Conclusie
Nummer25/00690
Inleiding
medeplegen van moord”
mishandeling”
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”
De zaak
Het eerste middel
twintigjaren, terwijl in de met de kroongetuige gesloten overeenkomst als uitgangspunt een gevangenisstraf van
vierentwintig jaren stond vermeld, en (ii) dat het OM (als verkapte tegenprestatie) heeft afgezien van het instellen van een ontnemingsvordering.
de rechter het achteraf niet eens is met het rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris of (…) hij de verklaring anderszins niet deugdelijk vindt.” Bij aanvang van de behandeling van de strafzaak Eris liet het OM al weten tot verlaging van de strafeis voor de kroongetuige over te gaan, terwijl er nog verscheidene verhoren van die getuige ten overstaan van de rechter op de rol stonden, zulks ter toetsing van de door de kroongetuige eerder in het vooronderzoek afgelegde verklaringen.
Het juridisch kader: de kroongetuigeregeling
Passage), overwoog de Hoge Raad over de kroongetuigeregeling onder meer het volgende:
3.3. De wettelijke regeling houdt in dat aan een verdachte door de officier van justitie een toezegging kan worden gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte. De officier van justitie geeft kennis aan de rechter-commissaris van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in de strafzaak van deze verdachte strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd. Art. 226g, eerste lid, Sv houdt in dat deze afspraak uitsluitend betrekking heeft op het afleggen van een verklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar een ernstig, in deze wettelijke bepaling nader omschreven misdrijf. Het tweede lid van art. 226g Sv bevat (vorm)voorschriften met betrekking tot de inhoud van de op schrift gestelde voorgenomen afspraak. Op grond van art. 226g, derde lid, Sv toetst de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van deze afspraak. Het vierde lid van art. 226g Sv bepaalt dat van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, proces-verbaal wordt opgemaakt. Dat proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.
“reeds omdat van een afspraak als bedoeld in die bepaling eerst sprake kan zijn indien het gaat om een toezegging die wordt gedaan in ruil voor de bereidheid van de getuige om een verklaring af te leggen.”Het oordeel van het hof dat van een dergelijke toezegging geen sprake was, was ook niet onbegrijpelijk gelet op wat het hof had vastgesteld met betrekking tot de beweegredenen van het OM voor het nemen van de beslissing om (onder voorbehoud) af te zien van het instellen van een ontnemingsvordering. [3]
Kroongetuigeovereenkomst en overwegingen hof
“Overeenkomst als bedoeld in de aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken”van 13 november 2018 (hierna: de kroongetuigeovereenkomst). Deze houdt onder meer in:
2.2 De officier van justitie verklaart, na kennis genomen te hebben van alle relevante feiten zoals die blijken uit de eerdergenoemde processen-verbaal en overige dossierstukken, en na collegiaal overleg, dat onder gelijke omstandigheden, doch zonder onderhavige afspraak, de zaaksofficier van justitie voor alle in de considerans genoemde aan getuige ten laste gelegde of te leggen strafbare feiten van getuige een totale gevangenisstraf zou hebben geëist, dan wel zal eisen, voor de duur van 24 jaren. Bij onverkorte nakoming door getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, zal de zaaksofficier van justitie zijn strafeis voor deze feiten matigen met 50%, te weten tot een gevangenisstraf van 12 jaren.
“5.1.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst
De bespreking van het eerste middel
geen strafverzwaring” teweeg heeft gebracht. Daarmee wordt het oordeel van de Hoge Raad m.i. niet in een juist perspectief geplaatst. De Hoge Raad heeft immers (‘slechts’) geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling niet kan worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging, zulks op de grond dat “
zowel voor als na de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen de mogelijkheid bestond en bestaat dat de veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf voor de volledige duur daarvan moet ondergaan.” [7]
Het tweede middel
Prokuratuur [11] en
Landeck [12] .
