweerder] , waarbij [verweerder] zijn netto salaris over deze jaren uit de B.V. nader dient te preciseren. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde [verweerder] hiertoe in de gelegenheid te stellen. [eiser] zal hierop mogen reageren. Een aan salaris toe te wijzen bedrag zal voorshands over een periode van vijf jaar worden toegewezen. Een langere periode oordeelt het hof vooralsnog in te ver verwijderd verband staan van de tekortkoming van [eiser] .”
2.29
In verband met de
goodwillheeft het verwijzingshof eerst de stellingen van [verweerder] weergegeven en het [A] -rapport van 10 oktober 2007 aangehaald:

Goodwill
4.22
De in de [A] -rapporten op het bedrag van € 239.000,00 gewaardeerde goodwill die met het inbrengen van de eenmanszaak van [verweerder] in de B.V. is ingebracht en door het faillissement verloren is gegaan, komt, zoals hierboven reeds vermeld, volgens [verweerder] eveneens voor vergoeding in aanmerking, omdat niet valt in te zien waarom de goodwill niet bij [verweerder] zou zijn terechtgekomen bij verkoop van zijn onderneming bij pensionering.
4.23
In het [A] -rapport van 10 oktober 2007 staat onder meer het volgende vermeld:
Per 31 maart 1999 is de exploitatie[van het café]
, met terugwerkende kracht per 1 januari 1998, ondergebracht in de (…) B.V. (voorheen: kwam de exploitatie voor rekening van [verweerder] privé). Bij de inbreng per 1 januari 1998 is een goodwill geactiveerd van (…) € 227.835.
(…)
A. Gederfde goodwill
Bij de inbreng van de exploitatie van[het]
café (…) in (…)[de]
B.V. per 1 januari 1998 is daaraan een goodwill toegekend van € 227.835. De resultaatontwikkeling is nadien positief geweest, tot en met het jaar 2001. Op grond van onze analyse zoals uitgewerkt in de bijlage bij deze notitie concluderen wij dat de goodwill van[de]
B.V. op basis van de verbeterde rentabiliteitswaardemethode ultimo 2001 rond € 239.000 heeft bedragen. Wij concluderen dat degoodwill
ultimo 2001 kan worden vastgesteld op een bedrag van indicatief € 239.000.
Vanaf het jaar 2002 is sprake van een teruglopende omzet en een verlieslatende exploitatie.[De]
B.V. heeft de activiteiten in het café moeten beëindigen op 17 mei 2006. Per die datum was geen sprake meer van goodwill. Ook bij het faillissement dat nadien volgde is, naar wij begrijpen, geen bate gerealiseerd uit hoofde van overdracht van immateriële vaste activa.
2.3
Vervolgens heeft het verwijzingshof de stellingen van [eiser] weergegeven en, in weerwil van hetgeen [eiser] met zijn betoog voor ogen lijkt te hebben gehad, geoordeeld dat het zal uitgaan van een gederfde
goodwillvan € 239.000:
“4.24 [eiser] heeft in algemene zin betoogd dat de [A] -rapporten geen basis kunnen vormen voor vergoeding van schade, omdat zij uitgaan van verkeerde en onbewezen premissen, gezien alle door [eiser] opgevoerde redenen voor de omzetdaling van het café. De feitelijkheden die [eiser] in dit kader heeft aangevoerd, zijn hierboven al behandeld en afgedaan. [eiser] heeft de [A] -rapporten hierbuiten en buiten de aanvankelijke vordering en de salarisvordering niet aangevochten en evenmin genoemd bedrag van € 227.835,00 noch de in dit rapport beschreven ontwikkeling van deze waarde van de goodwill voldoende nader betwist, zodat het hof zal uitgaan van een als gevolg van het faillissement van de B.V. door [verweerder] gederfde goodwill ten bedrage van € 239.000,00. Dat afschrijving nog van invloed is op de vaststelling van de hoogte van de goodwill, heeft [eiser] onvoldoende toegelicht.”
2.31
Het verwijzingshof heeft het bestreden eerste tussenarrest afgesloten met onder meer de beslissing dat [eiser] wordt toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat het omzetverlies van het café in de periode van 2002 tot en met 2006 het gevolg is van het opstarten in 2002 van het andere café, [café 1] , schuin tegenover het café (zie randnummer ‎2.23 hiervoor) en de beslissing dat [verweerder] in de gelegenheid wordt gesteld om zijn nettosalaris uit de B.V. over de jaren 2002-2005 bij akte te preciseren, waarna [eiser] de gelegenheid krijgt daarop te reageren (zie randnummer ‎2.28 hiervoor). [34]
Het bestreden tweede tussenarrest
2.32
Na een beschrijving van het verdere procesverloop sinds het wijzen van het bestreden eerste tussenarrest [35] heeft het verwijzingshof zich gebogen over het verzoek van [eiser] om duiding van de aan hem in het bestreden eerste tussenarrest gegeven bewijsopdracht (zie randnummers ‎2.23 en ‎2.31 hiervoor). In dat verband heeft het verwijzingshof, in mijn woorden, de bewijsopdracht, zoals geformuleerd in het dictum van het bestreden eerste tussenarrest, gehandhaafd:

Verzoek duiding bewijsopdracht
2.1
[eiser] heeft het hof verzocht om duiding van de aan hem gegeven bewijsopdracht. Volgens [eiser] bevat het dictum van het tussenarrest van 30 juli 2024 een kennelijk[e] verschrijving, omdat r.o. 4.17 van dat tussenarrest een breder bereik heeft. Een kennelijke verschrijving is echter niet aan de orde. [eiser] is slechts toegelaten tot het in het dictum genoemde probandum, omdat hij slechts ter zake van deze stelling een concreet bewijsaanbod heeft gedaan. In zoverre r.o. 4.17 een breder bereik heeft in die zin dat het hof daarin ook heeft weergegeven de meer algemene stelling van [eiser] dat het publiek was uitgekeken geraakt op het café, is ter zake van dat bredere bereik geen voldoende concreet bewijsaanbod gedaan door [eiser] .”
2.33
Het verwijzingshof heeft daaraan toegevoegd dat het geen aanleiding ziet om de aan [eiser] gegeven bewijsopdracht te heroverwogen en in dat verband de daartoe door [eiser] aangevoerde argumenten verworpen:
“2.2 Ook overigens ziet het hof geen aanleiding de aan [eiser] gegeven bewijsopdracht te heroverwegen. Krane[n]burg heeft daartoe bepleit dat het gerechtshof Den Haag in zijn tussenarrest van 11 februari 2020 in r.o. 2.30 heeft geoordeeld dat partijen nog in de gelegenheid worden gesteld bewijs te leveren over “de aan- of afwezigheid van een oorzakelijk verband tussen de wanprestatie van [eiser] en de gestelde verliezen c.q. het gestelde verlies van winstgevendheid van [het café] vanaf maart 2002, in het bijzonder ter zake van de stelling van [verweerder] dat hij vanaf 2002 het muziekvolume in het café (substantieel) heeft verlaagd.” Aangezien de procedure na verwijzing een voortzetting is van deze instantie mag [eiser] de bewijsopdracht als gevolg van deze bindende beslissing van het gerechtshof Den Haag nog steeds in deze ruime zin opvatten, aldus [eiser] . Deze overweging is echter ingeleid door het gerechtshof Den Haag veronderstellend dat de lezing van [verweerder] over de reikwijdte van de veroordeling in de hoofdzaak zou worden gevolgd en had, ook gezien de overige formulering van r.o. 2.30, slechts een voorlopige status. Het gerechtshof Den Haag heeft geen gevolg aan deze voorlopige gedachtenlijn gegeven: in zijn vervolguitspraak is een andere (ook reeds in het tussenarrest van 11 februari 2020 voorshands overwogen) lezing over de reikwijdte van de veroordeling in de hoofdzaak gevolgd. In de memorie van antwoord na cassatie en verwijzing heeft [eiser] weliswaar verwezen naar r.o. 2.30 maar het ook daarbij gelaten. Het is in strijd met de goede procesorde nu alsnog aan te sturen op een bewijsopdracht van vermelde strekking, nog daargelaten de vraag hoe dit probandum dan volgens [eiser] zou moeten luiden.”
Het bestreden eindarrest
2.34
Na een beschrijving van het procesverloop na verwijzing, [36] is het verwijzingshof teruggekeerd naar het reeds in het bestreden eerste tussenarrest aan bod gekomen causaal verband tussen de schade van [verweerder] en de tekortkoming van [eiser] [37] en de omvang van de door [verweerder] gestelde schade. [38]
2.35
Het verwijzingshof heeft voldoende aanleiding gezien om de gevorderde schade ter zake van de gederfde
goodwillen het misgelopen salaris volledig aan [eiser] toe te rekenen, voor zover overigens toewijsbaar:

Causaal verband
2.3
Na het tweede tussenarrest heeft [eiser] het hof bericht af te zien van het voorbrengen van getuigen, omdat hem naar zijn stellingen is gebleken dat café ‘ [café 1] ’, hoewel eerder ingeschreven, pas daadwerkelijk open ging in 2004. [eiser] heeft ook overigens geen bewijshandelingen meer verricht ten behoeve van de door hem te bewijzen stelling dat het omzetverlies van het café in de periode van 2002 tot en met 2006 het gevolg is van het schuin tegenover het café opstarten van café ‘ [café 1] ’ door [oud-werknemer 1] en [oud-werknemer 2] . Het gevolg hiervan is dat deze stelling niet is komen vast te staan.
2.4
[eiser] heeft terecht erop gewezen dat zijn stelling dat het publiek uitgekeken was geraakt op het café nog nadere behandeling behoeft. Het hof heeft dit ook overwogen in 4.17 van het eerste tussenarrest. Ter zake is [eiser] echter, zoals in het tweede tussenarrest bevestigd, geen bewijsopdracht gegeven noch is hem anderszins gelegenheid geboden deze stelling – of andere stellingen – nader te adstrueren. De in dit verband na het eerste en tweede tussenarrest in deze reeds zeer lang lopende procedure nog overgelegde rapporten en ingenomen stellingen, voor zover die niet al zijn afgedaan in de eerdere tussenarresten, zijn ook overigens te laat in positie gebracht en daarmee in beginsel strijdig met de goede procesorde. Omdat zij ook niet evident nopen tot andere dan de al gegeven oordelen, zullen zij buiten beschouwing worden gelaten bij de nadere behandeling van het causaal verband tussen de tekortkoming van [eiser] en de door [verweerder] gestelde schade. De advocaat van [eiser] heeft ter toelichting van de stelling dat het publiek uitgekeken was geraakt op het café ter zitting in hoger beroep na verwijzing naar voren gebracht dat hem uit eigen wetenschap bekend is dat juist vooral de bar dancings komen en gaan en hun populariteit fluctueert. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiser] bij deze gelegenheid een artikel van 27 februari 2015 uit het Leidsch Dagblad overgelegd, waarin naar zijn zeggen wordt teruggeblikt op het Leidse uitgaanslandschap in de periode van 2000 tot 2015 en de korte populariteit en levensduur van Leidse horecagelegenheden in deze periode. Dit alles blijft echter in algemeenheid steken; uit niets blijkt dat onder het uitgaanspubliek concrete desinteresse in het café was ontstaan vanwege een oorzaak die buiten het verlaagde muziekvolume was gelegen. Mede verwijzend naar hetgeen ter zake van het causaal verband reeds is overwogen in het eerste tussenarrest ziet het hof in het geheel van de besproken naar voren gebrachte omstandigheden voldoende aanleiding de gevorderde schade ter zake van misgelopen salaris en gederfde goodwill volledig aan [eiser] toe te rekenen, voor zover overigens toewijsbaar.”
2.36
Vervolgens is het verwijzingshof onder het kopje “
Omvang schade” ingegaan op de
goodwill, het misgelopen salaris en de kosten van het opmaken van de [A] -rapporten. Omdat de eerste twee schadeposten in cassatie nadrukkelijk aan de orde worden gesteld beperk ik mij hier tot de bespreking daarvan.
2.37
Ten aanzien van de
goodwillheeft het verwijzingshof uiteindelijk een bedrag van € 239.000 toegewezen en daarop de huurachterstand van € 107.029,05 in mindering gebracht, zodat een bedrag van € 131.970,95 resteert:

Goodwill en verrekening huurachterstand
2.5
Zoals reeds in het eerste tussenarrest overwogen dient de schade van [verweerder] te worden begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, dan dient zij te worden geschat. In het eerste tussenarrest is de als gevolg van het faillissement van de B.V. door [verweerder] gederfde goodwill vastgesteld op het bedrag van € 239.000,00. Op de in 2.4 hierboven genoemde gronden zal ook hier geen acht worden geslagen op de nadien door [eiser] nog aanvullend nader ingenomen stellingen omtrent deze reeds bij inleidende dagvaarding van 30 maart 2012 door [verweerder] opgevoerde post. Op het bedrag van € 239.000,00 zal bij wijze van verrekening in mindering worden gebracht het door [verweerder] aan [eiser] ter zake van huurachterstand verschuldigde bedrag van € 107.029,05, zoals overwogen in 4.28 van het eerste tussenarrest, waarmee resteert het bedrag van €131.970,95. Wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro zal over dit bedrag worden toegewezen per 29 augustus 2007, de datum van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag in de hoofdzaak, zoals door [verweerder] gevorderd.”
