ECLI:NL:PHR:2026:595

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
24/03133
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 266 SrArt. 267 SrArt. 13 lid 1 WWMArt. 27 lid 1 WWM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over bedreiging met gasdrukgeweer en immateriële schadevergoeding

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte is veroordeeld voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling, het voorhanden hebben van een ploertendoder, beschadiging van een personenauto en het dragen van een gasdrukgeweer. Het hof legde een gevangenisstraf van drie maanden op en een geldboete, en wees een immateriële schadevergoeding van € 500 toe aan de benadeelde partij.

De verdediging voerde drie middelen aan: betwisting van de bewezenverklaring van de bedreiging, onvoldoende motivering van de strafoplegging en ontoereikende motivering van de toewijzing van de schadevergoeding. De Hoge Raad oordeelt dat de bewezenverklaring en strafoplegging terecht zijn, waarbij het hof de bedreiging met het gasdrukgeweer en de uitlatingen in samenhang heeft beoordeeld. De omstandigheid dat het gasdrukgeweer sterk lijkt op een echt vuurwapen is relevant en mocht worden meegewogen.

Echter, de Hoge Raad vindt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd op welke grondslag uit artikel 6:106 BW Pro de immateriële schadevergoeding is gebaseerd en welke omstandigheden daaraan ten grondslag liggen. Hierdoor is ook de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet in stand te houden. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de schadevergoeding betreft en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van de vordering. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt deels verworpen en deels gegrond verklaard; de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de immateriële schadevergoeding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03133
Zitting16 juni 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 29 juli 2024 (parketnummer 21-004305-22) de verdachte voor – kort gezegd – bedreiging (feit 1) [1] , het voorhanden hebben van een ploertendoder (feit 2) [2] en beschadiging van een personenauto (feit 3) [3] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van het voorarrest en voor – kort gezegd – het dragen van een gasdrukgeweer (feit 4) [4] veroordeeld tot een geldboete van € 200,-, subsidiair 4 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen over twee in beslag genomen, nog niet teruggegeven gasdrukgeweren. Ten slotte heeft het hof beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en overeenkomstig het toegewezen bedrag aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is op 12 augustus 2024 ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit. In het tweede middel wordt geklaagd over de motivering van de strafoplegging. In het derde middel wordt geklaagd over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
1.3
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat het eerste en het tweede middel falen en dat het derde middel slaagt.