De overwegingen van het hof
“5.2 Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens
Een nadere omschrijving van het tweede middel
Het juridisch kader: Prokuratuur en Landeck
Prokuratuur. [15] Daarnaast deed het Hof van Justitie in de zaak
Landeckuitspraak [16] over Richtlijn 2016/680. [17]
Landeckgaf de Hoge Raad (bij arrest van 18 maart 2025) aanleiding zijn rechtspraak over opsporingsonderzoek aan gegevensdragers als volgt bij te stellen. [21] Als politie en justitie aan gegevensdragers onderzoek willen verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal teweegbrengen, is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – voortaan een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. De rechter-commissaris toetst of de inbreuk die door het onderzoek aan de gegevensdrager op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker wordt gemaakt, gerechtvaardigd is, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek voor de waarheidsvinding. [22] In dit verband wijs ik erop dat het Hof van Justitie overweegt “
dat de ernst van het strafbare feit waarnaar het onderzoek loopt, een van de belangrijkste parameters is bij de toetsing van de evenredigheid van de ernstige inmenging die het gevolg is van de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens aan de hand waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene.” [23]
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie duidelijk heeft gemaakt dat er geen afwijkende regels gelden voor de sanctionering van vormverzuimen waarmee de verkrijging van verkeers- en locatiegegevens gepaard is gegaan. Hier is artikel 359a Sv onverminderd van toepassing. [24] Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn bij vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan gegevensdragers. [25]
Landeck. [32] De uitspraak van het Hof van Justitie dateert van 8 oktober 2024 (en is overigens op het punt van de voorafgaande rechterlijke toetsing in lijn met de conclusie). [33] Bovendien dateert het
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 en formuleerde de Hoge Raad het daarop bijgestelde kader voor de vordering van verkeers- en locatiegegevens bij arrest van 5 april 2022. Deze conclusie en uitspraken zijn dus van (ruim) vóór de sluiting van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte (op 12 februari 2025). Bij die stand van zaken gaat de in cassatie ingenomen stelling mij te ver. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij onder deze omstandigheden in staat is te beoordelen of een verweer over eventuele onrechtmatigheden bij het onderzoek aan gegevensdragers en de vordering van verkeers- en locatiegegevens kans van slagen heeft (en past in de verdedigingsstrategie). [34]
De bespreking van het tweede middel
Het derde middel
De relevante delen van de processtukken
Maar ook zonder op de persoon van de kroongetuige te spelen, kan gesteld worden dat de verklaringen van [kroongetuige] onbetrouwbaar zijn.
Dat de verklaringen van de kroongetuige ten aanzien van de ontmoeting in [plaats] zeer uiteenlopen (weinig consistent en consequent zijn) en ingevuld zijn door hetgeen hem door het onderzoeksteam is aangedragen (pleitnota, p. 32-34);
Dat de verklaringen van de kroongetuige over het zien van een grijze Peugeot (bestuurd door verzoeker) in [plaats] niet consistent zijn en dat de verklaringen een opbouwende lijn laten zien, waarbij deze meer en meer in de richting van de verdenkingen jegens verzoeker gaan (pleitnota, p. 36-37);
Dat de verklaringen van de kroongetuige over het zien van een grijze Peugeot (bestuurd door verzoeker) in [plaats] niet stroken met de onderzoeksbevindingen (ASR-gegevens) (pleitnota, p. 47-49 en dupliek, p. 13-14).
Dat de verklaringen van de kroongetuige over het ophalen van ‘de schutters’ niet consequent zijn, op belangrijke onderdelen verschillen van de verklaringen van [betrokkene 12] en dat de verklaringen mogelijk gevoed zijn door informatie via de media (pleitnota, p. 45-50);
Dat uit de historische gegevens van de telefoons van de kroongetuige en [betrokkene 1] blijkt dat de ontmoeting in [plaats] op 19 april 2017 waarover de kroongetuige heeft verklaard niet in [plaats] kan hebben plaatsgevonden (pleitnota, p. 51 en dupliek, p. 14-15);
Dat de kroongetuige informatie over de toedracht van de liquidatie (waarvan hij zelf verklaarde deze van verzoeker en [medeverdachte 1] te hebben gehoord) ook via de media of op andere wijze kan hebben vernomen en dat zijn verklaringen niet (geheel) stroken met forensische bevindingen over de manier waarop is geschoten (pleitnota, p. 52-52 en dupliek, p. 15-16).
Dat de verklaringen van de kroongetuige over de ‘afgebroken sleutelkaart’ niet consequent zijn en niet stroken met de overige onderzoeksbevindingen (pleitnota, p. 55-57).”
