Conclusie
goodwill) vastgesteld en [eiser] veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
goodwill;
goodwillniet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken (rov. 4.2.1). Uw Raad heeft geoordeeld dat deze klachten slagen, op de grond dat het hof Den Haag niet, althans uit de motivering niet kenbaar, heeft beslist over deze gevorderde schadeposten.
goodwillwaarop de huurachterstand van € 107.029,05 in mindering is gebracht), een bedrag van € 111.640 aan misgelopen salaris, een bedrag van € 5.291,25 (exclusief BTW) in verband met de [A] -rapporten en de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verwijzingshof heeft deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Causaal verband” het causaal verband tussen de schade van [verweerder] en de tekortkoming van [eiser] besproken. Het verwijzingshof heeft in dat kader de stellingen van [verweerder] en de verweren van [eiser] beschreven en de relevante regels over de stelplicht en bewijslast aangehaald:
Causaal verband
alternatieve causaliteit” doet, de bewijslast ten aanzien van die stelling op [eiser] rust en geoordeeld dat [eiser] tot bewijslevering zal worden toegelaten:
Omvang schade
goodwill(rov. 4.22-4.24), de kosten voor het opstellen van de [A] -rapporten (rov. 4.25) en de rechtsbijstandskosten in het executiegeschil (rov. 4.26 en 4.27). Het verwijzingshof heeft ten slotte aangekondigd dat, mocht [eiser] worden veroordeeld tot betaling van enig bedrag aan [verweerder] , dat bedrag wordt verrekend met de huurachterstand van [verweerder] (rov. 4.28). Het verwijzingshof heeft iedere verdere beslissing aangehouden (rov. 4.29).
goodwill. Daarom ga ik hierna in op deze overwegingen en oordelen.
goodwillheeft het verwijzingshof eerst de stellingen van [verweerder] weergegeven en het [A] -rapport van 10 oktober 2007 aangehaald:
Goodwill
, met terugwerkende kracht per 1 januari 1998, ondergebracht in de (…) B.V. (voorheen: kwam de exploitatie voor rekening van [verweerder] privé). Bij de inbreng per 1 januari 1998 is een goodwill geactiveerd van (…) € 227.835.
café (…) in (…)[de]
B.V. per 1 januari 1998 is daaraan een goodwill toegekend van € 227.835. De resultaatontwikkeling is nadien positief geweest, tot en met het jaar 2001. Op grond van onze analyse zoals uitgewerkt in de bijlage bij deze notitie concluderen wij dat de goodwill van[de]
B.V. op basis van de verbeterde rentabiliteitswaardemethode ultimo 2001 rond € 239.000 heeft bedragen. Wij concluderen dat degoodwill
ultimo 2001 kan worden vastgesteld op een bedrag van indicatief € 239.000.
B.V. heeft de activiteiten in het café moeten beëindigen op 17 mei 2006. Per die datum was geen sprake meer van goodwill. Ook bij het faillissement dat nadien volgde is, naar wij begrijpen, geen bate gerealiseerd uit hoofde van overdracht van immateriële vaste activa.”
goodwillvan € 239.000:
Verzoek duiding bewijsopdracht
goodwillen het misgelopen salaris volledig aan [eiser] toe te rekenen, voor zover overigens toewijsbaar:
Causaal verband
Omvang schade” ingegaan op de
goodwill, het misgelopen salaris en de kosten van het opmaken van de [A] -rapporten. Omdat de eerste twee schadeposten in cassatie nadrukkelijk aan de orde worden gesteld beperk ik mij hier tot de bespreking daarvan.
goodwillheeft het verwijzingshof uiteindelijk een bedrag van € 239.000 toegewezen en daarop de huurachterstand van € 107.029,05 in mindering gebracht, zodat een bedrag van € 131.970,95 resteert:
Goodwill en verrekening huurachterstand
Misgelopen salaris
3.Bespreking van het cassatiemiddel
goodwill; en
Het hof gaat hierbij ervan uit dat in de jaren 2002 tot 2006 de omzet van het café substantieel is gedaald, zoals duidelijk blijkt uit het in de ter zitting bij het hof overgelegde spreekaantekeningen van [eiser] opgenomen overzicht van de ontwikkeling van de omzet van 1998 tot en met 2005 en dat deze omzetdaling heeft geleid tot het faillissement van de B.V. Deze periode loopt gelijk met het handhavend optreden van de Milieudienst, daartoe aangestuurd door [eiser] . De betwisting door [eiser] van de stelling van [verweerder] dat hij het volume van de muziek in het café heeft geminderd, zodat de terugloop van de omzet daaraan niet kan worden toegeschreven en daarmee dus ook niet aan het handelen van [eiser] , heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd.”
tevens” aan zijn beslissing ten grondslag hebben gelegd en hebben geoordeeld dat het “
in het geheel van de besproken naar voren gebrachte omstandigheden” voldoende aanleiding ziet de gevorderde schadevergoeding ter zake van misgelopen salaris en gederfde
goodwillaan [eiser] toe te rekenen.
met voorbijgaan aan terzake essentiële stellingen van [eiser]”. In de toelichting op het middelonderdeel tref ik zes verschillende klachten aan, waarvan ik sommige gezamenlijk behandel.
