ECLI:NL:PHR:2026:301

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
25/00690
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 226g SvArt. 44a SrArt. 359a SvArt. 360 SvArt. 511b Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over rechtmatigheid kroongetuigeovereenkomst en vormverzuimen in megazaak Eris

In de megazaak Eris, waarin meerdere liquidaties en voorbereidingen daarvan centraal staan, heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar en vijf maanden. Het cassatieberoep richt zich onder meer op de rechtmatigheid van de met de kroongetuige gesloten overeenkomst en de wijze waarop het hof vormverzuimen heeft behandeld.

De kroongetuigeovereenkomst hield een strafvermindering in ruil voor verklaringen over ernstige misdrijven. Het hof oordeelde dat de overeenkomst dringend noodzakelijk was, proportioneel en binnen de wettelijke kaders viel. De afwijking van de basisstrafeis door het OM werd als toelaatbaar beschouwd. Ook het niet instellen van een ontnemingsvordering werd niet als een verkapte beloning aangemerkt.

Ten aanzien van het onderzoek aan elektronische gegevensdragers en verkeers- en locatiegegevens constateerde het hof ambtshalve vormverzuimen wegens het ontbreken van voorafgaande rechterlijke toestemming, maar verbond daaraan geen bewijsuitsluiting of strafvermindering omdat de belangen van de verdachte niet concreet waren geschaad. De klachten over de betrouwbaarheid van de kroongetuigeverklaringen en de bewijsvoering werden door het hof gemotiveerd weerlegd. De Hoge Raad acht de motivering van het hof toereikend en verwerpt het beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de kroongetuigeovereenkomst is rechtmatig en vormverzuimen leiden niet tot bewijsuitsluiting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer25/00690

Zitting24 maart 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte bij arrest van 12 februari 2025 (parketnr. 21-002962-22) wegens:
- Ten aanzien van het deelonderzoek Charlie17 (16-659096-19)

medeplegen van moord
- Ten aanzien van het deelonderzoek Brunello (16-659134-19)
Feit 1: “
mishandeling
- Ten aanzien van het deelonderzoek Criminele organisatie (16-659037-20)

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren en vijf maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof niet voor dit cassatieberoep relevante beslissingen genomen over het beslag en de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00523, 25/00542, 25/00537, 25/00524, 25/00579, 25/00689, 25/00688, 25/00667, 25/00659 en 25/00658. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.A.H. Vromen, advocaat in Rotterdam , heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

4. Deze zaak is één van de eenentwintig zaken die werden gestart op basis van het opsporingsonderzoek Eris. Het onderzoek Eris bestaat uit achttien deelonderzoeken, die onder andere gaan over vijf liquidaties die zijn uitgevoerd in 2017 en plannen om een aantal andere personen te vermoorden. Nadat een verdachte van één van de liquidaties een overeenkomst met het Openbaar Ministerie had gesloten om als kroongetuige op te treden, kwam het onderzoek in een stroomversnelling. In november 2018 vonden aanhoudingen en huiszoekingen plaats. Bij de hoofdverdachte (oprichter en leider van de [motorclub] ) werden diverse computers en andere gegevensdragers aangetroffen. Op die gegevensdragers vond de politie onder meer opnamen van gesprekken die de hoofdverdachte met anderen had gevoerd over liquidaties en opdrachten tot liquidaties. In totaal zijn in het onderzoek Eris eenentwintig personen vervolgd, van wie negentien hoger beroep hebben ingesteld. [1] In elf zaken is beroep in cassatie ingesteld. Dat zijn de elf samenhangende zaken waarin ik vandaag zal concluderen.
5. De middelen betreffen de volgende onderwerpen, behandeld in deze volgorde:
(1). het oordeel over de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst;
(2). (geen) sanctionering van vormverzuimen op basis van ‘Landeck’ en ‘Prokuratuur’;
(3)(4). de bewezenverklaring in deelonderzoek Charlie17.

Het eerste middel

Inleiding
6. Het middel komt op tegen het oordeel over de rechtmatigheid van de met de kroongetuige gesloten overeenkomst en tegen de verwerping van een daarmee verband houdend niet-ontvankelijkheidsverweer. Geklaagd wordt (i) dat het OM bij het bepalen van de strafeis is uitgegaan van een gevangenisstraf van
twintigjaren, terwijl in de met de kroongetuige gesloten overeenkomst als uitgangspunt een gevangenisstraf van
vierentwintig jaren stond vermeld, en (ii) dat het OM (als verkapte tegenprestatie) heeft afgezien van het instellen van een ontnemingsvordering.
Klachten met betrekking tot de verlaagde basisstrafeis
7. De door de rechter-commissaris rechtmatig bevonden overeenkomst hield in dat het OM zonder de afspraken met de kroongetuige een gevangenisstraf zou hebben geëist van vierentwintig jaren en dat die strafeis zou worden verminderd met 50% wanneer de kroongetuige zijn afspraken onverkort zou nakomen. De verlaging van de basisstrafeis van vierentwintig naar twintig jaren brengt, aldus de steller van het middel, met zich dat deze afspraak is komen te vervallen. De gewijzigde afspraak is niet onderworpen geweest aan toetsing door de rechter-commissaris. Dit betekent dat de gewijzigde afspraak niet kan gelden als een rechtmatige afspraak tussen het OM en een kroongetuige als bedoeld in artikel 226g Sv jo artikel 44a Sr.
8. De wijziging van de vi-regeling die ingevolge de Wet straffen en beschermen is ingetreden, kan niet worden aangemerkt als een omstandigheid die een afwijking van de door de rechter-commissaris getoetste afspraak rechtvaardigt omdat die wijziging (naar het oordeel van de Hoge Raad) geen verzwaring oplevert van de straf die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was (als bedoeld in artikel 7 EVRM Pro en artikel 15 IVBPR Pro), maar slechts een wijziging van de executie ervan. De vermindering van de geëiste straf met méér dan de helft van de basisstrafeis van vierentwintig jaar, was dan ook ontoelaatbaar. ‘s Hofs andersluidende oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
9. Bovendien heeft het hof bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de gewijzigde overeenkomst niet betrokken of de extra korting van vier jaar gevangenisstraf (nog) proportioneel is. De extra korting past niet binnen de ruime beoordelingsvrijheid die het OM toekomt en het (impliciete) oordeel van het hof dat die strafeis niet zodanig onbegrijpelijk laag is dat zij moet worden gezien als een ontoelaatbare, verkapte tegenprestatie voor het afleggen van zijn verklaringen, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
10. Ook het oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat de verklaringen van de kroongetuige door het verlagen van de basisstrafeis zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad, acht de steller van het middel zonder nadere motivering onbegrijpelijk. De wetsgeschiedenis wijst uit dat een verklaring die is opgenomen na de totstandkoming van een als rechtmatig bestempelde afspraak door de zittingsrechter als bewijsmiddel terzijde moet worden geschoven wanneer “
de rechter het achteraf niet eens is met het rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris of (…) hij de verklaring anderszins niet deugdelijk vindt.” Bij aanvang van de behandeling van de strafzaak Eris liet het OM al weten tot verlaging van de strafeis voor de kroongetuige over te gaan, terwijl er nog verscheidene verhoren van die getuige ten overstaan van de rechter op de rol stonden, zulks ter toetsing van de door de kroongetuige eerder in het vooronderzoek afgelegde verklaringen.
Klachten met betrekking tot het niet instellen van een ontnemingsvordering
11. Een van de uitgangspunten van de kroongetuigeregeling is dat kroongetuigen geen financiële beloning mogen ontvangen voor het afleggen van een verklaring. Het OM heeft niettemin besloten om af te zien van voordeelsontneming. Daarmee rijst de vraag of dit geen verkapte financiële beloning behelst. Slechts in uitzonderingssituaties kan de draagkracht van de betrokkene reden zijn om af te zien van ontneming of tot matiging van het ontnemingsbedrag.
12. Het staat geenszins vast dat de kroongetuige in de toekomst geen draagkracht zal hebben. Immers, het bedrag dat de kroongetuige voor zijn rol in de moord op [slachtoffer 1] betaald heeft gekregen (€ 10.000) en dat dus als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt, is niet dusdanig hoog dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de kroongetuige in de toekomst voldoende draagkracht heeft. ‘s Hofs andersluidende oordeel is onbegrijpelijk.
13. Ook de omstandigheid dat bij geen van de andere verdachten in Eris een ontnemingsvordering is ingediend, maakt het oordeel dat geen sprake is van een verkapte financiële beloning nog niet begrijpelijk. Bovendien heeft het hof verzuimd om mee te laten wegen dat het OM niet het voorbehoud heeft gemaakt dat op een later moment kan worden overgegaan tot het vorderen van een ontnemingsmaatregel indien alsdan verhaalsmogelijkheden zouden blijken te bestaan.

Het juridisch kader: de kroongetuigeregeling

14. In HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:604 (
Passage), overwoog de Hoge Raad over de kroongetuigeregeling onder meer het volgende:

3.3. De wettelijke regeling houdt in dat aan een verdachte door de officier van justitie een toezegging kan worden gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte. De officier van justitie geeft kennis aan de rechter-commissaris van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in de strafzaak van deze verdachte strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd. Art. 226g, eerste lid, Sv houdt in dat deze afspraak uitsluitend betrekking heeft op het afleggen van een verklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar een ernstig, in deze wettelijke bepaling nader omschreven misdrijf. Het tweede lid van art. 226g Sv bevat (vorm)voorschriften met betrekking tot de inhoud van de op schrift gestelde voorgenomen afspraak. Op grond van art. 226g, derde lid, Sv toetst de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van deze afspraak. Het vierde lid van art. 226g Sv bepaalt dat van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, proces-verbaal wordt opgemaakt. Dat proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.
De verdachte aan wie een toezegging wordt gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om als getuige een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte, wordt in het vervolg van deze voorafgaande beschouwing aangeduid als 'de getuige'.
3.4.
Art. 44a Sr, waarnaar wordt verwezen in art. 226g, eerste lid, Sv, houdt in dat de rechter in de strafzaak tegen de getuige op vordering van de officier van justitie na een op grond van art. 226h, derde lid, Sv gemaakte afspraak de straf die hij overwoog op te leggen, kan verminderen. Het tweede lid van art. 44a Sr omschrijft waarin deze strafvermindering kan bestaan. Het gaat bij een onvoorwaardelijke tijdelijke vrijheidsstraf om een vermindering met maximaal de helft. De rechter houdt bij de strafvermindering ermee rekening dat door het afleggen van een getuigenverklaring een belangrijke bijdrage is of kan worden geleverd aan de opsporing of vervolging van misdrijven.
Het Wetboek van Strafvordering bevat voorts voorschriften met betrekking tot onder meer de rechtsbijstand aan de getuige (art. 226h, eerste lid, Sv), de toetsing door en de beschikking van de rechter-commissaris (art. 226h, tweede en derde lid, Sv en art. 226i Sv), het horen van de getuige in de strafzaak tegen de andere verdachte (art. 226j Sv) en de maatregelen tot bescherming van de getuige (art. 226l Sv). Deze voorschriften komen, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, hieronder nader aan de orde.
Toezeggingen met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
3.7.
In art. 226g Sv treden twee typen (voorgenomen) afspraken naar voren. In het eerste lid van art. 226g Sv gaat het om de toezegging dat bij de vervolging van de getuige in zijn eigen strafzaak strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd. Het vierde lid van art. 226g Sv ziet daarnaast op afspraken die niet worden aangemerkt als afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv en die voor het onderzoek van betekenis kunnen zijn.
3.8.
Kenmerkend voor de afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv is dat deze afspraak in rechtstreeks verband staat met een door de rechter te nemen beslissing in de strafzaak tegen de getuige, namelijk de beslissing omtrent de strafoplegging. Hieruit vloeit voort dat voor zover de officier van justitie voornemens is een afspraak te maken die rechtstreeks verband houdt met door de rechter in de strafzaak te nemen beslissingen als bedoeld in de art. 348 en Pro 350 Sv, die afspraak wordt beheerst door art. 226g, eerste lid, Sv (vgl. HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8741). Daarbij bepaalt de laatste volzin van art. 226g, eerste lid, Sv dat zo een afspraak geen andere inhoud mag hebben dan de toezegging dat met inachtneming van art. 44a, tweede lid, Sr strafvermindering zal worden gevorderd in de strafzaak tegen de getuige. De afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv die met de getuige wordt gemaakt, dient te voldoen aan de in art. 226g, tweede lid, Sv genoemde (vorm)vereisten en is voorwerp van toetsing door de rechter-commissaris op de voet van art. 226g, derde lid, Sv. De toetsing door de rechter-commissaris omvat de beoordeling of de inhoud van de afspraak in overeenstemming is met het bepaalde in de laatste volzin van art. 226g, eerste lid, Sv.
3.9.
Art. 226g, vierde lid, Sv betreft de afspraken die geen rechtstreeks verband houden met beslissingen als bedoeld in de art. 348 en Pro 350 Sv, maar die wel op enigerlei wijze een gunstige invloed kunnen hebben op de bereidheid van de getuige tot het afleggen van een verklaring. Deze afspraken worden ook wel aangeduid als 'gunstbetoon'. Omdat het afspraken betreft die verband houden met de toepassing van bevoegdheden die de officier van justitie zonder tussenkomst van een rechter kan uitoefenen, zijn deze afspraken niet afzonderlijk voorwerp van toetsing door de rechter-commissaris op de voet van art. 226g, derde lid, Sv. Ten aanzien van deze afspraken geldt dat daarvan proces-verbaal wordt opgemaakt, waarna dit proces-verbaal bij de processtukken wordt gevoegd.
3.10.
Indien de officier van justitie het voornemen heeft een afspraak te maken die, eventueel naast de toezegging dat in de strafzaak tegen de getuige strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd, (ook) een toezegging inhoudt met betrekking tot de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in art. 511b, eerste lid, Sv, houdt die afspraak rechtstreeks verband met de door de rechter op grond van art. 511e, eerste lid, Sv in verbinding met de art. 348 en Pro 350 Sv te nemen beslissing omtrent de oplegging van een ontnemingsmaatregel. Het door art. 226g, eerste lid laatste volzin, Sv in samenhang met art. 44a Sr bepaalde kader voorziet er niet in dat zo een toezegging voorwerp is van een afspraak in de zin van art. 226g, eerste lid, Sv.
Art. 226g, eerste lid, Sv doet echter niet af aan de algemene bevoegdheid die op grond van art. 511c Sv toekomt aan de officier van justitie om, zonder enige vorm van rechterlijke tussenkomst, met een verdachte een schriftelijke schikking aan te gaan ter (gehele of gedeeltelijke) ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat de officier van justitie voornemens is met de getuige een afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv te maken, staat derhalve niet in de weg aan het aangaan van een dergelijke schikking.
Een en ander leidt tot de volgende redelijke wetstoepassing. Indien de officier van justitie die voornemens is een afspraak te maken die een toezegging inhoudt dat in de strafzaak tegen de getuige strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd, met de getuige tevens een schikking als bedoeld in art. 511c Sv aangaat of is aangegaan die (mede) betrekking heeft op het feit of de feiten waarop de afspraak ziet, dient hij de rechter-commissaris over de totstandkoming en de inhoud van die schikking te informeren. Aldus is – mede in het belang van de verdachte over wie de in art. 226g Sv bedoelde getuige een verklaring aflegt – gewaarborgd dat kenbaar is dat een schikking als bedoeld in art. 511c Sv tot stand is gekomen.
(…)
3.12.
De rechterlijke toetsing van afspraken die met de getuige worden gemaakt omvat enerzijds de toetsing door de rechter-commissaris en anderzijds de toetsing door de zittingsrechter.
3.13.
Art. 226g, derde lid, Sv houdt in dat de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van de in het tweede lid bedoelde afspraak toetst. Het gaat daarbij om de in art. 226g, eerste lid, Sv bedoelde door de officier van justitie voorgenomen afspraak die overeenkomstig de (vorm)voorschriften van art. 226g, tweede lid, Sv op schrift is gesteld. De rechtmatigheidstoets die de rechter-commissaris uitvoert, omvat allereerst een beoordeling of de afspraak in overeenstemming is met de in het eerste lid van art. 226g Sv genoemde voorwaarden. Bij de beoordeling of het maken van de afspraak voorts voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, houdt de rechter-commissaris rekening met de dringende noodzaak en het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring (art. 226h, derde lid eerste volzin, Sv). De rechter-commissaris geeft een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige nadat hij deze heeft gehoord (art. 226h, derde lid tweede volzin, Sv).
De officier van justitie is gehouden de rechter-commissaris de gegevens te verschaffen die laatstgenoemde voor zijn beoordeling nodig heeft (art. 226g, derde lid, Sv). Tot die gegevens behoort ook, voor zover daarvan in het concrete geval sprake is, het proces-verbaal dat de officier van justitie heeft opgemaakt op grond van art. 226g, vierde lid, Sv. Tevens dient, zoals onder 3.10 is vermeld, de rechter-commissaris in het door art. 226g, eerste lid, Sv bestreken geval te zijn geïnformeerd over de eventuele totstandkoming en de inhoud van een schikking als bedoeld in art. 511c Sv met de getuige.
De rechter-commissaris legt zijn oordeel neer in een beschikking. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt deze tot stand.
3.14.
Ook in zaken waarin een verklaring van een getuige als bedoeld in art. 226g Sv bij de processtukken is gevoegd, geldt dat het is voorbehouden aan de (zittings)rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Ten aanzien van deze beslissing gelden, indien die verklaring voor de bewijsvoering wordt gebruikt, geen andere wettelijke bewijs(motiverings)voorschriften dan de hierna onder 3.15 en 3.16 genoemde.
Evenmin gelden in cassatie met betrekking tot de toetsing van de beslissing inzake de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal bijzondere regels. Dat betekent dat in cassatie kan worden onderzocht of door de feitenrechter de hierna onder 3.15 en 3.16 genoemde voorschriften zijn nageleefd, maar niet of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden, ook voor zover deze zijn ontleend aan de verklaring van een getuige als bedoeld in art. 226g Sv, juist zijn. Dat laatste geldt tevens voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die op grond van de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht (vgl. HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001: AD3530).
3.15.
Op grond van art. 360, tweede en vierde lid, Sv behoort de rechter, indien hij de verklaring van de getuige met wie op grond van art. 226h, derde lid, Sv een afspraak is gemaakt voor het bewijs gebruikt, dat gebruik nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter ervan blijk dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de verklaring te hebben onderzocht.
De in art. 360, tweede lid, Sv bedoelde motiveringsverplichting strekt zich niet uit tot de rechtmatigheid van de afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv. In het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de getuige met wie de afspraak is gemaakt, ligt al besloten dat de rechter niet tot een andersluidend oordeel ter zake van de rechtmatigheid is gekomen dan in de beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 226h, derde lid, Sv is vervat. (Vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:64.)
De rechter is bovendien gehouden, indien hij afwijkt van een door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat ertoe strekt dat vanwege onregelmatigheden bij de totstandkoming van de afspraak de verklaring van de getuige niet betrouwbaar kan worden geacht, in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid op grond van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Indien het verweer van de verdachte ertoe strekt dat sprake is van een vormverzuim – waaronder ook kan worden begrepen een schending van art. 6 EVRM Pro – waaraan één van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen moet worden verbonden, is de rechter eveneens gehouden een met redenen omklede beslissing te geven, mits door of namens de verdachte duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden .”
15. In de zaak die leidde tot het hiervoor weergegeven arrest werd in cassatie geklaagd over het oordeel van het hof dat de beslissing van het OM om af te zien van het instellen van een ontnemingsvordering tegen twee kroongetuigen, géén toezegging als bedoeld in artikel 226g lid 1 Sv betrof. In cassatie stond niet ter discussie dat in de kroongetuigeovereenkomsten was opgenomen dat niet zou worden overgegaan tot het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel, tenzij er nog verhaalsmogelijkheden zouden blijken. [2] De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof in de kern inhield dat de mededeling van het OM over het afzien van het instellen van een ontnemingsvordering tegen de kroongetuigen telkens een eenzijdige beslissing van het OM betrof die niet de strekking had van een financiële beloning voor het afleggen van een verklaring. De Hoge Raad wees er daarbij op dat in de overeenkomst met getuige 1 een voorbehoud was gemaakt voor het geval alsnog substantiële verhaalsmogelijkheden zouden blijken te bestaan en dat het hof ten aanzien van getuige 2 in aanmerking had genomen dat de officier van justitie in diens strafzaak in eerste aanleg niet kenbaar had gemaakt dat hij voornemens was een ontnemingsvordering aanhangig te maken. De Hoge Raad overwoog voorts dat het kennelijke oordeel van het hof – dat de beslissing van het OM om af te zien van het instellen van een ontnemingsvordering niet in strijd is met artikel 226g lid 1 Sv – geen blijk gaf van een onjuiste uitleg van artikel 226g lid 1 Sv,
“reeds omdat van een afspraak als bedoeld in die bepaling eerst sprake kan zijn indien het gaat om een toezegging die wordt gedaan in ruil voor de bereidheid van de getuige om een verklaring af te leggen.”Het oordeel van het hof dat van een dergelijke toezegging geen sprake was, was ook niet onbegrijpelijk gelet op wat het hof had vastgesteld met betrekking tot de beweegredenen van het OM voor het nemen van de beslissing om (onder voorbehoud) af te zien van het instellen van een ontnemingsvordering. [3]
16. Uit het hiervoor weergegeven arrest kan worden opgemaakt dat een toezegging van het OM aan een kroongetuige om af te zien van een ontnemingsvordering geen deel uitmaakt van een afspraak als bedoeld in artikel 226g lid 1 Sv. Wel moet de rechter-commissaris die de rechtmatigheid van de afspraak als bedoeld in dat artikel beoordeelt hierover worden geïnformeerd.

Kroongetuigeovereenkomst en overwegingen hof

17. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een
“Overeenkomst als bedoeld in de aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken”van 13 november 2018 (hierna: de kroongetuigeovereenkomst). Deze houdt onder meer in:

2.2 De officier van justitie verklaart, na kennis genomen te hebben van alle relevante feiten zoals die blijken uit de eerdergenoemde processen-verbaal en overige dossierstukken, en na collegiaal overleg, dat onder gelijke omstandigheden, doch zonder onderhavige afspraak, de zaaksofficier van justitie voor alle in de considerans genoemde aan getuige ten laste gelegde of te leggen strafbare feiten van getuige een totale gevangenisstraf zou hebben geëist, dan wel zal eisen, voor de duur van 24 jaren. Bij onverkorte nakoming door getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, zal de zaaksofficier van justitie zijn strafeis voor deze feiten matigen met 50%, te weten tot een gevangenisstraf van 12 jaren.
2.3
Indien de resultaten van nader onderzoek aanleiding geven tot het vaststellen van een lagere basisstrafeis dan 24 jaren, bijvoorbeeld omdat een feit naar het oordeel van de zaaksofficier van justitie niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, dan zal de officier van justitie bij onverkorte nakoming door de getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, de strafeis navenant verminderen door de bijgestelde basisstrafeis te matigen met 50%.”
18. Het hof heeft, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende overwogen: [4]