“5.1.4. De betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige
De informatie van de kroongetuige is geheel nieuw en wordt pas later in het onderzoek bevestigd door gegevens waarvan de kroongetuige niet op de hoogte kon zijn;
De informatie kan worden bevestigd met zich al in het dossier bevindende onderzoeksresultaten of andere gegevens waarvan de kroongetuige op de hoogte kon zijn;
De informatie wordt verkregen naar aanleiding van aan de kroongetuige voorgehouden onderzoeksresultaten.
De verklaring van de kroongetuige dat een zekere “ [betrokkene 7] ” of “ [betrokkene 7] ” opdrachtgever voor een aantal liquidaties was, komt overeen met een PGP-gesprek tussen [medeverdachte 1] en ‘ [betrokkene 8] ’ waarin “ [betrokkene 7] ” als opdrachtgever wordt genoemd;
De kroongetuige heeft verklaard dat [medeverdachte 1] hem een A4’tje met een foto van [betrokkene 9] op een bruiloft heeft laten zien. Op die foto was het hoofd van [betrokkene 9] omcirkeld. Op gegevensdragers van [medeverdachte 1] is een foto gevonden van een A4’tje met een foto van [betrokkene 9] met zijn hoofd omcirkeld die ook verder aan de beschrijving van de kroongetuige voldoet;
[medeverdachte 1] zou opdracht hebben gegeven voor de beschieting van een woning aan de [a-straat] in [plaats] . Op gegevensdragers van [medeverdachte 1] is een beeldopname van een PGP-gesprek aangetroffen waarin wordt gesproken over een donkere straat met bomen bij de afslag [plaats] ( [plaats] ) van de [snelweg] . Ook is op die gegevensdrager een afbeelding van een printje van een routebeschrijving van Google Maps van ‘Mijn locatie’ naar de [a-straat] in [plaats] gevonden;
[medeverdachte 1] zou zijn benaderd door [betrokkene 10] omdat zijn zoon in de problemen was gekomen door een vergismoord. Onder [medeverdachte 1] zijn beeldopnames van whatsappgesprekken en PGPgesprekken tussen beiden van ongeveer twee weken na de betreffende vergismoord over de zoon van [betrokkene 10] aangetroffen;
Het geld voor de moord op [slachtoffer 1] zou op de dag na de moord door een motorrijder zijn opgehaald. Op gegevensdragers van [medeverdachte 1] is de volgende chat van 8 juli 2017 aangetroffen: “Ok ik stuur hem, hij komt op de motor”.
6.3.2.1. De liquidatie van [slachtoffer 2]
6.3.2.2. De verklaringen van [kroongetuige]
De toelichting op het derde middel
De bespreking van het derde middel
Het vierde middel
De eerste deelklacht van het vierde middel
De bewijsvoering
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] e/v [betrokkene 11] van 24 april 2017, map 81, p. 73
De politie is bij mij thuis geweest. Ik heb maar één keer met de politie gesproken en dat was bij mij thuis en daar was een tolk bij aanwezig. Ik ben maar één keer door de politie gehoord. Een tolk heeft toen alles vertaald naar het Nederlands.Ik heb toen naar waarheid verklaard.
[getuige 1]
“6.3.2.3.3. Liquidatie van [slachtoffer 2]
Een toelichting op de eerste deelklacht van het eerste middel
driemannen betrokken waren bij de liquidatie van [slachtoffer 2] . Het hof heeft deze verklaring vervolgens gebruikt als steunbewijs voor de verklaring van de kroongetuige, die (onder meer) inhoudt dat de
driepersonen die hij die avond heeft opgehaald, betrokken waren bij de liquidatie van [slachtoffer 2] . De steller van het middel acht de bewijsvoering op dit punt onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, gelet op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de getuigenverklaring van [getuige 1] en hetgeen deze getuige zelf ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard.
De bespreking van de eerste deelklacht
De tweede deelklacht van het vierde middel
anoniemegetuige ( [getuige 3] ), terwijl het hof het gebruik daarvan, in strijd met het bepaalde in artikel 360 lid 1 Sv Pro, niet in het bijzonder heeft gemotiveerd.
De bewijsvoering
Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] van 18 april 2017, map 81, p. 51
Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] van 10 mei 2017, map 81, p. 95
Het beoordelingskader: een persoon wiens identiteit niet blijkt
nietpersonen van wie de persoonsgegevens niet (of niet volledig) zijn vermeld in het proces-verbaal waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken. [46] Waar het om gaat is dat de identiteit van de persoon die heeft verklaard, kan worden geïndividualiseerd. [47]