eerste klachtvoert het middelonderdeel aan dat het verwijzingshof niet of onvoldoende heeft gerespondeerd op een causaliteitsverweer van [eiser] , terwijl dit verweer, indien gegrond bevonden, tot een ander oordeel had moeten leiden . In dat verband wijst het middelonderdeel op het bij pleidooi in hoger beroep door [eiser] aangevoerde causaliteitsverweer, dat uit de door [verweerder] zelf opgestelde en in het geding gebrachte jaarcijfers blijkt dat de onderneming reeds vóór de handhaving per 1 januari 2002 op haar retour was, waarmee volgens het middelonderdeel het causaal verband tussen de aan [eiser] verweten gedragingen en de door [verweerder] geleden schade anderzijds gemotiveerd en gedocumenteerd is betwist. [40]
nietop het hiervoor beschreven causaliteitsverweer heeft gerespondeerd, faalt de klacht vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Het verwijzingshof heeft zich in het bestreden eerste tussenarrest, onder het kopje “
Causaal verband”, uitgelaten over het causaal verband tussen de schade van [verweerder] en de tekortkoming van [eiser] . In dat verband heeft het verwijzingshof in de bestreden overwegingen uit de door [verweerder] zelf opgestelde en in het geding gebrachte jaarcijfers, waarnaar [eiser] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verwezen, kennelijk niet kunnen opmaken dat, zoals de klacht voorstelt, de onderneming van [verweerder] reeds vóór het handhavend optreden door de milieudienst per 1 augustus 2002 al op haar retour was. Het verwijzingshof heeft daaruit wél opgemaakt dat in de jaren 2002 tot 2006 de omzet van het café, in de woorden van het hof: “
substantieel”, is gedaald. Hierin ligt het oordeel besloten dat [eiser] de in verband met zijn betwisting van het causaal verband tussen de schade van [verweerder] en zijn tekortkoming ingenomen stelling dat de onderneming van [verweerder] reeds vóór het handhavend optreden door de milieudienst per 1 augustus 2002 al op haar retour was, onvoldoende heeft onderbouwd.
onvoldoendeheeft gerespondeerd op het causaliteitsverweer dat de onderneming van [verweerder] al vóór het handhavend optreden door de milieudienst per 1 augustus 2002 op haar retour was. In de procesinleiding wordt niet uitgelegd waarom dat het geval zou zijn en het is niet zo dat die conclusie zich opdringt.
tweede klachtvoert het middelonderdeel aan dat, voor zover het verwijzingshof op genoemd causaliteitsverweer het oog had door te overwegen dat aan [eiser] geen bewijsopdracht was verstrekt en ook niet anderszins de gelegenheid is geboden de in dat verband aangevoerde stellingen nader te adstrueren, in mijn woorden, omdat [eiser] zijn stellingen te laat in positie heeft gebracht en deze stellingen daarmee in beginsel in strijd zijn met de goede procesorde, deze overwegingen rechtens onjuist zijn. In dat verband wijst het middelonderdeel er op dat het [eiser] volstrekt vrijstond om bij pleidooi zijn stellingen nader te onderbouwen.
derde klachthoudt in dat, voor zover het verwijzingshof op genoemd causaliteitsverweer het oog had door te overwegen dat, omdat de in dat verband aangevoerde stellingen niet evident nopen tot andere dan de al gegeven oordelen, deze stellingen buiten beschouwing worden gelaten bij de nadere behandeling van het causaal verband tussen de tekortkoming van [eiser] en de door [verweerder] gestelde schade en deze stellingen in algemeenheden blijven steken, deze overwegingen onbegrijpelijk zijn. Onbegrijpelijk, zo stelt het middelonderdeel, gelet op “
voormelde stellingen”.
voormelde stellingen”, aldus de klacht.
nietgerespondeerd op het causaliteitsverweer dat de onderneming van [verweerder] reeds vóór het handhavend optreden door de milieudienst per 1 augustus 2002 op haar retour was, wat zou moeten volgen uit de overgelegde omzetcijfers. Dat had het verwijzingshof reeds gedaan in rov. 4.16 van het bestreden eerste tussenarrest. Zie in dit verband de beschrijving van de inhoud van die rechtsoverweging in randnummer 3.10. Het verwijzingshof heeft in rov. 2.4 van het bestreden eindarrest juist gerespondeerd op de stelling van [eiser] dat het publiek uitgekeken was geraakt op het café. Bovendien wordt het oordeel van het verwijzingshof, dat het uit de aangehaalde jaarcijfers niet heeft opgemaakt dat de onderneming al op haar retour was, als zodanig niet bestreden, zodat de tweede en derde klacht ook daarop afstuiten.
vierde klachtvan middelonderdeel I. Deze klacht is gericht tegen de overweging van het verwijzingshof in rov. 4.16 van het bestreden eerste tussenarrest dat uit het overzicht in de spreekaantekeningen duidelijk blijkt dat sprake is van een omzetdaling in de periode 2002-2006 die heeft geleid tot het faillissement van de BV en dat deze periode gelijk loopt met het handhavend optreden van de milieudienst (daartoe aangezet door [eiser] ). Dit is onbegrijpelijk, klaagt het middelonderdeel, gelet op de stellingen van [eiser] dat (i) uit de rapportage blijkt dat de omzet vanaf 2000 al aanzienlijk daalde, terwijl de handhaving per 1 augustus 2002 is ingezet, zodat deze de omzetdaling voor 2001 en een groot deel van 2002 niet kan verklaren (de winstgevendheid van het café was al op haar retour) [41] en (ii) dat een opleving in de omzet in de jaren 2004 en 2005 in strijd is met de stelling van [verweerder] dat het publiek wegbleef als gevolg van de vermeende daling van het geluidsvolume [42] en dat populariteit van de horeca grillig was, in het bijzonder in de betreffende periode in [plaats] . [43] Volgens het middelonderdeel is in het licht van deze stellingen, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk het oordeel van het verwijzingshof (a) dat de periode van omzetdaling gelijk liep met de handhaving en (b) dat deze tot het faillissement van de B.V. heeft geleid.