“5.1.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst

Er zijn meerdere verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [kroongetuige] , omdat de overeenkomst met [kroongetuige] niet rechtmatig zou zijn.
Er is onder meer aangevoerd dat het onmogelijk is om te toetsen of de inhoud van de verklaringen van [kroongetuige] is beïnvloed door eventuele verboden toezeggingen in het kader van de met [kroongetuige] gesloten beschermingsovereenkomst, omdat deze laatste niet toetsbaar of controleerbaar is. Verder zou de uiteindelijke nettostrafeis van acht jaren in de overeenkomst disproportioneel laag zijn en zou het openbaar ministerie op ongerechtvaardigde en onbegrijpelijke gronden hebben afgezien van vervolging van [kroongetuige] in het deelonderzoek Langenhorst. Ook is aangevoerd dat in de overeenkomst verboden beloningen zijn ingebouwd, met name omdat het openbaar ministerie geen ontnemingsvordering indient voor onder meer het door [kroongetuige] wederrechtelijk verkregen voordeel van € 10.000,- voor de moord op [slachtoffer 1] , omdat [kroongetuige] een miljoenenschuld die hij aan derden heeft niet meer zal hoeven te betalen omdat hij straks in de anonimiteit verdwijnt en omdat de vader van [kroongetuige] niet wordt vervolgd. Deze beloningen zouden niet openlijk zijn gedeeld met de rechter en de verdediging.
Het hof beantwoordt aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst met [kroongetuige] aan de orde waren, de vraag of deze overeenkomst binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof bespreekt dit aan de hand van de hieronder genoemde onderwerpen.
Overeenkomst met kroongetuige in dit geval mogelijk?
Het hof beoordeelt allereerst of de overeenkomst met [kroongetuige] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Het hof stelt vast dat de verklaringen van [kroongetuige] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [kroongetuige] te komen. [kroongetuige] kon verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen betroffen niet alleen vermeende uitvoerders, maar ook vermeende opdrachtgevers. Door de verklaringen van [kroongetuige] is zicht gekregen op een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van liquidaties in opdracht van anderen voor geld en die tot dan toe onder de radar was gebleven. Zijn verklaringen boden veel aanknopingspunten voor nader onderzoek in lopende onderzoeken en voor onderzoek naar zaken die op dat moment nog niet bekend waren bij de politie.
Beïnvloeding door beschermingsovereenkomst?
Het openbaar ministerie heeft aangevoerd dat vóór het sluiten van de overeenkomst niet over de details van een getuigenbeschermingsovereenkomst met de kroongetuige wordt gesproken. Er wordt alleen toegezegd dat kroongetuigen hulp en steun krijgen om na afloop van de detentie elders een veilig bestaan op te bouwen. De details en de financiële aspecten komen pas aan de orde als de (fictieve) datum van invrijheidstelling van de kroongetuige in zicht komt. Omdat de verklaringen al lang daarvoor zijn afgelegd, kunnen die niet beïnvloed zijn door de beschermingsovereenkomst, aldus het openbaar ministerie.
Het hof bespreekt het verweer over de beschermingsovereenkomst in het licht van de zorgplicht die wordt ontleend aan de positieve verplichtingen van het EVRM, aan het burgerlijk recht en aan de in artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bepaling. Aan deze zorgplicht wordt in voorkomende gevallen uitvoering gegeven door het maken van afspraken over getuigenbescherming met kroongetuigen. De Staat neemt ook een gedeelte van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze persoon op zich door zijn medewerking aan de opsporing te vragen.
Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt dat ten aanzien van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context aan de strafrechter geen toetsende rol is toebedeeld. De totstandkoming van de afspraak in de zin van artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de specifieke maatregelen voor de bescherming van de getuige zijn juridisch twee verschillende trajecten. Hoewel in de afgelopen jaren soms duidelijk is geworden dat er in de praktijk wel degelijk verstrengeling kan bestaan tussen de kroongetuigenovereenkomst en de beschermingsovereenkomst, in die zin dat hoe de kroongetuige de specifieke maatregelen voor zijn feitelijke bescherming ervaart en de bereidheid om te verklaren elkaar kunnen beïnvloeden, en in de literatuur regelmatig wordt gepleit voor een vorm van externe, rechterlijke, toetsing van de beschermingsovereenkomst, biedt de wet hiervoor ook nu nog geen grond. Het openbaar ministerie is niet gehouden de processenverbaal en/of andere voorwerpen betreffende toezeggingen die zijn gedaan in verband met de feitelijke bescherming van de getuige op enig moment bij de processtukken te voegen. Zo een verplichting zou – temeer omdat de huidige wet geen specifieke regeling kent met betrekking tot de afscherming van processtukken in het belang van de veiligheid van de kroongetuige – onverenigbaar zijn met het doel van de bescherming van de getuige en de aard van de daartoe strekkende maatregelen. Het hof wijst er overigens in dit verband op dat [kroongetuige] de kluisverklaringen al heeft afgelegd voordat met hem de in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde afspraak is gemaakt, dus zonder dat hij wist of de afspraak zou worden gemaakt en, zo ja, onder welke voorwaarden, terwijl de details van de toegezegde feitelijke maatregelen voor de bescherming van [kroongetuige] nóg later, pas kort voor het aflopen van de gevangenisstraf worden bepaald. Er is dus geen aanwijzing dat er sprake is van verboden toezeggingen in het kader van de beschermingsovereenkomst, laat staan dat onder invloed van verboden toezeggingen in strijd met de waarheid zou zijn verklaard.
Ook overigens is niet gebleken van verboden toezeggingen.
Overeenkomst proportioneel?
Het hof zal achtereenvolgens ingaan op de omvang van de vervolging van [kroongetuige] en het afzien van vervolging van de vader van [kroongetuige] , de basisstrafeis, de eis en het achterwege laten van een ontnemingsvordering en het feit dat [kroongetuige] een schuld aan derden niet meer zou hoeven te betalen.
Bij requisitoir heeft het openbaar ministerie uitgebreid toegelicht dat de beslissing om [kroongetuige] niet te vervolgen in het deelonderzoek Langenhorst ruim na het sluiten van de overeenkomst door de zaaksofficieren naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek is genomen en dat daarbij niet het opportuniteitsbeginsel is toegepast, maar dat is beslist dat een vervolging in de ogen van het openbaar ministerie geen kans van slagen had. Deze beslissing was volgens het openbaar ministerie gelegen in het gegeven dat [kroongetuige] – in tegenstelling tot de andere verdachten – heeft duidelijk gemaakt dat hij de moord helemaal niet wilde plegen en ook tijdig is gestopt. Zijn verklaringen hierover acht het openbaar ministerie betrouwbaar en in lijn met andere onderzoeksbevindingen.
In de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: de Aanwijzing) zijn beleidsregels geformuleerd over de toepassing van de artikelen 226g tot en met 226l van het Wetboek van Strafvordering. In de Aanwijzing is geregeld welke toezeggingen aan getuigen toelaatbaar zijn en welke toezeggingen niet. Punt 5.1 van de Aanwijzing bevat een verbod om toezeggingen te doen met betrekking tot de inhoud van de tenlastelegging (bijvoorbeeld het aantal feiten op de tenlastelegging en de zwaarte daarvan). Punt 5.2 bevat een verbod om in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid af te zien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten.
Bij de beoordeling door het openbaar ministerie of vervolging van een verdachte voor een bepaald strafbaar feit opportuun is, spelen in ieder geval de aard van het feit, de bewijsbaarheid van het feit en het algemeen belang een rol. Ook in geval van een potentiële kroongetuige is de afweging daarvan bij uitstek een taak van het openbaar ministerie. De rechter die de overeenkomst met een kroongetuige toetst, dient deze afweging in beginsel te eerbiedigen. Het is niet de taak van die rechter om zelf te bepalen voor welke feiten de kroongetuige zou moeten worden vervolgd en welke strafeis bij die vervolging zou passen. Wel dient de rechter, gelet op de geldende wet- en regelgeving, te toetsen of er geen sprake is geweest van onderhandelingen met de getuige over het aantal ten laste te leggen feiten en de kwalificatie daarvan en of niet in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten. In dat geval zou er sprake kunnen zijn van een niet toelaatbare toezegging in de zin van de Aanwijzing.
Het hof stelt vast dat is gesteld noch gebleken dat [kroongetuige] en het openbaar ministerie hebben onderhandeld over de ten laste te leggen feiten. Het openbaar ministerie heeft aangegeven dat de vervolgingsbeslissing in het deelonderzoek Langenhorst het resultaat was van intern overleg tussen de zaaksofficieren ruim ná het sluiten van de overeenkomst en dat het resultaat daarvan aan [kroongetuige] is meegedeeld.
Ook is niet gebleken dat het achterwege laten van vervolging van [kroongetuige] voor zijn handelingen in het deelonderzoek Langenhorst is te duiden als een niet toelaatbare toezegging. Artikel 226g, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat in de op schrift gestelde afspraak met de kroongetuige wordt vastgelegd voor welke strafbare feiten de getuige zelf zal worden vervolgd. Dat betekent dat het openbaar ministerie de strafbaarheid van het feit, de kans op een veroordeling en aspecten van algemeen belang naar de stand van zaken van dat moment moet inschatten. Vanuit een oogpunt van algemeen belang is het niet onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie de vervolging van de potentiële kroongetuige beperkt tot feiten waarvoor op dat moment al voldoende bewijs voorhanden lijkt te zijn of waarvoor in ieder geval geldt dat de mogelijkheid van voldoende bewijs na verder onderzoek reëel is. Als het openbaar ministerie een kroongetuige ook zou moeten vervolgen voor feiten waarin de bewijspositie dubieus is of vervolging zeer weinig kans van slagen heeft, zouden de te verwachten veroordeling en de straf(eis) uiterst onzeker worden. Het nuttig effect van de kroongetuigenregeling zou volgens die interpretatie ernstig worden aangetast.
Het openbaar ministerie heeft na de totstandkoming van de overeenkomst geoordeeld dat de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst te klein was, omdat – kort gezegd – bewijs voor het vereiste opzet op de moord bij [kroongetuige] ontbrak. Het hof constateert dat ook [medeverdachte 3] niet is vervolgd in de zaak Langenhorst en dat er aanwijzingen zijn dat [medeverdachte 3] en [kroongetuige] zich in aanloop naar de liquidatie hebben teruggetrokken. Men kan er over twisten of daardoor het opzet niet is te bewijzen of dat er sprake is van vrijwillige terugtred, maar het hof acht de beoordeling van de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst niet onbegrijpelijk. Er is geen sprake van een situatie waarin het niet anders kan dan dat in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd van vervolging voor bepaalde feiten af te zien en het achterwege laten van vervolging, achteraf moet worden opgevat als een verkapte verboden toezegging voor het afleggen van verklaringen.
Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft het openbaar ministerie besloten dat de vader van de kroongetuige, [vader kroongetuige] , niet zal worden vervolgd voor mogelijke betrokkenheid bij strafbare feiten in het dossier Eris. Maar voor een toezegging aan [kroongetuige] dat zijn vader niet zal worden vervolgd voor strafbare feiten in Eris, is geen aanwijzing gevonden.
Netto strafeis disproportioneel?
Het openbaar ministerie heeft gesteld dat de strafeis niet disproportioneel laag is. Het openbaar ministerie heeft in de overeenkomst de basisstrafeis bepaald op 24 jaren en, bij nakoming van de verplichtingen door [kroongetuige] , toegezegd om 50% hiervan, dus twaalf jaren gevangenisstraf, als straf te eisen.
Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het openbaar ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor de door de kroongetuige af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het openbaar ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen.
Het hof kan de rechtmatigheid van de basisstrafeis slechts afmeten aan de feiten die aan [kroongetuige] zijn ten laste gelegd. Zoals gezegd, gaat het om het medeplegen van moord, het voorhanden hebben van wapens, de heling van auto’s en het voorhanden hebben van een valse kentekenplaat. Daarbij zijn ook de feiten in het deelonderzoek Gezicht en deelname aan een criminele organisatie betrokken. Gelet op de ten laste gelegde feiten en de andere omstandigheden van het geval en in aanmerking genomen zijn ruime beoordelingsvrijheid, heeft het openbaar ministerie in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis kunnen komen. Die basisstrafeis, van 24 jaren gevangenisstraf, is niet zo laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. Daarom acht het hof de overeenkomst met [kroongetuige] ook op dit punt niet onrechtmatig.
Bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft het openbaar ministerie aangekondigd bij requisitoir een lagere straf te eisen dan in de overeenkomst is toegezegd. Dat is ook gebeurd. De reden was dat sinds de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021 de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend niet langer kan zijn dan twee jaren. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zou een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel nog een nettostraf van acht jaren betekenen. Daar mocht [kroongetuige] bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan, aldus het openbaar ministerie. Uitgaande van de nieuwe wet betekent een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel een nettostraf van tien jaren. De inhoud van de overeenkomst bood volgens het openbaar ministerie ruimte om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren moet zitten. In eerste aanleg is daarom niet 24 jaren gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaren gevangenisstraf, die met 50% is verminderd tot de uiteindelijke eis van tien jaren (in plaats van twaalf jaren) gevangenisstraf.
Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie in afwijking van de tekst van de overeenkomst met de kroongetuige een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Er zijn geen aanwijzingen dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd. Het openbaar ministerie heeft de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto-eis gemotiveerd en de rechtbank heeft die motivering beoordeeld en de strafeis overgenomen. Het hof vindt in deze gang van zaken geen aanleiding de overeenkomst met de kroongetuige of de uitvoering daarvan onrechtmatig te achten. Er is geen reden om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad.
Ontoelaatbare toezegging inzake ontneming?
Als het openbaar ministerie los van een eventuele overeenkomst niet tot vordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn overgegaan, hoeft het dat bij een getuige met wie een overeenkomst is gesloten ook niet te doen. Het openbaar ministerie kan dan eenzijdig beslissen van ontneming af te zien, zonder dat van een toezegging in de zin van de Aanwijzing sprake is. Ook op dit punt komt aan het openbaar ministerie een zekere beoordelingsvrijheid toe. Wel zal uit de motivering van het besluit om volledig van een ontnemingsvordering af te zien, moeten blijken dat geen sprake is van een verkapte financiële beloning voor het afleggen van verklaringen.
Volgens het openbaar ministerie is geen sprake geweest van een toezegging aan [kroongetuige] dat tegen hem geen ontnemingsvordering zal worden ingediend. Uit de processtukken blijkt niet dat hierover is gesproken tussen de officier van justitie van het team Bijzondere Getuigen en [kroongetuige] en zijn raadsman. Hoewel dit had gekund, is daarover geen afspraak gemaakt. Het openbaar ministerie heeft verder aangevoerd dat [kroongetuige] na afloop van zijn detentie elders, vermoedelijk in een ander land, een veilig nieuw bestaan zal moeten opbouwen. Financieel gezien begint hij bij nul. Hij zal in het begin een redelijke tegemoetkoming van het Team Getuigenbescherming ontvangen. Uitgangspunt voor de hoogte van die tegemoetkoming is dat iemand gezien de nieuwe leefomstandigheden een redelijk bestaan moet kunnen opbouwen. Een eventuele ontneming zou dus in feite ook door het Team Getuigenbescherming moeten worden betaald. Dat is volgens het openbaar ministerie geen werkelijke ontneming en uit het oogpunt van de Staat een vestzak-broekzakaangelegenheid. Om die reden dient het openbaar ministerie geen vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in tegen [kroongetuige] .
Nog los van het feit dat niet gebleken is van een toezegging aan de kroongetuige over ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie voldoende reden heeft kunnen zien om het aanhangig maken van een ontnemingsvordering niet opportuun te achten. Het hof betrekt hierbij ook dat bij geen van de andere verdachten in het Eris-dossier een ontnemingsvordering is ingediend (of is aangekondigd) en de hoogte van het bedrag dat [kroongetuige] voor zijn rol in de moord op [slachtoffer 1] betaald heeft gekregen (€ 10.000,-). Van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kan zijn van een verkapte financiële beloning is geen sprake.
De verdediging heeft nog aangevoerd dat [kroongetuige] in het criminele circuit een miljoenenschuld heeft aan derden en dat deze schuld hem feitelijk is kwijtgescholden omdat hij door het aangaan van de overeenkomst onvindbaar is geworden voor zijn schuldeisers. Voor zover de verdediging daarmee heeft bedoeld te betogen dat op dit punt sprake is van een (verkapte) financiële beloning en daarmee van een niet toelaatbare toezegging, kan dit betoog niet slagen. Niet is gebleken dat de kroongetuige een juridisch afdwingbare (miljoenen)schuld heeft bij derden. Bovendien is niet gebleken van enige toezegging door het openbaar ministerie dat deze eventuele schulden niet meer zouden hoeven te worden betaald.
Samenvatting en conclusie
De overeenkomst met [kroongetuige] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie heeft het sluiten van de overeenkomst op goede gronden dringend noodzakelijk geacht. Uit de omvang van de vervolging, de strafeis en evenmin uit het achterwege laten van een ontnemingsvordering kan worden afgeleid dat aan [kroongetuige] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Ook in onderling verband en samenhang bezien is bij de met [kroongetuige] gemaakte afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte of het uitsluiten van de verklaringen van [kroongetuige] van het gebruik voor het bewijs, slagen dus niet.