2.Het eerste middel

2.1
In het middel wordt met verschillende deelklachten opgekomen tegen de bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde bedreiging. Voordat ik de deelklachten bespreek, geef ik de tenlastelegging, de bewezenverklaring, de bewijsvoering van het hof en het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2024 weer.
2.2
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – onder feit 1 ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 5 mei 2022 te [plaats] , althans in Nederland, [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door “sorry zeggen anders gaat het pijn doen” en/of door hierbij een gasdrukgeweer op die [benadeelde] te richten, althans te tonen.”
2.3
Hiervan heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 5 mei 2022 te [plaats] , [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door “sorry zeggen anders gaat het pijn doen” en door een gasdrukgeweer op die [benadeelde] te richten.”
2.4
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende – in de aanvulling op het arrest opgenomen – bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van aangifte(als bijlage op
pagina 4 e.v.van het proces-verbaal), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als
verklaring van [benadeelde]:
Op donderdag 05 mei 2022, ergens tussen 13:30 en 13:45 uur was ik samen met een vriend [getuige] in [plaats] . Ter hoogte van het distributiecentrum van de Jumbo kwam ik achter een voertuig voorzien van het [kenteken] te rijden. Vervolgens zag ik dat de bestuurder uit de Audi stapte. Ik kreeg doodsverwensingen naar mijn hoofd geslingerd. Hierop werd ik boos, hierbij was ik ook niet bepaald netjes. Ik kreeg de indruk dat hij er niet van gediend was dat ik tegen hem in ging en dat ik niet direct geïntimideerd was door zijn gedrag en uitlatingen. Vervolgens is de bestuurder van de Audi weer naar zijn eigen auto gegaan en zag ik dat hij wegreed. De Audi was toen ook uit mijn zicht. Vervolgens heb ik zelf hierop ook mijn weg vervolgd, en ben ik zoals het plan was met mijn maatje richting de parkeerplaats van het strandje bij [locatie] gereden. Ik zag dat de bestuurder van de Audi met een flinke snelheid ook de parkeerplaats opgereden kwam en direct met de voorzijde van zijn Audi richting de bestuurderszijde van mijn auto reed. Vervolgens zag ik dat de man uit de Audi stapte. Ik zag direct dat dit dezelfde man was als die ik hierboven heb omschreven. Ik zag dat de man bij het uitstappen een ploertendoder in zijn rechterhand vasthield.
Ik hoorde hem direct schreeuwen dat ik mijn excuses moest aanbieden door: “Sorry meneer” te zeggen. Ik hoorde hem nog schreeuwen: “Sorry zeggen, anders gaat het pijn doen”. Ik zag dat hij toen echt letterlijk naast mijn portier stond. Ik zag vervolgens dat hij de ploertendoder nog steeds vasthad in zijn rechterhand en dat hij deze uitklapte. Ik zag dat hij een diagonale neerwaartse beweging maakte met zijn rechterhand/-arm waardoor de ploertendoder uitklapte. Ik zag dat hierdoor de kop van de ploertendoder tegen mijn auto aan kwam, op de foto in de bijlage betreft dit nummer 3. Vervolgens zag ik dat de man nogmaals en meerdere malen met de ploertendoder deuken in mijn auto sloeg. Ik zag dat de man 4 keer sloeg. Voor deze deuken verwijs ik naar de foto's van de bijlage, nummer 1, 2 en 4. Toen hoorde ik hem zeggen: “Ik heb nog wat liggen”. Ik zag dat hij toen naar zijn auto liep. Ik zag dat hij in zijn Audi ging zitten, op de bestuurderstoel. Ik zag dat zijn portier open bleef. Ik zag vervolgens dat hij een sniper (vuurwapen) had gepakt en deze tussen de kier van het portier en de stijl van de auto neerlegde. Ik ben bekend met de term BTGV, van de uitpraatprocedure van de politie. Ik zag dat hij dus op soortgelijke manier dat wapen tussen het portier en de stijl van de auto op mij richtte. Ik zag dat hij door het vizier van het wapen keek. Ik omschrijf het wapen verder als volgt.
- sniper;
- vizier;
- het wapen was in zijn GEHEEL zwart van kleur.
Ik zag dat de man zijn vinger aan de trekker had. Ik was ontzettend bang. Toen hij het wapen op mij gericht had hoorde ik hem schreeuwen dat ik mijn excuus moest aanbieden en dat blééf hij herhalen.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van getuige(als bijlage op
pagina 41 e.v.van het proces-verbaal), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [getuige] :
Ik reed met een vriend in de auto, hij heet [benadeelde] . Wij wilden de zwarte Audi inhalen. De bestuurder van de zwarte Audi zette zijn auto stil net na de bocht, stapte uit en toen vroeg hij aan ons waarom wij hem wilden inhalen. De bestuurder was boos en geïrriteerd. De bestuurder stapte weer terug in zijn auto. Ongeveer tien minuten of een kwartier later zag ik dezelfde zwarte Audi aan komen rijden. Toen kwam de bestuurder van de zwarte Audi boos en dreigend op ons af lopen. Ik zag dat dit dezelfde man was. Ik zag aan zijn gezicht dat hij heel boos was en hij kwam met forse stappen en een agressieve houding op ons af lopen. Hij kwam voor het bestuurdersportier staan en trok een soort wapenstok uit, waarbij hij tegen [benadeelde] schreeuwde: ‘Jij gaat nu sorry meneer zeggen tegen mij!’ Ik zag dat de man toen tegen de auto van [benadeelde] sloeg met de wapenstok. Ik zag dat de man een deuk in het bestuurdersportier sloeg, net onder de spiegel. Hij bleef schreeuwen en [benadeelde] zei ‘sorry meneer’ tegen hem. Ik zag dat de man daarna nog een keer tegen de auto van [benadeelde] sloeg. Ik zag dat hij op het bestuurdersportier sloeg, in het midden van de deur, op de hoogte van de deurgreep. Ik hoorde dat hij zei: ‘Mensen gaan niet over mij schelden, hier kom je niet zomaar mee weg!’ Ik zag dat hij toen nog een keer op de auto sloeg met de wapenstok. Dit was bijna op dezelfde plek als toen hij de tweede keer sloeg. Ik zag dat de man daarna terug naar de auto liep. Ik zag dat de man toen de deur van zijn auto opendeed, het bestuurdersportier. Ik zag dat de bestuurder weer in zijn auto ging zitten en de loop van een geweer op ons richtte. De loop stak tussen het portier en de stijl van de voorruit door. Voor mij leek het alsof de man de loop van het geweer recht op mijn hoofd richtte. Ik keek letterlijk in de loop. Ik zag dat het geweer zwart van kleur was en dat er een grote lens op was gemonteerd, een vizier. Ik zag dat het geweer er uitzag als een soort sniper-geweer. Wij waren erg geschrokken en zaten te trillen in de auto.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingen(als bijlage op
pagina 15 e.v.van het proces-verbaal), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als
verklaring van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
Op donderdag 5 mei 2022, omstreeks 14:17 uur, kregen wij verbalisanten de melding van een bedreiging met een ploertendoder en een jachtgeweer. Wij hoorden dat [de] bestuurder die de bedreiging zou hebben gedaan, globaal was weggereden in de richting van [plaats] . Wij hoorden dat het voertuig een zwarte Audi Q7 voorzien van het [kenteken] zou betreffen. Dezelfde dag omstreeks 14:38 uur, kwamen wij ter plaatse op de parkeerplaats van [locatie] . Ik, [verbalisant 1] , zag dat er in de deur van de aangever zijn auto vier deuken zaten. Ik heb van de deur aan de bestuurderszijde twee foto's gemaakt en voeg deze afzonderlijk toe aan het proces-verbaal van bevindingen.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingen(als bijlage op
pagina 23 e.v.van het proces-verbaal), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [verbalisant 3] :