in de periode 2002 tot 17 mei 2006. In die periode is de omzet van het café substantieel gedaald en die periode loopt gelijk op met het handhavend optreden door de milieudienst per 1 augustus 2002.
aanzienlijk” te gebruiken. [45] In het licht van deze ontwikkeling van de omzet is het niet onbegrijpelijk dat het verwijzingshof in rov. 4.16 heeft overwogen dat in de jaren 2002 tot 2006 de omzet van het café
substantieelis gedaald.
vijfde klachtaan dat “
hiermee” (bedoeld zal zijn: gelet op (het slagen van) de vierde klacht) ook niet in stand kan blijven het oordeel van het verwijzingshof in rov. 4.16 van het bestreden eerste tussenarrest dat de omzetderving een gevolg was van de daling van het muziekvolume, omdat volgens het middelonderdeel de causaliteit niet vaststaat.
zesde klachtvoert ten slotte aan dat niet in stand kan blijven het oordeel van het verwijzingshof in verband met de [A] -rapporten in rov. 4.24 van het bestreden eerste tussenarrest, omdat dit oordeel volgens het middelonderdeel voortbouwt op de verwerping/het passeren van “
voornoemde stellingen” van [eiser] . [47]
betwist, zodat het verwijzingshof zal uitgaan van een als gevolg van het faillissement van de B.V. door [verweerder] gederfde
goodwillten bedrage van € 239.000. Dat oordeel zou, gelet op de hierna te bespreken uitwerking, onjuist of onbegrijpelijk zijn.
goodwillis uitgegaan van de juistheid van de [A] -rapporten althans waarom het verwijzingshof heeft geoordeeld dat [eiser] deze rapporten voor het overige niet heeft betwist, nu het daarvoor heeft verwezen naar de kritiek van het hof ’s-Gravenhage en het hof Den Haag in de zojuist genoemde arresten. [50]
goodwillaan de hand van de [A] -rapporten. Het middelonderdeel stelt in essentie dat het verwijzingshof zich niet had mogen baseren op de [A] -rapporten, omdat het was gebonden aan eerdere oordelen van het hof ’s-Gravenhage en het hof Den Haag in respectievelijk de hoofdzaak en de onderhavige schadestaatprocedure dat de door [verweerder] gestelde schade niet uit de [A] -rapporten volgt. Dat is volgens het middelonderdeel zo, omdat in het eerste cassatieberoep niet over deze oordelen is geklaagd en deze oordelen dus onherroepelijk zijn geworden dan wel omdat deze oordelen bindende eindbeslissingen zijn waarvan zonder nadere motivering niet kon worden afgeweken. Aan het middelonderdeel ligt de aanname ten grondslag dat het verwijzingshof is afgeweken van de eerdere oordelen van het hof ’s-Gravenhage en het hof Den Haag.
de door[verweerder]
gestelde schade niet volgt uit de [A] -rapporten”. Het hof ’s-Gravenhage heeft daar het volgende overwogen (onderstreping van mij): “
Anders dan [verweerder] – gelet op zijn verwijzing naar het rapport van [A] van 10 oktober 2007 – kennelijk meent, is zijn schade echter niet gelijk te stellen aan de schade van [de B.V.](…)
Welke schade [verweerder] in persoon heeft geleden is door hem op geen enkele wijze onderbouwd en voor het hof niet inzichtelijk. [verweerder] zal deze schade nader dienen te onderbouwen in een schadestaatprocedure.”
[verweerder] zal deze schade nader dienen te onderbouwen in een schadestaatprocedure” heeft het hof ’s-Gravenhage niet bedoeld om met de volzin “
Welke schade [verweerder] in persoon heeft geleden is door hem op geen enkele wijze onderbouwd en voor het hof niet inzichtelijk” een eind te maken aan het geschilpunt met betrekking tot de omvang van de door [verweerder] geleden schade. Nadat het hof ’s-Gravenhage had geoordeeld dat het aannemelijk is dat [verweerder] , als huurder, schade heeft geleden als gevolg van de tekortkoming van [eiser] en dat [eiser] gehouden is om deze schade te vergoeden, heeft het overwogen dat [verweerder] nog niet (voldoende) aannemelijk had gemaakt welke schade hij in persoon heeft geleden. Daarin ligt besloten dat de verwijzing naar de [A] -rapporten door [verweerder] ontoereikend was voor het hof ’s-Gravenhage om in de hoofdzaak een oordeel te kunnen vellen over de schade die [verweerder] in persoon heeft geleden. Door partijen naar de schadestaatprocedure te verwijzen heeft het hof ’s-Gravenhage [verweerder] de mogelijkheid gegeven om in die procedure alsnog voldoende aannemelijk te maken welke schade hij in persoon heeft geleden. De aangehaalde overweging van het hof ’s-Gravenhage kan niet zo worden begrepen dat de [A] -rapporten in de schadestaatprocedure niet meer op tafel mochten komen. Kennelijk was het hof ’s-Gravenhage van oordeel dat [verweerder] in de hoofdzaak nog niet (voldoende) had onderbouwd hoe bijvoorbeeld uit het [A] -rapport kan worden opgemaakt dat hij in persoon schade heeft geleden, maar heeft het niet uitgesloten dat [verweerder] daar in de schadestaatprocedure alsnog in zal slagen. Omdat het oordeel van het hof ’s-Gravenhage niet als bindende eindbeslissing kan worden beschouwd, was het verwijzingshof er als gezegd ook niet aan gebonden.