2.38
Wat betreft de omvang van het door [verweerder] misgelopen salaris heeft het verwijzingshof vooropgesteld dat het [verweerder] in het bestreden eerste tussenarrest in de gelegenheid heeft gesteld om het verschil tussen de bedragen in de [A] -rapporten en die in zijn aangifte inkomstenbelasting toe te lichten (zie randnummer ‎2.28 hiervoor). Het verwijzingshof heeft geoordeeld dat de in de toelichting van [verweerder] vervatte redenering niet onjuist en begrijpelijk is, zodat het bij de vaststelling van de schade alsnog zal uitgaan van het salaris dat in de [A] -rapporten staat vermeld. Het verwijzingshof heeft de reactie van [eiser] op de toelichting van [verweerder] terzijde geschoven en het aan salaris toe te kennen bedrag over een periode van vijf jaar toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente:

Misgelopen salaris
2.6
Ter zake van het misgelopen salaris heeft het hof in het eerste tussenarrest geconstateerd dat in de [A] -rapporten ter onderbouwing van het salaris van [verweerder] is verwezen naar een resultaatsoverzicht van de exploitatie van de B.V. over de jaren 1998 tot en met 2005, maar dat de in dit overzicht genoemde bedragen niet corresponderen met de door [eiser] aangedragen, niet door [verweerder] weersproken aangiften IB. [verweerder] is in de gelegenheid gesteld deze discrepantie toe te lichten. [verweerder] heeft daarop verduidelijkt dat in de [A] -rapporten tot uitgangspunt is genomen de door de B.V. aan de holding van [verweerder] , genaamd ‘Veel en Lekker B.V.’,[ [39] ] uitgekeerde directievergoeding. Deze vergoeding is volgens [verweerder] leidend, niet de uiteindelijk door [verweerder] in zijn holding aan hemzelf verloonde bedragen die in de aangiften IB staan vermeld. Het hof oordeelt deze redenering niet onjuist en begrijpelijk en zal, deze volgend, bij de vaststelling van de schade alsnog uitgaan van het door [verweerder] gestelde salaris van bruto € 45.000,00 / netto € 22.328,00. [eiser] heeft bepleit dat het daadwerkelijk aan [verweerder] uitgekeerde bedrag bepalend is, maar miskent daarbij de door [verweerder] uiteengezette betalingsconstructie. Genoemde bedragen zijn verder niet betwist. Het hof handhaaft zijn in het eerste tussenarrest voorshands gegeven oordeel dat het aan salaris toe te kennen bedrag over een periode van vijf jaar zal worden toegewezen, omdat een langere periode in te ver verwijderd verband staat van de tekortkoming van [eiser] . Toegewezen wordt aldus het bedrag van (5 x € 22.328,00 =) € 111.640,00. Wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro zal over de individuele bedragen van € 22.328,00 achtereenvolgens jaarlijks per 24 januari worden toegewezen, waarbij de eerste rentetermijn aanvangt op 24 januari 2007, de datum van het faillissement van de B.V.”
Onderhavige cassatieberoep
2.39
Bij procesinleiding van 3 september 2025 heeft [eiser] tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de bestreden arresten. [verweerder] heeft zich tegen het cassatieberoep verweerd. [verweerder] heeft zijn standpunten toegelicht. [eiser] heeft gerepliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
De procesinleiding bevat vijf met Romeinse cijfers aangeduide ‘middelonderdelen’.
3.2
Middelonderdelen I-IV bevatten rechts- en motiveringsklachten en stellen achtereenvolgens aan de orde:
(I) het causaal verband tussen de tekortkoming van [eiser] en de schade van [verweerder] ;
(II) de begroting door het verwijzingshof van het misgelopen salaris;
(III) de begroting door het verwijzingshof van de gederfde
goodwill; en
(IV) de uitleg door het verwijzingshof dat [eiser] met bepaalde stellingen in de sfeer van causaliteit een beroep heeft gedaan op het leerstuk van de ‘alternatieve causaliteit’.
3.3
Middelonderdeel V bevat een voortbouwklacht.
3.4
Omdat middelonderdeel II tot op zekere hoogte voortbouwt op althans overlap vertoont met middelonderdeel III behandel ik deze twee middelonderdelen hierna in omgekeerde volgorde.
Middelonderdeel I
3.5
Het middelonderdeel is in de eerste plaats gericht tegen rov. 4.16 van het bestreden eerste tussenarrest, klaarblijkelijk in het bijzonder tegen de volgende overwegingen:

Het hof gaat hierbij ervan uit dat in de jaren 2002 tot 2006 de omzet van het café substantieel is gedaald, zoals duidelijk blijkt uit het in de ter zitting bij het hof overgelegde spreekaantekeningen van [eiser] opgenomen overzicht van de ontwikkeling van de omzet van 1998 tot en met 2005 en dat deze omzetdaling heeft geleid tot het faillissement van de B.V. Deze periode loopt gelijk met het handhavend optreden van de Milieudienst, daartoe aangestuurd door [eiser] . De betwisting door [eiser] van de stelling van [verweerder] dat hij het volume van de muziek in het café heeft geminderd, zodat de terugloop van de omzet daaraan niet kan worden toegeschreven en daarmee dus ook niet aan het handelen van [eiser] , heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd.
3.6
Het middelonderdeel is in de tweede plaats gericht tegen rov. 4.24 van – naar ik aanneem – het bestreden eerste tussenarrest en tegen rov. 2.3 van het eindarrest. In de bestreden rechtsoverwegingen zou het verwijzingshof de [A] -rapporten “
tevens” aan zijn beslissing ten grondslag hebben gelegd en hebben geoordeeld dat het “
in het geheel van de besproken naar voren gebrachte omstandigheden” voldoende aanleiding ziet de gevorderde schadevergoeding ter zake van misgelopen salaris en gederfde
goodwillaan [eiser] toe te rekenen.
3.7
Volgens het middelonderdeel zijn de bestreden rechtsoverwegingen rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, “
met voorbijgaan aan terzake essentiële stellingen van [eiser]”. In de toelichting op het middelonderdeel tref ik zes verschillende klachten aan, waarvan ik sommige gezamenlijk behandel.
3.8
In het kader van de
eerste klachtvoert het middelonderdeel aan dat het verwijzingshof niet of onvoldoende heeft gerespondeerd op een causaliteitsverweer van [eiser] , terwijl dit verweer, indien gegrond bevonden, tot een ander oordeel had moeten leiden . In dat verband wijst het middelonderdeel op het bij pleidooi in hoger beroep door [eiser] aangevoerde causaliteitsverweer, dat uit de door [verweerder] zelf opgestelde en in het geding gebrachte jaarcijfers blijkt dat de onderneming reeds vóór de handhaving per 1 januari 2002 op haar retour was, waarmee volgens het middelonderdeel het causaal verband tussen de aan [eiser] verweten gedragingen en de door [verweerder] geleden schade anderzijds gemotiveerd en gedocumenteerd is betwist. [40]
3.9
Deze eerste klacht komt erop neer dat het verwijzingshof niet, althans onvoldoende, heeft gerespondeerd op de betwisting door [eiser] van het causaal verband tussen de schade van [verweerder] en de tekortkoming van [eiser] . Ter betwisting van dat door [verweerder] gestelde causaal verband zou [eiser] de stelling hebben ingenomen dat de onderneming van [verweerder] reeds vóór het handhavend optreden door de milieudienst per 1 augustus 2002 op haar retour was. Ter onderbouwing van die stelling zou [eiser] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben gewezen op de door [verweerder] zelf opgestelde en in het geding gebrachte jaarcijfers.
3.1
Voor zover met de eerste klacht wordt geklaagd dat het verwijzingshof
nietop het hiervoor beschreven causaliteitsverweer heeft gerespondeerd, faalt de klacht vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Het verwijzingshof heeft zich in het bestreden eerste tussenarrest, onder het kopje “
Causaal verband”, uitgelaten over het causaal verband tussen de schade van [verweerder] en de tekortkoming van [eiser] . In dat verband heeft het verwijzingshof in de bestreden overwegingen uit de door [verweerder] zelf opgestelde en in het geding gebrachte jaarcijfers, waarnaar [eiser] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verwezen, kennelijk niet kunnen opmaken dat, zoals de klacht voorstelt, de onderneming van [verweerder] reeds vóór het handhavend optreden door de milieudienst per 1 augustus 2002 al op haar retour was. Het verwijzingshof heeft daaruit wél opgemaakt dat in de jaren 2002 tot 2006 de omzet van het café, in de woorden van het hof: “
substantieel”, is gedaald. Hierin ligt het oordeel besloten dat [eiser] de in verband met zijn betwisting van het causaal verband tussen de schade van [verweerder] en zijn tekortkoming ingenomen stelling dat de onderneming van [verweerder] reeds vóór het handhavend optreden door de milieudienst per 1 augustus 2002 al op haar retour was, onvoldoende heeft onderbouwd.
3.11
De klacht faalt ook voor zover daarmee wordt geklaagd dat het verwijzingshof
onvoldoendeheeft gerespondeerd op het causaliteitsverweer dat de onderneming van [verweerder] al vóór het handhavend optreden door de milieudienst per 1 augustus 2002 op haar retour was. In de procesinleiding wordt niet uitgelegd waarom dat het geval zou zijn en het is niet zo dat die conclusie zich opdringt.
3.12
Ik zie aanleiding om de tweede en derde klacht gezamenlijk te behandelen.
3.13
In het kader van de
tweede klachtvoert het middelonderdeel aan dat, voor zover het verwijzingshof op genoemd causaliteitsverweer het oog had door te overwegen dat aan [eiser] geen bewijsopdracht was verstrekt en ook niet anderszins de gelegenheid is geboden de in dat verband aangevoerde stellingen nader te adstrueren, in mijn woorden, omdat [eiser] zijn stellingen te laat in positie heeft gebracht en deze stellingen daarmee in beginsel in strijd zijn met de goede procesorde, deze overwegingen rechtens onjuist zijn. In dat verband wijst het middelonderdeel er op dat het [eiser] volstrekt vrijstond om bij pleidooi zijn stellingen nader te onderbouwen.
3.14
De
derde klachthoudt in dat, voor zover het verwijzingshof op genoemd causaliteitsverweer het oog had door te overwegen dat, omdat de in dat verband aangevoerde stellingen niet evident nopen tot andere dan de al gegeven oordelen, deze stellingen buiten beschouwing worden gelaten bij de nadere behandeling van het causaal verband tussen de tekortkoming van [eiser] en de door [verweerder] gestelde schade en deze stellingen in algemeenheden blijven steken, deze overwegingen onbegrijpelijk zijn. Onbegrijpelijk, zo stelt het middelonderdeel, gelet op “
voormelde stellingen”.
3.15
Beide klachten gaan uit van een lezing van de bestreden arresten, waarin het verwijzingshof met bepaalde overwegingen zou hebben gerespondeerd op het causaliteitsverweer dat de onderneming van [verweerder] reeds vóór het handhavend optreden door de milieudienst per 1 augustus 2002 al op haar retour was, wat zou moeten volgen uit de overgelegde omzetcijfers.
3.16
De tweede klacht doelt daarbij volgens mij op de overwegingen van het verwijzingshof in rov. 2.4 van het bestreden eindarrest (i) dat [eiser] geen bewijsopdracht wordt gegeven ten aanzien van zijn stelling dat het publiek uitgekeken was geraakt op het café en dat hem niet anderszins de gelegenheid is geboden deze stelling nader te adstrueren en (ii) dat de na het bestreden eerste en tweede tussenarrest nog overgelegde rapporten en ingenomen stellingen met betrekking tot de stelling dat het publiek uitgekeken was geraakt op het café te laat in positie zijn gebracht en daarmee in beginsel strijdig zijn met de goede procesorde. Als het verwijzingshof met deze overwegingen op het causaliteitsverweer van [eiser] heeft gerespondeerd, dan heeft het verwijzingshof miskend dat het [eiser] vrij stond om tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn causaliteitsverweer nader te onderbouwen, aldus de klacht.
3.17
De derde klacht doelt ook op een tweetal overwegingen van het verwijzingshof in rov. 2.4 van het bestreden eindarrest. In de eerste plaats gaat het om de overweging dat de na het bestreden eerste en tweede tussenarrest nog overgelegde rapporten en ingenomen stellingen met betrekking tot de stelling dat het publiek uitgekeken was geraakt op het café, voor zover niet al afgedaan in de bestreden tussenarresten, (a) te laat in positie zijn gebracht en daarmee in beginsel strijdig zijn met de goede procesorde en (b) overigens niet evident nopen tot andere dan de al gegeven oordelen en daarom bij de nadere behandeling van het causaal verband tussen de tekortkoming van [eiser] en de schade van [verweerder] buiten beschouwing worden gelaten. In de tweede plaats gaat het om de overweging dat de tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep op basis van eigen wetenschap gegeven toelichting door de advocaat van [eiser] op de stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op het café en de onderbouwing hiervan met een krantenartikel uit het Leidsch Dagblad van 27 februari 2015 in algemeenheden is blijven steken en dat uit niets blijkt dat onder het uitgaanspubliek concrete desinteresse in het café was ontstaan vanwege een oorzaak die buiten het verlaagde muziekvolume was gelegen. Deze overwegingen zijn onbegrijpelijk gelet op “
voormelde stellingen”, aldus de klacht.
3.18
De tweede en derde klacht falen vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij beide uitgaan van een verkeerde lezing van de bestreden arresten. Het verwijzingshof heeft met de in de vorige randnummers beschreven overwegingen uit rov. 2.4 van het bestreden eindarrest
nietgerespondeerd op het causaliteitsverweer dat de onderneming van [verweerder] reeds vóór het handhavend optreden door de milieudienst per 1 augustus 2002 op haar retour was, wat zou moeten volgen uit de overgelegde omzetcijfers. Dat had het verwijzingshof reeds gedaan in rov. 4.16 van het bestreden eerste tussenarrest. Zie in dit verband de beschrijving van de inhoud van die rechtsoverweging in randnummer ‎3.10. Het verwijzingshof heeft in rov. 2.4 van het bestreden eindarrest juist gerespondeerd op de stelling van [eiser] dat het publiek uitgekeken was geraakt op het café. Bovendien wordt het oordeel van het verwijzingshof, dat het uit de aangehaalde jaarcijfers niet heeft opgemaakt dat de onderneming al op haar retour was, als zodanig niet bestreden, zodat de tweede en derde klacht ook daarop afstuiten.
3.19
Een kritische lezer zal mogelijk denken dat de zojuist genoemde stellingen verband met elkaar houden, zodat het onderscheid in de motivering van het verwijzingshof minder scherp moet worden gelezen dan ik zojuist heb voorgesteld. Ook dat gegeven maakt de motivering van het verwijzingshof in rov. 2.4 van het bestreden eindarrest echter nog niet onbegrijpelijk. Ik kom hier nog uitvoerig over te spreken bij de behandeling van de vierde klacht van dit middelonderdeel in randnummers ‎3.21-‎3.28.
3.2
De tweede klacht lijkt overigens ook aan te voeren dat het verwijzingshof de na het bestreden eerste en tweede tussenarrest nog overgelegde rapporten en ingenomen stellingen met betrekking tot het causaliteitsverweer van [eiser] niet buiten beschouwing had mogen laten, omdat [eiser] dat verweer tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep na cassatie en verwijzing had mogen uitwerken. In deze lezing ziet de klacht eraan voorbij dat [eiser] die rapporten en stellingen niet tijdens de mondelinge behandeling van 12 februari 2024 maar na het bestreden eerste tussenarrest van 30 juli 2024 en het bestreden tweede tussenarrest van 17 december 2024 heeft overgelegd respectievelijk heeft ingenomen. Daar komt bij dat [eiser] wel andere producties tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep na cassatie en verwijzing in het geding heeft gebracht en dat het verwijzingshof het daartegen gerichte bezwaar van [verweerder] niet heeft gehonoreerd (bestreden eerste tussenarrest, rov. 2.). Het is dus niet zo dat [eiser] niet de gelegenheid heeft gehad zijn causaliteitsverweer tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep na cassatie en verwijzing uit te werken. Ook in deze lezing treft de tweede klacht geen doel.
