Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
SPV: er is wel acuut ernstig nadeel; is in conflict gekomen met supermarktpersoneel zodat politie er bij moest. Ook lichamelijk letsel voor zichzelf. Gewicht in combinatie met psychose kan levensbedreigend zijn. BMI van 12. Als zij nu meer afvalt ook risico op ernstige lichamelijk schade.”
Advocaat: insluiten en toezicht is al aan de orde gekomen. Beperken bezoek gaat er helemaal uit. Opname beperkt tot 3 maanden. Centraal staat dat betrokkene wil afbouwen en zich vrijwillig aan de behandeling wil onderwerpen. Wilsbekwaam verzet? Levensgevaar moet acuut zijn. Is hier niet. Begeleiders hebben gezegd dat de zorgmachtiging niet wordt aangevraagd voor het lage gewicht. Wordt niet voldaan aan de eisen van de HR. Ernstig psychische schade: nee. Ook niet gevaar voor anderen. Onafhankelijk psychiater heeft hier geen onderzoek naar gedaan. Daarom onderzoek wilsbekwaam verzet.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
de onafhankelijke psychiater, zoals die volgen uit de Wvggz.
perse geen live gesprek” en niet naar de poli komen, aldus de medische verklaring onder 4a. Aangezien zij zich in ambulant kader bevond was er geen dwangmiddel om ervoor te zorgen dat zij op de voorgestelde afspraak voor een onderzoek in persoon zou verschijnen. Anderzijds was betrokkene akkoord met een gesprek via beeldbellen, wat naar het mij voorkomt het alternatief is dat het dichtst komt bij een onderzoek in direct contact. Beeldbellen stelde de psychiater in staat om betrokkene (toch) te observeren en met haar een (wederkerig) gesprek te voeren. Niets in de gedingstukken wijst erop dat betrokkene moeite zou hebben om zich bij beeldbellen goed te uiten. In zoverre kan dus ook niet worden gezegd dat zij zich daarbij in een kwetsbaarder positie bevond dan het geval zou zijn geweest bij een onderzoek in direct contact.
HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:665: met het oog op een verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel diende op een zondag vroeg in de ochtend een medisch onderzoek plaats te vinden. Er was op dat moment van de week slechts één psychiater beschikbaar in de betrokken regio. Er werd gekozen voor beeldbellen want daarmee werd kostbare reistijd bespaard, wat mij op zichzelf een legitieme overweging lijkt. Die reden stond echter niet vermeld in de medische verklaring, maar werd op de zitting gegeven. Volgens de Hoge Raad betekende het feit dat sprake was van een crisissituatie en dat er zondag vroeg slechts één psychiater in de regio beschikbaar is nog niet dat het voor deze psychiater redelijkerwijs niet mogelijk was om betrokkene fysiek medisch te onderzoeken.
HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1460: ook in die zaak ging het om een verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel en was het medisch onderzoek door de onafhankelijke psychiater verricht via beeldbellen. Uit de medische verklaring bleek dat voor beeldbellen was gekozen in verband met ‘de noodzaak snel te handelen’. Er bleek niet uit waarom die noodzaak meebracht dat het in die zaak redelijkerwijs niet mogelijk was betrokkene in een direct contact te onderzoeken. De medische verklaring bevatte geen toereikende toelichting waarom de betrokkene via beeldbellen was onderzocht.
HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:789: in die zaak was een crisismaatregel vastgesteld na een medisch onderzoek via beeldbellen. Beeldbellen was nodig geacht gelet op de kritieke situatie waarin betrokkene verkeerde, hoewel kennelijk 60 minuten later een face-to-face-beoordeling wel mogelijk was. In die omstandigheden was volgens de Hoge Raad niet vastgesteld dat het redelijkerwijs niet mogelijk was om de betrokkene in een direct contact te spreken en te observeren.
HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1075: die zaak betrof een zorgmachtiging en ging over de vraag of een medisch onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene mogelijk was. De betrokkene had op twee achtereenvolgende dagen de deur niet open gedaan voor de psychiater. Er was wel met de buren van de betrokkene gesproken en die meenden hem te hebben gehoord. Volgens de Hoge Raad was dat een onvoldoende feitelijke basis om aan te nemen dat de betrokkene kennelijk weigerde om aan het medisch onderzoek mee te werken.
HR 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:454: die zaak betrof een deelbeschikking waarbij voor korte tijd een zorgmachtiging was verleend op basis van een medische verklaring die een gebrek bevatte omdat de psychiater de betrokkene niet persoon had onderzocht en daartoe evenmin (voldoende) pogingen had gedaan. In lijn met mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2026:40) vernietigde de Hoge Raad de bestreden deelbeschikking.
HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:509: in die zaak had de betrokkene geweigerd mee te werken aan een onderzoek van de onafhankelijke psychiater omdat deze naar zijn mening onvoldoende onafhankelijk zou zijn van de behandelaren. In mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2026:125) betoog ik dat het oordeel van de rechtbank dat uit de medische verklaring blijkt dat de onafhankelijke psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden om betrokkene te onderzoeken, uitging van een juiste maatstaf en voldoende was gemotiveerd. [12] De Hoge Raad verwierp het beroep met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:583: in die zaak had de rechtbank besloten de mondelinge behandeling buiten de aanwezigheid van de betrokkene te doen plaatsvinden. De daartegen gericht klacht was gegrond omdat de rechtbank ten onrechte ervan was uitgegaan dat de betrokkene niet bereid was zich te doen horen. De Hoge Raad kwam daarmee niet toe aan de klacht dat uit de bestreden beschikking niet bleek dat de rechtbank had onderzocht of een medisch onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene niet mogelijk was. Ook ter zitting had de rechtbank daaraan geen aandacht besteed, terwijl blijkens het proces-verbaal de advocaat daar wel op had gewezen. Uit de conclusie van A-G Coenraad (ECLI:NL:PHR:2026:119, nrs. 3.34 e.v.) valt op te maken dat de betrokkene door de psychiater niet in persoon was onderzocht, hoewel meerdere pogingen waren ondernomen haar te spreken te krijgen. Ook als dergelijk gedrag kan wijzen op een weigering zich in persoon te laten onderzoeken, is meer nodig om te kunnen oordelen dat medisch onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk is, aldus A-G Coenraad.
HR 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:789: bij deelbeschikking was een zorgmachtiging vereend op basis van een medische verklaring die was opgesteld zonder dat de betrokkene was onderzocht omdat hij niet op de afspraak kwam opdagen en aangekondigd huisbezoek had afgezegd. In cassatie tegen de deelbeschikking werd geklaagd over de gebrekkigheid van de medische verklaring. De Hoge Raad heeft dat beroep (zaak 25/03779) verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro. In mijn conclusie in die zaak (ECLI:NL:PHR:2026:234) heb ik betoogd dat het oordeel van de rechtbank dat een direct contact met betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk was, in de omstandigheden van het geval niet onbegrijpelijk was zodat de rechtbank de overgelegde medische verklaring tot uitgangspunt kon nemen voor het vaststellen van de deelbeschikking (nrs. 3.12-3.13). De behandeling van het verzoek werd aangehouden. Daarna heeft de onafhankelijke psychiater niet opnieuw getracht contact te leggen met de betrokkene. De rechtbank heeft in de eindbeschikking niet vastgesteld dat de onafhankelijke psychiater voorafgaand aan de voortzetting van de mondelinge behandeling opnieuw heeft getracht om met betrokkene in contact te komen en hem in persoon te onderzoeken. Om die reden werd de eindbeschikking vernietigd (zaak 25/04134).
allehiervoor genoemde zaken. Meer specifiek, en anders dan in de zaken
onder d, f, g en h, is het oordeel dat betrokkene heeft geweigerd om mee te werken aan een fysiek medisch onderzoek niet afgeleid uit gedragingen, zoals de deur niet open doen voor de onafhankelijke psychiater of het zich op een andere manier schuilhouden.
onder a en b, is niet voor beeldbellen gekozen om redenen van praktische aard (zoals een gebrek aan tijd of mankracht), maar om op betrokkene toegespitste omstandigheden die maken dat een onderzoek in haar fysieke aanwezigheid redelijkerwijs niet mogelijk was.
isonderzocht door de onafhankelijke psychiater. Deze heeft haar geobserveerd en met haar een (wederkerig) gesprek gevoerd. Op basis daarvan heeft de psychiater de actuele medische situatie van betrokkene kunnen beoordelen. Dat is een verschil met de zaken vermeld
onder d t/m h, waar de medische verklaring was gebaseerd op dossierstukken en niet tevens op een gesprek met de betrokkene.
onder h.
de rechtbankgehouden was om in de bestreden beschikking kenbaar een oordeel te geven over de vraag of een onderzoek in direct contact met de betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk was (zie hiervoor, 3.4).
kaneen reden zijn voor de rechter om daar vragen over te stellen. Dat hoeft echter niet zo te zijn, met name als de medische verklaring daarover voldoende duidelijke informatie verschaft. In dat laatste geval kan de rechter beoordelen of de medische verklaring voldoet aan de wettelijke vereisten, zonder zelf (nader) onderzoek te hoeven doen. [14] Verder reikt de ambtshalve onderzoeks- en motiveringsplicht van de rechter mijns inziens niet, tenzij betrokkene concreet heeft betoogd dat de medische verklaring niet is opgesteld op basis van een onderzoek in direct contact terwijl dat wel had gemoeten. [15]
onder bbesproken. In die zaak bevatte de medische verklaring geen toereikende toelichting waarom de psychiater de betrokkene via beeldbellen had onderzocht. In onze zaak daarentegen bevat de medische verklaring wél de reden waarom voor beeldbellen is gekozen. Ook HR 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:226, leidt niet tot een andere beoordeling. Dat bij een crisismaatregel of een zorgmachtiging het grondrecht in het geding kan zijn dat niemand zijn vrijheid mag worden ontnomen buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald is uiteraard juist. In deze zaak echter voldoet de medische verklaring aan de wettelijke vereisten omdat wordt toegelicht waarom een onderzoek in persoon redelijkerwijs niet mogelijk is. Een specifiek daaraan gewijde overweging in de beschikking had daar redelijkerwijs niets aan toegevoegd.