goodwill, die met het inbrengen van de eenmanszaak van [verweerder] in de B.V. is ingebracht en door het faillissement verloren is gegaan, niet bij [verweerder] zou zijn terechtgekomen bij verkoop van zijn onderneming bij pensionering (rov. 4.22). Het verwijzingshof heeft vervolgens in het bestreden eerste tussenarrest een passage uit het eerste [A] -rapport van 10 oktober 2007 geciteerd (rov. 4.23). Het verwijzingshof is daarop, nadat het de bezwaren van [eiser] heeft verworpen, tot de slotsom gekomen dat het zal uitgaan van een als gevolg van het faillissement van de B.V. door [verweerder] gederfde
goodwillten bedrage van € 239.000 (rov. 4.24). Kort gezegd heeft het verwijzingshof dat oordeel, nadat het nog de nagekomen bezwaren van [eiser] in verband met diverse causaliteitskwesties had verworpen (rov. 2.4), in het bestreden eindarrest gehandhaafd (rov. 2.5). Kennelijk was het verwijzingshof van oordeel dat [verweerder] inzichtelijk heeft gemaakt en ook voldoende heeft onderbouwd dat hij in persoon schade heeft geleden in de vorm van gederfde
goodwill. In de bestreden arresten valt niet te lezen dat het verwijzingshof de schade van [verweerder] gelijk heeft gesteld aan of heeft afgeleid van de schade van de B.V. Het verwijzingshof heeft het slechts gehad over de
goodwilldie met het inbrengen van de eenmanszaak van [verweerder] in de B.V. is ingebracht en die door het faillissement van de B.V. verloren is gegaan.
Het hof kan [verweerder] niet volgen in zijn standpunt dat de schade waarvoor op dit punt [eiser] aansprakelijk is, volgt uit het rapport van 10 oktober 2007 en het aanvullend rapport van [A] van 21 januari 2011. De schade die in zodanig verband staat met de gedragingen van [eiser] waarop de aansprakelijkheid berust dat deze schade aan [eiser] als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend, is niet gelijk aan 75% van de verminderde waarde van de aandelen van [verweerder] in Veel en Lekker Beheer B.V. als gevolg van het faillissement van [de B.V.]”
goodwillen het misgelopen salaris op € 239.000 respectievelijk € 558.200 wordt vastgesteld. Tegen deze achtergrond, die ik hierna nog toelicht, kan niet worden geconcludeerd dat het verwijzingshof is afgeweken van het oordeel van het hof Den Haag in de schadestaatprocedure, zodat evenmin kan worden gesteld dat het verwijzingshof de door het hof Den Haag in de schadestaatprocedure gelaten ruimte heeft overschreden. Ter toelichting dient het volgende.
€ 539.982,00 schade ten gevolge van het faillissement van [de B.V.]” (rov. 3.1, zie ook randnummer 2.1).
aanmerkelijk belang belasting” moest worden afgetrokken, zodat een schadebedrag van € 539.982 resteerde (rov. 4.5). Oftewel: het ging om 75% van de verminderde waarde van Veel en Lekker Beheer B.V. als gevolg van het moeten sluiten van [het café] . Omdat het daarbij gaat om schade die [verweerder] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder in zijn houdstermaatschappij Veel en Lekker Beheer B.V. lijdt, is volgens de kantonrechter sprake van afgeleide schade die in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking komt (rov. 4.5). De kantonrechter heeft het arrest van het hof ’s-Gravenhage in de hoofdzaak zo uitgelegd dat daaruit volgt dat het moet gaan om schade die [verweerder] als huurder heeft geleden en niet als aandeelhouder in Veel en Lekker Beheer B.V., die op haar beurt weer aandelen hield in de B.V. (rov. 4.5). Tegen deze achtergrond is de kantonrechter tot het oordeel gekomen dat [verweerder] de schade, die hij als huurder heeft geleden, vooralsnog niet heeft aangetoond (rov. 4.6). De kantonrechter heeft de zaak naar de rol verwezen en [verweerder] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of hij bewijs wil leveren van zijn stelling (rov. 4.6).
(i) schade ten gevolge van het faillissement van de B.V. € 539.982,00” ofwel onder meer “
(iv) schade ten gevolge van de verloren goodwill € 239.00,00” en “
(v) misgelopen salaris € 558.200,00” (rov. 4.10, zie randnummer 2.20 hiervoor). Eveneens blijkt uit het bestreden eerste tussenarrest dat [verweerder] in hoger beroep vóór cassatie en verwijzing reeds zijn eis had gewijzigd en had gevorderd primair een bedrag van € 832.974,83, bestaande uit onder andere “
€ 239.000,00 aan schade ten gevolge van verloren goodwill + € 558.200,00 aan misgelopen salaris”, en subsidiair een bedrag van € 575.756,83, bestaande uit onder andere
“€ 539.982,00 aan schade van [verweerder] als aandeelhouder ten gevolge van faillissement van de B.V.” (rov. 4.2; zie randnummer 2.7 hiervoor). Het verwijzingshof heeft, in lijn met de oorspronkelijke formulering van de vordering van [verweerder] in hoger beroep vóór cassatie en verwijzing, (eerst) het oorspronkelijk als primair opgevoerde deel van de vordering behandeld (rov. 4.12).
goodwillvan € 239.000 (rov. 4.22-4.24). Het verwijzingshof heeft dat oordeel, opnieuw vrij weergegeven, in het bestreden eindarrest gehandhaafd (rov. 2.5).
daarbij overwegende dat [eiser] , door te bepleiten dat het daadwerkelijk aan [verweerder] uitgekeerde bedrag bepalend is, de door [verweerder] uiteengezette betalingsconstructie miskent.” Deze overwegingen zouden rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk zijn, “
met voorbijgaan aan terzake essentiële stellingen van [eiser]”. Voordat ik toekom aan de bespreking van de klachten, geef ik weer hoe deze bestreden rechtsoverweging – in de context van het relevante procesverloop – moet worden gelezen.