3.21
Daarmee kom ik toe aan de
vierde klachtvan middelonderdeel I. Deze klacht is gericht tegen de overweging van het verwijzingshof in rov. 4.16 van het bestreden eerste tussenarrest dat uit het overzicht in de spreekaantekeningen duidelijk blijkt dat sprake is van een omzetdaling in de periode 2002-2006 die heeft geleid tot het faillissement van de BV en dat deze periode gelijk loopt met het handhavend optreden van de milieudienst (daartoe aangezet door [eiser] ). Dit is onbegrijpelijk, klaagt het middelonderdeel, gelet op de stellingen van [eiser] dat (i) uit de rapportage blijkt dat de omzet vanaf 2000 al aanzienlijk daalde, terwijl de handhaving per 1 augustus 2002 is ingezet, zodat deze de omzetdaling voor 2001 en een groot deel van 2002 niet kan verklaren (de winstgevendheid van het café was al op haar retour) [41] en (ii) dat een opleving in de omzet in de jaren 2004 en 2005 in strijd is met de stelling van [verweerder] dat het publiek wegbleef als gevolg van de vermeende daling van het geluidsvolume [42] en dat populariteit van de horeca grillig was, in het bijzonder in de betreffende periode in [plaats] . [43] Volgens het middelonderdeel is in het licht van deze stellingen, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk het oordeel van het verwijzingshof (a) dat de periode van omzetdaling gelijk liep met de handhaving en (b) dat deze tot het faillissement van de B.V. heeft geleid.
3.22
Ik bespreek nu eerst de stelling van [eiser] dat uit de rapportage blijkt dat de omzet vanaf 2000 al aanzienlijk daalde, terwijl de handhaving per 1 augustus 2002 is ingezet, zodat dit de omzetdaling voor 2001 en een groot deel van 2002 niet kan verklaren (de winstgevendheid van het café was al op haar retour).
3.23
In de eerste plaats is mij niet duidelijk geworden waarom de overweging van het verwijzingshof in rov. 4.16 van het bestreden eerste tussenarrest dat in de jaren 2002 tot 2006 de omzet van het café substantieel is gedaald en dat deze periode gelijkloopt met het handhavend optreden door de milieudienst per 1 augustus 2002 en genoemde stelling van [eiser] elkaar bijten, zoals de klacht suggereert. Het verwijzingshof heeft zich in rov. 4.16 niet uitgesproken over de ontwikkeling van de omzet vóór het handhavend optreden en voor die ontwikkeling ook geen verklaring hoeven geven. Het ging na cassatie en verwijzing slechts over de schade van [verweerder] die is veroorzaakt door de tekortkoming van [eiser]
in de periode 2002 tot 17 mei 2006. In die periode is de omzet van het café substantieel gedaald en die periode loopt gelijk op met het handhavend optreden door de milieudienst per 1 augustus 2002.
3.24
In de tweede plaats is niet onbegrijpelijk het oordeel van het verwijzingshof dat, vrij weergegeven, uit de door [verweerder] zelf opgestelde en in het geding gebrachte jaarcijfers, waarnaar [eiser] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verwezen, blijkt dat in de jaren 2002 tot 2006 de omzet van het café substantieel is gedaald. Uit de pleitaantekeningen van [eiser] blijkt dat de omzet in 1998 € 353.000 bedroeg, in 1999 € 381.000, in 2000 € 388.000, in 2001 € 333.000, in 2002 € 233.000, in 2003 € 130.000, in 2004 € 112.000 en in 2005 € 134.000. [44] In de pleitaantekeningen wordt, onder verwijzing naar deze cijfers, aangevoerd dat de omzet in 2000 zijn hoogtepunt had bereikt en wordt de afname van de omzet beschreven – overigens zonder daarbij de in de procesinleiding gebruikte term “
aanzienlijk” te gebruiken. [45] In het licht van deze ontwikkeling van de omzet is het niet onbegrijpelijk dat het verwijzingshof in rov. 4.16 heeft overwogen dat in de jaren 2002 tot 2006 de omzet van het café
substantieelis gedaald.
3.25
Dan de stelling van [eiser] dat een opleving in de omzet in de jaren 2004 en 2005 niet strookt met de stelling van [verweerder] dat het publiek wegbleef als gevolg van de vermeende daling van het geluidsvolume en dat de populariteit van de horeca grillig was.
3.26
Het middelonderdeel suggereert dat een omzetstijging van € 22.000 in 2005 in vergelijking met 2004 – van € 112.000 in 2004 naar € 134.000 in 2005 – strijdig is met de stelling dat het publiek wegbleef door de daling van het geluidsvolume. Dat is bij nadere beschouwing niet overtuigend. Vergelijken we de omzet in 2005 (€ 134.000) namelijk met die in 2001 (€ 333.000), het jaar voorafgaand aan de aanvang van het handhavend optreden door de milieudienst, dan hebben we het alsnog over een verschil van € 199.000. Zo bezien is het niet onbegrijpelijk dat het verwijzingshof heeft overwogen dat in de jaren 2002 tot 2006 de omzet van [het café] substantieel is gedaald en dat het kennelijk in de, in mijn woorden: lichte, opleving in de omzet in de jaren 2004 en 2005 geen beletsel heeft gezien om te oordelen dat de omzetdaling in de jaren 2002-2006 het gevolg is van het verlaagde muziekvolume.
3.27
Het verwijzingshof heeft in het bestreden eindarrest op het tweede deel van genoemde stelling van [eiser] – dat de populariteit van de horeca grillig was – gerespondeerd. Het verwijzingshof heeft daar overwogen dat de advocaat van [eiser] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep na cassatie en verwijzing ter toelichting van de stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] naar voren heeft gebracht dat hem uit eigen wetenschap bekend is dat juist vooral de bar dancings komen en gaan en hun populariteit fluctueert (rov. 2.4, zesde volzin). Ter onderbouwing van deze toelichting heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep na cassatie en verwijzing een artikel uit het Leidsch Dagblad overgelegd (rov. 2.4, zevende volzin). Daarin wordt, in de woorden van het verwijzingshof, volgens [eiser] teruggeblikt op het Leidse uitgaanslandschap in de periode van 2000 tot 2015 en de korte populariteit en levensduur van Leidse horecagelegenheden in die periode (rov. 2.4, zevende volzin). Volgens het verwijzingshof blijft dit alles echter in algemeenheden steken (rov. 2.4, achtste volzin). Uit niets blijkt dat onder het uitgaanspubliek concrete desinteresse in [het café] was ontstaan vanwege een oorzaak die buiten het verlaagde muziekvolume was gelegen, aldus het verwijzingshof (rov. 2.4, achtste volzin). Anders gezegd: [eiser] heeft zijn stelling onvoldoende onderbouwd. De zojuist geschetste overwegingen zijn, gelet op de algemene formulering van de stelling en de niet op [het café] toegespitste onderbouwing daarvan, [46] niet onbegrijpelijk. Gelet op het ‘wegvallen’ van de stelling van [eiser] dat de populariteit van de horeca grillig was heeft het verwijzingshof vervolgens niet hoeven beoordelen in hoeverre deze stelling en de stelling van [verweerder] dat het publiek wegbleef als gevolg van de daling van het geluidsvolume met elkaar in overeenstemming (te brengen) zijn. Gelet op deze beoordeling is overigens ook niet onbegrijpelijk dat het verwijzingshof in de latere bestreden arresten niet is teruggekomen van de bestreden overweging in rov. 4.16 van het bestreden eerste tussenarrest dat het verwijzingshof ervan uitgaat dat in de jaren 2002 tot 2006 de omzet van het café substantieel is gedaald en dat deze omstandigheid heeft geleid tot het faillissement van de B.V.
3.28
De vierde klacht mist derhalve doel.
3.29
De vijfde en zesde klacht van middelonderdeel I behandel ik ook gezamenlijk.
3.3
Het middelonderdeel voert in het kader van de
vijfde klachtaan dat “
hiermee” (bedoeld zal zijn: gelet op (het slagen van) de vierde klacht) ook niet in stand kan blijven het oordeel van het verwijzingshof in rov. 4.16 van het bestreden eerste tussenarrest dat de omzetderving een gevolg was van de daling van het muziekvolume, omdat volgens het middelonderdeel de causaliteit niet vaststaat.
3.31
De
zesde klachtvoert ten slotte aan dat niet in stand kan blijven het oordeel van het verwijzingshof in verband met de [A] -rapporten in rov. 4.24 van het bestreden eerste tussenarrest, omdat dit oordeel volgens het middelonderdeel voortbouwt op de verwerping/het passeren van “
voornoemde stellingen” van [eiser] . [47]
3.32
Beide klachten bouwen voort op de vierde klacht en falen in het spoor daarvan.
3.33
Dat betekent dat middelonderdeel I vergeefs is voorgesteld.
3.34
Dat brengt mij nu eerst (gelet op wat is opgemerkt in randnummer ‎3.4 hiervoor) bij middelonderdeel III. Daarna bespreek ik de resterende middelonderdelen II, IV en V in die volgorde.
Middelonderdeel III
3.35
Het middelonderdeel is gericht tegen rov. 4.24 van het bestreden eerste tussenarrest. [48] In de bestreden rechtsoverweging heeft, aldus het middelonderdeel, het verwijzingshof geoordeeld dat [eiser] de [A] -rapporten (voor het overige) onvoldoende heeft
betwist, zodat het verwijzingshof zal uitgaan van een als gevolg van het faillissement van de B.V. door [verweerder] gederfde
goodwillten bedrage van € 239.000. Dat oordeel zou, gelet op de hierna te bespreken uitwerking, onjuist of onbegrijpelijk zijn.
3.36
Volgens het middelonderdeel heeft [eiser] een beroep gedaan op het gezag van gewijsde van het arrest van het hof ’s-Gravenhage van 6 juli 2010 (in de hoofdzaak) en van het arrest van het hof Den Haag van 17 maart 2015 (in de onderhavige schadestaatprocedure), waarin zou zijn geoordeeld dat de door [verweerder] gestelde schade niet uit de [A] -rapporten volgt. [49] Het middelonderdeel wijst er op dat tegen deze arresten geen cassatie is ingesteld en verbindt daaraan de conclusie dat deze arresten onherroepelijk vaststaan althans als bindende eindbeslissing zijn te beschouwen waarvan het verwijzingshof volgens het middelonderdeel niet zonder nadere motivering kan afwijken. Na deze aanloop voert het middelonderdeel aan dat het onjuist of zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is dat het verwijzingshof voor de gederfde
goodwillis uitgegaan van de juistheid van de [A] -rapporten althans waarom het verwijzingshof heeft geoordeeld dat [eiser] deze rapporten voor het overige niet heeft betwist, nu het daarvoor heeft verwezen naar de kritiek van het hof ’s-Gravenhage en het hof Den Haag in de zojuist genoemde arresten. [50]
3.37
Voordat ik aan een beoordeling toekom, lijkt het me goed te duiden waar het middelonderdeel op neerkomt. Het middelonderdeel stelt aan de orde de vaststelling van de omvang van de gederfde
goodwillaan de hand van de [A] -rapporten. Het middelonderdeel stelt in essentie dat het verwijzingshof zich niet had mogen baseren op de [A] -rapporten, omdat het was gebonden aan eerdere oordelen van het hof ’s-Gravenhage en het hof Den Haag in respectievelijk de hoofdzaak en de onderhavige schadestaatprocedure dat de door [verweerder] gestelde schade niet uit de [A] -rapporten volgt. Dat is volgens het middelonderdeel zo, omdat in het eerste cassatieberoep niet over deze oordelen is geklaagd en deze oordelen dus onherroepelijk zijn geworden dan wel omdat deze oordelen bindende eindbeslissingen zijn waarvan zonder nadere motivering niet kon worden afgeweken. Aan het middelonderdeel ligt de aanname ten grondslag dat het verwijzingshof is afgeweken van de eerdere oordelen van het hof ’s-Gravenhage en het hof Den Haag.
3.38
Het middelonderdeel faalt. Het verwijzingshof (en hetzelfde geldt voor het hof Den Haag in de schadestaatprocedure) was niet gebonden aan het oordeel van het hof ’s-Gravenhage in de hoofdzaak (randnummers ‎3.39-‎3.41) en het verwijzingshof heeft de door het hof Den Haag in de schadestaatprocedure gelaten ruimte ook niet overschreden (randnummers ‎3.42-‎3.52).
3.39
Ten aanzien van het oordeel van het hof ’s-Gravenhage in de hoofdzaak stel ik de volgende twee zaken voorop. Ik ga ervan uit dat het oordeel waarop het middelonderdeel doelt in rov. 3.11 van het arrest van het hof ’s-Gravenhage van 6 juli 2010 is te vinden. [51] Verder heeft het hof ’s-Gravenhage, anders dan het middelonderdeel voorstelt, daar niet geoordeeld dat “
de door[verweerder]
gestelde schade niet volgt uit de [A] -rapporten”. Het hof ’s-Gravenhage heeft daar het volgende overwogen (onderstreping van mij): “
Anders dan [verweerder] – gelet op zijn verwijzing naar het rapport van [A] van 10 oktober 2007 – kennelijk meent, is zijn schade echter niet gelijk te stellen aan de schade van [de B.V.](…)
Welke schade [verweerder] in persoon heeft geleden is door hem op geen enkele wijze onderbouwd en voor het hof niet inzichtelijk. [verweerder] zal deze schade nader dienen te onderbouwen in een schadestaatprocedure.