Op donderdag 5 mei 2022 omstreeks 14.15 uur zag ik [verbalisant 3] een zwarte Audi Q7 op het terrein staan van perceel […] . Ik zag dat er kort hierna een man de woning uit kwam lopen. Ik hoorde collega [verbalisant 4] via de portofoon vragen of het goed was dat de verdachte zelf de plek zou aanwijzen waar het wapen zou liggen. Ik ben vervolgens samen met collega [verbalisant 4] en de verdachte de woning binnen gegaan. Ik zag dat collega [verbalisant 4] voorop liep samen met de verdachte. Ik zag dat collega [verbalisant 4] mij het wapen overhandigde. Ik kan dit wapen omschrijven als:
- Luchtbuks donker van kleur;
- Zwart kleurig met een houten gedeelte op de loop;
- Uiteinde van de loop had een verdikking;
- Kijker op de loop.
Ik zag dat collega [verbalisant 4] en de verdachte vervolgens naar de hal van de woning liepen. Ik hoorde dat de verdachte zei: “Boven op de kast ligt de ploertendoder en oh ja er ligt nog een luchtbuks.” Ik zag dat collega [verbalisant 4] de ploertendoder en de luchtbuks van de kast pakte. Ik kan de luchtbuks als volgt omschrijven:
- Ongeveer 1.20 meter lang;
- Geheel zwart van kleur;
- Zat een kijker/vizier op;
- Een drukmeter;
- Niet van echt te onderscheiden.
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingen(als bijlage op
pagina 31 e.v.van het proces-verbaal), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als
verklaring van [verbalisant 4]
Wij betraden na toestemming van de verdachte de woning via de rechterzijkant. In het kantoor werden wij gewezen op een vuurwapengelijkend voorwerp welke rechts achterin stond. Dit is vervolgens in beslag genomen. Hierop vroeg ik ook waar de ploertendoder lag. Hierop liepen wij terug naar de bijkeuken en werden wij gewezen op de ploertendoder die bovenop de keukenkastjes lag. Toen ik deze wilde pakken werd ik geattendeerd dat er ook nog een luchtbuks op de kast zou liggen. Ik keek en zag een groot zwart wapen met een vizier liggen. Ik schat dat dit wapen ongeveer een halve meter lang was met een lange loop. Ik kon vanaf de buitenkant niet zien dat dit een luchtbuks betrof. Naast dit wapen lag de ploertendoder. Van de luchtdrukwapens zijn fotografische opnamen gemaakt, deze zullen achter dit proces-verbaal worden gevoegd.
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingen(als bijlage op
pagina 35 e.v.van het proces-verbaal), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als
verklaring van [verbalisant 3]:
Op donderdag 5 mei 2022 heb ik [verbalisant 3] , een categorisering gemaakt voor een ploertendader. Ik heb hiervoor gebruik gemaakt van het kennissysteem Wet Wapens en munitie
Wapen
Ploertendoder
Categorie
I sub 3
Verbod
13 lid 1 WWM
Juridische beschrijving voor dit wapen
Dit voorwerp is een ploertendoder als bedoeld in artikel 2 lid 1 onder Pro g van de Regeling wapens en munitie.
Wapens van Categorie I mogen alleen voorhanden gehouden worden indien er een voor dat wapen een vergunning is afgegeven.
Is één van onderstaande documenten afgegeven voor het wapen? (Ontheffing/Erkenning)
Nee
7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van verhoor verdachte(als bijlage op
pagina 62 e.v.van het proces-verbaal), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als
verklaring van [verdachte]:
Toen de auto mij in wilde halen hoorde ik hen roepen van kanker dit en kanker dat. Ik ben vervolgens uitgestapt en kreeg gelijk te horen van: “Ik sla je helemaal in elkaar”. En nog meer van dit soort woorden. Ik heb zo'n hekel aan dat K-woord. Ik ben naar huis gereden en heb mijn buks opgehaald. Dit omdat ik wilde dat ze sorry tegen mij gingen zeggen. Ik had een ploertendoder bij mij en liep naar hun auto toe. Ik had de ploertendoder in mijn rechterhand en sloeg met mijn linkerhand op de raamstijl. Toen ik op de auto sloeg riep ik: “En nu gaan jullie sorry zeggen”. Zij reden zo dicht op mijn auto dat de parkeersensoren afgingen. Ik voelde mij hierdoor zo bedreigd. Ik dacht die ga ik een lesje leren, Thuis heb ik een oude buks liggen en ook een ploertendoder. Ik heb deze gepakt en terug naar hen gereden. Ik heb geroepen: “En deze heb ik ook nog”. Dit riep ik toen ik mijn oude buks liet zien.
8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingen(als aparte bijlage met procesverbaalnummer PL0900-2022125549-8), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als
verklaring van [verbalisant 5]:
Naar aanleiding van de onder dit proces aangetroffen en in beslag genomen voorwerpen, is door mij, op dinsdag 5 juli 2022, in het kader van de Wet wapens en munitie, een nader onderzoek aan deze voorwerpen ingesteld, waarbij het onderstaande werd bevonden.
2.
Goednummer : PL0900-2022125549-2986077
SIN : AAPE3858NL
Wapen : gasdrukgeweer (foto’s 3 t/m 5)
Categorie : IV sub 4
Indien dat gasdrukgeweer wordt gedragen:
Verbodsartikel : Artikel 27 lid 1 WWM Pro
Strafartikel : Artikel 54 WWM Pro
Bovenvermeld voorwerp is een gasdrukgeweer, merk Weihrauch, model HW 100, kaliber 5,5mm, voorzien van het wapennummer […] . Dit voorwerp is bestemd om projectielen door een loop af te schieten. De werking van dit voorwerp berust op een natuurkundig proces, in dit geval gasdruk. Op dit gasdrukgeweer zijn een vizier en een geluiddemper gemonteerd.
Genoemd gasdrukgeweer is een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie IV, onder 4 van de Wet wapens en munitie. Dit gasdrukgeweer mag thuis, mits de eigenaar 18 jaar of ouder is, vrij voorhanden worden gehouden.
Het dragen van dit gasdrukgeweer op de openbare weg of op andere voor het publiek toegankelijke plaatsen bij zich hebben van dit wapen, terwijl dit niet zodanig is verpakt dat het niet voor onmiddellijk gebruik kan worden aangewend is strafbaar volgens artikel 27 lid 1 in Pro verband met artikel 54 van Pro de Wet wapens en munitie. Dit gasdrukgeweer is voorzien van een, met 14 luchtdrukkogeltjes geladen, patroonmagazijn. Deze luchtdrukkogeltjes zijn geen munitie in de zin van de Wet wapens en munitie.
9. Het
proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2022 bij de rechtbank, voor zover inhoudende
de verklaring van [verdachte]:
Zij reden door, en ik ging naar huis om mijn ploertendoder en versleten buks op te halen om hen hun woorden te laten inslikken.
10. Het
proces-verbaal van de terechtzitting van 15 juli 2024 bij het gerechtshof, voor zover inhoudende
de verklaring van verdachte [verdachte]:
Ik zat thuis en toen heb ik besloten om terug te rijden en wapens mee te nemen. Ik wilde dat de mannen sorry zeiden voor wat ze hadden gezegd. Ik heb de luchtbuks in mijn linkerhand vastgehad en getoond. In die zin is wel de confrontatie opgezocht, maar dat had volledig te maken met dat ik mij bedreigd voelde. Ik heb mijn rechterhand op het portier gelegd en met mijn andere hand hield ik de ploertendoder omhoog. Ik heb die meegenomen om indruk te maken. De reden waarom ik terug ben gegaan heeft te maken met dat ik mij bedreigd en geïntimideerd voelde. Er rezen vragen in mijn hoofd over wat er zou gebeuren als ze voor mijn deur zouden staan. De plek waar het allemaal gebeurde, was namelijk 800 meter van mijn woning vandaan. In plaats van daarop te wachten en het te laten gebeuren, heb ik mijzelf verdedigd door indruk te maken met het tonen van wapens. Het wapen kun je niet onderscheiden van een echte. Ik. voelde mij niet gekrenkt, maar bedreigd.”
2.5
De nadere bewijsoverwegingen van het hof over de in het middel bestreden bewezenverklaring luiden als volgt:

Overweging met betrekking tot het bewijs
(…)
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1, 3 en 4.
Ten aanzien van feit 1 is allereerst aangevoerd dat verdachte de zinsnede “Sorry zeggen anders gaat het pijn doen” zou hebben uitgesproken toen hij met de ploertendoder bij de auto van aangever stond en dat de luchtbuks pas op een later moment is getoond. Die woorden kunnen daarmee niet hebben bijgedragen aan de ten laste gelegde bedreiging met de luchtbuks. Daarnaast is gesteld dat de woorden “anders gaat het pijn doen” niet bijdragen aan een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. Tot slot is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat de luchtbuks daadwerkelijk op aangever is gericht.
(…)
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt ten aanzien van
feit 1het volgende.
Uit de verklaringen van aangever en van [getuige] volgt dat verdachte uit zijn auto is gestapt en met een ploertendoder in zijn hand naar de auto van aangever is gelopen. Op dat moment heeft verdachte gezegd dat aangever ‘sorry’ diende te zeggen, omdat ‘het anders pijn ging doen’. Uit deze verklaringen volgt tevens dat verdachte vervolgens is teruggelopen naar zijn eigen auto, zeggend: “Ik heb nog wat liggen” waarna hij een wapen pakte, dat zowel aangever als [getuige] beschrijven als een zwart geweer, een soort sniper met vizier. Zij verklaren allebei dat verdachte dit wapen vanaf zijn auto op hen richtte, waarbij de loop tussen het portier en de stijl van de voorruit werd geplaatst. Aangever verklaart dat verdachte door het vizier keek en dat het wapen op hem was gericht. [getuige] verklaart dat het erop leek dat de man de loop recht op zijn hoofd richtte en dat hij letterlijk in de loop keek. Beiden hebben verklaard heel erg bang te zijn geweest.
Verdachte verklaart onder meer dat hij na een eerdere verkeersruzie naar huis is gegaan, daar een ploertendoder en luchtbuks heeft gepakt en naar de mannen en hun auto op zoek is gegaan omdat hij wilde dat ze sorry tegen hem gingen zeggen. Verdachte verklaart te hebben gezegd “En nu gaan jullie sorry zeggen” en bevestigt dat hij daarna een luchtbuks heeft getoond.
Uit het dossier volgt voorts dat een verbalisant kort na het incident een ploertendoder en twee luchtbuksen, waarvan één volledig zwart met vizier, in de woning van verdachte heeft aangetroffen. De verbalisant beschrijft dat hij aan de buitenkant niet kon zien dat dit wapen een luchtbuks betrof.
Het hof stelt vast dat verdachte de onder feit 1 vermelde uitlating heeft gedaan en dat hij kort daarop het onder feit 4 ten laste gelegde wapen op aangever en zijn bijrijder heeft gericht. Het hof ziet – anders dan de verdediging – geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van aangever en [getuige] , die op gelijkluidende wijze beschrijven dat en hoe het wapen op hen is gericht. Ook de overige op vrijspraak gerichte verweren ter zake feit 1 worden verworpen. Het hof ziet de verbale uitlating en het richten van het vuurwapen als twee gedragingen die in onderlinge samenhang moeten worden bezien en die gezamenlijk leiden tot één bedreiging met een misdrijf dat tegen het leven is gericht. Bij aangever kan vanwege de beschreven omstandigheden de gerechtvaardigde vrees zijn ontstaan dat hem het leven zou worden ontnomen als hij zich niet in afdoende mate zou excuseren voor de eerdere verkeersruzie. Daarbij speelt een belangrijke rol dat volgens verbalisant en aan de zich in het dossier bevindende foto’s niet te zien is dat het om een luchtbuks gaat en het wapen volgens die foto’s heel sterk lijkt op een scherpschuttersgeweer.
Door verdachte is ter zitting van het hof aangevoerd dat hij, eenmaal thuis na de verkeersruzie, geïntimideerd en bang was door de uitlatingen van aangever. Hij vond de uitlatingen die aangever tegen hem had gedaan niet fijn. Misschien wist aangever wel waar hij woonde. Hij voelde zich niet gekrenkt, alleen bedreigd. Daarom heeft hij de wapens gepakt en is hij naar aangever op zoek gegaan omdat hij wilde dat hij sorry tegen hem zou zeggen. Het hof stelt vast dat verdachte tegenover de politie heeft verklaard dat hij bij de verkeersruzie door aangever werd bedreigd. Aangever gebruikte daarbij vaak het k-woord, waar verdachte het land aan heeft. Bovendien reed aangever in een intimiderende auto heel dicht achterop verdachtes auto, waardoor zijn parkeersensoren aangingen. Verdachte wilde hen een lesje leren, aldus zijn verklaring tegenover de politie. Ter zitting van de politierechter heeft hij gezegd: “Zij reden door en ik ging naar huis om mijn ploertendoder en versleten buks op te halen om hen hun woorden te laten inslikken.” Het hof hecht in het licht van deze beide eerdere verklaringen geen geloof aan verdachtes latere verklaring dat hij zich door aangever (of diens bijrijder) daadwerkelijk bedreigd heeft gevoeld.”
2.6
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2024 houdt het volgende in:
“De
voorzitterdeelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van de zaak.
Op vragen van het hof antwoordt
de verdachteals volgt:
(…) Het wapen kun je niet onderscheiden van een echte.”
De bespreking van het eerste middel
2.7
In de
eerste deelklachtwordt geklaagd dat “het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door te oordelen dat de in de tenlastelegging en bewezenverklaring aan [de verdachte] onder feit 1 verweten feitelijke gedraging(en), te weten “sorry zeggen anders gaat het pijn doen” en het op aangever ‘richten van een gasdrukgeweer’ (al dan niet in samenhang met elkaar beschouwd), bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling oplever(t)(en)”.
2.8
Aangevoerd wordt dat het hof de ten laste gelegde feitelijke gedragingen van de verdachte als bedreiging heeft gekwalificeerd vanwege het feit dat “volgens verbalisant en aan de zich in het dossier bevindende foto’s niet te zien is dat het om een luchtbuks gaat en het wapen volgens die foto’s heel sterk lijkt op een scherpschuttersgeweer.” Volgens de steller van het middel heeft het hof hiermee tot uitdrukking gebracht dat zijn oordeel over het bedreigende karakter van de gedragingen van de verdachte en de gerechtvaardigde vrees van het slachtoffer met name is gegrond op het feit dat sprake is van een wapen als bedoeld in categorie I, onder 7°, WWM, te weten een voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kan vormen of dat zodanig op een wapen gelijkt, dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is. Daarmee oordeelt het hof dat het in de onderhavige zaak bij de feitelijk aan de verdachte verweten gedragingen gaat om meer dan het richten met een gasdrukgeweer als bedoeld in categorie IV, onder 4°, WWM. Dat is echter niet aan de verdachte ten laste gelegd. Aan de verdachte is niet meer ten laste gelegd dan dat hij een gasdrukgeweer op het slachtoffer heeft gericht. Door onder “gasdrukgeweer” mede te begrijpen een wapen waarvan “niet te zien is dat het om een luchtbuks gaat” en “heel sterk lijkt op een scherpschuttersgeweer” heeft het hof iets anders bewezenverklaard dan was ten laste gelegd, en daarmee de grondslag van de tenlastelegging verlaten, aldus de steller van het middel.