De Hoge Raad heeft verder op nadere klachten van [verweerder] geoordeeld dat het gerechtshof Den Haag niet, althans uit de motivering niet kenbaar, heeft beslist over de door [verweerder] gevorderde schadeposten betreffende (I) het gemis aan inkomsten uit zijn arbeidsbetrekking met de B.V.; (II) kosten van rechtsbijstand in een executiegeschil tussen partijen en; (III) kosten van een expertiserapport ten aanzien van het door hem gestelde verlies aan goodwill. Ook deze klachten zijn gehonoreerd.(…)” In dit middelonderdeel draait het om de onder (I) bedoelde schadepost van het gemis aan inkomsten uit zijn arbeidsbetrekking met de B.V.
eerste plaatszou de overweging van het verwijzingshof dat [eiser] met zijn stelling dat het daadwerkelijk aan [verweerder] uitgekeerde bedrag (het door zijn holding aan hem betaalde salaris) bepalend is, de door [verweerder] uiteengezette betalingsconstructie heeft miskend rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk zijn. Volgens het middelonderdeel is deze overweging bovendien in strijd met de oordelen van Uw Raad in het eerste cassatieberoep (zie randnummer 3.55 hiervoor) en de overwegingen van het verwijzingshof in rov. 4.21 van het bestreden eerste tussenarrest (zie randnummer 3.59 hiervoor). Het middelonderdeel stelt dat het in casu gaat om de door [verweerder] persoonlijk geleden schade, bestaande uit het gemis aan inkomsten uit zijn arbeidsbetrekking met zijn B.V. en niet de tussen de B.V. en de holding bestaande betalingsconstructie. Dat heeft het verwijzingshof volgens het middelonderdeel miskend. Het middelonderdeel wijst er nog op dat het volgen van de zojuist aangehaalde betalingsconstructie betekent dat de eventueel door toedoen van [eiser] in de B.V. van [verweerder] geleden schade voor vergoeding in aanmerking zou komen. Dat is volgens het middelonderdeel niet alleen in strijd met de oordelen van Uw Raad in het eerste cassatieberoep maar ook met het volgende oordeel uit rov. 3.11 van het arrest van 6 juli 2010 van het hof ’s-Gravenhage in de hoofdzaak: “(…)
Anders dan [verweerder] – gelet op zijn verwijzing naar het rapport van [A] van 10 oktober 2007 – kennelijk meent, is zijn schade echter niet gelijk te stellen aan de schade van[de B.V.] (…)”. Volgens het middelonderdeel heeft het hof ’s-Gravenhage hier terecht een onderscheid gemaakt tussen de (vermeende) schade van de B.V. van [verweerder] en de (vermeende) schade die hij in privé heeft geleden.
arbeidsbetrekking” met de B.V. zo heeft ingestoken dat voor de werkzaamheden die [verweerder] voor het café heeft verricht een directievergoeding werd betaald vanuit de B.V. aan Veel en Lekker Beheer B.V. Kennelijk was er geen andere ‘dienstbetrekking’ tussen [verweerder] en de B.V., en het bestaan van deze constructie lijkt overigens op zich niet door [eiser] te zijn betwist. Tegen deze achtergrond heeft het verwijzingshof aan de hand van de door [verweerder] aangevoerde uitgekeerde directievergoeding de omvang van het “
gemis aan inkomsten” begroot. Dat is in lijn met hetgeen Uw Raad heeft beslist, al moet worden toegegeven dat het wat ongelukkig is dat Uw Raad het (zij het in de weergave van de klacht van onderdeel 3) over een “
arbeidsbetrekking met de B.V.” had nu is gebleken dat [verweerder] geen klassieke arbeidsbetrekking met de B.V. had.
vanuit Veel en Lekker Beheer B.V.aan [verweerder] is betaald, terwijl Uw Raad heeft beslist dat het gemis aan inkomsten uit de arbeidsbetrekking
met de B.V.moet worden onderzocht. Uw Raad heeft dus voor ogen gehad de bedragen die vanuit de B.V. zijn uitgekeerd en níet de bedragen die (uiteindelijk) vanuit Veel en Lekker Beheer B.V. zijn uitgekeerd.
in beginseluitgaat van de inkomstenbelastingaangiften, omdat [verweerder] het verschil tussen de door hem aangevoerde en de door [eiser] aangedragen bedragen niet heeft toegelicht, en dat de relevante stukken om een toelichting vragen van [verweerder] , waarbij hij zijn netto salaris over de jaren 2002-2005 uit de B.V. nader dient te preciseren. Het is daarmee geen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing omtrent enig geschilpunt tussen partijen die een einde maakt aan dat geschilpunt (randnummer 3.40).