3.4
Het in het vorige randnummer aangehaalde oordeel van het hof ’s-Gravenhage kan volgens mij niet als bindende eindbeslissing worden beschouwd, zodat het verwijzingshof niet aan dat oordeel was gebonden. Dat het oordeel van het hof ’s-Gravenhage in de hoofdzaak niet als bindende eindbeslissing kan worden beschouwd, betekent dat het hof Den Haag in de schadestaatprocedure evenmin aan dat oordeel was gebonden. Een bindende eindbeslissing is een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing omtrent enig geschilpunt tussen partijen die een einde maakt aan dat geschilpunt. [52] Gelet op de volzin “
[verweerder] zal deze schade nader dienen te onderbouwen in een schadestaatprocedure” heeft het hof ’s-Gravenhage niet bedoeld om met de volzin “
Welke schade [verweerder] in persoon heeft geleden is door hem op geen enkele wijze onderbouwd en voor het hof niet inzichtelijk” een eind te maken aan het geschilpunt met betrekking tot de omvang van de door [verweerder] geleden schade. Nadat het hof ’s-Gravenhage had geoordeeld dat het aannemelijk is dat [verweerder] , als huurder, schade heeft geleden als gevolg van de tekortkoming van [eiser] en dat [eiser] gehouden is om deze schade te vergoeden, heeft het overwogen dat [verweerder] nog niet (voldoende) aannemelijk had gemaakt welke schade hij in persoon heeft geleden. Daarin ligt besloten dat de verwijzing naar de [A] -rapporten door [verweerder] ontoereikend was voor het hof ’s-Gravenhage om in de hoofdzaak een oordeel te kunnen vellen over de schade die [verweerder] in persoon heeft geleden. Door partijen naar de schadestaatprocedure te verwijzen heeft het hof ’s-Gravenhage [verweerder] de mogelijkheid gegeven om in die procedure alsnog voldoende aannemelijk te maken welke schade hij in persoon heeft geleden. De aangehaalde overweging van het hof ’s-Gravenhage kan niet zo worden begrepen dat de [A] -rapporten in de schadestaatprocedure niet meer op tafel mochten komen. Kennelijk was het hof ’s-Gravenhage van oordeel dat [verweerder] in de hoofdzaak nog niet (voldoende) had onderbouwd hoe bijvoorbeeld uit het [A] -rapport kan worden opgemaakt dat hij in persoon schade heeft geleden, maar heeft het niet uitgesloten dat [verweerder] daar in de schadestaatprocedure alsnog in zal slagen. Omdat het oordeel van het hof ’s-Gravenhage niet als bindende eindbeslissing kan worden beschouwd, was het verwijzingshof er als gezegd ook niet aan gebonden.
3.41
Kennelijk is [verweerder] er volgens het verwijzingshof alsnog in geslaagd om voldoende te onderbouwen dat hij in persoon schade heeft geleden. Het verwijzingshof heeft in het bestreden eerste tussenarrest de stelling van [verweerder] aangehaald dat niet valt in te zien waarom de in de [A] -rapporten op het bedrag van € 239.000 gewaardeerde
goodwill, die met het inbrengen van de eenmanszaak van [verweerder] in de B.V. is ingebracht en door het faillissement verloren is gegaan, niet bij [verweerder] zou zijn terechtgekomen bij verkoop van zijn onderneming bij pensionering (rov. 4.22). Het verwijzingshof heeft vervolgens in het bestreden eerste tussenarrest een passage uit het eerste [A] -rapport van 10 oktober 2007 geciteerd (rov. 4.23). Het verwijzingshof is daarop, nadat het de bezwaren van [eiser] heeft verworpen, tot de slotsom gekomen dat het zal uitgaan van een als gevolg van het faillissement van de B.V. door [verweerder] gederfde
goodwillten bedrage van € 239.000 (rov. 4.24). Kort gezegd heeft het verwijzingshof dat oordeel, nadat het nog de nagekomen bezwaren van [eiser] in verband met diverse causaliteitskwesties had verworpen (rov. 2.4), in het bestreden eindarrest gehandhaafd (rov. 2.5). Kennelijk was het verwijzingshof van oordeel dat [verweerder] inzichtelijk heeft gemaakt en ook voldoende heeft onderbouwd dat hij in persoon schade heeft geleden in de vorm van gederfde
goodwill. In de bestreden arresten valt niet te lezen dat het verwijzingshof de schade van [verweerder] gelijk heeft gesteld aan of heeft afgeleid van de schade van de B.V. Het verwijzingshof heeft het slechts gehad over de
goodwilldie met het inbrengen van de eenmanszaak van [verweerder] in de B.V. is ingebracht en die door het faillissement van de B.V. verloren is gegaan.
3.42
Dan het oordeel van het hof Den Haag in de schadestaatprocedure. Ik ga ervan uit dat het oordeel waarop het middelonderdeel doelt in rov. 6. van het arrest van 17 maart 2015 te vinden is. [53] Het hof Den Haag heeft daar het volgende overwogen (onderstreping van mij): “
Het hof kan [verweerder] niet volgen in zijn standpunt dat de schade waarvoor op dit punt [eiser] aansprakelijk is, volgt uit het rapport van 10 oktober 2007 en het aanvullend rapport van [A] van 21 januari 2011. De schade die in zodanig verband staat met de gedragingen van [eiser] waarop de aansprakelijkheid berust dat deze schade aan [eiser] als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend, is niet gelijk aan 75% van de verminderde waarde van de aandelen van [verweerder] in Veel en Lekker Beheer B.V. als gevolg van het faillissement van [de B.V.]
3.43
Het middelonderdeel ziet eraan voorbij dat het in het vorige randnummer aangehaalde oordeel van het hof Den Haag betrekking heeft op de (oorspronkelijke) vordering van [verweerder] dat de schade ten gevolge van het faillissement van de B.V. op € 539.982 wordt vastgesteld en dat dit bedrag is gekoppeld aan 75% van de verminderde waarde van de aandelen van [verweerder] in zijn holding (Veel en Lekker Beheer B.V.), [54] terwijl het bestreden oordeel van het verwijzingshof betrekking heeft op de (nadien gewijzigde) vordering van [verweerder] dat de schade ten gevolge van de verloren
goodwillen het misgelopen salaris op € 239.000 respectievelijk € 558.200 wordt vastgesteld. Tegen deze achtergrond, die ik hierna nog toelicht, kan niet worden geconcludeerd dat het verwijzingshof is afgeweken van het oordeel van het hof Den Haag in de schadestaatprocedure, zodat evenmin kan worden gesteld dat het verwijzingshof de door het hof Den Haag in de schadestaatprocedure gelaten ruimte heeft overschreden. Ter toelichting dient het volgende.
3.44
Uit het tussenvonnis van de kantonrechter van 17 juli 2013 blijkt dat [verweerder] in eerste aanleg heeft gevorderd dat de door hem geleden schade wordt vastgesteld op onder meer “
€ 539.982,00 schade ten gevolge van het faillissement van [de B.V.]” (rov. 3.1, zie ook randnummer ‎2.1).
3.45
Tegen deze achtergrond heeft de kantonrechter in het tussenvonnis van 17 juli 2013 de in randnummers ‎3.39 en ‎3.40 besproken overweging van het hof ’s-Gravenhage in de hoofdzaak aangehaald (rov. 4.4 en 4.5). Daarna heeft de kantonrechter overwogen dat [A] op verzoek van [verweerder] op 21 januari 2011 een nader rapport heeft opgesteld, waarin een berekening is gegeven van het negatieve effect op de aandeelhouderswaarde van Veel en Lekker Beheer B.V. als gevolg van het moeten sluiten van het café door het toerekenbaar tekortschieten van [eiser] als verhuurder uit hoofde van de huurovereenkomst (rov. 4.5). Daarbij ging het om een totaalbedrag van € 719.976, waarvan 25% “
aanmerkelijk belang belasting” moest worden afgetrokken, zodat een schadebedrag van € 539.982 resteerde (rov. 4.5). Oftewel: het ging om 75% van de verminderde waarde van Veel en Lekker Beheer B.V. als gevolg van het moeten sluiten van [het café] . Omdat het daarbij gaat om schade die [verweerder] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder in zijn houdstermaatschappij Veel en Lekker Beheer B.V. lijdt, is volgens de kantonrechter sprake van afgeleide schade die in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking komt (rov. 4.5). De kantonrechter heeft het arrest van het hof ’s-Gravenhage in de hoofdzaak zo uitgelegd dat daaruit volgt dat het moet gaan om schade die [verweerder] als huurder heeft geleden en niet als aandeelhouder in Veel en Lekker Beheer B.V., die op haar beurt weer aandelen hield in de B.V. (rov. 4.5). Tegen deze achtergrond is de kantonrechter tot het oordeel gekomen dat [verweerder] de schade, die hij als huurder heeft geleden, vooralsnog niet heeft aangetoond (rov. 4.6). De kantonrechter heeft de zaak naar de rol verwezen en [verweerder] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of hij bewijs wil leveren van zijn stelling (rov. 4.6).
3.46
Uit het tussenvonnis van de kantonrechter van 9 oktober 2013 blijkt dat [verweerder] de kantonrechter heeft verzocht om tussentijds hoger beroep open te stellen tegen het tussenvonnis van 17 juli 2013, omdat hij zich niet kan verenigen met de in het vorige randnummer beschreven beslissingen (rov. 2.1). De kantonrechter heeft het verzoek toegewezen (rov. 2.6) en iedere verdere beslissing aangehouden (dictum).
3.47
Het hof Den Haag heeft daarop in het arrest van 17 maart 2015 duiding gegeven aan de [A] -rapporten: in het rapport van 10 oktober 2007 is de vermogensschade van [verweerder] vastgesteld op basis van het geleden verlies en de gederfde winst van de B.V., en in het rapport van 21 januari 2011 is onderzocht welk effect het faillissement van de B.V. heeft gehad op de waarde van haar aandeelhouder Veel en Lekker Beheer B.V., waarvan de aandelen weer werden gehouden door [verweerder] (rov. 5.). Het hof Den Haag heeft [verweerder] niet kunnen volgen in zijn standpunt dat de schade waarvoor [eiser] op dit punt aansprakelijk is, volgt uit de [A] -rapporten (rov. 6.). Het hof Den Haag heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de schade die in zodanig verband staat met de gedragingen van [eiser] waarop de aansprakelijkheid berust dat deze schade aan [eiser] als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend, niet gelijk is aan 75% van de verminderde waarde van de aandelen van [verweerder] in Veel en Lekker Beheer B.V. als gevolg van het faillissement van de B.V. (rov. 6.). Het hof Den Haag heeft overwogen dat [verweerder] in de vermogenspositie dient te worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd in het geval dat hij de exploitatie van het café door middel van de B.V. na 17 mei 2006 ongehinderd had kunnen voortzetten (rov. 7.). Omdat [verweerder] het café ten tijde van de sluiting van het café niet als eenmanszaak exploiteerde, maar in de vorm van een besloten vennootschap, waarvan [verweerder] via zijn houdstermaatschappij Veel en Lekker Beheer B.V. de aandelen middellijk hield, moet zijn schade volgens het hof Den Haag in beginsel worden berekend op de schade die hij heeft geleden in zijn vermogen doordat die besloten vennootschap minder waard is geworden (rov. 7.). Gelet op dit uitgangspunt moet de mogelijkheid van exploitatie van het café in het gehuurde op geld worden gewaardeerd, aldus het hof Den Haag (rov. 8.). Volgens het hof Den Haag is derhalve bepalend onder meer ten aanzien van de eerste door [verweerder] gestelde post het aantal jaren dat de exploitatie na 17 mei 2006 zou hebben voortgeduurd alsmede het inkomen dat [verweerder] per jaar uit de exploitatie gegenereerd zou hebben (rov. 8.). Het hof Den Haag heeft geoordeeld dat, anders dan [verweerder] heeft betoogd, nadere bewijslevering nodig is (rov. 9.). Het hof Den Haag heeft het tussenvonnis van 17 juli 2013 bekrachtigd en de zaak in de stand waarin zij zich bevindt ter verdere behandeling met inachtneming van rov. 9. verwezen naar de rechtbank (dictum).
3.48
In de tussenvonnissen van 10 juni 2015 en 16 september 2015 heeft de kantonrechter, kort weergegeven, het arrest van het hof Den Haag van 17 maart 2015 aangehaald (rov. 2.3-2.7 respectievelijk rov. 2.2-2.6) en naar een deskundigenonderzoek toegewerkt (rov. 2.7 en 2.8 respectievelijk rov. 2.6-2.8 en dictum).
3.49
Uit het eindvonnis van de kantonrechter blijkt dat de in eerste instantie benoemde deskundige de opdracht heeft teruggegeven (rov. 2.12) en dat [verweerder] is verzocht om aan te geven of een voorschot van € 20.000 voor de deskundigenkosten van de nog te benoemen nieuwe deskundige aan hem kan worden opgelegd dan wel of hij afziet van bewijslevering aan de hand van een deskundigenbericht (rov. 2.13). De kantonrechter heeft overwogen dat [verweerder] heeft laten weten dat hij niet in staat is om een voorschot van € 20.000 te voldoen en dat hij heeft voorgesteld op eigen kosten een nieuw partijdeskundigenrapport van een andere deskundige in het geding te brengen (rov. 2.14). De kantonrechter heeft geoordeeld dat [verweerder] het onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is het verzochte voorschot te betalen (rov. 2.15). Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van [verweerder] om een nieuw (partij)deskundigenrapport in het geding te brengen, afgewezen (rov. 2.16). Daaraan heeft de kantonrechter ten grondslag gelegd dat steeds is geoordeeld dat [verweerder] zijn schade aan de hand van de eerder in het geding gebrachte rapporten niet heeft aangetoond en dat bij het uitbrengen van een partijdeskundigenrapport onvoldoende is gewaarborgd dat de deskundige op zorgvuldige wijze een zo onpartijdig mogelijk advies uitbrengt (rov. 2.16). Tegen deze achtergrond is de kantonrechter tot de slotsom gekomen dat [verweerder] de door hem gestelde schade van € 539.982 niet heeft aangetoond en heeft de kantonrechter de daarop betrekking hebbende vordering afgewezen (rov. 2.17).
3.5
Uit het bestreden eerste tussenarrest blijkt dat [verweerder] ná verwijzing heeft gevorderd dat de door hem geleden schade wordt vastgesteld op onder meer “
(i) schade ten gevolge van het faillissement van de B.V. € 539.982,00” ofwel onder meer “
(iv) schade ten gevolge van de verloren goodwill € 239.00,00” en “
(v) misgelopen salaris € 558.200,00” (rov. 4.10, zie randnummer ‎2.20 hiervoor). Eveneens blijkt uit het bestreden eerste tussenarrest dat [verweerder] in hoger beroep vóór cassatie en verwijzing reeds zijn eis had gewijzigd en had gevorderd primair een bedrag van € 832.974,83, bestaande uit onder andere “
€ 239.000,00 aan schade ten gevolge van verloren goodwill + € 558.200,00 aan misgelopen salaris”, en subsidiair een bedrag van € 575.756,83, bestaande uit onder andere
“€ 539.982,00 aan schade van [verweerder] als aandeelhouder ten gevolge van faillissement van de B.V.” (rov. 4.2; zie randnummer ‎2.7 hiervoor). Het verwijzingshof heeft, in lijn met de oorspronkelijke formulering van de vordering van [verweerder] in hoger beroep vóór cassatie en verwijzing, (eerst) het oorspronkelijk als primair opgevoerde deel van de vordering behandeld (rov. 4.12).