2.9
In zijn algemeenheid geldt dat de rechter op grond van art. 348 Sv Pro en art. 350 Sv Pro bij de beraadslaging is gebonden aan de grondslag van de tenlastelegging. [5] De uitleg van de tenlastelegging is echter in beginsel voorbehouden aan de feitenrechter en hierbij komt aan hem een grote vrijheid toe. Zo kan de feitenrechter misslagen – waaronder ook omissies – in de tenlastelegging verbeteren of aanvullen, mits de verdachte hierdoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. [6] Zo een verbetering is niet een wijziging van de tenlastelegging in de zin van art. 313 Sv Pro, maar slechts een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging, waarvoor geen medewerking van het Openbaar Ministerie of van de verdachte is vereist. [7] Voor de uitleg van de tenlastelegging kunnen de wettelijke bepalingen waarin het feit strafbaar is gesteld alsmede het onderliggende dossier aanknopingspunten bieden. [8] Uitgangspunt is dat de uitleg die de feitenrechter aan de tenlastelegging heeft gegeven in cassatie dient te worden geëerbiedigd, zolang zij niet onverenigbaar is met de bewoordingen van de tenlastelegging. [9] De feitenrechter is derhalve niet gehouden aan de tenlastelegging de meest voor de hand liggende of meest zinvolle interpretatie te geven. Anders ligt het waar in de tenlastelegging wetstermen worden gebruikt. Die interpretatie betreft een juridisch oordeel dat volledig wordt getoetst. [10]
2.1
Over de eerste deelklacht kan ik kort zijn. Aan de verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd dat hij het slachtoffer heeft bedreigd door – kort gezegd – tegen hem te zeggen “sorry zeggen anders gaat het pijn doen” en door een gasdrukgeweer op het slachtoffer te richten. Dat is ook wat het hof heeft bewezenverklaard. Mijns inziens heeft het hof door in zijn oordeel dat bij het slachtoffer de redelijke rees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen als hij zich niet in afdoende mate zou excuseren voor de eerdere verkeersruzie, naast de bewezen verklaarde feitelijke gedragingen van de verdachte, ook de omstandigheden te betrekken dat op de foto’s van het gasdrukgeweer niet is te zien dat het een luchtbuks betreft en dat het wapen heel sterk lijkt op een scherpschuttersgeweer geen wezenlijk andere betekenis aan de tenlastelegging gegeven dan die haar in redelijkheid kan worden toegekend. Niet alle concrete omstandigheden die mede bepalend zijn voor het bewijsoordeel hoeven ten laste te worden gelegd. Het hof mocht de in cassatie bestreden omstandigheden in zijn oordeel betrekken als relevante context van de verweten bedreiging. [11] Van een bewezenverklaring van een ander feit dan wat ten laste is gelegd, en daarmee van grondslagverlating, is dus geen sprake.
2.11
De eerste deelklacht faalt.
2.12
In de
tweede deelklachtwordt geklaagd dat “het hof bij de bewezenverklaring van feit 1 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of die bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed en/of onbegrijpelijk is”.
2.13
Aangevoerd wordt dat de zin “Sorry zeggen anders gaat het pijn doen” geen bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht oplevert aangezien met het dreigen iemand pijn te doen niet de redelijke vrees kan worden gewekt bij die persoon dat hij van het leven zal worden beroofd. Die woorden leveren ook niet zonder meer een bedreiging met zware mishandeling op aangezien gedreigd wordt iemand pijn en niet zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
2.14
Ook het op iemand richten van een gasdrukgeweer levert niet zonder meer een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling op. Een gasdrukgeweer is een wapen als bedoeld in categorie IV, onder 4°, WWM. Zo’n wapen wordt niet geacht voor bedreiging of afdreiging geschikt te zijn. Niet is ten laste gelegd en bewezenverklaard dat het in dit geval zou gaan om een wapen als bedoeld in categorie I, onder 7°, WWM, te weten een voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kan vormen of dat zodanig op een wapen gelijkt, dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is. Het kennelijke oordeel van het hof dat sprake is van een sprekende gelijkenis met een vuurwapen geeft – aangezien in het tot bewijsmiddel 8 gebezigde proces-verbaal van bevindingen het gasdrukgeweer niet wordt gecategoriseerd als een wapen als bedoeld in categorie I, onder 7°, WWM en het hof heeft bewezenverklaard dat het gaat om een wapen als bedoeld in categorie IV, onder 4°, WWM – blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dat oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed, aldus de steller van het middel.
2.15
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met de dood of met zware mishandeling is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. [12]
2.16
In art. 2 lid 1 WWM Pro worden vier categorieën van wapens onderscheiden. Het handhavingsregime tussen deze categorieën verschilt. Art. 13 WWM Pro formuleert verschillende verboden voor wapens van categorie I, te weten – kort gezegd – ongewenste wapens, niet zijnde vuurwapens. Daarentegen geldt op grond van art. 27 WWM Pro voor wapens van categorie IV, waaronder gasdrukwapens, enkel een draagverbod. Een gasdrukgeweer valt in beginsel onder categorie IV, onder 4, WWM, “behoudens zulke door Onze Minister overeenkomstig categorie I, sub 7°, aangewezen [A-G: lucht-, gas- en veerdrukwapens] die zodanig gelijken op een vuurwapen dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn”. In art. 3, aanhef en onder a, RWM zijn als zodanig aangewezen voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens.
2.17
De vraag of een gasdrukwapen “een sprekende gelijkenis” vertoont met een vuurwapen als bedoeld in art. 3 RWM Pro en dus voor bedreiging of afdreiging geschikt is, is relevant voor de vraag of het gasdrukwapen valt onder categorie I, onder 7, WWM, zodat niet alleen het dragen daarvan, maar ook het vervaardigen, transformeren, voor derden herstellen, overdragen, voorhanden hebben, vervoeren, doen binnenkomen en doen uitgaan verboden is. De enkele omstandigheid dat een gasdrukwapen niet zo’n gelijkenis vertoont betekent echter niet dat het dreigen met een dergelijk wapen per definitie geen bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling kan opleveren als bedoeld in art. 285 Sr Pro. Voor zover in de tweede deelklacht hieromtrent een andersluidend standpunt wordt ingenomen, getuigt het van een onjuiste rechtsvatting.
2.18