De bespreking van het eerste middel

Inleiding
19. Het hof heeft de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst beoordeeld en daarbij onder meer vastgesteld dat de verklaringen van [kroongetuige] betrekking hadden op misdrijven als bedoeld in artikel 226g lid 1 Sv. Tevens heeft het hof geoordeeld dat het OM het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot de overeenkomst te komen. Een en ander wordt in cassatie niet bestreden.
Klachten met betrekking tot de verlaagde basisstrafeis
20. Het hof heeft op het punt van de wijziging van de basisstrafeis vastgesteld dat het OM bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft aangekondigd een lagere straf te zullen eisen dan in de overeenkomst is toegezegd, en dat het OM daadwerkelijk in afwijking van de overeenkomst een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Het hof heeft vastgesteld dat het OM als reden daarvoor heeft opgegeven dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen het vorderen van een gevangenisstraf van twaalf jaren (50% van de in de overeenkomst opgenomen basisstrafeis) voor [kroongetuige] zou leiden tot een netto gevangenisstraf van tien jaren, terwijl de netto gevangenisstraf ten tijde van het sluiten van de overeenkomst acht jaren zou bedragen. Het OM legde de overeenkomst volgens het hof zo uit dat de inhoud van de overeenkomst ruimte bood om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren gevangenisstraf moest ondergaan. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd, dat het OM de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto-eis heeft gemotiveerd en dat de rechtbank die motivering heeft beoordeeld en de strafeis heeft overgenomen. Gelet op deze gang van zaken heeft het hof geoordeeld dat er geen aanleiding is (a) om de kroongetuigeovereenkomst onrechtmatig te achten, en (b) om aan te nemen dat de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad.
21. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat het hof, anders dan de steller van het middel, er niet van uitgaat dat de kroongetuigeovereenkomst van 13 november 2018 is komen te vervallen, maar dat de door de rechter-commissaris als rechtmatig beoordeelde overeenkomst nog steeds geldt. Deze vaststelling acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft het betoog van het OM kennelijk aldus opgevat dat het van oordeel was dat gewijzigde omstandigheden – i.c. de wijziging van de vi-regeling die door de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen is ingegaan – reden gaven om uit te gaan van een andere basisstrafeis. De aangepaste basisstrafeis strekt ertoe dat de getuige onder de vigerende vi-regeling eenzelfde gevangenisstraf ondergaat als waartoe de oorspronkelijke basisstrafeis van vierentwintig jaren (onder de vi-regeling die gold ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst) strekte, te weten effectief acht jaren gevangenisstraf. [5] Het OM heeft zich dus geconformeerd aan ‘de geest’ van de overeenkomst. Het hof acht dit toelaatbaar. Het OM mocht van het hof aan de overeenkomst een uitleg gegeven die strookt met de bedoelingen van de partijen zoals die naar buiten toe zijn gebleken. [6] Ik meen dat zulks niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
22. Aan het voorgaande doet niet af dat de Hoge Raad – volgens de steller van het middel – zou hebben geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling “
geen strafverzwaring” teweeg heeft gebracht. Daarmee wordt het oordeel van de Hoge Raad m.i. niet in een juist perspectief geplaatst. De Hoge Raad heeft immers (‘slechts’) geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling niet kan worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging, zulks op de grond dat “
zowel voor als na de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen de mogelijkheid bestond en bestaat dat de veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf voor de volledige duur daarvan moet ondergaan.” [7]
23. Voor zover het middel berust op de opvatting dat geen sprake meer is van een afspraak tussen het OM en een kroongetuige, als bedoeld in artikel 226g Sv jo artikel 44a Sr, die aan een rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris is onderworpen geweest, faalt het derhalve.
24. Ook faalt het middel voor zover wordt aangevoerd dat de vermindering van de gevorderde straf met méér dan de helft niet toelaatbaar zou zijn. Immers, er is geen sprake van een vermindering van de basisstrafeis met meer dan 50%: het OM is uitgegaan van een lagere basisstrafeis die het vervolgens met 50% heeft verminderd om tot de strafeis in de zaak van de kroongetuige te komen. Ik wijs erop dat het de rechter – en dus ook het OM – vrijstaat om bij de strafoplegging c.q. de eis rekening te houden met de manier waarop de straf ten uitvoer zal worden gelegd. [8]
25. In de overwegingen van het hof ligt verder besloten dat het heeft geoordeeld dat de gewijzigde basisstrafeis niet zo laag is dat deze niet anders kan worden beschouwd dan als een ‘verkapte tegenprestatie’ voor het afleggen van verklaringen. In aanmerking genomen dat het oordeel van het hof dat de oorspronkelijke basisstrafeis van vierentwintig jaren niet disproportioneel was, in cassatie niet is bestreden en gelet op de omstandigheid dat de gewijzigde basisstrafeis als gevolg van de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen leidt tot eenzelfde netto-detentietijd die de kroongetuige moest ondergaan, is dat oordeel, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk. Ik merk daarbij bovendien op dat de gewijzigde basisstrafeis zonder 50% korting als gevolg van de gewijzigde vi-regeling zelfs tot een langere netto-detentietijd zou leiden dan de oorspronkelijke basisstrafeis (achttien jaren ten opzichte van zestien jaren).
26. Gelet op het voorgaande was ten slotte geen nadere motivering vereist van ’s hofs oordeel dat er geen reden was om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad. Alle klachten met betrekking tot de verlaagde basisstrafeis falen.
Klachten met betrekking tot het niet instellen van een ontnemingsvordering
27. Het hof heeft vastgesteld dat niet gebleken is dat aan [kroongetuige] de toezegging is gedaan dat tegen hem geen ontnemingsvordering zou worden ingediend. Deze vaststelling wordt in cassatie niet bestreden. Het hof overweegt verder dat het OM heeft aangevoerd dat [kroongetuige] na zijn detentie elders een veilig nieuw bestaan zal moeten opbouwen en dat hij financieel bij nul begint, waarbij hij in het begin een redelijke tegemoetkoming van het team getuigenbescherming zal ontvangen zodat een eventuele ontneming in feite door het team getuigenbescherming (lees: de staat) zou moeten worden betaald. Gelet hierop heeft het hof geoordeeld dat het OM voldoende reden heeft kunnen zien om het aanhangig maken van een ontnemingsvordering niet opportuun te achten en dat er dus geen sprake was van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kon zijn van een verkapte financiële beloning. Het hof heeft daarbij ook betrokken dat bij geen van de andere verdachten in de Eris-zaken een ontnemingsvordering is ingediend of is aangekondigd.
28. Het oordeel van het hof houdt in de kern in dat de beslissing van het OM om af te zien van het instellen van een ontnemingsvordering slechts verband houdt met het ontbreken van mogelijkheden tot verhaal. Dat oordeel is, gezien de door het hof aangehaalde omstandigheden, niet onbegrijpelijk en tevens toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel berust op de opvatting dat indien sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel het OM gehouden is een vordering tot ontneming daarvan in te dienen, vindt het geen steun in het recht. [9] Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt bovendien niet dat het OM was gehouden een voorbehoud te maken voor het geval op een later moment toch kan worden overgegaan tot het vorderen van een ontnemingsmaatregel indien alsnog verhaalsmogelijkheden zouden blijken.
29. Kortom, ook de klachten met betrekking tot het niet instellen van de ontnemingsvordering falen, zodat het middel in al zijn onderdelen faalt.

Het tweede middel

30. Het middel is gericht tegen de beslissing om te volstaan met de constatering van vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan ‘elektronische gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken’ (hierna kortweg: gegevensdragers) [10] en het vorderen van verkeers- en locatiegegevens bij aanbieders van elektronische-communicatiediensten (telecomproviders). De constatering van vormverzuimen heeft te maken met een aantal relatief recente uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie), onder meer in de zaken
Prokuratuur [11] en
Landeck [12] .

De overwegingen van het hof

31. Het arrest bevat de volgende overwegingen:

“5.2 Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens

In het onderzoek Eris zijn diverse mobiele telefoons, computers en andere elektronische gegevensdragers inbeslaggenomen. De politie heeft zich toegang verschaft tot die gegevensdragers en onderzoek gedaan naar de gegevens die daarin zijn opgeslagen of anderszins zijn te vinden. Daarnaast heeft de officier van justitie in het onderzoek Eris verkeers- en locatiegegevens gevorderd, hebben telecomaanbieders toegang verleend tot dergelijke gegevens en heeft de politie ook daarnaar onderzoek gedaan.
Naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en de Hoge Raad ziet het hof aanleiding ambtshalve het volgende te overwegen over het onderzoek aan de gegevens in mobiele telefoons, computers en andere gegevensdragers en over het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens.
Het HvJ EU heeft geoordeeld dat een onderzoek naar de gegevens die beschikbaar zijn in een elektronische gegevensdrager, zoals een smartphone, valt onder de reikwijdte van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (EU) 2016/680. Deze richtlijn diende uiterlijk op 6 mei 2018 in nationale wetgeving te zijn omgezet. Met de wetgeving waarmee Nederland uitvoering heeft gegeven aan Richtlijn (EU) 2016/680 zijn geen wijzigingen doorgevoerd van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de regeling van de inbeslagneming van een gegevensdrager en het onderzoek van de gegevens die op of in een (mobiele) gegevensdrager zijn te vinden. In HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (Landeck) heeft het hof geoordeeld dat voor het verkrijgen van toegang tot dergelijke gegevens voorafgaande toestemming nodig is van een rechterlijke instantie of een onafhankelijk, niet bij de opsporing betrokken, bestuursorgaan indien er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken.
Richtlijn 2002/85/EG geeft regels over privacy en elektronische communicatie en bepaalt (in artikel 5) dat de lidstaten het vertrouwelijke karakter van elektronische communicatie en daarmee verband houdende persoonsgegevens in de vorm van (historische) verkeers- en locatiegegevens garanderen. Richtlijn 2002/85/EG biedt de lidstaten de mogelijkheid die vertrouwelijkheid te doorbreken voor de bestrijding, opsporing en vervolging van strafbare feiten (zie artikel 15). Daarvoor gelden voorwaarden. De richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie is in Nederland geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Telecomaanbieders mogen op grond van de Telecommunicatiewet de vertrouwelijkheid van de door hen verzamelde gegevens doorbreken als dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. In een arrest van 2 maart 2021 heeft het HvJ EU de voorwaarden voor toegang tot bewaarde verkeers- en locatiegegevens verduidelijkt en aangescherpt. De toegang tot historische verkeersgegevens, waaruit (nauwkeurige) conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, moet zijn onderworpen aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuursorgaan.
Naar aanleiding van HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat de onder andere in artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheden tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens niet in overeenstemming is met de eisen die Richtlijn 2002/58/EG stelt, als de toepassing van de betreffende bevoegdheid meebrengt dat sprake is van een ernstige inmenging in het recht op bescherming van het privéleven en de beslissing tot de toepassing van die bevoegdheid wordt genomen door de officier van justitie. Vereist is in een dergelijk geval – behalve in spoedeisende situaties – dat voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit plaatsvindt. Dit voorafgaande toezicht is niet vereist wanneer het uitsluitend gaat om het verlenen van toegang tot gegevens aan de hand waarvan de betrokken gebruiker kan worden geïdentificeerd, zonder dat de gegevens in verband kunnen worden gebracht met informatie over de tot stand gebrachte communicatie. De Hoge Raad heeft in het arrest HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) aanleiding gezien te bepalen dat als de officier van justitie verkeers- en locatiegegevens wil verkrijgen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, hij gehouden is een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris te vorderen voor het vorderen van die gegevens.
Het hof constateert dat uit de procestukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk wordt of de rechter-commissaris, de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar deze in beslag heeft genomen. Waar een mobiele telefoon of een andere elektronische gegevensdrager in beslag is genomen door de rechter-commissaris kan er – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – van worden uitgegaan dat met de inbeslagneming is beoogd onderzoek naar de inhoud van deze gegevensdrager te laten doen door de politie en andere door politie en justitie ingeschakelde personen zoals deskundigen van het NFI. De bevoegdheid van de rechter-commissaris tot inbeslagneming biedt in een dergelijk geval de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan het inbeslaggenomen voorwerp, ook als dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Omdat de processtukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk maken door wie deze in beslag is genomen, moet ermee rekening worden gehouden dat niet alleen de rechtercommissaris maar ook de officier van justitie en andere opsporingsambtenaren elektronische gegevensdragers in beslag hebben genomen. Het hof kan bovendien aan de hand van de processtukken niet vaststellen of de rechter-commissaris – een rechterlijke instantie volgens de rechtspraak van het HvJ EU – per afzonderlijke gegevensdrager toestemming heeft gegeven voor onderzoek aan de daarin beschikbare gegevens, ook als er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken.
Daarnaast moet het hof op grond van de processtukken ervan uitgaan dat de politie zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit onderzoek heeft gedaan aan gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens).
In het geval dat voorafgaande toestemming (in de vorm van een schriftelijke machtiging) van de rechter-commissaris ontbreekt, is er in de zojuist bedoelde gevallen waarin een elektronische gegevensdrager bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar in beslag is genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin beschikbare gegevens, waarbij er een kans bestaat dat nauwkeurige conclusies over iemands privéleven worden getrokken, en in de gevallen waarin onderzoek is gedaan aan door de officier van justitie gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens), sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte.
De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting (zie HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.4).
Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager beschikbare gegevens als er een kans is om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Van belang hierbij is dat het uitsluiten van de resultaten van dergelijk onderzoek van het gebruik voor het bewijs niet noodzakelijk is om een schending van het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM Pro – en het daarmee overeenkomende artikel 47, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – te voorkomen, tenzij door een of meer van de vormverzuimen in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt en die vormverzuimen vervolgens niet in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen.
Dergelijke complicaties zijn door de verdediging niet gesteld en ook overigens niet gebleken.
Voor de toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim is gerechtvaardigd. Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen waardoor inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De vraag of, en de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is geschonden, is daarbij mede bepalend voor de ernst van het verzuim en het door het verzuim daadwerkelijk geleden nadeel. Voor de toepassing van strafvermindering moet het gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Als door het vormverzuim in niet meer dan geringe mate inbreuk is gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kan de rechter volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rov. 2.3.2 en 2.3.4.)
In het onderzoek Eris gaat het om de verdenking van zeer ernstige strafbare feiten. Het onderzoek is gericht tegen een criminele organisatie die zich zou hebben beziggehouden met het plegen van liquidaties en daarbij gebruikmaakte van PGP-telefoons. Het onderzoeken van de inhoud van inbeslaggenomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden, waren niet voorhanden. De inbreuk op het privéleven van de verdachte verschilt per gegevensdrager. In het geval van gegevens in PGP-telefoons gaat het – als deze bewaard zijn gebleven – voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en de uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-telefoons alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om dan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken is gering. Bij het onderzoek aan gegevens in andere gegevensdragers dan PGP-telefoons is in het onderzoek Eris, naast talloze gegevens over criminele gedragingen, ook toegang verkregen tot gegevens die niet met criminele activiteiten te maken hebben. Daarbij is de privacy van de verdachte en personen uit zijn directe omgeving zoals gezinsleden (wel) in het geding.
Niet is gebleken dat de politie toegang heeft verkregen tot gegevens van grote aantallen willekeurige derden, zoals het geval kan zijn bij het zich toegang verschaffen tot de op een server beschikbare gegevens, in welk geval het nemen van maatregelen ter bescherming van de privacy van derden kan zijn geboden. De gegevens waartoe in het onderzoek Eris toegang is verkregen, betreffen voornamelijk de verdachten zelf en personen uit hun omgeving.
Dat door het onderzoek aan de gegevens die in de (onder de verdachte) inbeslaggenomen gegevensdragers beschikbaar zijn en door het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens inzicht is verkregen in aspecten van het privéleven van de verdachte en eventueel degenen waarmee de verdachte contact had, is onontkoombaar. Het hof is van oordeel dat de ernst van de feiten die in het onderzoek Eris centraal staan het rechtvaardigt dat dit onderzoek is verricht en dat het belang daarvan opweegt tegen de daarmee gepaard gaande schending van de privacy van de verdachte en een beperkt aantal derden. Het hof gaat er dan ook van uit dat, gelet vooral op de aard en ernst van de verdenkingen, de rechter-commissaris voor dit onderzoek voorafgaande toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd.
De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de hier door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast.
Het hof volstaat mede daarom met de enkele constatering dat in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een of meerdere van de door het hof aan de orde gestelde vormverzuimen zijn begaan.