3.51
Uit het hiervoor beschreven procesverloop maak ik het volgende op. Het verwijzingshof heeft in eerste instantie de ten opzichte van (de eerste aanleg bij de kantonrechter en) het tussentijds hoger beroep bij het hof Den Haag ‘nieuwe’ vordering van [verweerder] onderzocht. Het hof Den Haag heeft zich in het arrest van 17 maart 2015 niet over die vordering kunnen uitspreken, omdat [verweerder] die vordering toen nog niet had ingesteld. Het door het middelonderdeel aangehaalde oordeel in dat arrest kan dus geen betrekking hebben op die vordering. Daaruit volgt dat het verwijzingshof de door het hof Den Haag in de schadestaatprocedure gelaten ruimte niet heeft overschreden.
3.52
Bovendien blijkt uit het bestreden eerste tussenarrest en het bestreden eindarrest dat het verwijzingshof de ‘nieuwe’ vordering van [verweerder] heeft toegewezen en zich niet heeft uitgelaten over de ‘oorspronkelijke’ vordering van [verweerder] . Vrij weergegeven heeft het verwijzingshof in het bestreden eerste tussenarrest geoordeeld dat het, in weerwil van hetgeen [eiser] met zijn betoog voor ogen lijkt te hebben gehad, aan de hand van de [A] -rapporten zal uitgaan van een gederfde
goodwillvan € 239.000 (rov. 4.22-4.24). Het verwijzingshof heeft dat oordeel, opnieuw vrij weergegeven, in het bestreden eindarrest gehandhaafd (rov. 2.5).
3.53
Het middelonderdeel is tevergeefs voorgesteld.
Middelonderdeel II
3.54
Middelonderdeel II is gericht tegen rov. 2.6 van het eindarrest. Daarin zou het verwijzingshof de redeneringen van [verweerder] omtrent zijn misgelopen salaris niet onjuist en begrijpelijk hebben geoordeeld en daarvan zijn uitgegaan, “
daarbij overwegende dat [eiser] , door te bepleiten dat het daadwerkelijk aan [verweerder] uitgekeerde bedrag bepalend is, de door [verweerder] uiteengezette betalingsconstructie miskent.” Deze overwegingen zouden rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk zijn, “
met voorbijgaan aan terzake essentiële stellingen van [eiser]”. Voordat ik toekom aan de bespreking van de klachten, geef ik weer hoe deze bestreden rechtsoverweging – in de context van het relevante procesverloop – moet worden gelezen.
3.55
Daarbij sta ik in de eerste plaats stil bij rov. 4.7 van het bestreden eerste tussenarrest, waar het verwijzingshof het relevante oordeel van Uw Raad in het eerste cassatieberoep heeft weergegeven: “
De Hoge Raad heeft verder op nadere klachten van [verweerder] geoordeeld dat het gerechtshof Den Haag niet, althans uit de motivering niet kenbaar, heeft beslist over de door [verweerder] gevorderde schadeposten betreffende (I) het gemis aan inkomsten uit zijn arbeidsbetrekking met de B.V.; (II) kosten van rechtsbijstand in een executiegeschil tussen partijen en; (III) kosten van een expertiserapport ten aanzien van het door hem gestelde verlies aan goodwill. Ook deze klachten zijn gehonoreerd.(…)” In dit middelonderdeel draait het om de onder (I) bedoelde schadepost van het gemis aan inkomsten uit zijn arbeidsbetrekking met de B.V.
3.56
Het verwijzingshof heeft in rov. 4.9 van het bestreden eerste tussenarrest geformuleerd wat na cassatie en verwijzing nog aan de orde is. Volgens het verwijzingshof moet opnieuw worden onderzocht of en in hoeverre de door [verweerder] gestelde schade voor vergoeding in aanmerking komt. Nadat het verwijzingshof heeft aangehaald de overwegingen en oordelen van het hof ’s-Gravenhage die tot het dictum in het arrest van 6 juli 2010 hebben geleid, heeft het op basis daarvan de veroordeling in de hoofdzaak uitgelegd: de veroordeling betreft mede de schade die is veroorzaakt door het verwijtbare handelen van [eiser] in de periode 2002 tot 17 mei 2006.
3.57
Bij de beschrijving in rov. 4.13 van het bestreden eerste tussenarrest van de stellingen die [verweerder] in het kader van het causaal verband tussen zijn schade en de tekortkoming van [eiser] heeft aangevoerd, heeft het verwijzingshof acht geslagen op de stelling dat [verweerder] als directeur van de B.V. jaarlijks in persoon een salaris ontving dat hij als gevolg van de sluiting van [het café] is misgelopen en nog steeds misloopt.
3.58
In rov. 4.19-4.21 van het bestreden eerste tussenarrest heeft het verwijzingshof zich gericht op de omvang van het door [verweerder] misgelopen salaris. In rov. 4.19 heeft het verwijzingshof de toelichting van [verweerder] op het door hem gevorderde bedrag van € 558.200 weergegeven. [verweerder] heeft naar de [A] -rapporten verwezen, waaruit volgens het hof blijkt dat [verweerder] als directeur van de B.V. jaarlijks in persoon een salaris ontving van bruto € 45.000/netto € 22.328. In rov. 4.20 heeft het verwijzingshof het verweer van [eiser] weergegeven. [eiser] heeft op zijn beurt naar de inkomstenbelastingaangiften van [verweerder] van 2002 tot en met 2005 verwezen, waaruit volgens hem blijkt dat [verweerder] in 2005 een bruto jaarsalaris van € 5.000 genoot, in 2004 van € 0 en in 2003 van € 6.000, zodat het relevante bruto jaarsalaris in de periode 2002-2005 gemiddeld circa € 3.600 bedroeg.
3.59
In rov. 4.21 van het bestreden eerste tussenarrest heeft het verwijzingshof zich voor het eerst inhoudelijk uitgelaten over de omvang van het misgelopen salaris. Het arrest begint met de vooropstelling dat de overwegingen van het hof ’s-Gravenhage in de hoofdzaak een voorlopig karakter hebben en ook als zodanig zijn geformuleerd in dit arrest en dat, zoals Uw Raad ook heeft vastgesteld, op de schadepost van het misgelopen salaris nog niet kenbaar is beslist (rov. 4.21, eerste en tweede volzin). Daarop heeft het verwijzingshof overwogen dat in de [A] -rapporten ter onderbouwing van het salaris van [verweerder] is verwezen naar een resultaatsoverzicht van de exploitatie van de B.V. over de jaren 1998 tot en met 2005 en dat van [verweerder] mocht worden verwacht dat hij zou toelichten waarom de in dit overzicht genoemde bedragen niet corresponderen met de door [eiser] aangedragen, niet door [verweerder] weersproken, inkomstenbelastingaangiften (rov. 4.21, derde en vierde volzin). Omdat [verweerder] dat niet heeft gedaan, is het verwijzingshof in beginsel van de inkomstenbelastingaangiften uitgegaan (rov. 4.21, vijfde volzin). Nadat het verwijzingshof de daaruit volgende salarissen uit de periode 2002-2005 heeft weergegeven en het gemiddelde bruto jaarsalaris heeft berekend (rov. 4.21, zesde tot en met achtste volzin), heeft het overwogen dat deze stukken om een toelichting vragen van [verweerder] , waarbij [verweerder] zijn netto salaris over deze jaren uit de B.V. nader dient te preciseren (rov. 4.21, negende volzin). Het verwijzingshof heeft nog overwogen dat een aan salaris toe te wijzen bedrag voorshands over een periode van vijf jaar wordt toegewezen en dat een langere periode vooralsnog in te ver verwijderd causaal verband staat van de tekortkoming van [eiser] (rov. 4.21, twaalfde en dertiende volzin).
3.6
Het verwijzingshof heeft de draad weer opgepakt in rov. 2.6 van het bestreden eindarrest. Nadat het verwijzingshof zijn overwegingen over de discrepantie tussen de door partijen genoemde bedragen uit het bestreden eerste tussenarrest in herinnering heeft gebracht (rov. 2.6, eerste en tweede volzin), heeft het de toelichting van [verweerder] besproken. In de [A] -rapporten is tot uitgangspunt genomen de door de B.V. aan de holding van [verweerder] , Veel en Lekker Beheer B.V., uitgekeerde directievergoeding (rov. 2.6, derde volzin). Volgens [verweerder] is deze vergoeding leidend en niet de uiteindelijk door [verweerder] in zijn holding aan hemzelf verloonde bedragen die in de inkomstenbelastingaangiften staan vermeld (rov. 2.6, vierde volzin). Het verwijzingshof heeft geoordeeld dat deze redenering van [verweerder] niet onjuist en begrijpelijk is en dat het, deze redenering volgend, bij de vaststelling van de schade alsnog zal uitgaan van het door [verweerder] gestelde salaris van bruto € 45.000/netto € 22.328 (rov. 2.6, vijfde volzin). Daarop heeft het verwijzingshof het verweer van [eiser] besproken. Het verwijzingshof heeft overwogen dat [eiser] met zijn stelling dat het daadwerkelijk aan [verweerder] uitgekeerde bedrag bepalend is de door [verweerder] uiteengezette betalingsconstructie miskent en dat de genoemde bedragen verder niet zijn betwist (rov. 2.6, zesde en zevende volzin). Vervolgens is het verwijzingshof tot een afronding gekomen. Het verwijzingshof heeft geoordeeld dat het zijn in het bestreden eerste tussenarrest voorshands gegeven oordeel dat het aan salaris toe te kennen bedrag over een periode van vijf jaar zal worden toegewezen, omdat een langere periode in te ver verwijderd verband staat van de tekortkoming van [eiser] handhaaft (rov. 2.6, achtste volzin). Het verwijzingshof heeft uiteindelijk een bedrag van € 111.640 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente (rov. 2.6, negende en tiende volzin en dictum).
3.61
In middelonderdeel II zijn tegen rov. 2.6 drie klachten geformuleerd. Nadat ik de eerste klacht heb besproken, behandel ik de tweede en derde klacht gezamenlijk. Deze tweede en derde klacht bouwen tot op zekere hoogte voort op, althans vertonen een overlap met, middelonderdeel III. Daarom bespreek ik dit middelonderdeel II pas na middelonderdeel III. Het middelonderdeel neemt tot uitgangspunt dat het verwijzingshof nog moest beslissen over (onder andere) de misgelopen salarispost.
3.62
In de
eerste plaatszou de overweging van het verwijzingshof dat [eiser] met zijn stelling dat het daadwerkelijk aan [verweerder] uitgekeerde bedrag (het door zijn holding aan hem betaalde salaris) bepalend is, de door [verweerder] uiteengezette betalingsconstructie heeft miskend rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk zijn. Volgens het middelonderdeel is deze overweging bovendien in strijd met de oordelen van Uw Raad in het eerste cassatieberoep (zie randnummer ‎3.55 hiervoor) en de overwegingen van het verwijzingshof in rov. 4.21 van het bestreden eerste tussenarrest (zie randnummer ‎3.59 hiervoor). Het middelonderdeel stelt dat het in casu gaat om de door [verweerder] persoonlijk geleden schade, bestaande uit het gemis aan inkomsten uit zijn arbeidsbetrekking met zijn B.V. en niet de tussen de B.V. en de holding bestaande betalingsconstructie. Dat heeft het verwijzingshof volgens het middelonderdeel miskend. Het middelonderdeel wijst er nog op dat het volgen van de zojuist aangehaalde betalingsconstructie betekent dat de eventueel door toedoen van [eiser] in de B.V. van [verweerder] geleden schade voor vergoeding in aanmerking zou komen. Dat is volgens het middelonderdeel niet alleen in strijd met de oordelen van Uw Raad in het eerste cassatieberoep maar ook met het volgende oordeel uit rov. 3.11 van het arrest van 6 juli 2010 van het hof ’s-Gravenhage in de hoofdzaak: “(…)
Anders dan [verweerder] – gelet op zijn verwijzing naar het rapport van [A] van 10 oktober 2007 – kennelijk meent, is zijn schade echter niet gelijk te stellen aan de schade van[de B.V.] (…)”. Volgens het middelonderdeel heeft het hof ’s-Gravenhage hier terecht een onderscheid gemaakt tussen de (vermeende) schade van de B.V. van [verweerder] en de (vermeende) schade die hij in privé heeft geleden.
3.63
De eerste klacht faalt om de hierna te bespreken redenen.
3.64
Ik stel voorop dat Uw Raad heeft geoordeeld dat, vrij weergegeven, het hof Den Haag niet, althans uit de motivering niet kenbaar, heeft beslist over de door [verweerder] gevorderde schadepost betreffende het gemis aan inkomsten uit zijn arbeidsbetrekking met de B.V. (rov. 4.2.1 en 4.2.2). Dat heeft het verwijzingshof terecht overwogen (bestreden eerste tussenarrest, rov. 4.7). Tegen de achtergrond van onder andere dit oordeel van Uw Raad heeft het verwijzingshof overwogen dat moet worden onderzocht of en in hoeverre de door [verweerder] gestelde schade voor vergoeding in aanmerking komt (bestreden eerste tussenarrest, rov. 4.9). Deze uitleg van het arrest in het eerste cassatieberoep is wat mij betreft rechtens juist en niet onbegrijpelijk.
3.65
Uit de hiervoor geschetste (randnummers ‎3.55-‎3.60) ontwikkeling van het partijdebat volgt dat gaandeweg is gebleken dat [verweerder] zijn “
arbeidsbetrekking” met de B.V. zo heeft ingestoken dat voor de werkzaamheden die [verweerder] voor het café heeft verricht een directievergoeding werd betaald vanuit de B.V. aan Veel en Lekker Beheer B.V. Kennelijk was er geen andere ‘dienstbetrekking’ tussen [verweerder] en de B.V., en het bestaan van deze constructie lijkt overigens op zich niet door [eiser] te zijn betwist. Tegen deze achtergrond heeft het verwijzingshof aan de hand van de door [verweerder] aangevoerde uitgekeerde directievergoeding de omvang van het “
gemis aan inkomsten” begroot. Dat is in lijn met hetgeen Uw Raad heeft beslist, al moet worden toegegeven dat het wat ongelukkig is dat Uw Raad het (zij het in de weergave van de klacht van onderdeel 3) over een “
arbeidsbetrekking met de B.V.” had nu is gebleken dat [verweerder] geen klassieke arbeidsbetrekking met de B.V. had.
