ECLI:NL:PHR:2026:40

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
25/03918
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgmachtiging en hoorplicht in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

In deze zaak, behandeld door de Hoge Raad op 9 januari 2026, staat de vraag centraal of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat betrokkene niet bereid was om zich te laten horen in het kader van een zorgmachtiging. De officier van justitie had op 5 augustus 2025 een verzoek ingediend voor een zorgmachtiging voor betrokkene, die op dat moment 77 jaar oud was. De rechtbank verleende de zorgmachtiging op 10 september 2025, ondanks een ondeugdelijke medische verklaring, omdat betrokkene niet in persoon was onderzocht. De advocaat van betrokkene voerde aan dat de rechtbank niet had vastgesteld dat betrokkene niet bereid was om te worden gehoord, en dat de medische verklaring niet voldeed aan de wettelijke eisen. De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank de hoorplicht had geschonden en dat de medische verklaring niet voldeed aan de eisen van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De Hoge Raad vernietigde de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek om zorgmachtiging af voor de periode van 10 september 2025 tot en met 22 oktober 2025.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/03918
Zitting9 januari 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene],
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. M.A.M. Wagemakers
tegen
Officier van Justitie in het Arrondissementsparket Den Haag,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze zaak zijn twee onderwerpen aan de orde waarover in recente rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is geoordeeld. Ten eerste de vraag of de rechtbank kon oordelen dat betrokkene niet bereid was om zich te doen horen. Mijns inziens heeft de rechtbank op onjuiste gronden geoordeeld dat dit het geval was. Ten tweede de vraag of de rechtbank het verlenen van een zorgmachtiging kon baseren op een medische verklaring die is opgesteld zonder dat betrokkene in persoon is onderzocht. Zoals vaker voorkomt waren hulpverleners er niet in geslaagd betrokkene te pakken te krijgen voor het medisch onderzoek en de zitting. Ondanks het gebrek in de medische verklaring heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend, zij het voor de duur van zes weken (in plaats van de door de officier van justitie verzochte termijn van zes maanden), om tijd te laten voor het opstellen van een nieuwe medische verklaring. Bij gebrek aan een deugdelijke medische verklaring ontbrak daarvoor evenwel de wettelijke grondslag.
1.2
Ik concludeer tot vernietiging en meen dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen. Uit de gedingstukken blijkt niet of er een nieuwe zorgmachtiging is verleend voor de periode na de termijn van zes weken.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
2.2
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank Den Haag (hierna:
de rechtbank) op 5 augustus 2025, heeft de officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene voor een periode van zes maanden. Zij was toen 77 jaar oud.
2.3
Bij het verzoekschrift waren de volgende bijlagen gevoegd:
1. een op 2 augustus 2025 ondertekende medische verklaring van [pyschiater] ;
2. een blanco zorgkaart;
3. het zorgplan van 4 augustus 2025 opgesteld door [zorgverantwoordelijke] ;
4. de bevindingen van de geneesheer-directeur van 4 augustus 2025;
5. een blanco uittreksel uit de justitiële documentatie;
6. een afschrift van de politiemutaties.
2.4
De zorgverantwoordelijke heeft op 5 september 2025 aan de rechtbank een brief gestuurd met informatie over de toestand van betrokkene. In deze brief wordt toegelicht dat pogingen om met betrokkene in contact te komen steeds op niets zijn uitgelopen en dat zij aan de casemanagers heeft verteld dat zij een groot slagersmes bij de voordeur heeft liggen om de buurman te kunnen steken als hij probeert haar woning binnen te komen. Volgens de zorgverantwoordelijke loopt iedereen die bij betrokkene aanbelt een risico. Daarnaast heeft de zorgverantwoordelijke in zijn brief van 5 september 2025 aangegeven dat er een grote kans is dat betrokkene niet aanwezig zal zijn ter zitting.