tweede klachtvoert het middelonderdeel aan dat het verwijzingshof heeft miskend dat de schadestaatrechter aan “
die beslissing” (het in randnummer 3.62 hiervoor beschreven oordeel van het hof ’s-Gravenhage in de hoofdzaak) was gebonden. [55]
derde klachtvoert het middelonderdeel aan dat het verwijzingshof heeft miskend dat de [A] -rapporten niet aan de vordering van [verweerder] ten grondslag konden worden gelegd. Dat volgt volgens het middelonderdeel niet alleen uit het arrest van 6 juli 2010 van het hof ’s-Gravenhage in de hoofdzaak maar ook uit het arrest van 17 maart 2015 van het hof Den Haag in de onderhavige schadestaatprocedure. In dat verband citeert het middelonderdeel uit rov. 6. van het laatstgenoemde arrest: “
Het hof kan [verweerder] niet volgen in zijn standpunt dat de schade waarvoor op dit punt [eiser] aansprakelijk is, volgt uit het rapport van 10 oktober 2007 en het aanvullend rapport van [A] van 21 januari 2011(…).” Tegen dat oordeel is in het eerste cassatieberoep niet opgekomen, zodat het verwijzingshof daaraan was gebonden, hetgeen het verwijzingshof heeft miskend, aldus het middelonderdeel. [56]
goodwill). Dat is reeds bij de behandeling van middelonderdeel III naar voren gekomen, maar aangezien dat middelonderdeel III om de gederfde
goodwilldraait en, anders dan middelonderdeel II, niet om het misgelopen salaris, lijkt het mij goed dit hier nog eens te herhalen.
alternatieve causaliteit” waardoor tegenbewijs niet aan de orde is, maar [eiser] de bewijslast heeft.
in dit kader” nog in de gelegenheid worden gesteld bewijs te leveren over de aan- of afwezigheid van causaal verband tussen de wanprestatie van [eiser] en de gestelde verliezen c.q. het gestelde verlies van winstgevendheid, waaronder in verband met “
voornoemde stellingen”.
eerste plaatsvoert het middelonderdeel aan dat het verwijzingshof heeft miskend dat [eiser] met zijn stellingen geen beroep heeft gedaan op een alternatieve oorzaak maar de causaliteit gemotiveerd heeft betwist. [58] In dit verband wijst het middelonderdeel erop dat [verweerder] als benadeelde conform de hoofdregel de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het causaal verband heeft. [59] Het middelonderdeel stelt dat het verwijzingshof, nu het in het bestreden eerste tussenarrest is meegegaan in de stelling van [verweerder] over causaliteit, [eiser] tot tegenbewijs van zijn stellingen had moeten toelaten. [60]
tweede plaatsvoert het middelonderdeel aan dat het verwijzingshof ten aanzien van de stellingen over het uitgekeken raken van het publiek in rov. 2.1 van het bestreden tweede tussenarrest de vaste jurisprudentie dat voor tegenbewijs geen specifiek bewijsaanbod hoeft te worden gedaan, heeft miskend.
Voor zover [eiser] zich beroept op een alternatieve oorzaak, heeft hij daarvan de stelplicht (en zo nodig de bewijslast).” en de overweging van het verwijzingshof in rov. 4.17 van datzelfde arrest (b) “
Aangezien [eiser] hiermee een beroep doet op alternatieve causaliteit, is tegenbewijs niet aan de orde, maar heeft [eiser] de bewijslast van deze stelling.” [65] De tweede klacht stelt eveneens terecht dat het verwijzingshof de eis heeft gesteld dat het (tegen)bewijsaanbod voldoende concreet moet zijn. Dit blijkt uit rov. 2.1 van het bestreden tweede tussenarrest, waar het verwijzingshof – kort gezegd – heeft overwogen dat [eiser] ter zake van de stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] “
geen voldoende concreet bewijsaanbod” heeft gedaan.
het bestreden eerste tussenarresthet volgende overwogen. Het verwijzingshof heeft deze stelling bij de beschrijving van de door [eiser] aangevoerde stellingen aangehaald (rov. 4.15, tweede tot en met de vijfde volzin): “
De gestelde omzetdaling in de jaren 2002 tot en met 2005 die [verweerder] aan de door hem gestelde schade ten grondslag legt en [eiser] overigens betwist, is, voor zover die heeft plaatsgevonden ook niet het gevolg van de aan [eiser] verweten gedragingen maar van andere oorzaken. Zo hebben twee oud-werknemers[van]
het café schuin tegenover het café in 2002 een ander café geopend, [café 1] genaamd. Deze vermoedelijk drijvende krachten achter het café hebben de klanten meegenomen naar dit nieuwe café. Het publiek was uitgekeken geraakt op het café en zijn herrie.” Het verwijzingshof heeft vervolgens, nadat het in rov. 4.16 een aantal andere in de sfeer van de causaliteit liggende verweren had besproken, overwogen dat het de rol van [café 1] nog niet heeft betrokken bij zijn beoordeling van het causaal verband tussen de schade van [verweerder] en de tekortkoming van [eiser] (rov. 4.17, eerste volzin). Daarop heeft het verwijzingshof overwogen dat [eiser] van zijn stelling dat de omzetdaling van [het café] het gevolg is van het opstarten van het concurrerende [café 1] tegenover [het café] tegenbewijs heeft aangeboden door middel van het horen als getuige van de twee oud-werknemers van [het café] die [café 1] hebben opgestart (rov. 4.17, tweede volzin). Het verwijzingshof heeft die stelling zo uitgelegd dat [eiser] daarmee een beroep doet op “
alternatieve causaliteit”, zodat tegenbewijs niet aan de orde is, maar [eiser] de bewijslast van zijn stelling heeft (rov. 4.17, derde volzin). Het verwijzingshof heeft [eiser] toegelaten tot bewijs van de stelling dat “
het omzetverlies van het café in de periode van 2002 tot en met 2006 het gevolg is van het opstarten van het [café 1] in 2002 door [oud-werknemer 1] en [oud-werknemer 2] schuin tegenover het café” (rov. 4.17, vierde en tevens laatste volzin en dictum).