Een nadere omschrijving van het tweede middel

32. Het middel komt met (voornamelijk) motiveringsklachten op tegen drie onderdelen van de beslissing van het hof om als reactie op de vastgestelde vormverzuimen te volstaan met de (ambtshalve) constatering ervan. Dat betreft de volgende oordelen:
(a). de vormverzuimen leveren in beginsel geen grond voor bewijsuitsluiting op;
(b). in geval van toegang tot PGP-toestellen is de kans om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken gering, omdat het voornamelijk gaat om communicatie over de voorbereiding en uitvoering van ernstige misdrijven;
(c). aangenomen wordt dat de rechter-commissaris voor het onderzoek aan gegevensdragers en naar verkeers- en locatiegegevens toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd.
33. De steller van het middel tekent tot slot aan dat het feit dat ter zitting op dit punt geen verweer is gevoerd, niet aan de verdediging kan worden tegengeworpen, omdat het ‘post-Landeck’-arrest van de Hoge Raad pas ná het bestreden arrest is gewezen.

Het juridisch kader: Prokuratuur en Landeck

34. De afgelopen jaren hebben zich op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens in het Unierecht ontwikkelingen voorgedaan die van invloed zijn op de normering van bepaalde opsporingsbevoegdheden in het Nederlandse strafprocesrecht. [13] Het Hof van Justitie heeft een aantal uitspraken gedaan over Richtlijn 2002/58/EG, [14] onder andere in de zaak
Prokuratuur. [15] Daarnaast deed het Hof van Justitie in de zaak
Landeckuitspraak [16] over Richtlijn 2016/680. [17]
35. In een arrest van 5 april 2022 ging de Hoge Raad in op de gevolgen van de rechtspraak van het Hof van Justitie over Richtlijn 2002/58/EG. [18] Het arrest van de Hoge Raad ziet op de uitleg van de bepalingen die gaan over de bevoegdheid van de officier van justitie tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens) [19] bij de aanbieder van een communicatiedienst (een telecomprovider, bedoeld in artikel 138g Sv). De Hoge Raad oordeelde dat de rechtspraak van het Hof van Justitie meebrengt dat de officier van justitie die van een telecomprovider verkeers- en locatiegegevens wil vorderen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, gehouden is éérst een schriftelijke (bij spoed: mondelinge) machtiging van de rechter-commissaris te verkrijgen. Bij zijn beslissing over de daartoe strekkende vordering beoordeelt de rechter-commissaris of daarmee wordt voldaan aan de wettelijke eisen en aan maatstaven van proportionaliteit en subsidiariteit. [20]
36. De uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak
Landeckgaf de Hoge Raad (bij arrest van 18 maart 2025) aanleiding zijn rechtspraak over opsporingsonderzoek aan gegevensdragers als volgt bij te stellen. [21] Als politie en justitie aan gegevensdragers onderzoek willen verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal teweegbrengen, is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – voortaan een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. De rechter-commissaris toetst of de inbreuk die door het onderzoek aan de gegevensdrager op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker wordt gemaakt, gerechtvaardigd is, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek voor de waarheidsvinding. [22] In dit verband wijs ik erop dat het Hof van Justitie overweegt “
dat de ernst van het strafbare feit waarnaar het onderzoek loopt, een van de belangrijkste parameters is bij de toetsing van de evenredigheid van de ernstige inmenging die het gevolg is van de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens aan de hand waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene.” [23]
37. Verder is van belang dat Hoge Raad naar aanleiding van het
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie duidelijk heeft gemaakt dat er geen afwijkende regels gelden voor de sanctionering van vormverzuimen waarmee de verkrijging van verkeers- en locatiegegevens gepaard is gegaan. Hier is artikel 359a Sv onverminderd van toepassing. [24] Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn bij vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan gegevensdragers. [25]
38. Uitgangspunt bij toepassing van de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen is dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot (1) de aard, (2) de ernst en (3) de gevolgen van het vormverzuim (d.w.z. het daardoor teweeggebrachte nadeel). [26] Dit betekent dat bewijsuitsluiting slechts plaatsvindt om een schending van het recht op een eerlijk proces te voorkomen of onder bijzondere omstandigheden als rechtstatelijke waarborg bij ernstige schendingen van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. [27] Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door een voldoende ernstig vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, dat het vormverzuim concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast en dat strafvermindering vanwege het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. [28] De rechter die ambtshalve een vormverzuim constateert en beslist om met die constatering te volstaan, moet dit motiveren. [29]
39. Als het vormverzuim bestaat uit het uitoefenen van een opsporingsbevoegdheid zonder machtiging van de rechter-commissaris, kan de rechter bij zijn beslissing over toepassing van artikel 359a Sv meewegen dat de rechter-commissaris hoogstwaarschijnlijk wel een machtiging zou hebben afgegeven als hem dat tijdig zou zijn gevraagd. Dat zegt immers iets over de aard, ernst en gevolgen van het verzuim. [30] Verder komt bij die beoordeling betekenis toe aan wat de verdachte en zijn advocaat naar voren hebben gebracht, bijvoorbeeld over het wel of niet concreet geleden nadeel. [31]
40. Dat brengt mij tot slot op de stelling dat niet in het nadeel van de verdachte mag of had mogen werken dat over de (ambtshalve geconstateerde) vormverzuimen geen verweer als bedoeld in artikel 359a Sv is gevoerd. De steller van het middel voert daartoe aan dat het ‘post-Landeck’-arrest van de Hoge Raad d.d. 18 maart 2025 dateert van ná de bestreden uitspraak d.d. 12 februari 2025.
41. In dit verband merk ik op dat de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie al op 20 april 2023 concludeerde in de zaak
Landeck. [32] De uitspraak van het Hof van Justitie dateert van 8 oktober 2024 (en is overigens op het punt van de voorafgaande rechterlijke toetsing in lijn met de conclusie). [33] Bovendien dateert het
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 en formuleerde de Hoge Raad het daarop bijgestelde kader voor de vordering van verkeers- en locatiegegevens bij arrest van 5 april 2022. Deze conclusie en uitspraken zijn dus van (ruim) vóór de sluiting van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte (op 12 februari 2025). Bij die stand van zaken gaat de in cassatie ingenomen stelling mij te ver. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij onder deze omstandigheden in staat is te beoordelen of een verweer over eventuele onrechtmatigheden bij het onderzoek aan gegevensdragers en de vordering van verkeers- en locatiegegevens kans van slagen heeft (en past in de verdedigingsstrategie). [34]

De bespreking van het tweede middel

42. In deze zaak is het hof ambtshalve ingegaan op de (on)rechtmatigheid van het door de politie verrichte onderzoek aan gegevensdragers en van verkeers- en locatiegegevens. Het hof overweegt dat ermee rekening moet worden gehouden dat in het opsporingsonderzoek Eris [35] door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar gegevensdragers in beslag zijn genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin opgeslagen gegevens, zonder dat de rechter-commissaris daarvoor een schriftelijke machtiging had afgegeven, terwijl een kans bestond dat daarbij nauwkeurige conclusies over iemands privéleven zouden (kunnen) worden getrokken. Ook gaat het hof ervan uit dat onderzoek is gedaan van verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) die de officier van justitie heeft gevorderd zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie. Waar deze situaties zich hebben voorgedaan in het voorbereidend onderzoek van de strafzaak tegen de verdachte is volgens het hof sprake van onherstelbare vormverzuimen wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden, zodat daarvan in het vervolg moet worden uitgegaan.
43. Het hof komt vervolgens tot de beslissing om aan die vormverzuimen géén rechtsgevolg(en) te verbinden. Voor die beslissing geeft het hof de volgende redenen:
(i). De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting. Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager opgeslagen gegevens als dit een kans geeft om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken.
(ii). Waar onderzoek is gedaan aan gegevens in PGP-toestellen gaat het voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-toestellen alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om op basis daarvan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken, is gering.
(iii). In het onderzoek Eris stonden verdenkingen van zeer ernstige strafbare feiten centraal. Het onderzoeken van de inhoud van de in beslag genomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden waren niet voorhanden. Gelet op de aard en de ernst van die verdenkingen waren de privacy-schendingen gerechtvaardigd en moet worden aangenomen dat de rechter-commissaris voor het onderzoek aan gegevensdragers en van verkeers- en locatiegegevens voorafgaande toestemming zou hebben verleend, als de officier van justitie deze had gevorderd.
(iv). De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast.
44. Het onder (i) genoemde oordeel dat de vormverzuimen die aan de orde zijn in beginsel geen grond voor bewijsuitsluiting opleveren, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk (zie mijn opmerkingen onder randnummers 37 en 38). In de afwezigheid van een verweer waarmee het tegendeel is bepleit, vind ik de onder (ii) weergegeven overwegingen van het hof evenmin onbegrijpelijk. Deze getuigen bovendien niet van een onjuiste rechtsopvatting. [36] Datzelfde geldt voor de onder (iii) en (iv) beschreven overwegingen van het hof (zie in het bijzonder nog randnummers 39, 40 en 41).
45. Het hof heeft daarmee toereikend gemotiveerd dat kan worden volstaan met de (ambtshalve) constatering van de genoemde vormverzuimen. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
46. Het middel faalt.

Het derde middel

47. Het middel bevat de klacht dat het hof onvoldoende heeft uiteengezet waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de (on)betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige.

