Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
20 december 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een bedreiging die verdachte op 9 mei 2017 uitte via een FaceTime-gesprek met twee buurmannen, waarbij hij dreigde een molotovcocktail door het raam van de aangever te gooien en diens woning te bombarderen met brandbommen. Het hof oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de bedreiging de aangever zou bereiken, ondanks dat hij aan de gesprekspartners vroeg het niet te bespreken.
De bewijsmiddelen bestonden uit verklaringen van getuigen die het gesprek bijwoonden, waaronder de vriendin van verdachte en de buurmannen, en de aangever zelf die aangaf daadwerkelijk angst te hebben ervaren. Het hof vond de bedreiging van dien aard dat bij de aangever de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf zou worden gepleegd.
Het cassatiemiddel klaagde over onvoldoende motivering van het opzet, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat verdachte het voorwaardelijke opzet had op het overbrengen van de bedreiging aan de aangever. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor bedreiging met misdrijf tegen het leven en brandstichting.