het bestreden eindarrestis het verwijzingshof onder het kopje “
Causaal verband” begonnen met de boodschap dat [eiser] na het bestreden tweede tussenarrest het verwijzingshof heeft bericht af te zien van het horen van getuigen, omdat is gebleken dat [café 1] , hoewel eerder ingeschreven – bedoeld zal zijn: in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel – pas daadwerkelijk openging in 2004 (rov. 2.3, eerste volzin). Daaraan heeft het verwijzingshof toegevoegd dat [eiser] overigens ook geen bewijshandelingen meer heeft verricht ten behoeve van de door hem te bewijzen stelling dat het omzetverlies van [het café] in de periode van 2002 tot en met 2006 het gevolg is van het opstarten van [café 1] schuin daartegenover (rov. 2.3, tweede volzin). Het verwijzingshof heeft afgesloten met het oordeel dat het gevolg hiervan is dat die stelling niet is komen vast te staan (rov. 2.3, derde volzin).
leveringvan (tegen)bewijs niet van belang, maar slechts voor de waarderingsmaatstaf. Het verwijzingshof is echter niet aan waardering toegekomen en wel omdat [eiser] zelf zijn (tegen)bewijsaanbod heeft ingetrokken.
bestreden eerste tussenarrestde stelling bij de beschrijving van de door [eiser] aangevoerde stellingen aangehaald (rov. 4.15, tweede tot en met de zesde volzin). Ik verwijs in dit verband naar het citaat in randnummer 3.88 hiervoor. Het verwijzingshof heeft vervolgens, nadat het in rov. 4.16 een aantal andere in de sfeer van de causaliteit liggende verweren had besproken, overwogen dat het de rol van [café 1] nog niet heeft betrokken bij zijn beoordeling van het causaal verband tussen de schade van [verweerder] en de tekortkoming van [eiser] (rov. 4.17, eerste volzin). In dit verband heeft het verwijzingshof overwogen dat [eiser] hiermee een beroep doet op alternatieve causaliteit en heeft het [eiser] tot bewijs toegelaten van zijn stelling dat het omzetverlies van het café in de periode 2002 tot en met 2006 het gevolg is van het opstarten van het [café 1] (rov. 4.17, derde en vierde zin en dictum).
het bestreden tweede tussenarrestheeft het verwijzingshof in reactie op het verzoek van [eiser] om duiding van de bewijsopdracht in het dictum van het bestreden eerste tussenarrest (zie randnummer 3.88 hiervoor), vrij weergegeven, overwogen dat de bewijsopdracht niet ook ziet op de stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] , omdat – in de zojuist genoemde lezing van rov. 2.1 (randnummer 3.93 hiervoor) – [eiser] ten aanzien van deze stelling geen voldoende concreet bewijsaanbod heeft gedaan (rov. 2.1). Het verwijzingshof heeft daarna gemotiveerd waarom het geen aanleiding zag om de aan [eiser] gegeven bewijsopdracht te heroverwegen (rov. 2.2). In dat verband heeft het verwijzingshof acht geslagen op het betoog van [eiser] dat hij de bewijsopdracht van het verwijzingshof, gelet op de bindende eindbeslissing van het hof Den Haag in rov. 2.30 van het tussenarrest van 11 februari 2020 dat partijen nog in de gelegenheid worden gesteld bewijs te leveren over “
de aan- of afwezigheid van een oorzakelijk verband tussen de wanprestatie van [eiser] en de gestelde verliezen c.q. het gestelde verlies van winstgevendheid van [het café] vanaf maart 2002, in het bijzonder ter zake van de stelling van [verweerder] dat hij vanaf 2002 het muziekvolume in het café (substantieel) heeft verlaagd”, zo mag opvatten dat daaronder ook valt de stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] (rov. 2.2, tweede en derde volzin). Het verwijzingshof heeft dat betoog verworpen en in dat verband onder meer overwogen dat het door [eiser] aangehaalde oordeel van het hof Den Haag slechts een voorlopige status had (rov. 2.2, vierde volzin). Aan deze voorlopige gedachtenlijn heeft het hof Den Haag geen gevolg gegeven (rov. 2.2, vijfde volzin). Daaraan heeft het verwijzingshof toegevoegd dat [eiser] in de memorie van antwoord na cassatie en verwijzing weliswaar naar rov. 2.30 van het tussenarrest van het hof Den Haag van 11 februari 2020 heeft verwezen, maar het ook daarbij heeft gelaten (rov. 2.2, zesde volzin) en dat het in strijd is met de goede procesorde om nu alsnog aan te sturen op een bewijsopdracht met de zojuist vermelde strekking (rov. 2.2, zevende en tevens laatste volzin).