3.66
In dit licht kan door [eiser] niet worden volgehouden dat rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het verwijzingshof heeft overwogen dat [eiser] met zijn stelling dat het daadwerkelijk aan [verweerder] uitgekeerde bedrag bepalend is, de door [verweerder] uiteengezette betalingsconstructie heeft miskend. Sterker nog: het is juist [eiser] die met zijn stelling het arrest van Uw Raad in het eerste cassatieberoep geen recht doet. [eiser] voert in essentie aan dat moet worden gekeken naar het (aanzienlijk lagere) bedrag dat
vanuit Veel en Lekker Beheer B.V.aan [verweerder] is betaald, terwijl Uw Raad heeft beslist dat het gemis aan inkomsten uit de arbeidsbetrekking
met de B.V.moet worden onderzocht. Uw Raad heeft dus voor ogen gehad de bedragen die vanuit de B.V. zijn uitgekeerd en níet de bedragen die (uiteindelijk) vanuit Veel en Lekker Beheer B.V. zijn uitgekeerd.
3.67
Verder is mij uit de procesinleiding niet duidelijk geworden waarom het oordeel van het verwijzingshof in rov. 2.6 van het bestreden eindarrest in strijd zou zijn met de overwegingen van het verwijzingshof in rov. 4.21 van het bestreden eerste tussenarrest. Als bedoeld is dat het verwijzingshof in rov. 2.6 van het bestreden eindarrest onterecht is teruggekomen van een bindende eindbeslissing die het in rov. 4.21 van het bestreden eerste tussenarrest heeft genomen, dan ziet de klacht eraan voorbij dat het verwijzingshof in rov. 4.21 van het bestreden eerste tussenarrest geen bindende eindbeslissing heeft genomen. Het verwijzingshof heeft daar slechts overwogen dat het
in beginseluitgaat van de inkomstenbelastingaangiften, omdat [verweerder] het verschil tussen de door hem aangevoerde en de door [eiser] aangedragen bedragen niet heeft toegelicht, en dat de relevante stukken om een toelichting vragen van [verweerder] , waarbij hij zijn netto salaris over de jaren 2002-2005 uit de B.V. nader dient te preciseren. Het is daarmee geen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing omtrent enig geschilpunt tussen partijen die een einde maakt aan dat geschilpunt (randnummer ‎3.40).
3.68
Evenmin is mij uit de procesinleiding duidelijk geworden waarom aansluiten bij de betalingsconstructie betekent dat de eventueel door toedoen van [eiser] in de B.V. van [verweerder] geleden schade voor vergoeding in aanmerking zou komen. Het volgen van de betalingsconstructie resulteert er volgens mij slechts in dat [verweerder] (Veel en Lekker Beheer B.V.) alsnog de directievergoeding ontvangt die uitgekeerd was geweest als [eiser] niet was tekortgeschoten in zijn verplichtingen onder de overeenkomst. Volgens mij ziet deze schadepost louter en alleen op de schade die [verweerder] (Veel en Lekker Beheer B.V.) heeft geleden. Tegen deze achtergrond is de verwijzing naar rov. 3.11 van het arrest van 6 juli 2010 van het hof ’s-Gravenhage niet ter zake dienend. Het gaat in het bestreden eerste tussenarrest en het bestreden eindarrest niet om schade van de B.V. Bovendien kunnen de overwegingen in rov. 3.11 van het arrest van 6 juli 2010 van het hof ’s-Gravenhage niet als bindende eindbeslissing worden aangemerkt (randnummers ‎3.39-‎3.41 hiervoor).
3.69
De eerste klacht van dit middelonderdeel is tevergeefs voorgesteld.
3.7
Dan de tweede en derde klacht van dit middelonderdeel.
3.71
In verband met de
tweede klachtvoert het middelonderdeel aan dat het verwijzingshof heeft miskend dat de schadestaatrechter aan “
die beslissing” (het in randnummer ‎3.62 hiervoor beschreven oordeel van het hof ’s-Gravenhage in de hoofdzaak) was gebonden. [55]
3.72
In het kader van de
derde klachtvoert het middelonderdeel aan dat het verwijzingshof heeft miskend dat de [A] -rapporten niet aan de vordering van [verweerder] ten grondslag konden worden gelegd. Dat volgt volgens het middelonderdeel niet alleen uit het arrest van 6 juli 2010 van het hof ’s-Gravenhage in de hoofdzaak maar ook uit het arrest van 17 maart 2015 van het hof Den Haag in de onderhavige schadestaatprocedure. In dat verband citeert het middelonderdeel uit rov. 6. van het laatstgenoemde arrest: “
Het hof kan [verweerder] niet volgen in zijn standpunt dat de schade waarvoor op dit punt [eiser] aansprakelijk is, volgt uit het rapport van 10 oktober 2007 en het aanvullend rapport van [A] van 21 januari 2011(…).” Tegen dat oordeel is in het eerste cassatieberoep niet opgekomen, zodat het verwijzingshof daaraan was gebonden, hetgeen het verwijzingshof heeft miskend, aldus het middelonderdeel. [56]
3.73
De tweede en derde klacht van dit middelonderdeel voeren in de kern hetzelfde aan als middelonderdeel III en delen daarom het lot ervan (randnummers ‎3.35-‎3.53).
3.74
Voor de zekerheid merk ik op dat de vordering waar het hof Den Haag zich in het tussentijds hoger beroep over heeft moeten uitlaten zag op de schade ten gevolge van het faillissement van de B.V. en niet op het misgelopen salaris (en evenmin op de gederfde
goodwill). Dat is reeds bij de behandeling van middelonderdeel III naar voren gekomen, maar aangezien dat middelonderdeel III om de gederfde
goodwilldraait en, anders dan middelonderdeel II, niet om het misgelopen salaris, lijkt het mij goed dit hier nog eens te herhalen.
3.75
Middelonderdeel II treft geen doel.
Middelonderdeel IV
3.76
In de eerste plaats is het middelonderdeel gericht tegen rov. 4.17 van het bestreden eerste tussenarrest. [57] In de bestreden rechtsoverweging zou het verwijzingshof hebben geoordeeld dat [eiser] met zijn stelling over het opstarten van een concurrerend café – het [café 1] – een beroep doet op “
alternatieve causaliteit” waardoor tegenbewijs niet aan de orde is, maar [eiser] de bewijslast heeft.
3.77
In de tweede plaats is het middelonderdeel gericht tegen rov. 2.1 en 2.2 van het bestreden tweede tussenarrest. Daarin zou het verwijzingshof hebben overwogen dat [eiser] voor zijn stelling dat het publiek uitgekeken was geraakt op het café geen voldoende concreet bewijsaanbod heeft gedaan.
3.78
In de derde plaats is het middelonderdeel gericht tegen rov. 2.2 van het bestreden tweede tussenarrest. Daarin zou het verwijzingshof zijn voorbijgegaan aan het beroep van [eiser] op het oordeel van het hof Den Haag in rov. 2.30 van het tussenarrest van 11 februari 2020 dat partijen “
in dit kader” nog in de gelegenheid worden gesteld bewijs te leveren over de aan- of afwezigheid van causaal verband tussen de wanprestatie van [eiser] en de gestelde verliezen c.q. het gestelde verlies van winstgevendheid, waaronder in verband met “
voornoemde stellingen”.
3.79
Deze overwegingen zouden, gelet op de hierna te bespreken nadere uitwerking en toelichting, onjuist of onbegrijpelijk zijn. In de procesinleiding zijn vier klachten geformuleerd.
3.8
Ik zie aanleiding om de eerste en tweede klacht gezamenlijk te behandelen.
3.81
In de
eerste plaatsvoert het middelonderdeel aan dat het verwijzingshof heeft miskend dat [eiser] met zijn stellingen geen beroep heeft gedaan op een alternatieve oorzaak maar de causaliteit gemotiveerd heeft betwist. [58] In dit verband wijst het middelonderdeel erop dat [verweerder] als benadeelde conform de hoofdregel de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het causaal verband heeft. [59] Het middelonderdeel stelt dat het verwijzingshof, nu het in het bestreden eerste tussenarrest is meegegaan in de stelling van [verweerder] over causaliteit, [eiser] tot tegenbewijs van zijn stellingen had moeten toelaten. [60]
3.82
In de
tweede plaatsvoert het middelonderdeel aan dat het verwijzingshof ten aanzien van de stellingen over het uitgekeken raken van het publiek in rov. 2.1 van het bestreden tweede tussenarrest de vaste jurisprudentie dat voor tegenbewijs geen specifiek bewijsaanbod hoeft te worden gedaan, heeft miskend.
3.83
De eerste klacht voert in wezen aan dat het verwijzingshof de stellingen van [eiser] (i) dat de omzetdaling van [het café] het gevolg is van het opstarten van het concurrerende [café 1] schuin tegenover [het café] en (ii) dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] verkeerd heeft uitgelegd en als gevolg daarvan de regels over de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het causaal verband heeft miskend. De tweede klacht is in essentie een toespitsing van dat tweede punt: het verwijzingshof heeft te hoge eisen gesteld aan het (tegen)bewijsaanbod van [eiser] .
3.84
In verband met deze klachten stel ik een drietal zaken voorop. In de eerste plaats is het vaste rechtspraak van Uw Raad dat de uitleg van de gedingstukken is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. [61] Daarom kan deze uitleg in cassatie niet op juistheid doch hoogstens op begrijpelijkheid worden getoetst. In de tweede plaats rusten op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro de stelplicht en de bewijslast van het causaal verband tussen de schade en een tekortkoming in beginsel op de benadeelde. [62] De aansprakelijk gestelde die aanvoert dat de schade een andere oorzaak heeft, betwist daarmee het door de benadeelde te stellen en, zo nodig, te bewijzen causaal verband. [63] Ten derde is het eveneens vaste rechtspraak van Uw Raad dat een aanbod tot het leveren van tegenbewijs in beginsel niet behoeft te worden gespecificeerd. [64]
3.85
De eerste klacht stelt terecht dat het verwijzingshof het beroep op een alternatieve oorzaak ten onrechte heeft gekwalificeerd als een bevrijdend verweer in plaats van een betwisting en in het verlengde daarvan heeft geoordeeld dat [eiser] de bewijslast van die stellingen heeft. Dit blijkt uit de vooropstelling van het verwijzingshof in rov. 4.14 van het bestreden eerste tussenarrest (a) “
Voor zover [eiser] zich beroept op een alternatieve oorzaak, heeft hij daarvan de stelplicht (en zo nodig de bewijslast).” en de overweging van het verwijzingshof in rov. 4.17 van datzelfde arrest (b) “
Aangezien [eiser] hiermee een beroep doet op alternatieve causaliteit, is tegenbewijs niet aan de orde, maar heeft [eiser] de bewijslast van deze stelling. [65] De tweede klacht stelt eveneens terecht dat het verwijzingshof de eis heeft gesteld dat het (tegen)bewijsaanbod voldoende concreet moet zijn. Dit blijkt uit rov. 2.1 van het bestreden tweede tussenarrest, waar het verwijzingshof – kort gezegd – heeft overwogen dat [eiser] ter zake van de stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] “
geen voldoende concreet bewijsaanbod” heeft gedaan.
3.86
Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is onbegrijpelijk dat het verwijzingshof het beroep op een alternatieve oorzaak heeft gekwalificeerd als een bevrijdend verweer in plaats van een betwisting. Tot de kern teruggebracht heeft [verweerder] aangevoerd dat hij schade heeft geleden doordat [eiser] is tekortgeschoten in zijn verplichtingen onder de huurovereenkomst en heeft [eiser] daartegen ingebracht dat de schade niet door zijn tekortkoming is veroorzaakt. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv Pro heeft [verweerder] causaal verband gesteld en heeft [eiser] dat betwist (zie randnummer ‎3.84 hiervoor). Dat [eiser] zijn betwisting heeft onderbouwd met de stellingen dat de omzetdaling is veroorzaakt door het concurrerende [café 1] en door het uitgekeken geraken van het publiek op [het café] , maakt dat niet anders. De onbegrijpelijkheid van de uitleg van de stellingen van [eiser] door het verwijzingshof raakt ook aan de juistheid van de oordelen van het hof dat tegenbewijs niet aan de orde is, maar dat de bewijslast ten aanzien van deze stellingen op [eiser] rust en, daarop voortbouwend, dat ter zake van de stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] geen voldoende concreet bewijsaanbod door [eiser] was gedaan.
3.87
De klacht faalt echter vanwege een gebrek aan belang. Ik licht dit hierna voor elk van beide stellingen (concurrentie [café 1] en uitgekeken zijn van publiek op het café) afzonderlijk toe.
3.88
Ten aanzien van de stelling dat de omzetdaling van [het café] het gevolg is van het opstarten van het concurrerende [café 1] schuin daartegenover heeft het verwijzingshof in
het bestreden eerste tussenarresthet volgende overwogen. Het verwijzingshof heeft deze stelling bij de beschrijving van de door [eiser] aangevoerde stellingen aangehaald (rov. 4.15, tweede tot en met de vijfde volzin): “
De gestelde omzetdaling in de jaren 2002 tot en met 2005 die [verweerder] aan de door hem gestelde schade ten grondslag legt en [eiser] overigens betwist, is, voor zover die heeft plaatsgevonden ook niet het gevolg van de aan [eiser] verweten gedragingen maar van andere oorzaken. Zo hebben twee oud-werknemers[van]
het café schuin tegenover het café in 2002 een ander café geopend, [café 1] genaamd. Deze vermoedelijk drijvende krachten achter het café hebben de klanten meegenomen naar dit nieuwe café. Het publiek was uitgekeken geraakt op het café en zijn herrie.” Het verwijzingshof heeft vervolgens, nadat het in rov. 4.16 een aantal andere in de sfeer van de causaliteit liggende verweren had besproken, overwogen dat het de rol van [café 1] nog niet heeft betrokken bij zijn beoordeling van het causaal verband tussen de schade van [verweerder] en de tekortkoming van [eiser] (rov. 4.17, eerste volzin). Daarop heeft het verwijzingshof overwogen dat [eiser] van zijn stelling dat de omzetdaling van [het café] het gevolg is van het opstarten van het concurrerende [café 1] tegenover [het café] tegenbewijs heeft aangeboden door middel van het horen als getuige van de twee oud-werknemers van [het café] die [café 1] hebben opgestart (rov. 4.17, tweede volzin). Het verwijzingshof heeft die stelling zo uitgelegd dat [eiser] daarmee een beroep doet op “
alternatieve causaliteit”, zodat tegenbewijs niet aan de orde is, maar [eiser] de bewijslast van zijn stelling heeft (rov. 4.17, derde volzin). Het verwijzingshof heeft [eiser] toegelaten tot bewijs van de stelling dat “
het omzetverlies van het café in de periode van 2002 tot en met 2006 het gevolg is van het opstarten van het [café 1] in 2002 door [oud-werknemer 1] en [oud-werknemer 2] schuin tegenover het café” (rov. 4.17, vierde en tevens laatste volzin en dictum).