Uit de bewijsvoering van het hof kan met betrekking tot de onder 1 bewezen verklaarde bedreiging van [benadeelde] onder meer het volgende worden afgeleid. De verdachte is na een eerdere verkeersruzie met het slachtoffer en de [getuige] naar huis gegaan. Daar heeft hij een ploertendoder en een luchtbuks gepakt. Vervolgens is hij naar het slachtoffer en de getuige op zoek gegaan, omdat hij wilde dat zij zich tegenover hem zouden verontschuldigen en omdat hij hen “een lesje wilde leren”. De verdachte heeft het slachtoffer en de getuige aangetroffen op een parkeerplaats bij [locatie] . De verdachte is uit zijn auto gestapt en is met een ploertendoder naar de auto van het slachtoffer gelopen. De verdachte heeft bij de auto van het slachtoffer tegen het slachtoffer geschreeuwd “sorry zeggen, anders gaat het pijn doen”. Vervolgens is de verdachte naar zijn auto gelopen. Daarbij heeft hij gezegd: “ik heb nog wat liggen”. Daarna heeft de verdachte een zwarte luchtbuks met daarop een richtkijker gepakt en vanaf zijn auto door de richtkijker van het gasdrukgeweer gericht op het slachtoffer en de getuige. Tijdens het richten heeft de verdachte meermalen tegen het slachtoffer geschreeuwd dat het slachtoffer zijn excuses moest aanbieden. Het slachtoffer en de getuige hebben verklaard dat de luchtbuks leek op een sniper (sluipschuttersgeweer). Beiden hebben verklaard ontzettend bang te zijn geweest.
2.19
Het op deze feiten en omstandigheden en de daaruit blijkende context gebaseerde (kennelijke) oordeel van het hof dat de door de verdachte gedane uitlating en de verrichte handeling van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij het slachtoffer de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen laten en/of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen als hij zich niet in afdoende mate zou verontschuldigen voor de eerdere verkeersruzie en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is naar de eis der wet met redenen omkleed. Daarbij neem ik in aanmerking, zoals het hof heeft overwogen, dat aan het bij de bedreiging gebruikte gasdrukgeweer niet is te zien dat het een luchtbuks betreft en dat het geweer heel sterk lijkt op een vuurwapen. Voorts weeg ik mee dat het hof – niet onbegrijpelijk – de verbale uitlating van de verdachte en het richten van het gasdrukgeweer op het slachtoffer in onderlinge samenhang heeft bezien en heeft geoordeeld dat die gedragingen gezamenlijk leiden tot een bedreiging met een misdrijf dat tegen het leven is gericht.
2.2
De tweede deelklacht faalt.
2.21
In de
derde deelklachtwordt geklaagd dat “het gerechtshof de bewezenverklaring van feit 1 mede heeft doen berusten op de eigen waarneming zulks terwijl aan de daarvoor geldende vereisten niet is voldaan. Als gevolg daarvan is [de verdachte] in zijn verdediging geschaad en/of berust de bewezenverklaring (mede) op een niet-wettig bewijsmiddel en/of is die [bewezenverklaring] onbegrijpelijk en/of niet naar de eis der wet met redenen omkleed”.
2.22
Aangevoerd wordt dat de eigen waarneming van het hof dat het bij de bedreiging gebruikte gasdrukgeweer “heel sterk lijkt op een scherpschuttersgeweer” niet tijdens het onderzoek ter terechtzitting door het hof aan de orde is gesteld. De verdediging heeft daardoor niet de gelegenheid gehad zich daaromtrent uit te laten en de verdediging zou door het gebruik van die eigen waarneming voor het bewijs zijn verrast omdat zij met de waarneming van het hof geen rekening behoefde te houden.
2.23
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- Art. 339 lid Pro 1, aanhef en onder 1°, Sv:
“1. Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend:
1° eigen waarneming van den rechter;”
- Art. 340 Sv Pro:
“Onder eigen waarneming van den rechter wordt verstaan die welke bij het onderzoek op de terechtzitting door hem persoonlijk is geschied.”
2.24
Wil de eigen waarneming van de rechter als wettig bewijsmiddel kunnen meewerken tot het bewijs, dan zal deze op grond van art. 340 Sv Pro bij het onderzoek ter terechtzitting moeten zijn gedaan, zodat ook de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie, de verdachte en de raadsman die waarneming hebben kunnen doen en de gelegenheid hebben gehad zich daarover bij de behandeling van de zaak uit te laten. [13] Het is in zijn algemeenheid niet vereist dat de rechter zijn eigen, bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting gedane waarneming aldaar ter sprake brengt. Niettemin is de rechter gehouden dat wel te doen, indien de procespartijen door het latere gebruik van die eigen waarneming voor het bewijs zouden worden verrast omdat zij met (de inhoud of de strekking van) de waarneming van de rechter geen rekening behoefden te houden. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals het procesverloop, de aard van de waarneming en het verband van die waarneming met het voorhanden bewijsmateriaal. [14]
2.25
Het hof heeft de in het middel bestreden eigen waarneming niet bij de bewijsmiddelen opgenomen, maar heeft deze wel in zijn bewijsoverwegingen betrokken. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat het niet nodig was de desbetreffende waarneming ter terechtzitting ter sprake te moeten brengen omdat de procespartijen door het gebruik van de eigen waarneming voor het bewijs niet zouden worden verrast. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking.
2.26
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2024 heeft de voorzitter de korte inhoud van de stukken van de zaak mondeling medegedeeld. Tot die stukken behoren de als bewijsmiddelen 4 en 5 gebezigde processen-verbaal van bevindingen. Die processen-verbaal houden een beschrijving in van het gasdrukgeweer dat de verdachte heeft gebruikt bij de bewezen verklaarde bedreiging. Achter één van die processen-verbaal zijn ook de foto’s van het gasdrukgeweer gevoegd. Uit de beschrijvingen blijkt dat het een lang, zwart gasdrukgeweer met richtkijker betreft dat niet van een echt vuurwapen is te onderscheiden. De waarneming van het hof betrof slechts de uiterlijke kenmerken van het gasdrukgeweer, die ook uit de bovengenoemde bewijsmiddelen zijn af te leiden. Daarbij komt dat de verdachte op de zitting in hoger beroep heeft verklaard dat het gasdrukgeweer niet van een echt vuurwapen is te onderscheiden (zie ook bewijsmiddel 10).
2.27
In het licht van wat onder randnr. 2.24 is vooropgesteld en van wat onder randnrs. 2.25-2.26 is uiteengezet, kan niet worden gezegd dat de verdediging door het gebruik voor het bewijs van hetgeen het hof op de foto’s van het gasdrukgeweer over het uiterlijk van het wapen heeft waargenomen, is verrast omdat de verdediging met die waarneming geen rekening zou hoeven te houden. Het hof heeft zijn eigen waarneming zonder schending van enige rechtsregel in de bewijsvoering kunnen betrekken, ook zonder deze ter terechtzitting te expliciteren.
2.28
De derde deelklacht kan ook om een andere reden niet tot cassatie leiden. De bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde is namelijk ook met weglating van de bestreden eigen waarneming van het hof toereikend gemotiveerd, zodat de verdachte onvoldoende belang heeft bij vernietiging van het bestreden arrest op de in de derde deelklacht genoemde grond. [15]
2.29
De derde deelklacht faalt. Daarmee faalt het eerste middel in al zijn onderdelen.