bestreden eindarrestheeft het verwijzingshof zich voor de laatste keer uitgelaten over de stelling van [eiser] dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] (rov. 2.4). Na de vooropstelling dat [eiser] ten aanzien van die stelling geen bewijsopdracht is gegeven en hem niet anderszins de mogelijkheid is geboden om die stelling nader te adstrueren (rov. 2.4, derde volzin) heeft het verwijzingshof zich uitgelaten over de in dit verband na de bestreden tussenarresten nog door [eiser] overgelegde rapporten en ingenomen stellingen. Voor zover die niet al in de bestreden tussenarresten zijn afgedaan, zijn zij te laat in positie gebracht en daarmee in beginsel strijdig met de goede procesorde, aldus het verwijzingshof (rov. 2.4, vierde volzin). Ook nopen ze volgens het verwijzingshof niet evident tot andere dan de al gegeven oordelen, waaraan het verwijzingshof de consequentie heeft verbonden dat ze bij de nadere behandeling van het causaal verband tussen de tekortkoming van [eiser] en de schade van [verweerder] buiten beschouwing worden gelaten (rov. 2.4, vijfde volzin). Het verwijzingshof heeft ook nog acht geslagen op de toelichting van de advocaat van [eiser] op de stelling dat het publiek uitgekeken was geraakt op [het café] . Deze heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep na cassatie en verwijzing naar voren gebracht dat hem uit eigen wetenschap bekend is dat juist vooral de bar dancings komen en gaan en hun populariteit fluctueert (rov. 2.4, zesde volzin). Ter onderbouwing van deze toelichting heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep na cassatie en verwijzing een artikel uit het Leidsch Dagblad overgelegd (rov. 2.4, zevende volzin). Daarin wordt volgens [eiser] teruggeblikt op het Leidse uitgaanslandschap in de periode van 2000 tot 2015 en de korte populariteit en levensduur van Leidse horecagelegenheden in die periode (rov. 2.4, zevende volzin). Volgens het verwijzingshof blijft dit alles echter in algemeenheden steken (rov. 2.4, achtste volzin). Uit niets blijkt dat onder het uitgaanspubliek concrete desinteresse in [het café] was ontstaan vanwege een oorzaak die buiten het verlaagde muziekvolume was gelegen, aldus het verwijzingshof (rov. 2.4, achtste volzin).
derde klachtvan dit middelonderdeel. In dit verband voert het middelonderdeel aan dat het verwijzingshof in rov. 2.2 van het bestreden tweede tussenarrest heeft miskend dat de voornoemde beslissing van het hof Den Haag (het in randnummer 3.78 hiervoor beschreven oordeel van het hof Den Haag in rov. 2.30 van het tussenarrest van 11 februari 2020) een bindende eindbeslissing is. [69] Volgens het middelonderdeel mocht het verwijzingshof daar niet, althans niet zonder nadere motivering, van terugkomen. Het is goed om te benadrukken dat we het hier hebben over de stelling dat het publiek was uitgekeken geraakt op [het café] .
(nader) bewijs te leveren over de aan- of afwezigheid van het oorzakelijk verband tussen de wanprestatie van [eiser] en de gestelde verliezen c.q. het gestelde verlies van winstgevend van [het café] vanaf 2002, in het bijzonder ter zake van de stelling van [verweerder] dat hij vanaf 2002 het muziekvolume in het café (substantieel) heeft verlaagd.” Daarmee heeft het hof Den Haag volgens mij geen eind gemaakt aan het geschilpunt van het causaal verband. Bovendien heeft het hof Den Haag die overweging voorwaardelijk geformuleerd door te overwogen dat het tot (nadere) bewijslevering zal overgaan
alshet ofwel (i) de lezing van [verweerder] over de reikwijdte van de veroordeling in de hoofdzaak volgt dan wel (ii) niet als eindoordeel handhaaft dat bij het volgen van de lezing van [eiser] over de reikwijdte van de veroordeling in de hoofdzaak de goodwillwaarde van [het café] het negatieve eigen vermogen van de B.V. op het moment van (moeten) sluiten in 2006 niet zou kunnen compenseren en [verweerder] dus geen schade heeft geleden ten gevolge van het moeten sluiten van het café in 2006 door de wanprestatie van [eiser] . Die voorwaarden zijn niet ingetreden. [70]
Deze overweging[die van het hof Den Haag in rov. 2.30 van het tussenarrest van 11 februari 2020,
A-G]
is echter ingeleid door het gerechtshof Den Haag veronderstellend dat de lezing van [verweerder] over de reikwijdte van de veroordeling in de hoofdzaak zou worden gevolgd en had, ook gezien de overige formulering van r.o. 2.30, slechts een voorlopige status. Het gerechtshof Den Haag heeft geen gevolg aan deze voorlopige gedachtenlijn gegeven: in zijn vervolguitspraak is een andere (ook reeds in het tussenarrest van 11 februari 2020 voorshands overwogen) lezing over de reikwijdte van de veroordeling in de hoofdzaak[die van [eiser] ,
A-G]
gevolgd.” Gelet op mijn lezing van het tussenarrest van het hof Den Haag van 11 februari 2020 (zie randnummer 3.100 hiervoor) zal het geen verrassing zijn dat ik deze overwegingen van het verwijzingshof goed te volgen en zeker niet onbegrijpelijk vind.
nu” heeft het verwijzingshof volgens mij bedoeld: na het nemen van de memorie van antwoord na cassatie en verwijzing en de mondelinge behandeling in hoger beroep na cassatie en verwijzing.
vierde plaatsaan dat onjuist of onbegrijpelijk is het oordeel van het verwijzingshof dat sprake is van een overweging met voorlopige status. In dat verband stelt het middelonderdeel dat het oordeel van het hof Den Haag over het toelaten tot bewijslevering in rov. 2.30 van het tussenarrest van 11 februari 2020 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is gegeven, zodat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is dat het verwijzingshof heeft geoordeeld dat sprake is van een voorlopig oordeel. [71] Het middelonderdeel sluit af met de opmerking dat [eiser] er op mocht vertrouwen dat hij nog de gelegenheid tot bewijslevering zou krijgen.
goodwillop basis van de [A] -rapporten die door de middelonderdelen I en II worden bestreden.