2.5
Op de mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden op 10 september 2025, zijn gehoord: de advocaat van betrokkene, de zorgverantwoordelijke (door de rechtbank aangeduid als ‘de psychiater’) en een ambulant psychiatrisch hulpverlener.
2.6
De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene behoorlijk is opgeroepen voor de zitting, maar niet is verschenen. Zij was op de dag van de zitting niet thuis, dan wel deed de deur niet open. De advocaat heeft ter zitting naar voren gebracht dat niet is vastgesteld dat betrokkene afstand heeft gedaan van het recht om (zelf) gehoord te worden.
2.7
De rechtbank overweegt dat zij “
na ampele afwegingen met inachtneming van de bestaande risico’s [heeft] besloten ervan uit te gaan dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen.”
2.8
De advocaat heeft ter zitting verder aangevoerd dat de medische verklaring, die is gedateerd op 26 mei 2025 [1] (maar op 2 augustus is ondertekend), onvoldoende zorgvuldig is opgesteld, aangezien betrokkene niet in persoon is onderzocht. De advocaat heeft verder toegelicht dat betrokkene aan haar heeft verteld dat zij enkel het hiervoor genoemde slagersmes gebruikt als iemand haar woning binnenkomt. De advocaat heeft verzocht om afwijzing van het verzoek tot verlening van een zorgmachtiging.
2.9
De rechtbank heeft ten gronde als volgt geoordeeld:
“Uit de overgelegde stukken is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een schizofrene stoornis.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel […].
Betrokkene veroorzaakt overlast in de buurt en leeft in isolatie. Zij woont in een woning die deels met aluminiumfolie is bekleed vanwege waangedachten over straling, fluistert in huis en is uit achterdocht gestopt met vrijwilligerswerk. Betrokkene heeft wanen over haar buren en is bereid geweld te gebruiken ter zelfbescherming. Zo heeft zij aangegeven de buurman of een door hem gestuurd persoon te steken met een groot mes en heeft zij de buurman met een hamer benaderd. Zij ziet andere personen aan als handlangers van de buurman.
Om het ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren en de geestelijke gezondheid van betrokkene te herstellen zodanig dat zij haar autonomie zoveel mogelijk herwint, heeft betrokkene zorg nodig.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Betrokkene wil zich niet laten behandelen en is zorgmijdend. Om die reden is verplichte zorg nodig.”
2.1
Vervolgens oordeelt de rechtbank dat alle in het verzoekschrift genoemde vormen van verplichte zorg, waaronder ‘opnemen in een accommodatie’, noodzakelijk zijn om het ernstig nadeel af te wenden. Daaraan voegt de rechtbank toe dat de voorgestelde verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief is, en dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
2.11
Tot slot overweegt de rechtbank:
“De rechtbank erkent een gebrek in de medische verklaring, nu slechts één aangekondigde poging is gedaan om betrokkene te spreken. Uit de toelichting van de psychiater blijkt echter dat het niet te verwachten is dat het alsnog zal lukken betrokkene te spreken. Gelet op het ernstig nadeel acht de rechtbank het noodzakelijk dat voor een korte periode een zorgmachtiging wordt verleend. Rekening houdend met het geconstateerde gebrek wordt de machtiging toegewezen voor de duur van zes weken, zodat betrokkene alsnog in persoon kan worden onderzocht en de noodzakelijke zorg kan worden geboden.”
2.12
De rechtbank heeft beslist om ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging te verlenen voor de termijn van zes weken, tot en met 22 oktober 2025.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