3.Het tweede middel

3.1
In het middel wordt geklaagd dat “de beslissing van het gerechtshof tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden voor de onder 1 tot en met 3 bewezen verklaarde feiten onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.”
3.2
Het hof heeft de verdachte voor de onder 1 tot en met 3 bewezen verklaarde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van het voorarrest. De strafoplegging is als volgt gemotiveerd:

Oplegging van straf en/of maatregel
(…)
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte is na een verkeersruzie huiswaarts gekeerd en heeft eenmaal thuis besloten om wapens te pakken en opnieuw de confrontatie te zoeken. Hij heeft het slachtoffer vervolgens bedreigd door onder meer een zeer sterk op een scherpschuttersgeweer lijkende luchtbuks op hem te richten. Daarnaast heeft hij met een ploertendoder tegen de auto van het slachtoffer geslagen en heeft zodoende die auto beschadigd.
Het hof rekent het verdachte ernstig aan dat hij na een eerdere onenigheid in het verkeer het recht in eigen hand heeft genomen en gewapend met een ploertendoder en nota bene een luchtbuks actief de confrontatie heeft gezocht. Aan de ernst van de feiten draagt in stevige mate bij dat de door verdachte gebruikte luchtbuks bijzonder veel lijkt op een scherpschuttersgeweer en dat het effectief richten van dat wapen op een ander – na een reeds geuite mondelinge bedreiging – zeer bedreigend voor het slachtoffer moet zijn geweest. Uit zijn aangifte en uit de onderbouwing bij zijn vordering als de benadeelde partij blijkt ook dat het voorval een diepe indruk op hem heeft gemaakt.
Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep onvoldoende blijk gegeven van het bijzonder kwalijke van zijn handelen. Hij spreekt van twee partijen die allebei zowel dader als slachtoffer zijn en heeft bij de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij geen verschil ziet in de ernst van het handelen van het slachtoffer en zijn eigen handelen. Het is echter uitsluitend verdachte die – nadat een discussie in het verkeer al was beëindigd – na thuiskomst besluit om met wapens nogmaals de confrontatie te zoeken. Verdachte heeft verklaard dat hij dat deed omdat hij het slachtoffer wilde corrigeren, een lesje wilde leren en hem bang wilde maken. Als verdachte – zoals hij stelt – zich bedreigd voelde naar aanleiding van de eerdere (reeds beëindigde) situatie, dan had het op zijn weg gelegen om de politie in te schakelen. Het is nooit aangewezen om voor eigen rechter te gaan spelen. De wijze waarop verdachte zich ter terechtzitting heeft gepresenteerd – waarbij hij de schuld van het voorval in belangrijke mate bij het slachtoffer legt – maakt ook dat het hof de spijtbetuiging van verdachte niet in strafmatigende zin meeweegt.
Bij de strafoplegging heeft het hof voorts acht geslagen op het strafblad van verdachte van 10 juni 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Het hof stelt daarnaast vast dat in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS bij een bedreiging met een (nep)vuurwapen een gevangenisstraf van vier maanden tot uitgangspunt wordt genomen. Dat is verdachte ter zitting ook voorgehouden. In het licht van dat oriëntatiepunt en gelet op de hiervoor omschreven ernst van de bedreiging, het daarnaast voorhanden hebben van en vernieling plegen met een ploertendoder en de houding van verdachte ter terechtzitting oordeelt het hof dat de eis van de advocaat-generaal [A-G: bevestiging van het vonnis van de politierechter, inhoudende – kort gezegd – een maand gevangenisstraf voorwaardelijk en een taakstraf van 120 uur] onvoldoende recht doet aan de ernst van de zaak. Het hof is van oordeel dat voor deze feiten en de omstandigheden waaronder ze zijn gepleegd niet kan worden volstaan met een andere dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van significante duur. Het hof komt daarom ten aanzien van het onder 1 tot en met 3 bewezenverklaarde tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met aftrek van de tijd die reeds in voorarrest is doorgebracht.”
Het juridisch kader
3.3
De feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat betekent dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Deze afweging is aan hem voorbehouden en zijn oordeel daarover behoeft geen motivering. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en ook niet of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte. [16]
3.4
Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de rechter naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting bij de strafoplegging rekening houdt met feiten en omstandigheden die kunnen gelden als omstandigheden waaronder het feit is begaan. [17] De enige grens die de rechter in acht moet nemen bij de selectie van de gegevens die hij wil gebruiken bij de straftoemeting, is dat die gegevens moeten zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Dit betekent dat de rechter alles wat ter terechtzitting is verklaard of wat in de gedingstukken is neergelegd, in aanmerking mag nemen. Wat de gedingstukken betreft moet daaraan worden toegevoegd dat dit alleen maar is toegestaan voor zover is voldaan aan het voorschrift van art. 301 lid 4 Sv Pro, dat inhoudt dat ten bezware van de verdachte slechts acht mag worden geslagen op stukken die ter zitting zijn voorgelezen of waarvan aldaar de korte inhoud is medegedeeld. Van die voorlezing of korte mededeling dient te blijken uit het proces-verbaal van de terechtzitting. Wordt in de strafmotivering rekening gehouden met de inhoud van zo’n niet aan de orde gesteld stuk, dan volgt vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging. Maar behalve met wat rechtstreeks uit de stukken of het verhandelde ter terechtzitting is gebleken, mag de rechter bij de strafoplegging ook rekening houden met andere factoren. De feitenrechter mag bijvoorbeeld letten op gegevens die met de persoon van de verdachte samenhangen zoals diens strafrechtelijk verleden, zijn te verwachten gedrag, diens proceshouding, het morele verwijt, de speciale preventie, evenals met factoren die verband houden met de ernst van het feit zoals het ingetreden gevolg, het gevaar voor de volksgezondheid (bijvoorbeeld bij drugsmisdrijven), de generale preventie waaronder begrepen rechtshandhaving, normbevestiging, inscherping van gewijzigde maatschappelijke opvattingen en de schok die een ernstig misdrijf in de rechtsorde heeft teweeggebracht. [18] Bij de beantwoording van de vraag of de strafmotivering voldoet aan de eisen, pleegt de Hoge Raad zich terughoudend op te stellen. [19]
De bespreking van het tweede middel
3.5
In de toelichting op het middel ontwaar ik drie deelklachten die erop neerkomen dat het hof in de strafoplegging rekening heeft gehouden met gegevens die niet zijn gebleken bij het onderzoek ter terechtzitting.
3.6
In de
eerste deelklachtwordt het volgende aangevoerd. De omstandigheid dat de door de verdachte bij de bewezen verklaarde bedreiging gebruikte luchtbuks heel sterk lijkt op een scherpschuttersgeweer heeft in stevige mate bijgedragen aan de ernst van de feiten. Die omstandigheid is echter gebaseerd op de eigen waarneming van het hof die niet door het hof ter zitting ter sprake is gebracht. Daarmee betreft het een gegeven dat op de zitting niet aan de orde is gekomen, zodat de motivering van de strafoplegging ontoereikend en/of onbegrijpelijk is.
3.7
Het hof heeft bij de strafoplegging in strafverzwarende zin meegewogen dat het door de verdachte bij de bedreiging gebruikte gasdrukgeweer heel sterk lijkt op een scherpschuttersgeweer. Ik meen – anders dan de steller van het middel – dat het hof die omstandigheid wel bij de strafoplegging heeft mogen betrekken. Die omstandigheid blijkt namelijk (ook) uit de door het hof als bewijsmiddelen 4 en 5 gebezigde processen-verbaal van bevindingen – waarin wordt gesproken over “een luchtbuks” (bewijsmiddel 4) en “een groot zwart wapen” (bewijsmiddel 5), voorzien van “een kijker”/“vizier” (bewijsmiddelen 4 en 5) –, waarvan de korte inhoud ter zitting in hoger beroep is medegedeeld, en uit de op de zitting in hoger beroep van 15 juli 2024 afgelegde en door het hof als bewijsmiddel 10 gebezigde verklaring van de verdachte inhoudende dat het gasdrukgeweer niet van een echt vuurwapen is te onderscheiden.
3.8
De eerste deelklacht faalt.
3.9
In de
tweede deelklachtwordt aangevoerd dat – anders dan het hof heeft overwogen – niet uit enig op de zitting in eerste aanleg of in hoger beroep aan de orde gekomen gegeven, blijkt dat de verdachte heeft verklaard geen verschil te zien in de ernst van het handelen van het slachtoffer en zijn eigen handelen. Evenmin blijkt dat de verdachte een verklaring heeft afgelegd die als zodanig kan worden verstaan.
3.1
Uit de hiervoor onder randnr. 3.2 weergegeven strafmotivering blijkt dat het hof heeft overwogen dat het de spijtbetuiging van de verdachte niet in strafmatigende zin heeft meegewogen. Daarbij heeft het hof – niet onbegrijpelijk – de wijze waarop de verdachte zich ter terechtzitting heeft gepresenteerd, betrokken. In dat verband heeft het hof overwogen dat de verdachte bij de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard geen verschil te zien in de ernst van het handelen van het slachtoffer en zijn eigen handelen en dat de verdachte de schuld van het voorval in belangrijke mate bij het slachtoffer legt. De overweging van het hof dat de verdachte heeft verklaard geen verschil te zien tussen de ernst van het handelen van het slachtoffer en zijn eigen handelen betreft een gegeven dat met de persoon van de verdachte samenhangt. Dat gegeven behoeft – anders dan waarvan in de tweede deelklacht wordt uitgegaan – niet rechtstreeks uit de stukken of het verhandelde ter terechtzitting te blijken. Het hof kon bij de strafoplegging dus wel degelijk rekening houden met dat gegeven.
3.11
De tweede deelklacht faalt.
3.12
In de
derde deelklachtwordt aangevoerd dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2024 evenmin blijkt dat – anders dan het hof heeft overwogen – de verdachte op die zitting is voorgehouden dat de LOVS-oriëntatiepunten voor een bedreiging met een (nep)vuurwapen een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden tot uitgangspunt nemen.
3.13
Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2024 niet blijkt dat de verdachte is voorgehouden dat de LOVS-oriëntatiepunten bij een bedreiging met een (nep)vuurwapen een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden tot uitgangspunt nemen. Hierdoor moet er in cassatie van uit worden gegaan dat dit niet is gebeurd. Tot cassatie kan dit echter niet leiden. De LOVS-oriëntatiepunten zijn namelijk geen feiten en omstandigheden die kunnen gelden als omstandigheden waaronder het feit is begaan en die uit het onderzoek ter terechtzitting moeten zijn gebleken alvorens de rechter deze bij de strafoplegging mag betrekken. Het recht stelt ook niet de eis dat de rechter de verdachte de LOVS-oriëntatiepunten moet hebben voorgehouden voordat hij die in de strafoplegging mag betrekken. Het stond het hof dus vrij om de LOVS-oriëntatiepunten in de strafoplegging te betrekken ook als het hof die oriëntatiepunten niet ter terechtzitting met de verdachte zou hebben besproken.
3.14
De derde deelklacht faalt. Daarmee faalt het tweede middel in al zijn onderdelen.