De relevante delen van de processtukken

48. De schriftuur bevat het volgende citaat van de pleitnota van de verdediging:

Maar ook zonder op de persoon van de kroongetuige te spelen, kan gesteld worden dat de verklaringen van [kroongetuige] onbetrouwbaar zijn.
Volgens het OM en de Rechtbank heeft [kroongetuige] in grote lijnen consequent en consistent verklaard. Hij zou het dossier nauwelijks gelezen hebben en zou alles uit zijn eigen geheugen putten. Het zou logisch zijn dat er verschillen zijn aan te wijzen in de verschillende verklaringen.
De verdediging betwist dit standpunt ten zeerste (grief) en wel om de volgende redenen.
Veelvuldig verschil in details
Ten eerste. De hoofdlijn van de verklaringen van [kroongetuige] zou behoorlijk consistent zijn. Los van de vraag of deze mening objectief bezien juist is, neemt dat niet weg dat hij voortdurend verschillende details aandraagt. Meerdere malen beroept hij zich op eerdere verklaringen, of geeft hij aan moeite te hebben met de tijdlijn. Zijn verklaring lijkt wei een grammofoonplaat die telkens opnieuw wordt afgespeeld. Net als een circushondje doet hij zijn trucjes. Elke avond weer.
Het OM is lovend over de wijze waarop [kroongetuige] overeind is gebleven met zijn verklaringen. Het zou te prijzen zijn dat hij niet van zijn stuk is gebracht. Gedetailleerde lezing van zijn verklaringen, geeft echter grote vraagtekens bij de oprechtheid van zijn stellingen. Worden zijn verklaringen nauwkeurig gelezen, dan lijkt het er sterk op dat [kroongetuige] , heel subtiel, met wat hulp, steeds wisselend doch immer stelliger verklaart, zodat zijn verklaring aansluit bij de objectieve gegevens en verklaringen van andere getuigen die de politie aandraagt.
Het voert te ver om hier al alle passages te noemen die er in het dossier te vinden zijn. Wel zullen enkele voorbeelden genoemd worden om deze stelling te onderbouwen:
Het eerste voorbeeld:
De eerste keren dat [kroongetuige] verklaart over de avond van 17 april 2017 stelt hij dat hij op weg was naar huis toen hij bericht kreeg van [medeverdachte 1] om hem en zijn vrouw op te halen.
Tijdens een andere verklaring draagt hij aan dat hij wellicht bij een cafeetje in [plaats] was met [betrokkene 1] .
Vervolgens wordt dit aangepast: [kroongetuige] was met [betrokkene 1] op weg naar [plaats] om een voorverkenning te doen bij [A] .
Of [kroongetuige] wel of niet wist dat dit om een voorverkenning voor een liquidatie ging, wisselt ook.
Later stelt hij dat, naast de opdracht van de voorverkenning bij [A] , ook [betrokkene 1] een afspraak had bij een shisha lounge. De onderzoeksbevindingen van een zoekslag op de telefoon van [kroongetuige] (telefoon van [betrokkene 2] ) overeen shisha lounge die wordt aangedragen door verbalisanten, sluit (te) goed aan bij dit laatste verhaal.
Een tweede voorbeeld:
[kroongetuige] stelt dat hij in [plaats] was op 17 april 2017. Maar daarna blijkt dat zijn telefoon de hele dag in [plaats] lag. Vervolgens blijkt uit Whatsapp- gesprekken dat [betrokkene 2] is gaan zwemmen. [kroongetuige] stelt dat hij dan wel meegegaan zal zijn.
Op een gegeven moment komt het verhaal dat hij met zijn vader in [plaats] was bij het [D] Duinoord en dat hij niet meer wist dat dat diezelfde dag was. Daar zou zijn vader een wapen overhandigd hebben gekregen van [verdachte] .
Maar zoals Uw Hof ook al aanstipte, blijft het merkwaardig dat hij in eerste instantie het vervoeren van het wapen niet heeft verbonden met de liquidatie, die diezelfde dag heeft plaatsgevonden.
Een derde voorbeeld: [kroongetuige] verklaart, dat hij het adres van [verdachte] op die bewuste 17e april 2017 niet heeft geweten. Hij zou op aanwijzingen van [verdachte] naar zijn huis zijn gereden. Op een later moment verklaart [kroongetuige] echter, dat hij [verdachte] al voor [slachtoffer 2] een keer (of meerdere keren) heeft weggebracht naar [plaats] . En hij haalde [betrokkene 4] op bij zijn huis, in [plaats] .
Een vierde voorbeeld:
Door het OM en de Rechtbank is aangenomen dat [kroongetuige] , de dag na [slachtoffer 2] , op 18 april 2017, door [medeverdachte 1] is ingelicht over de criminele organisatie en het op grote schaal plegen van liquidaties. Wat al niet klopt met de voorverkenning bij [A] . Wat [medeverdachte 1] die dag echter allemaal gezegd heeft, daar verklaart [kroongetuige] verschillend en eveneens tegenstrijdig over.
In map 118d, p. 3939, stelt [kroongetuige] bijvoorbeeld dat [medeverdachte 1] de dag na de liquidatie heeft verteld over [medeverdachte 2] : hij zou jongens hebben opgehaald die net een liquidatie hebben gepleegd. Maar verder is er toen niet veel meer verteld dan dat. Terwijl hij op een later moment stelt dat hij toen WEL al alles over [betrokkene 5] heeft gehoord.
Ook zou [medeverdachte 1] toen hebben verteld dat er jongens naar [plaats] zijn gestuurd, maar later twijfelt [kroongetuige] weer of dat wel de dag na de liquidatie is geweest.
Kortom, wat er die dag wel en niet is gezegd en of [verdachte] er überhaupt bij was, valt niet uit objectieve bron te achterhalen. Verder verklaart [kroongetuige] ook steeds wisselend of het gesprek met [medeverdachte 1] en [verdachte] , die dag heeft plaatsgevonden of een dag later: de ene keer was het dezelfde dag, de andere keer de dag erna.
Het laatste voorbeeld:
[kroongetuige] stelt dat hij op 17 april 2017, de middag voor de moord, [verdachte] heeft zien rijden in een grijze Peugeot stationwagen. Wanneer [kroongetuige] wordt geconfronteerd met de aanstraling van die Peugeot 308 stationwagen (die waarschijnlijk is gebruikt bij de liquidatie van [slachtoffer 2] op 17 april 2017) om 17:14 uur, stelt hij aanvankelijk dat hij die dag geen Peugeot gezien heeft en ontkent hij spontaan en met klem in die Peugeot gezeten te hebben.
Even later echter, heeft [kroongetuige] die dag [verdachte] wèl in een grijze auto zien rijden. Of de auto licht of donker grijs was, heeft hij niet kunnen zien. Het passeren van de auto ging heel snel. Later stelt [kroongetuige] dat het een grote auto was, een stationwagen. En als hij gevraagd wordt naar het merk, verklaart [kroongetuige] dat het inderdaad om een grijze Peugeot 308 ging. Om daar later tijdens een verhoor in de Rechtbank weer op terug te komen. Als de OvJ hem hiermee confronteert: heeft hij niet verklaard dat het om een Peugeot ging. Dit was té voor de hand liggend, volgens hem. Bedoelt hij hiermee te zeggen: een te voor de hand liggende leugen? Het zegt genoeg over de betrouwbaarheid van de verklaringen.
Een ander gebezigd argument is dat de verklaringen van [kroongetuige] "overeind blijven." Die stelling wordt eveneens betwist. Het standaard verwijzen naar erdere verklaringen en de deur sluiten voor vervolgvragen maakt dat niet moeilijk. Hoe vaak heeft Uw Hof niet gehoord: "Ik blijf bij mijn verklaring"? Een handige manier om een verdere uitleg te weigeren.
Niet lezen van het dossier
Het OM roemt [kroongetuige] tevens om zijn fantastische geheugen, want hij zou het dossier niet, of amper hebben gelezen.
De verdediging betwijfelt zeer of deze uitspraak waar is en ziet in het dossier bewijs voor het tegendeel. [kroongetuige] had namelijk al vanaf een vroeg tijdstip toegang tot (delen van) het dossier. In meerdere verhoren wordt verwezen naar het lezen van het dossier door de kroongetuige.
Dat [kroongetuige] wordt geprezen om het zelfstandig verklaren van eigen betrokkenheid in Langenhorst en Gezicht, mag wat betreft de verdediging ook achterwege gelaten worden. Het maakt immers onderdeel van de deal uit, dat hij zijn eigen betrokkenheid toegeeft.
Kortom: Het is niet objectief te beoordelen wat [kroongetuige] wel of niet gelezen heeft. Dat hij het dossier wel degelijk gelezen heeft, tot zijn beschikking heeft gehad en al tijdens de eerste verhoren uit heeft kunnen putten, blijkt gewoon uit het dossier. Het is om deze reden niet uit te sluiten dat [kroongetuige] alle tijd heeft gehad om zijn verklaringen uit het hoofd te leren. En in zoverre heeft de Rechtbank ten onrechte en te veel geloofwaardigheid gehecht aan de verklaringen van de [kroongetuige] (grief).
Moeite met de tijdlijn
Een ander opvallend punt uit de verklaringen, is dat [kroongetuige] continu moeite heeft met gebeurtenissen in de tijd te plaatsen. Dat is op zich begrijpelijk, maar kan er ook aan bijdragen dat het niet is te verzekeren dat [kroongetuige] alles wel juist in de tijd heeft geplaatst. Zo heeft [kroongetuige] bijvoorbeeld verklaard dat hij en [verdachte] samen naar [plaats] reden en dat [verdachte] toen zou hebben gezegd dat hij al eerder een Peugeot heeft gehad voor het plegen van een liquidatie. Dit zou mede gelet op andere verklaringen van [kroongetuige] , rond of op 21 juni 2017 zijn geweest. Dit kan echter niet kloppen, want toen zat [verdachte] vast vanwege niet betaalde boetes.
Reconstructie van herinneringen
Verder heerst er bij de verdediging nog steeds de vraag: In hoeverre zijn de herinneringen van [kroongetuige] gereconstrueerd en in hoeverre is er sprake van een (in)gestuurde herinnering? Het OM stelt dat herinneren, reconstrueren is. En dat wij met behulp van verschillende bronnen kunnen reconstrueren hoe iets (in grote lijnen) is verlopen.
Als voorbeeld: [kroongetuige] zou [verdachte] hebben zien rijden in een grijze Peugeot toen hij samen met zijn vader wegreed bij [medeverdachte 1] , bij [locatie] , de middag van 17 april 2017. Voordat hij dit verklaard heeft, is door de verbalisanten al gezegd welke auto is gebruikt bij de liquidatie, namelijk: een grijze Peugeot 308 stationwagen. Pas later verklaart [kroongetuige] , dat hij [verdachte] heeft zien rijden in een grijze stationwagen. Die nog later een Peugeot wordt. De verdediging vraagt zich sterk af in hoeverre de 'herinnering' van [kroongetuige] is gereconstrueerd en meent dan ook dat dit een 'gestuurde herinnering' betreft, die nooit heeft plaatsgevonden. Overigens zie ik hier weer een reden om de kroongetuigenverklaring met de nodige behoedzaamheid te bezien (waar ik nog op terugkom).
Het OM stelt dat het begrijpelijk is, dat er verschillen zitten in de verklaringen van [kroongetuige] . Waarmee men probeert om de onwaarheden en feitelijke onjuistheden weg te poetsen en recht te praten.
Aan de zekerheid waarmee [kroongetuige] verklaart, kan dus niet de consequentie gehangen worden, dat zijn verklaringen de waarheid betreffen. Iets wat de Rechtbank ten onrechte heeft meegewogen in haar oordeel over de betrouwbaarheid van de kroongetuige (grief).
Ook wordt [kroongetuige] geprezen om zijn medewerking in Hoger Beroep terwijl zijn vonnis al lang onherroepelijk is.
De verdediging stelt echter, dat [kroongetuige] vragen in verhoren in het Hoger Beroep veelal beantwoordt door te zeggen dat hij "moeite met de tijdlijn" heeft, dat hij bij zijn eerdere verklaring blijft en dat hij bij zijn verklaring wil blijven. Op een ander moment zegt hij dat hij het niet meer weet, of dat hij er geen verklaring voor heeft als hij geconfronteerd wordt met inconsistenties.
Een voorbeeld:
Als [kroongetuige] geconfronteerd wordt met de onmogelijkheid dat [verdachte] hem ontmoet kan hebben op 21 juni 2017, omdat hij toen in de gevangenis zat, stelt [kroongetuige] dat hij hier geen verklaring voor heeft. Sterker nog, [kroongetuige] zegt: "Dit is mijn verklaring, ik blijf hier bij.”
Hij wil duidelijk geen antwoord geven op de vraag.
Leugens
[kroongetuige] heeft daarnaast meerdere keren aantoonbaar gelogen. Bijvoorbeeld over de goede band die hij zou hebben gehad met [verdachte] . In de pleitnota in eerste aanleg is hier ook uitvoerig bij stilgestaan. Hieronder volgt een korte samenvatting van hetgeen in eerste aanleg is opgemerkt.
[kroongetuige] stelt dat hij, na de avond van 17 april 2017, een goede band heeft gekregen met [verdachte] . Deze stelling kan niet waar zijn.
Zo weet [kroongetuige] niet eens de echte naam van [betrokkene 4] , voor- noch achternaam. Ook weet hij niet of [verdachte] andere vriendinnen dan die in [plaats] . En of hij kinderen heeft. Hij weet niet wat [verdachte] dan wel doet, waar hij vandaan komt en wat hem interesseert. Hij is dan ook nooit bij [verdachte] thuis geweest, alleen voor de deur bij het ophalen van [betrokkene 4] en [betrokkene 6] .
Al aangevoerd is dat het niet kan kloppen dat [verdachte] en [kroongetuige] op 21 juni 2017 samen naar [plaats] zijn gereden. Op dat moment zat [verdachte] gedetineerd vanwege openstaande boetes. Als [kroongetuige] geconfronteerd wordt met deze klaarblijkelijke onwaarheid, zegt hij dat hij niet weet wanneer het was en dat hij bij zijn verklaring blijft.
Opmerkelijk genoeg is er geen enkel objectief bewijs aanwezig, zoals bijvoorbeeld app berichten, telecomgegevens, club foto's of getuigenverklaringen, waaruit die vermeende band tussen [kroongetuige] en [verdachte] zou moeten blijken.
Conclusie
Dit alles maakt dat geconcludeerd moet worden, dat [kroongetuige] niet alleen onbetrouwbaar is als persoon, maar dat zijn verklaringen ook onbetrouwbaar zijn te achten. Hij geeft geen gedetailleerde antwoorden, als die wel gevraagd worden en doet ze af met dooddoeners.
Hij heeft zijn dossier al tijdens de verhoren kunnen inzien, waardoor niet valt uit te sluiten dat hij dit wel grondig gelezen heeft. Hij heeft hulp en bijstand gehad van zijn advocaat, die ruime ervaring heeft met kroongetuigendossiers. En zo mogelijk nog training van anderen (waaronder doch niet uitgesloten politie psychologen).
De verdediging vindt het dan ook niet vreemd, dat de verklaringen van [kroongetuige] 'overeind zijn gebleven', zoals het OM dat noemt. Het is een mooi ingestudeerd stukje geworden, een trucje dat op het hoogste niveau is opgevoerd.
Op grond van het vorenstaande concludeert de verdediging primair tot uitsluiting van het bewijs dat door de kroongetuige is geleverd. Subsidiair wordt Uw Hof verzocht de verklaringen niet uitsluitend te gebruiken als leidend bewijs voor de ten laste gelegde feiten en daar met de nodige terughoudendheid, objectiviteit en zorgvuldigheid naar te kijken en uiteraard te wegen en vooral in het hoofd te houden dat objectief bewijs voor het daderschap in zijn geheel ontbreekt.”
49. Dat wat de raadsman verder nog bij pleidooi en dupliek naar voren heeft gebracht, vat de steller van het middel als volgt samen:
“Hij heeft daarbij – kort en zakelijk samengevat – onderbouwd aangevoerd:
-
Dat de verklaringen van de kroongetuige ten aanzien van de ontmoeting in [plaats] zeer uiteenlopen (weinig consistent en consequent zijn) en ingevuld zijn door hetgeen hem door het onderzoeksteam is aangedragen (pleitnota, p. 32-34);
-
Dat de verklaringen van de kroongetuige over het zien van een grijze Peugeot (bestuurd door verzoeker) in [plaats] niet consistent zijn en dat de verklaringen een opbouwende lijn laten zien, waarbij deze meer en meer in de richting van de verdenkingen jegens verzoeker gaan (pleitnota, p. 36-37);
-
Dat de verklaringen van de kroongetuige over het zien van een grijze Peugeot (bestuurd door verzoeker) in [plaats] niet stroken met de onderzoeksbevindingen (ASR-gegevens) (pleitnota, p. 47-49 en dupliek, p. 13-14).
-
Dat de verklaringen van de kroongetuige over het ophalen van ‘de schutters’ niet consequent zijn, op belangrijke onderdelen verschillen van de verklaringen van [betrokkene 12] en dat de verklaringen mogelijk gevoed zijn door informatie via de media (pleitnota, p. 45-50);
-
Dat uit de historische gegevens van de telefoons van de kroongetuige en [betrokkene 1] blijkt dat de ontmoeting in [plaats] op 19 april 2017 waarover de kroongetuige heeft verklaard niet in [plaats] kan hebben plaatsgevonden (pleitnota, p. 51 en dupliek, p. 14-15);
-
Dat de kroongetuige informatie over de toedracht van de liquidatie (waarvan hij zelf verklaarde deze van verzoeker en [medeverdachte 1] te hebben gehoord) ook via de media of op andere wijze kan hebben vernomen en dat zijn verklaringen niet (geheel) stroken met forensische bevindingen over de manier waarop is geschoten (pleitnota, p. 52-52 en dupliek, p. 15-16).
-
Dat de verklaringen van de kroongetuige over de ‘afgebroken sleutelkaart’ niet consequent zijn en niet stroken met de overige onderzoeksbevindingen (pleitnota, p. 55-57).
50. Het arrest bevat de volgende overwegingen:

“5.1.4. De betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige

Meerdere raadslieden hebben gewezen op de onbetrouwbaarheid van de kroongetuige. Aangevoerd is dat [kroongetuige] al sinds jonge leeftijd op meerdere terreinen strafbare feiten pleegt, zoals handel in drugs en oplichting. Omdat hij al zijn hele leven liegt en bedriegt, is het zeer riskant om zijn verklaringen te gebruiken voor het bewijs, zeker nu [kroongetuige] een duidelijk eigen belang heeft bij het afleggen van zijn verklaringen, aldus de raadslieden.
Bijna alle raadslieden hebben daarnaast op inhoudelijke gronden de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van (een deel van) de verklaringen van [kroongetuige] betwist. In de zaak van [naam] is dit punt – in eerste aanleg en herhaald in hoger beroep – als volgt verwoord:
De kroongetuige heeft veel vermoedens, invullingen, veronderstellingen en gevoelens en verkeerde ten tijde van de feiten waarover hij verklaart niet zelden onder invloed van verdovende middelen. Hij is na talloze verhoren door de politie, bij de rechter-commissaris en op de zitting nauwelijks meer in staat om onderscheid te maken tussen wat hij daadwerkelijk heeft meegemaakt, wat hij van derden heeft gehoord en wat hij later heeft opgepikt uit de media. De primaire bron is uiteindelijk vaak [medeverdachte 1] , die ooit iets tegen hem gezegd zou hebben, al weet hij niet meer waar, wanneer, in welke bewoordingen en in welke context.
Andere raadslieden hebben daaraan nog toegevoegd dat de verklaringen bewust of onbewust onbetrouwbaar zijn te achten: door het toepassen van Neuro Linguïstisch Programmeren (NLP) tijdens het verhoren van [kroongetuige] , het bestaan van valse herinneringen en het voeden met informatie door politie en justitie. De verklaringen kunnen daarom niet worden gebruikt voor het bewijs. In ieder geval is het volgens de raadslieden noodzakelijk om deze verklaringen met grote voorzichtigheid te benaderen.
(…)
Het hof stelt in dit verband voorop dat het niet de betrouwbaarheid van de persoon van [kroongetuige] maar die van zijn verklaringen dient te toetsen. Het feit dat een kroongetuige in het verleden ook bij andere misdrijven betrokken is geweest en/of dat hij in het verleden mogelijk onbetrouwbaar is gebleken wat betreft zijn verklaringen over niet in de afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering opgenomen misdrijven, is op zich geen reden om geen waarde te hechten aan zijn als kroongetuige afgelegde verklaringen. Uiteindelijk gaat het erom of de verklaringen van de kroongetuige over de aan de verdachten ten laste gelegde feiten betrouwbaar zijn.
Een kritische benadering van de verklaringen van [kroongetuige] ligt voor de hand, nu hij deze heeft afgelegd als kroongetuige en aan hem strafvermindering en bescherming in het vooruitzicht zijn gesteld in ruil voor informatie over misdrijven. Het gaat dan meestal om informatie die zonder de verklaring van de kroongetuige niet, of zeer moeilijk, door de opsporingsinstanties is te verkrijgen. De van de kroongetuige te verkrijgen informatie moet voor de opsporingsautoriteiten een meerwaarde hebben. Daarin kan een motief zijn gelegen om informatie te verschaffen die niet op waarheid berust. Om die reden is het van belang dat de door de kroongetuige gegeven informatie zoveel mogelijk wordt getoetst in het opsporingsonderzoek en bij de berechting. Om diezelfde reden dienen zijn verklaringen met extra behoedzaamheid te worden beoordeeld, zoals ook tot uitdrukking komt in de motiveringseis van artikel 360, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en de bewijsminimumregel dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend op de verklaring van één getuige mag worden aangenomen.
De eis van behoedzaamheid geldt in het bijzonder waar het gaat om de verklaringen die zien op informatie die [kroongetuige] stelt van [medeverdachte 1] te hebben verkregen. Zowel [kroongetuige] als [betrokkene 13] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] informatie wel eens aandikte of dat hij met desinformatie strooide.
Uitgangspunt is dat een verklaring van een getuige over wat hij van een andere persoon heeft gehoord in beginsel bruikbaar is voor het bewijs, maar dat de verdediging wel de gelegenheid moet hebben gehad om de getuige, het liefst ter terechtzitting, te horen. Vastgesteld kan worden dat de verdediging [kroongetuige] zowel bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep aan vele indringende verhoren heeft onderworpen, waarbij het aspect dat hij iets van [medeverdachte 1] heeft gehoord uitvoerig aan de orde is geweest. Het zou dan ook te ver gaan om aan de verklaringen van [kroongetuige] om die reden op voorhand slechts de waarde van steunbewijs toe te kennen, zeker omdat de beweerde bron van dergelijke verklaringen, [medeverdachte 1] , zich hoofdzakelijk heeft beperkt tot het ontkennen van de beweringen van [kroongetuige] en het presenteren van een ongeloofwaardig alternatief scenario.
De van de kroongetuige verkregen informatie is divers van aard. Zo heeft hij niet alleen verklaard over gebeurtenissen die hij zelf heeft meegemaakt, maar ook over wat hij van anderen, met name [medeverdachte 1] , heeft gehoord. Ten slotte heeft hij ook verklaard over de algemene gang van zaken bij [motorclub] , waarvan hij deel heeft uitgemaakt.
Als informatie die de kroongetuige zegt te hebben verkregen van derden niet past bij de overige onderzoeksresultaten, kan maar hoeft dat niet te duiden op onbetrouwbaarheid van de kroongetuige. In dat geval is het ook mogelijk dat de kroongetuige naar waarheid heeft verklaard over wat hij heeft gehoord maar van die derde niet de juiste informatie heeft gekregen. Als voorbeeld noemt het hof een voorval in het deelonderzoek Breuk. De kroongetuige heeft verklaard dat zijn opdrachtgever hem op 5 juli 2017 heeft bericht dat het beoogde slachtoffer vanwege een file later zou komen. Dat het beoogde slachtoffer die dag na zijn vertrek uit [plaats] om ongeveer 19.00 uur door een file is opgehouden, acht het hof niet waarschijnlijk. Voor deze ogenschijnlijke onjuistheid zijn meerdere verklaringen mogelijk: de kroongetuige kan de file hebben verzonnen, maar hij kan ook naar waarheid hebben verklaard over onjuiste informatie die hij van de opdrachtgever had gekregen, waarbij de opdrachtgever op zijn beurt deze onjuiste informatie van derden kan hebben ontvangen.
Van belang is of onderdelen van de verklaring van de kroongetuige steun vinden in ander bewijsmateriaal en passen bij de overige bevindingen van het onderzoek. De verdediging heeft gewezen op de mogelijkheid van beïnvloeding van de kroongetuige door de politie. In dat verband is van belang of en, zo ja, hoe en wanneer de informatie van de kroongetuige in het onderzoek is bevestigd. Hierbij is een aantal situaties te onderscheiden:

De informatie van de kroongetuige is geheel nieuw en wordt pas later in het onderzoek bevestigd door gegevens waarvan de kroongetuige niet op de hoogte kon zijn;

De informatie kan worden bevestigd met zich al in het dossier bevindende onderzoeksresultaten of andere gegevens waarvan de kroongetuige op de hoogte kon zijn;

De informatie wordt verkregen naar aanleiding van aan de kroongetuige voorgehouden onderzoeksresultaten.
Het is duidelijk dat de mogelijkheid van beïnvloeding in de als eerste vermelde situatie het kleinst en in de laatste situatie het grootst is.
Ook op het hof komt [kroongetuige] in zijn manier van verklaren bij de politie en de rechter-commissaris, maar ook ter terechtzitting over als een getuige die duidelijk en in grote lijnen consistent en zonder te aarzelen verklaart. Van belang is ook dat [kroongetuige] ook heeft verklaard over zijn rol in zaken waarin hij tot op dat moment bij het openbaar ministerie niet in beeld was gekomen en dat zijn op punten gedetailleerde verklaringen voor een belangrijk deel bevestiging vinden in objectieve onderzoeksbevindingen zoals die in het verificatie/falsificatiedossier. Veel verklaringen van [kroongetuige] vinden bevestiging in opnames van PGP- en whatsappgesprekken die pas later onder [medeverdachte 1] zijn aangetroffen. Van de aanwezigheid van die opnames waren [kroongetuige] en de politie niet op de hoogte op het moment dat de kluisverklaringen werden afgelegd. Het hof geeft daarvan enkele voorbeelden:

De verklaring van de kroongetuige dat een zekere “ [betrokkene 7] ” of “ [betrokkene 7] ” opdrachtgever voor een aantal liquidaties was, komt overeen met een PGP-gesprek tussen [medeverdachte 1] en ‘ [betrokkene 8] ’ waarin “ [betrokkene 7] ” als opdrachtgever wordt genoemd;

De kroongetuige heeft verklaard dat [medeverdachte 1] hem een A4’tje met een foto van [betrokkene 9] op een bruiloft heeft laten zien. Op die foto was het hoofd van [betrokkene 9] omcirkeld. Op gegevensdragers van [medeverdachte 1] is een foto gevonden van een A4’tje met een foto van [betrokkene 9] met zijn hoofd omcirkeld die ook verder aan de beschrijving van de kroongetuige voldoet;

[medeverdachte 1] zou opdracht hebben gegeven voor de beschieting van een woning aan de [a-straat] in [plaats] . Op gegevensdragers van [medeverdachte 1] is een beeldopname van een PGP-gesprek aangetroffen waarin wordt gesproken over een donkere straat met bomen bij de afslag [plaats] ( [plaats] ) van de [snelweg] . Ook is op die gegevensdrager een afbeelding van een printje van een routebeschrijving van Google Maps van ‘Mijn locatie’ naar de [a-straat] in [plaats] gevonden;

[medeverdachte 1] zou zijn benaderd door [betrokkene 10] omdat zijn zoon in de problemen was gekomen door een vergismoord. Onder [medeverdachte 1] zijn beeldopnames van whatsappgesprekken en PGPgesprekken tussen beiden van ongeveer twee weken na de betreffende vergismoord over de zoon van [betrokkene 10] aangetroffen;

Het geld voor de moord op [slachtoffer 1] zou op de dag na de moord door een motorrijder zijn opgehaald. Op gegevensdragers van [medeverdachte 1] is de volgende chat van 8 juli 2017 aangetroffen: “Ok ik stuur hem, hij komt op de motor”.
Ook op veel andere onderdelen worden de verklaringen van de kroongetuige bevestigd door die bij [medeverdachte 1] aangetroffen opnames. Het hof komt daar bij de bespreking van de zaakdossiers op terug.
De conclusie is dat de verklaringen van de kroongetuige in de kern en op hoofdlijnen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Wel is duidelijk gebleken dat [kroongetuige] moeite heeft met het plaatsen van gebeurtenissen in de tijd en dat hij bepaalde feitelijkheden (nader) heeft ingevuld en met elkaar heeft verward, zoals in de deelonderzoeken Lis en Barbera, waar hij het heeft over het Belgische slachtoffer. Ook heeft [kroongetuige] zijn verklaringen gedurende het proces op punten moeten nuanceren, daar waar hij eerder al dan niet ingegeven door zijn eigen overtuiging in al te concluderende zin had verklaard. Sommige ongerijmdheden in de verklaringen van [kroongetuige] zijn niet geheel opgehelderd of op andere wijze verklaarbaar gebleken. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in de deelonderzoeken Charlie17 en Langenhorst, daar waar het de gang van zaken in aanloop naar de moord en de rol van [kroongetuige] zelf betreft.
Een aantal raadslieden heeft ook terecht erop gewezen dat het geheugen alleen al door het tijdsverloop beïnvloedbaar is en dat informatie die naderhand is verkregen, vermengd kan worden met wat een getuige zelf heeft waargenomen. Het hof komt niet tot de conclusie dat [kroongetuige] bewust niet volledig naar waarheid heeft verklaard. Dat neemt niet weg dat de verklaringen van [kroongetuige] slechts bruikbaar zijn voor het bewijs als het hof oordeelt dat zij betrouwbaar zijn en conform de waarheid zijn afgelegd.
Ondanks de kanttekeningen die op onderdelen bij de verklaringen van [kroongetuige] kunnen worden geplaatst, blijft tegen de achtergrond van het totaal van zijn vele verklaringen en in het licht van de overige onderzoeksbevindingen het beeld van [kroongetuige] als een overwegend betrouwbaar verklarende getuige in stand. Uit de woordelijk uitgewerkte verhoren van [kroongetuige] is van het toepassen van NLP, van het opwekken van valse herinneringen of het voeden van informatie in de verhoren door de politie niet gebleken. Ook verder zijn hiervoor geen aanwijzingen te vinden.
(…)
6.3.2. CHARLIE17
Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af.