Inleiding
3.1
In de op 29 oktober 2025 namens betrokkene ingediende procesinleiding worden – kort samengevat – de volgende klachten aangevoerd:
1. Schending van het recht te worden gehoord
2. Ondeugdelijke medische verklaring
3. Te laat uitspraak gedaan
4. Schending van art. 5, aanhef en sub e, EVRM
5. Veegklacht
3.2
Mijns inziens volstaat een bespreking van de eerste twee klachten. Die leiden ertoe dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd. De veegklacht slaagt in het verlengde daarvan. De derde [2] en de vierde klacht van het middel behoeven geen behandeling.
Weergave van de te bespreken klachten
3.3
Het middel voert aan dat art. 6:1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene daartoe niet in staat of niet bereid is. De rechtbank heeft dat laatste niet vastgesteld en kon daarom ook niet, althans niet ontoereikend gemotiveerd afzien van het horen van betrokkene, ook niet met inachtneming van de bestaande risico's. (
klacht 1)
3.4
Het middel voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, op basis van een ondeugdelijke medische verklaring een psychische stoornis en ernstig nadeel heeft vastgesteld. Immers is die medische verklaring ingevuld op 26 mei 2025 (en afgedrukt op 4 augustus 2025). Daarmee kon op 10 september 2025 niet de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene worden vastgesteld. Daarom is art. 5:8 lid 1 Wvggz in verbinding met art. 5:17 lid 3 Wvggz en art. 6:4 Wvggz geschonden. (
klacht 2.1)
3.5
Daarnaast betoogt het middel dat de rechtbank ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de zorgmachtiging op basis van de gebrekkige medische verklaring kan worden verleend. Uit de overgelegde medische verklaring blijkt dat betrokkene niet is gezien of gesproken. [3] De psychiater heeft verantwoord waarom onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk of niet verantwoord was, voor welk alternatief hij heeft gekozen, en op welke gronden hij tot de slotsom is gekomen dat aan de vereisten voor verplichte zorg is voldaan. (
klacht 2.2)
3.6
Tot slot klaagt onderdeel 2 van het middel dat het met klacht 2.2 aangevochten oordeel ook onjuist is, althans ontoereikend is gemotiveerd, omdat niet valt in te zien hoe dit gebrek kan worden gecompenseerd met een zorgmachtiging voor een kortere duur. (
klacht 2.3)
Bespreking van de klachten 1 en 2
3.7
Klacht 1slaagt.
3.8
Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene mondeling hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Deze bepaling bevat de hoorplicht van de rechter: na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging
moetde rechter de betrokkene horen,
tenzijde rechter vaststelt dat betrokkene daartoe niet in staat is of niet bereid is. De hoorplicht is dus niet absoluut.
3.9
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad [4] dat het hier gaat om méér dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld. De rechter die van oordeel is dat de betrokkene niet bereid is om te worden gehoord, dient dat in zijn beschikking vast te stellen met vermelding van de gronden waarop dat oordeel berust. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter
kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene in zijn verblijfplaats te horen op de voet van art. 6:1 lid 2 Wvggz. [5]
3.1
In deze zaak is het oordeel van de rechtbank dat betrokkene niet bereid was te worden gehoord, gebaseerd op een (niet nader toegelichte) “ampele afweging”, met inachtneming van (niet nader aangeduide) “bestaande risico’s”. Kennelijk baseert de rechtbank zich op de informatie dat “
pogingen om met betrokkene in contact te komen steeds op niets zijn uitgelopen” en dat betrokkene heeft verteld “
dat zij een groot slagersmes bij de voordeur heeft liggen.” Deze overwegingen kunnen niet het oordeel dragen dat gelet op de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, de rechtbank ervan kon afzien haar te horen.
3.11
Ook
klacht 2.2slaagt. Het is vaste rechtspraak dat uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit art. 5:8 lid 1 Wvggz in verbinding met art. 5:17 lid 3 Wvggz en art. 6:4 Wvggz, mede gelet op art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM, volgt dat geen zorgmachtiging mag worden verleend indien de medische verklaring die ten grondslag ligt aan het daartoe strekkende verzoek niet voldoet aan de uit de wet voortvloeiende eisen. [6] In dat verband is ook bepaald dat de – op het eerste gezicht mogelijk praktische – oplossing om (i) in geval van een niet verschenen betrokkene al vast voor een korte periode een zorgmachtiging te verlenen, (ii) de behandeling van het verzoek om een zorgmachtiging voor het overige aan te houden tot een nieuwe zittingsdatum, zodat (iii) voor die datum een nieuwe medische verklaring kan worden overgelegd, niet door de beugel kan.
3.12
In het verlengde hiervan slaagt ook
klacht 2.3.
3.13
Wat betreft
klacht 2.1, waarin wordt aangevoerd dat de op 26 mei 2025 ingevulde medische verklaring niet kan worden aangemerkt als verklaring over de
actuelegezondheidstoestand van betrokkene, merk ik op dat het afhangt van alle omstandigheden van het geval of een medische verklaring niet meer geacht kan worden de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene weer te geven. Er geldt daarvoor niet een vaste wettelijke termijn en evenmin een vuistregel volgens welke na verloop van een bepaalde periode vanaf de datum waarop een betrokkene door een onafhankelijk psychiater is onderzocht, de verklaring geacht moet worden niet langer te zien op de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene.
3.14
De slotsom is dat het cassatieberoep doel treft en de bestreden beschikking moet worden vernietigd. Het staat vast (en door de rechtbank is ook erkend) dat aan de medische verklaring een gebrek kleefde zodat op basis van die verklaring geen zorgmachtiging kon worden verleend, ook niet voor zes weken. Gelet daarop kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door het verzoek om een zorgmachtiging voor zover het betreft de periode van 10 september 2025 tot en met 22 oktober 2025 af te wijzen. [7]

4.Conclusie

De conclusie strekt tot:
- vernietiging van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 september 2025
- afwijzing van het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging voor de periode van 10 september 2025 tot en met 22 oktober 2025.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie de voettekst van de medische verklaring (dossierstuk 3).
2.Zie voor een geval waarin de beslistermijn van drie weken niet in acht was genomen: HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1530,
3.In § 4 onder a. staat: “
4.De rechtspraak onder de Wet Bopz (oud) heeft voor toepassing van art. 6:1 Wvggz haar betekenis behouden, zie HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016,
5.Zie ook mijn conclusie van 5 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1331, onder 3.5-3.7.
6.Zie o.a. HR 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:195,
7.Zie voor een vergelijkbaar geval HR 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1381, rov. 3.1.3. Zie ook mijn conclusie in die zaak, ECLI:NL:PHR:2025:581, onder 3.10.