3.89
In
het bestreden eindarrestis het verwijzingshof onder het kopje “
Causaal verband” begonnen met de boodschap dat [eiser] na het bestreden tweede tussenarrest het verwijzingshof heeft bericht af te zien van het horen van getuigen, omdat is gebleken dat [café 1] , hoewel eerder ingeschreven – bedoeld zal zijn: in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel – pas daadwerkelijk openging in 2004 (rov. 2.3, eerste volzin). Daaraan heeft het verwijzingshof toegevoegd dat [eiser] overigens ook geen bewijshandelingen meer heeft verricht ten behoeve van de door hem te bewijzen stelling dat het omzetverlies van [het café] in de periode van 2002 tot en met 2006 het gevolg is van het opstarten van [café 1] schuin daartegenover (rov. 2.3, tweede volzin). Het verwijzingshof heeft afgesloten met het oordeel dat het gevolg hiervan is dat die stelling niet is komen vast te staan (rov. 2.3, derde volzin).
3.9
Uit dit procesverloop maak ik het volgende op. Het verwijzingshof heeft [eiser] op zijn verzoek toegestaan om getuigen te horen. [eiser] heeft daarvan eigener beweging afgezien, omdat hij zich realiseerde dat zijn verhaal over wat de gevolgen waren van het openen van [café 1] niet konden kloppen. Het verwijzingshof heeft dit eigenlijk niet anders kunnen opvatten dan, en in ieder geval mogen opvatten als, een intrekking van zijn betoog (en het daarmee samenhangende (tegen)bewijsaanbod) dat de omzetdaling van [het café] het gevolg is van het opstarten van het concurrerende [café 1] schuin daartegenover. Bovendien rijst de vraag wat er in het geval van cassatie en verwijzing nog zou moeten gebeuren. Moet de verwijzingsrechter dan alsnog een getuigenverhoor toestaan, terwijl [eiser] daarvan zelf heeft afgezien? De kwalificatie van bewijs en tegenbewijs is voor de
leveringvan (tegen)bewijs niet van belang, maar slechts voor de waarderingsmaatstaf. Het verwijzingshof is echter niet aan waardering toegekomen en wel omdat [eiser] zelf zijn (tegen)bewijsaanbod heeft ingetrokken.
3.91
Ten aanzien van de stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] stel ik voorop dat in de procesinleiding niet is verwezen naar enige vindplaats in de gedingstukken waar [eiser] op dit punt tegenbewijs heeft aangeboden. De hierna te bespreken rov. 2.1 van het bestreden tweede tussenarrest kan zo worden gelezen dat daar ook niet staat dat een dergelijk aanbod is gedaan. [66] Uit rov. 4.17 van het bestreden eerste tussenarrest blijkt slechts dat [eiser] tegenbewijs heeft aangeboden van de hiervoor besproken stelling dat het omzetverlies van [het café] in de periode van 2002 tot en met 2006 het gevolg is van het opstarten van [café 1] schuin daartegenover. Bij deze lezing is het niet verwonderlijk dat het verwijzingshof [eiser] niet heeft toegelaten tot tegenbewijs van zijn stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] en valt niet in te zien waarom een ander hof dat na een nieuwe verwijzing alsnog zou doen.
3.92
Bij deze lezing van de bestreden arresten zou het middelonderdeel zo kunnen worden opgevat dat het de strekking heeft dat het hof ambtshalve tegenbewijs had moeten toestaan. Op grond van art. 22 Rv Pro kan de rechter in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen of een van hen bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende gegevens over te leggen. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid van de rechter. [67] Onder andere dit discretionaire karakter brengt met zich dat eigenlijk niet succesvol kan worden geklaagd over het niet-uitoefenen door de rechter van de bevoegdheid van art. 22 Rv Pro. [68] Bij deze stand van zaken kan niet worden geconcludeerd dat het verwijzingshof onjuist heeft gehandeld door [eiser] niet ambtshalve toe te laten tot tegenbewijs van zijn stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] . In het middelonderdeel wordt voorts niet uitgelegd waarom het onbegrijpelijk is dat het verwijzingshof dat niet heeft gedaan.
3.93
In rov. 2.1 van het bestreden tweede tussenarrest heeft het hof overwogen dat ter zake van de stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] geen voldoende concreet bewijsaanbod door [eiser] was gedaan. In het voorgaande ben ik uitgegaan van de lezing dat op dit punt geen bewijsaanbod was gedaan. Voor het geval rov. 2.1 van het bestreden tweede tussenarrest zo moet worden gelezen dat [eiser] wél (tegen)bewijs heeft aangeboden van de stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] , maar dat hij niet tot bewijslevering wordt toegelaten, omdat dit (tegen)bewijsaanbod onvoldoende concreet is, geldt wat mij betreft het volgende.
3.94
Het verwijzingshof heeft in het
bestreden eerste tussenarrestde stelling bij de beschrijving van de door [eiser] aangevoerde stellingen aangehaald (rov. 4.15, tweede tot en met de zesde volzin). Ik verwijs in dit verband naar het citaat in randnummer ‎3.88 hiervoor. Het verwijzingshof heeft vervolgens, nadat het in rov. 4.16 een aantal andere in de sfeer van de causaliteit liggende verweren had besproken, overwogen dat het de rol van [café 1] nog niet heeft betrokken bij zijn beoordeling van het causaal verband tussen de schade van [verweerder] en de tekortkoming van [eiser] (rov. 4.17, eerste volzin). In dit verband heeft het verwijzingshof overwogen dat [eiser] hiermee een beroep doet op alternatieve causaliteit en heeft het [eiser] tot bewijs toegelaten van zijn stelling dat het omzetverlies van het café in de periode 2002 tot en met 2006 het gevolg is van het opstarten van het [café 1] (rov. 4.17, derde en vierde zin en dictum).
3.95
In
het bestreden tweede tussenarrestheeft het verwijzingshof in reactie op het verzoek van [eiser] om duiding van de bewijsopdracht in het dictum van het bestreden eerste tussenarrest (zie randnummer ‎3.88 hiervoor), vrij weergegeven, overwogen dat de bewijsopdracht niet ook ziet op de stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] , omdat – in de zojuist genoemde lezing van rov. 2.1 (randnummer 3.93 hiervoor) – [eiser] ten aanzien van deze stelling geen voldoende concreet bewijsaanbod heeft gedaan (rov. 2.1). Het verwijzingshof heeft daarna gemotiveerd waarom het geen aanleiding zag om de aan [eiser] gegeven bewijsopdracht te heroverwegen (rov. 2.2). In dat verband heeft het verwijzingshof acht geslagen op het betoog van [eiser] dat hij de bewijsopdracht van het verwijzingshof, gelet op de bindende eindbeslissing van het hof Den Haag in rov. 2.30 van het tussenarrest van 11 februari 2020 dat partijen nog in de gelegenheid worden gesteld bewijs te leveren over “
de aan- of afwezigheid van een oorzakelijk verband tussen de wanprestatie van [eiser] en de gestelde verliezen c.q. het gestelde verlies van winstgevendheid van [het café] vanaf maart 2002, in het bijzonder ter zake van de stelling van [verweerder] dat hij vanaf 2002 het muziekvolume in het café (substantieel) heeft verlaagd”, zo mag opvatten dat daaronder ook valt de stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] (rov. 2.2, tweede en derde volzin). Het verwijzingshof heeft dat betoog verworpen en in dat verband onder meer overwogen dat het door [eiser] aangehaalde oordeel van het hof Den Haag slechts een voorlopige status had (rov. 2.2, vierde volzin). Aan deze voorlopige gedachtenlijn heeft het hof Den Haag geen gevolg gegeven (rov. 2.2, vijfde volzin). Daaraan heeft het verwijzingshof toegevoegd dat [eiser] in de memorie van antwoord na cassatie en verwijzing weliswaar naar rov. 2.30 van het tussenarrest van het hof Den Haag van 11 februari 2020 heeft verwezen, maar het ook daarbij heeft gelaten (rov. 2.2, zesde volzin) en dat het in strijd is met de goede procesorde om nu alsnog aan te sturen op een bewijsopdracht met de zojuist vermelde strekking (rov. 2.2, zevende en tevens laatste volzin).
3.96
In het
bestreden eindarrestheeft het verwijzingshof zich voor de laatste keer uitgelaten over de stelling van [eiser] dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] (rov. 2.4). Na de vooropstelling dat [eiser] ten aanzien van die stelling geen bewijsopdracht is gegeven en hem niet anderszins de mogelijkheid is geboden om die stelling nader te adstrueren (rov. 2.4, derde volzin) heeft het verwijzingshof zich uitgelaten over de in dit verband na de bestreden tussenarresten nog door [eiser] overgelegde rapporten en ingenomen stellingen. Voor zover die niet al in de bestreden tussenarresten zijn afgedaan, zijn zij te laat in positie gebracht en daarmee in beginsel strijdig met de goede procesorde, aldus het verwijzingshof (rov. 2.4, vierde volzin). Ook nopen ze volgens het verwijzingshof niet evident tot andere dan de al gegeven oordelen, waaraan het verwijzingshof de consequentie heeft verbonden dat ze bij de nadere behandeling van het causaal verband tussen de tekortkoming van [eiser] en de schade van [verweerder] buiten beschouwing worden gelaten (rov. 2.4, vijfde volzin). Het verwijzingshof heeft ook nog acht geslagen op de toelichting van de advocaat van [eiser] op de stelling dat het publiek uitgekeken was geraakt op [het café] . Deze heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep na cassatie en verwijzing naar voren gebracht dat hem uit eigen wetenschap bekend is dat juist vooral de bar dancings komen en gaan en hun populariteit fluctueert (rov. 2.4, zesde volzin). Ter onderbouwing van deze toelichting heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep na cassatie en verwijzing een artikel uit het Leidsch Dagblad overgelegd (rov. 2.4, zevende volzin). Daarin wordt volgens [eiser] teruggeblikt op het Leidse uitgaanslandschap in de periode van 2000 tot 2015 en de korte populariteit en levensduur van Leidse horecagelegenheden in die periode (rov. 2.4, zevende volzin). Volgens het verwijzingshof blijft dit alles echter in algemeenheden steken (rov. 2.4, achtste volzin). Uit niets blijkt dat onder het uitgaanspubliek concrete desinteresse in [het café] was ontstaan vanwege een oorzaak die buiten het verlaagde muziekvolume was gelegen, aldus het verwijzingshof (rov. 2.4, achtste volzin).
3.97
Bij deze stand van zaken kan een nieuwe verwijzingsrechter in het geval van cassatie en verwijzing niet tot het oordeel komen dat [eiser] de causaliteit tussen de schade van [verweerder] en de tekortkoming van [eiser] voldoende gemotiveerd heeft betwist met de stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] . Ik wijs er in dit verband in het bijzonder op dat het verwijzingshof, ondanks dat het heeft overwogen dat het [eiser] ten aanzien van die stelling geen bewijsopdracht heeft gegeven en hem niet anderszins de mogelijkheid heeft geboden om die stelling nader te adstrueren, toch uitgebreid is ingegaan op de verschillende onderbouwingen door [eiser] van die stelling en uiteindelijk heeft geoordeeld dat uit niets blijkt dat onder het uitgaanspubliek concrete desinteresse in [het café] was ontstaan vanwege een oorzaak die buiten het verlaagde muziekvolume was gelegen (bestreden eindarrest, rov. 2.4, achtste volzin). In het geval van een niet voldoende gemotiveerde betwisting van een stelling wordt aan (tegen)bewijslevering niet toegekomen, zodat het in zoverre niet uitmaakt dat het verwijzingshof – in de lezing van rov. 2.1 van het tweede bestreden tussenarrest genoemd in randnummer 3.93 hiervoor – aan het tegenbewijsaanbod de eis heeft gesteld dat het voldoende concreet is.
3.98
De klacht faalt daarom, als gezegd (randnummer ‎3.87 hiervoor), wegens gebrek aan belang.
3.99
Daarmee kom ik toe aan de
derde klachtvan dit middelonderdeel. In dit verband voert het middelonderdeel aan dat het verwijzingshof in rov. 2.2 van het bestreden tweede tussenarrest heeft miskend dat de voornoemde beslissing van het hof Den Haag (het in randnummer ‎3.78 hiervoor beschreven oordeel van het hof Den Haag in rov. 2.30 van het tussenarrest van 11 februari 2020) een bindende eindbeslissing is. [69] Volgens het middelonderdeel mocht het verwijzingshof daar niet, althans niet zonder nadere motivering, van terugkomen. Het is goed om te benadrukken dat we het hier hebben over de stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] .
3.100 De klacht faalt vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan de klacht voorstelt, is de overweging van het hof Den Haag in rov. 2.30 van het tussenarrest van 11 februari 2020 geen bindende eindbeslissing. Een bindende eindbeslissing is, ik verwijs naar randnummer ‎3.40, een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing omtrent enig geschilpunt tussen partijen die een einde maakt aan dat geschilpunt. Het hof Den Haag heeft overwogen dat het partijen in de gelegenheid zal stellen “
(nader) bewijs te leveren over de aan- of afwezigheid van het oorzakelijk verband tussen de wanprestatie van [eiser] en de gestelde verliezen c.q. het gestelde verlies van winstgevend van [het café] vanaf 2002, in het bijzonder ter zake van de stelling van [verweerder] dat hij vanaf 2002 het muziekvolume in het café (substantieel) heeft verlaagd.” Daarmee heeft het hof Den Haag volgens mij geen eind gemaakt aan het geschilpunt van het causaal verband. Bovendien heeft het hof Den Haag die overweging voorwaardelijk geformuleerd door te overwogen dat het tot (nadere) bewijslevering zal overgaan
alshet ofwel (i) de lezing van [verweerder] over de reikwijdte van de veroordeling in de hoofdzaak volgt dan wel (ii) niet als eindoordeel handhaaft dat bij het volgen van de lezing van [eiser] over de reikwijdte van de veroordeling in de hoofdzaak de goodwillwaarde van [het café] het negatieve eigen vermogen van de B.V. op het moment van (moeten) sluiten in 2006 niet zou kunnen compenseren en [verweerder] dus geen schade heeft geleden ten gevolge van het moeten sluiten van het café in 2006 door de wanprestatie van [eiser] . Die voorwaarden zijn niet ingetreden. [70]
3.101 Daarop heeft het verwijzingshof duidelijk gewezen in de bestreden overweging in rov. 2.2 van het bestreden tweede tussenarrest: “
Deze overweging[die van het hof Den Haag in rov. 2.30 van het tussenarrest van 11 februari 2020,
A-G]
is echter ingeleid door het gerechtshof Den Haag veronderstellend dat de lezing van [verweerder] over de reikwijdte van de veroordeling in de hoofdzaak zou worden gevolgd en had, ook gezien de overige formulering van r.o. 2.30, slechts een voorlopige status. Het gerechtshof Den Haag heeft geen gevolg aan deze voorlopige gedachtenlijn gegeven: in zijn vervolguitspraak is een andere (ook reeds in het tussenarrest van 11 februari 2020 voorshands overwogen) lezing over de reikwijdte van de veroordeling in de hoofdzaak[die van [eiser] ,
A-G]
gevolgd.” Gelet op mijn lezing van het tussenarrest van het hof Den Haag van 11 februari 2020 (zie randnummer 3.100 hiervoor) zal het geen verrassing zijn dat ik deze overwegingen van het verwijzingshof goed te volgen en zeker niet onbegrijpelijk vind.