4.Het derde middel

4.1
In het middel wordt geklaagd dat de beslissingen van het hof om de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente, en in verband daarmee om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen ontoereikend gemotiveerd en/of onbegrijpelijk zijn. Daartoe wordt aangevoerd dat uit de overwegingen van het hof niet kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW Pro vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden het hof de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij heeft gebaseerd en/of doordat uit de door de benadeelde partij ingebrachte vordering tot schadevergoeding met bijlagen de immateriële (psychische) schade die de benadeelde partij stelt te hebben geleden niet kan worden afgeleid en/of op grond daarvan niet kan worden vastgesteld dat die in rechtstreeks verband staat met hetgeen onder feit 1 ten laste van de verdachte is bewezenverklaard.
4.2
De bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde en de bewijsvoering van het hof heb ik hiervoor weergegeven onder de randnrs. 2.3-2.5.
De vordering van de benadeelde partij
4.3
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een formulier ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ dat door de [benadeelde] op 20 september 2022 is ondertekend en in de onderhavige strafzaak tegen de verdachte is ingediend. Verzocht wordt om vergoeding van € 500,- aan immateriële schade als gevolg van de bewezen verklaarde bedreiging.
4.4
Het bij het formulier ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ gevoegde ‘Schade-onderbouwingsformulier’ houdt het volgende in (met weglating van voetnoot):
“Delict Art. 350 lid 1 Sr Pro
Art. 285 lid 1 Sr Pro
(…)
Korte situatieschets
Benadeelde is slachtoffer geworden van bedreiging en vernieling, door een onbekende verdachte. Ten gevolge van het tenlastegelegde heeft benadeelde immateriële schade geleden, die hij hierbij vordert.
(…)
Psychische gevolgen
Het gebeuren heeft een grote impact op het leven van benadeelde. Hij ervaart hierdoor stress, angst, en herbelevingen.
De nacht na het incident had benadeelde een nachtmerrie, benadeelde heeft normaal gesproken nooit last van nachtmerries. Hij is alert geworden in zijn dagelijkse leven en schrikt elke keer als hij dezelfde auto als verdachte voorbij ziet rijden.
Verdachte is er achter gekomen hoe benadeelde heet en heeft contact opgezocht met de werkgevers van benadeelde. Dat heeft ervoor gezorgd dat 1 van zijn werkgevers het contract opgezegd heeft. Benadeelde vindt dat heel vervelend en ook beangstigend. Vooral omdat benadeelde niet weet hoe verdachte aan deze informatie gekomen is.
Benadeelde hield zich groot na het incident maar sinds een paar weken lukt dat niet meer en gaat het niet goed met hem. Benadeelde loopt sinds 15 mei 2022 bij een psycholoog en er is een depressie geconstateerd. Hij heeft tot op heden elke week 1 sessie bij de psycholoog. In totaal heeft benadeelde 18 sessie achter de rug.
Benadeelde hoopt na de zitting rustig verder te gaan met zijn leven en deze gebeurtenis een plekje te geven.
(…)
Immateriële schade
Wettelijke grondslag immateriële schadevergoeding
Bedreiging
Benadeelde maakt aanspraak op vergoeding van de geleden immateriële schade, omdat in artikel 6:106 sub a BW Pro wordt gesproken over ‘h
et oogmerk zodanig nadeel toebrengen’. Uit het strafdossier blijkt dat verdachte met het uiten van de bedreiging zowel de bedoeling had (het oogmerk) om benadeelde vrees aan te jagen als het oogmerk om benadeelde immateriële schade toe te brengen. Benadeelde gebruikte een gasdrukgeweer om zijn bedreiging kracht bij te zetten. Hierdoor had benadeelde de angst dat verdachte daadwerkelijk van plan was om zijn bedreiging uit te voeren.
Hoogte immateriële schadevergoeding
De omvang van de immateriële schadevergoeding dient naar billijkheid te worden vastgesteld. Volgens vaste jurisprudentie zijn onder andere richtinggevend voor de vaststelling van de omvang van het smartengeld:
- de aard en ernst van de normschending;
- de aard en ernst van het letsel;
- de aard, omvang en duur van de gevolgen.
Daarnaast dient er gekeken te worden naar toegewezen bedragen in vergelijkbare gevallen.
Voor de hoogte van de immateriële schadevergoeding wordt verwezen naar onderstaande uitspraak.
Gerechtshof Amsterdam, 11 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3159
De smartengeldvergoeding in deze zaak bedraagt € 350,00. Geïndexeerd naar 2022 komt dat neer op € 381,50.
Verbale bedreiging
Verdachte bedreigde het slachtoffer met de woorden: “I am going to kill you”. Het slachtoffer werkte als beveiliger bij een supermarkt. Hij heeft de situatie als zeer bedreigend ervaren.
(…)
Overeenkomstig tussen de aangehaalde uitspraak en deze zaak is dat in beide zaken sprake is van verbale bedreiging. Het verschil tussen deze twee zaken is dat in de huidige zaak ook bedreigd werd met een gasdrukgeweer. Daarnaast is er in de huidige zaak ook sprake van vernieling aan benadeelde zijn auto.
Gezien deze bijkomende omstandigheden is het redelijk om het immateriële schadebedrag te verhogen naar € 500,00
Dit leidt tot de conclusie dat de immateriële schade van benadeelde gezien de omstandigheden, de ernst en de gevolgen in billijkheid is te stellen op € 500,00 en thans opeisbaar is.
Totale immateriële schade € 500,00
Totale schade € 500,00
Benadeelde verzoekt u de vordering met een bedrag van € 500,00 toe te wijzen en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.
Mocht u van oordeel zijn dat de vordering geheel of gedeeltelijk onevenredig belastend is voor behandeling in het strafgeding, dan verzoekt benadeelde u om het deel dat niet onevenredig belastend is toe te wijzen en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren (in plaats van af te wijzen).
Tevens verzoekt benadeelde u een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr op te leggen voor zowel het schadevergoedingsbedrag als voor de verschuldigde wettelijke rente.
Benadeelde behoudt zich op grond van artikel 51f lid 3 Sv. uitdrukkelijk het recht voor om eventueel overige, nu nog niet bekende of gevorderde, schade in een later stadium via een civiele procedure van de verdachte te vorderen.”
4.5
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2024 heeft de raadsvrouw van de verdachte op die terechtzitting het woord gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Die pleitnota houdt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij het volgende in:
“29. Aangezien de verdediging vrijspraak heeft bepleit van het onder feit 1 tenlastegelegde verzoekt de verdediging uw hof om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
30. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering ter hoogte van € 500,- onvoldoende is onderbouwd en om die reden eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel afgewezen. De benadeelde partij heeft zelf de eerste confrontatie met cliënt opgezocht en zodoende is er wat de verdediging betreft sprake van enige mate van eigen schuld waardoor de vordering op z’n minst genomen gematigd zou moeten worden.”
4.6
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot betaling aan de benadeelde partij van € 500,00 als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, en heeft aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag opgelegd. Het hof heeft in dit verband het volgende overwogen:

Vordering van de [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 500,00. De vordering is door de politierechter toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.
(…)
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak ter zake feit 1 en vanwege een gebrekkige onderbouwing van de vordering. Subsidiair is verzocht om het gevorderde bedrag te matigen, nu sprake zou zijn van enige mate van eigen schuld van de benadeelde partij door zelf eerst de confrontatie te zoeken.
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering integraal zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”
Het juridisch kader
4.7
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- Art. 6:95 lid 1 BW Pro:
“De schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft.”
- Art. 6:106 BW Pro:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.”
4.8
De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsarrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
NJ2019/379, m.nt. W.H. Vellinga [20] met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“2.4.4 Art. 6:106 BW Pro geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
2.4.5
Van (…) aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
(…)
2.8.2
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.
(…)
2.8.6
Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.”
De bespreking van het derde middel
4.9
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Mede in aanmerking genomen dat de vordering namens de verdachte is betwist, is dat oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit de overwegingen van het hof niet kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW Pro vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden de toewijzing van de vordering berust. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr niet in stand kan blijven. [21]
4.1
Het derde middel slaagt.

5.Slotsom

5.1
Het eerste en het tweede middel falen in al hun onderdelen en kunnen worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging. Het derde middel slaagt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde de zaak enkel ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel opnieuw te berechten en af te doen, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De kwalificatie luidt: “Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.”
2.De kwalificatie luidt: “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.”
3.De kwalificatie luidt: “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.”
4.De kwalificatie luidt: “handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.”
5.G.J.M. Corstens,
6.HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC8327,
7.HR 30 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3662,
8.HR 15 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6569 en HR 26 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9304,
9.HR 27 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0095,
10.B.F. Keulen & G. Knigge,
11.Vgl. de conclusie van A-G Aben, randnr. 15, vóór HR 31 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:511 (de Hoge Raad heeft de zaak afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde motivering).
12.Zie bijv. HR 24 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1416, rov. 2.3; HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1862, rov. 2.3; HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:84, rov. 2.3.
13.HR 29 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6414,
14.HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2831,
15.HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146,
16.A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers,
17.HR 27 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4286, rov. 3.3.
18.A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers,
19.A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers,
20.En recentelijk: HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822.
21.Vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901,