3.101 Het verwijzingshof heeft hierover verder nog overwogen dat [eiser] weliswaar in zijn memorie van antwoord na cassatie en verwijzing naar rov. 2.30 van het tussenarrest van 11 februari 2020 heeft verwezen, maar het ook daarbij heeft gelaten. Kennelijk was het verwijzingshof van oordeel dat [eiser] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt wat hij met zijn verwijzing naar rov. 2.30 van het tussenarrest van 11 februari 2020 heeft bedoeld. Tegen dat (impliciete) oordeel zijn geen klachten gericht. Het verwijzingshof heeft dit onderwerp afgesloten met het oordeel dat het in strijd is met de goede procesorde om nu alsnog aan te sturen op een bewijsopdracht met een strekking die overeenkomt met hetgeen het hof Den Haag in rov. 2.30 van het tussenarrest van 11 februari 2020 heeft overwogen. Met “
nu” heeft het verwijzingshof volgens mij bedoeld: na het nemen van de memorie van antwoord na cassatie en verwijzing en de mondelinge behandeling in hoger beroep na cassatie en verwijzing.
3.101 Voortbouwend op de derde klacht voert het middelonderdeel in de
vierde plaatsaan dat onjuist of onbegrijpelijk is het oordeel van het verwijzingshof dat sprake is van een overweging met voorlopige status. In dat verband stelt het middelonderdeel dat het oordeel van het hof Den Haag over het toelaten tot bewijslevering in rov. 2.30 van het tussenarrest van 11 februari 2020 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is gegeven, zodat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is dat het verwijzingshof heeft geoordeeld dat sprake is van een voorlopig oordeel. [71] Het middelonderdeel sluit af met de opmerking dat [eiser] er op mocht vertrouwen dat hij nog de gelegenheid tot bewijslevering zou krijgen.
3.104 De klacht faalt. De in de procesinleiding aangehaalde overweging van het hof Den Haag in rov. 2.30 van het tussenarrest van 11 februari 2020 kan, anders dan de klacht meent, niet worden aangemerkt als een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing omtrent enig geschilpunt tussen partijen die een einde maakt aan dat geschilpunt. Het verwijzingshof heeft zijn oordeel in rov. 2.2 van het bestreden tweede tussenarrest dat het hof Den Haag een voorlopig oordeel heeft gegeven voldoende gemotiveerd. Dat oordeel is allerminst onbegrijpelijk. Ik verwijs in dit verband naar de behandeling van de derde klacht van dit middelonderdeel in randnummers ‎3.99-‎3.102 hiervoor.
Middelonderdeel V
3.105 Het middelonderdeel bevat enkel een voortbouwklacht. Gegrondbevinding van (één van) de daaraan voorafgaande middelonderdelen zou tevens raken aan rov. 2.7, 2.9 en 3. van het eindarrest. Hetzelfde geldt voor het bestreden eerste tussenarrest, omdat het verwijzingshof daarin zou hebben vastgehouden aan zijn oordelen over de causaliteit en de vaststelling van de
goodwillop basis van de [A] -rapporten die door de middelonderdelen I en II worden bestreden.
3.105 De voortbouwklacht faalt in het spoor van de klachten van de aan middelonderdeel V voorafgaande middelonderdelen.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:854,
2.Deze feiten zijn, met een enkele redactionele aanpassing, ontleend aan hof Amsterdam 30 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2122, rov. 3.
3.Rb. ’s-Gravenhage 29 augustus 2007, rolnummer 587772/06-3733 (niet gepubliceerd).
4.Hof ’s-Gravenhage 6 juli 2010, zaaknummer 105.007.319, rolnummer (oud) C07/01455 (niet gepubliceerd).
5.Rb. Den Haag 10 juni 2015, rolnummer 1174850 \ CV EXPL 12-3695 (niet gepubliceerd), rov. 2.1. [verweerder] heeft zijn schade laten berekenen door [A] . Op 10 oktober 2007 heeft [A] het hier bedoelde rapport opgesteld, met daarin een schadeberekening gebaseerd op met name een verlies aan
6.Rb. Den Haag 17 juli 2013, rolnummer 1174850 \ CV EXPL 12-3695 (niet gepubliceerd), rov. 4.6.
7.Rb. Den Haag 9 oktober 2013, rolnummer 1174850 \ CV EXPL 12-3695 (niet gepubliceerd).
8.Hof Den Haag 17 maart 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1142.
9.Rb. Den Haag 25 oktober 2017, rolnummer 1174850 \ CV EXPL 12-3695 (niet gepubliceerd).
10.Eindvonnis, rov. 2.10.
11.Eindvonnis, rov. 2.10.
12.Eindvonnis, rov. 2.11.
13.Eindvonnis, rov. 2.11.
14.Eindvonnis, rov. 2.12.
15.Eindvonnis, rov. 2.13.
16.Eindvonnis, rov. 2.14.
17.Eindvonnis, rov. 2.15.
18.Eindvonnis, rov. 2.17.
19.Eindvonnis, rov. 2.17.
20.Het hof Den Haag is in rov. 2.7. van het arrest van 29 januari 2019 uitgegaan van een totale vorderingswaarde van € 832.974,83, terwijl het in rov. 2.12. van het arrest van 11 februari 2020 is uitgegaan van een totale vorderingswaarde van € 831.974,83. Als je de individuele vorderingen bij elkaar optelt, kom je op een totaal van € 832.974,83 uit, zodat ik daarvan uitga.
21.Hof Den Haag 11 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2807.
22.Hof Den Haag 6 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2828.
23.Hof Den Haag 1 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2808.
24.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:854,
25.Hof Amsterdam 30 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2122.
26.Hof Amsterdam 17 december 2024, zaaknummer 200.315.488/01 (niet gepubliceerd).
27.Hof Amsterdam 8 juli 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1760.
28.Bestreden eerste tussenarrest, rov. 3. Zoals reeds is opgemerkt in voetnoot 2 zijn de in paragraaf 1 van deze conclusie beschreven feiten hieraan ontleend.
29.Bestreden eerste tussenarrest, rov. 4.1-4.8.
30.Bestreden eerste tussenarrest, rov. 2.
31.Zoals reeds is opgemerkt (zie randnummer ‎2.16 hiervoor), bracht de memorie na verwijzing tevens houdende wijziging van eis van de zijde van [verweerder] van 18 oktober 2022 tevens een wijziging van eis mee.
32.In rov. 2.21. van het arrest van het hof Den Haag van 11 februari 2020 worden deze verweren als volgt omschreven: “
33.In cassatie wordt niet zozeer geklaagd over de hierna aan te halen rechtsoverwegingen uit het bestreden eerste tussenarrest. Wel wordt er geklaagd over de rechtsoverwegingen die zien op het door [verweerder] misgelopen salaris in het bestreden eindarrest. Om een volledig beeld te krijgen van hetgeen het verwijzingshof heeft overwogen en geoordeeld over het door [verweerder] misgelopen salaris en voor het leesgemak haal ik hier ook de betreffende rechtsoverwegingen uit het bestreden eerste tussenarrest aan.
34.Bestreden eerste tussenarrest, rov. 4.
35.Bestreden tweede tussenarrest, rov. 1.
36.Bestreden eindarrest, rov. 1., 2.1 en 2.2.
37.Bestreden eindarrest, rov. 2.3 en 2.4. Zie ook het bestreden eerste tussenarrest, rov. 4.13-4.17 (zie randnummers ‎2.21-‎2.23 hiervoor).
38.Bestreden eindarrest, rov. 2.5-2.8. Zie ook het bestreden eerste tussenarrest, rov. 4.18-4.28 (zie randnummers ‎2.24-‎2.30 hiervoor).
39.In de uitspraken in dit geding wordt zowel gesproken van “
40.In dit verband wordt verwezen naar de pleitaantekeningen de zijde van [eiser] van 12 februari 2024, randnummers 3. en 4.
41.In dit verband wordt verwezen naar de pleitaantekeningen van de zijde van [eiser] van 12 februari 2024, randnummers 3., 4. onder b) en e), 5. en 6. en de memorie van antwoord na cassatie en verwijzing van de zijde van [eiser] van 29 november 2022, nr. 18.
42.[eiser] heeft het bij herhaling over ‘geluidsvolume’ waar het hof het steeds heeft over ‘muziekvolume’ of ‘volume van de muziek’, maar het is duidelijk dat het om hetzelfde gaat.
43.In dit verband wordt verwezen naar de pleitaantekeningen van de zijde van [eiser] van 12 februari 2024, randnummers 4. onder c) en d), en 6.
44.Zie de pleitaantekeningen van de zijde van [eiser] van 12 februari 2024, randnummer 4. onder b).
45.Zie de pleitaantekeningen van de zijde van [eiser] van 12 februari 2024, randnummer 4. onder b).
46.In randnummer 4. onder d) van de pleitaantekeningen van de zijde van [eiser] van 12 februari 2024, waarnaar in dit verband in de procesinleiding wordt verwezen, staat: “
47.In dit verband wordt in voetnoot 6 van de procesinleiding aangevoerd dat [eiser] er bovendien op heeft gewezen dat de [A] -rapporten zijn gebaseerd op de aanname dat de omzetderving zou zijn gebaseerd op de daling van het geluidsvolume. Daarbij wordt verwezen naar de pleitaantekeningen van de zijde van [eiser] van 12 februari 2024, randnummer 12. onder a) en de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel tevens wijziging van eis van de zijde van [eiser] van 23 april 2019, randnummers 4.4., 4.6. en 4.7.
48.In de procesinleiding wordt gesproken van (onderstreping van mij) “
49.In dit verband wordt op gewezen op de memorie van antwoord na cassatie en verwijzing van de zijde van [eiser] van 29 november 2022, randnummers 23. en 31. en de pleitaantekeningen van de zijde van [eiser] van 12 februari 2024, randnummer 12. onder b) en c).
50.In dit verband wordt in voetnoot 10 van de procesinleiding opgemerkt dat het gaat om een arrest in de procedure die tot aansprakelijkheid heeft geleid en om een arrest in de schadestaatprocedure en niet om de door Uw Raad vernietigde arresten.
51.In de procesinleiding wordt in dit verband verwezen naar onder andere randnummer 23. van de memorie van antwoord na cassatie en verwijzing van de zijde van [eiser] van 29 november 2022. Daar staat (onderstrepingen van mij): “
52.Zie bijvoorbeeld mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:1258) voor HR 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:258,
53.In de procesinleiding wordt in dit verband verwezen naar onder andere randnummer 23. van de memorie van antwoord na cassatie en verwijzing van de zijde van zijde van [eiser] van 29 november 2022. Daar staat (onderstreping van mij): “
54.Zoals ook blijkt uit het citaat in het vorige randnummer.
55.In dit verband wordt verwezen naar de pleitaantekeningen van de zijde van [eiser] van 12 februari 2024, randnummer 12. onder b).
56.In dit verband wordt verwezen naar de pleitaantekeningen van de zijde van [eiser] van 12 februari 2024, randnummer 12. onder c).
57.In de procesinleiding wordt gesproken van (onderstreping van mij) “
58.In dit verband wordt in voetnoot 11 van de procesinleiding opgemerkt dat het verwijzingshof in het tussenarrest (bedoeld zal zijn: het bestreden eerste tussenarrest) niet heeft geoordeeld dat sprake is van ongemotiveerde betwisting.
59.In dit verband wordt in voetnoot 12 van de procesinleiding verwezen naar rov. 4.16 van het bestreden eerste tussenarrest, waarin het verwijzingshof het beroep van [verweerder] op de omkeringsregel zou hebben afgewezen.
60.In dit verband wordt in voetnoot 13 van de procesinleiding opgemerkt dat [eiser] belang heeft bij zijn stelling dat het publiek op het café is uitgekeken geraakt.
61.Zie bijvoorbeeld HR 29 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1314,
62.F.J.P. Lock,
63.F.J.P. Lock,
64.Zie bijvoorbeeld HR 3 februari 2021, ECLI:NL:HR:2012:BU7245,
65.Het verwijzingshof heeft niet met zoveel woorden overwogen dat [eiser] met de stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] een beroep op een alternatieve oorzaak heeft gedaan. Het verwijzingshof lijkt dat enkel te hebben gedaan ten aanzien van de stelling van [eiser] dat de omzetdaling van [het café] het gevolg is van het opstarten van het concurrerende [café 1] schuin tegenover [het café] : “
66.Voor zover het middelonderdeel de bedoeling zou hebben dat het verwijzingshof het verzoek van [eiser] om duiding van de bewijsopdracht niet (alleen) als zodanig had moeten opvatten maar eigenlijk (ook) als een tegenbewijsaanbod, geldt dat het verwijzingshof dat klaarblijkelijk niet heeft gedaan. Het verwijzingshof heeft het verzoek in het tweede bestreden tussenarrest enkel als een verzoek om duiding gelezen en over die lezing is niet geklaagd.
67.Asser Procesrecht/W.D.H. Asser,
68.Asser Procesrecht/W.D.H. Asser,
69.In dit verband wordt in voetnoot 14 van de procesinleiding opgemerkt dat “
70.Hof Den Haag 6 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2828, rov 2.3 en 2.5.
71.In dit verband wordt in voetnoot 15 van de procesinleiding verwezen naar rov. 2.30 van het tussenarrest van 11 februari 2020, waarin het hof Den Haag zou hebben overwogen dat het causaliteitsverweer van [eiser] nog aan de orde moet komen, waaronder zijn stelling over het in algemene zin uitgekeken geraakt zijn van het publiek op het café. Vervolgens zou het hof Den Haag hebben overwogen dat het, mocht dit relevant worden, partijen in de gelegenheid zal stellen nader bewijs te leveren over het oorzakelijk verband. De voetnoot sluit af met een puntkomma gevolgd door de woorden “