6.3.2.1. De liquidatie van [slachtoffer 2]

Op 17 april 2017 omstreeks 23.00 uur is [slachtoffer 2] op een parkeerplaats bij de [C] aan de [b-straat] in [plaats] neergeschoten en als gevolg daarvan diezelfde dag overleden.

6.3.2.2. De verklaringen van [kroongetuige]

[kroongetuige] heeft over de liquidatie van [slachtoffer 2] verklaard dat hij [kroongetuige] heeft over de liquidatie van [slachtoffer 2] verklaard dat hij in de middag van 17 april 2017 samen met zijn vader [vader kroongetuige] een afspraak had met [medeverdachte 1] bij het [D] aan de [c-straat] waar zij hebben geluncht. Tijdens deze afspraak is ook [verdachte] verschenen en zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] apart gaan zitten. Na de lunch heeft [vader kroongetuige] bij vertrek op verzoek van [medeverdachte 1] een tas met daarin een kalasjnikov van [verdachte] aangepakt. Vervolgens heeft [kroongetuige] [medeverdachte 1] teruggereden naar [plaats] . [vader kroongetuige] reed er met het wapen in de auto achteraan. [verdachte] is toen ook vertrokken. Aangekomen in [plaats] bij de verblijfplaats van [medeverdachte 1] , heeft [medeverdachte 1] de tas met het wapen uit de auto van [vader kroongetuige] gepakt en in de achterbak van zijn auto gelegd. Na een kort gesprek zijn [kroongetuige] en [vader kroongetuige] vertrokken en is [medeverdachte 1] buiten blijven staan in verband met een volgende afspraak. [kroongetuige] heeft na zijn vertrek bij [medeverdachte 1] [verdachte] in een grijze stationwagen zien aan komen rijden richting [medeverdachte 1] .
Op 17 april 2017 ’s avonds was [kroongetuige] onderweg met [betrokkene 1] toen hij een bericht ontving van [medeverdachte 1] met het verzoek om [medeverdachte 1] en zijn vrouw op te halen. Het adres werd nog niet gedeeld en [kroongetuige] werd verzocht te wachten in de buurt van waar hij op dat moment reed. [kroongetuige] besloot te wachten bij een Esso-tankstation aan de [plaats] [d-straat 1] in [plaats] . Uiteindelijk kreeg [kroongetuige] het adres [e-straat] in [plaats] door. Hij is daar samen met [betrokkene 1] naartoe gereden. Toen hij was aangekomen, kreeg [kroongetuige] het verzoek om zijn lichten aan te zetten. Op dat moment kwamen niet [medeverdachte 1] en zijn vrouw, maar drie in het zwart geklede mannen aangerend. Een van hen herkende [kroongetuige] van de club als ‘ [betrokkene 4] ’. Aan de hand van een foto van [verdachte] heeft [kroongetuige] de persoon die hij als [betrokkene 4] kende herkend. Een van de andere twee mannen heeft hij daarna nog een paar keer in het bijzijn van [betrokkene 4] gezien en heeft hij leren kennen als het ‘neefje van [betrokkene 4] ’. Aan de hand van een foto van [betrokkene 6] heeft [kroongetuige] de persoon die hij kende als het neefje van [betrokkene 4] herkend. De derde man herkende hij niet en heeft hij daarna niet meer gezien. De drie mannen stapten achterin de auto en op verzoek van [verdachte] reed [kroongetuige] naar [plaats] . Tijdens de rit hoorde [kroongetuige] het geluid van ijzer op ijzer, waaruit hij afleidde dat de mannen wapens bij zich hadden. [kroongetuige] heeft de drie mannen vervolgens afgezet in de omgeving van de verblijfplaats van [verdachte] in [plaats] en hij heeft [medeverdachte 1] bericht dat het was gelukt. Hierop kreeg [kroongetuige] te horen dat hij de volgende dag bij [medeverdachte 1] in [plaats] langs moest komen.
Op 18 april 2017 was [kroongetuige] in [plaats] waar hij van [medeverdachte 1] te horen kreeg dat hij de schutters van de liquidatie van [slachtoffer 2] had opgehaald, waarvoor hij van [medeverdachte 1] € 500,- kreeg. [medeverdachte 1] vertelde [kroongetuige] dat [betrokkene 5] de opdrachtgever voor de liquidatie was. Op diezelfde dag was hij met [medeverdachte 1] in [plaats] waar zij [verdachte] hebben ontmoet. Bij deze ontmoeting hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] elkaar omhelsd en gevierd dat de liquidatie was gelukt. [verdachte] heeft daarbij in het bijzijn van [kroongetuige] uitgelegd hoe de liquidatie was verlopen. Ze hadden de auto van [slachtoffer 2] klemgereden, waren uitgestapt en hadden vervolgens eerst via de achterkant en daarna via de zijkant op hem geschoten. [verdachte] beeldde daarbij een lang vuurwapen uit en hij vertelde dat hij zeker wist dat [slachtoffer 2] al door de eerste handelingen dood was, omdat ze zijn hersenen eruit zagen hangen. Daarna waren zij weggereden.
[kroongetuige] heeft daarbij van [verdachte] begrepen dat de derde persoon, niet zijnde [verdachte] of [betrokkene 6] , de chauffeur was. [verdachte] heeft verder tegen [kroongetuige] gezegd dat hij hun leven had gered, omdat de sleutel van de tweede vluchtauto was afgebroken.
[kroongetuige] heeft ook verklaard dat hij op een later moment een Peugeot 308, die begin juli 2017 bij de liquidatie in [plaats] is gebruikt, heeft moeten ophalen en bij [verdachte] heeft gestald. [verdachte] moest toen lachen, omdat ‘ze’ zo’n zelfde auto al een keer eerder hadden gebruikt.
Het hof acht deze verklaring van [kroongetuige] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. Het hof zal dat hieronder nader uitwerken.

De toelichting op het derde middel

51. De algemene overwegingen van het hof onder 5.1.4 hebben geen betrekking op het in de zaak van de verdachte gevoerde verweer over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige. Dat verweer behoefde een zelfstandige beoordeling, die het hof heeft nagelaten, aldus de steller van het middel.

De bespreking van het derde middel

52. De geciteerde onderdelen van het arrest wijzen uit dat het hof heeft aangenomen dat de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige heeft ingenomen. [37] Dat oordeel staat thans niet ter discussie. De vervolgvraag is of het hof daarop voldoende heeft gerespondeerd.
53. In het algemene deel over de verklaringen van [kroongetuige] bespreekt het hof diens bijzondere hoedanigheid (van kroongetuige) en koppelt daaraan de noodzaak van een kritische benadering van zijn verklaringen en extra behoedzaamheid bij het gebruik daarvan tot het bewijs. Het hof beschrijft uitgebreid zijn beoordeling van de verklaringen van [kroongetuige] en zet uiteen welke factoren hij daarbij in aanmerking heeft genomen. [38] Uiteindelijk concludeert het hof dat tegen de achtergrond van het totaal van zijn vele verklaringen en in het licht van de overige onderzoeksbevindingen het beeld van [kroongetuige] als een overwegend betrouwbaar verklarende getuige (ondanks een aantal kanttekeningen) in stand blijft. Dit algemene oordeel werkt klaarblijkelijk door in de beoordeling van de betrouwbaarheid van zijn verklaringen in het deelonderzoek Charlie17. Daarop voortbordurend oordeelt het hof dat de betreffende verklaringen van [kroongetuige] in dat deelonderzoek in voldoende mate bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Dat laat het hof in zijn bewijsoverwegingen ook zien.
54. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [kroongetuige] niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.
55. Het middel faalt.

Het vierde middel

56. Het middel is gericht tegen de bewezenverklaring in deelonderzoek Charlie17 (het medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] ), en houdt in dat de kroongetuigenverklaringen onvoldoende worden ondersteund door overig bewijs.
57. Het middel valt in twee deelklachten uiteen, welke ik hierna afzonderlijk bespreek.

De eerste deelklacht van het vierde middel

58. De eerste deelklacht behelst een klacht over het gebruik van de getuigenverklaring van [getuige 1] als steunbewijs voor de verklaringen van de kroongetuige.

De bewijsvoering

59. Voor het bewijs van het daderschap van de verdachte heeft het hof (onder meer) de verklaring afgelegd door [getuige 1] redengevend geacht. [39] Het bewijsmiddel dienaangaande houdt het volgende in (onderstrepingen van mijn hand):

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] e/v [betrokkene 11] van 24 april 2017, map 81, p. 73
De getuige verklaarde:
Afgelopen maandag 17 april 2017 omstreeks 23.00 uur was ik in mijn woning. Ik hoorde een harde knal. Vervolgens keek ik naar buiten wat er aan de hand was. Ik zag twee personen tussen de voertuigen op de parkeerplaats staan. Ik zag een aantal auto’s geparkeerd staan op de parkeerplaats. Na ongeveer twee à drie minuten hoorde ik twee korte schoten achter elkaar. Ik keek weer uit het raam. Ik zag twee mannen in een auto stappen. Ik zag dat het voertuig in die rij helemaal links in het eerste parkeervak stond. Ik zag de achterkant van de auto, omdat de auto achteruit ingeparkeerd was. Ik zag dat het een donkerkleurige auto was, ik weet niet precies welke kleur. Ik weet niet welk merk of type auto het was. Ik zag dat de personen allebei aan een andere kant instapten. Ik zag dat zij beide achterin instapten. Voordat de mannen instapten, waren de lichten uit van het voertuig. Toen de personen in de auto zaten, zag ik dat de lichten van het voertuig aan gingen. Ik zag dat de auto linksaf sloeg. Ik zag dat de auto met hoge snelheid richting de uitgang van de parkeerplaats reed. [40]
60. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 19 april 2023 houdt als verklaring van de [getuige 1] , onder meer, in (onderstreping van mijn hand):

De politie is bij mij thuis geweest. Ik heb maar één keer met de politie gesproken en dat was bij mij thuis en daar was een tolk bij aanwezig. Ik ben maar één keer door de politie gehoord. Een tolk heeft toen alles vertaald naar het Nederlands.Ik heb toen naar waarheid verklaard.
(…)
Ik heb niet gezegd tegen de politie dat ik twee personen heb gezien die in een auto stapten. Ik heb niemand buiten de auto gezien. Ik heb er geen verklaring voor dat de politie het zo heeft opgeschreven. De aanwezige tolk sprak mijn moedertaal. Ik heb de verklaring niet zelf gelezen. Wel is de verklaring door de tolk voorgelezen. Ik heb niet gehoord dat in de verklaring was opgenomen dat ik zou hebben gezegd dat er twee personen in de auto stapten.” [41]
61. De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht de verklaring van [getuige 1] niet tot het bewijs te bezigen, en heeft daartoe betoogd (onderstreping mijnerzijds):
"
[getuige 1]
De verdediging is van mening, zoals in eerste aanleg eveneens bepleit, dat deze getuigenis niet moet worden meegenomen in het bewijs. [getuige 1] heeft als enige van alle plaats-delict getuigen verklaard dat zij twee mannen zag uit- en instappen.
De verklaring wordt ten eerste door geen enkele andere verklaring ondersteund.
Uit het forensisch onderzoek blijkt tevens dat er waarschijnlijk vanuit één vuurwapen moet zijn geschoten, kort achter elkaar.
Zij heeft verder verklaard dat deze personen na nog twee schoten in een zwarte kleine auto zijn gestapt. De auto zou van een wat kleiner model zijn. Dat strookt weer niet met de andere getuigen verklaringen in dit dossier, die stellen dat de daders in een (grijze) stationwagen reden en verklaarden dat zij niet achterin stapten.
Ook is de getuige zelf teruggekomen op haar verklaring in het verhoor in hoger beroep. De verklaring die zij destijds met behulp van een tolk heeft afgelegd, wordt door haarzelf onderuit gehaald.
De weggereden auto zou eventueel de auto van [getuige 2] kunnen zijn, die na de liquidatie weg is gereden.
Het OM negeert in haar requisitoir volledig de andere getuigenissen van de plaats delict en stelt zich op het onbegrijpelijke standpunt dat deze getuigen verklaring als uitgangspunt kan en moet worden genomen. De getuigen verklaring van [getuige 1] moet niet worden meegenomen in het bewijs.” [42]
62. Op het verweer van de verdediging – inhoudende dat [getuige 1] op de zitting in hoger beroep van 9 april 2023 is teruggekomen op haar eerder in 2017 afgelegde verklaring – heeft het hof in zijn arrest als volgt gereageerd (onderstrepingen van mijn hand):

“6.3.2.3.3. Liquidatie van [slachtoffer 2]

(…)
[getuige 1] heeft verklaard te hebben gezien dat na de knallen twee mannen elk aan een kant achter in een auto zijn gestapt, waarna de auto direct wegreed. Hieruit leidt het hof af dat er drie mannen betrokken zijn geweest bij de uitvoering van de liquidatie: twee mannen buiten de auto en een chauffeur in de auto.
[getuige 1] is in hoger beroep op 19 april 2023 ter terechtzitting gehoord. Zij heeft toen anders dan in 2017 niet verklaard dat zij na het horen van knallen twee mannen achterin een auto heeft zien stappen.Dat de verklaring van de getuige van 19 april 2023 op bepaalde punten afwijkt van de verklaring die zij zes jaar eerder tegenover de politie heeft afgelegd, is op zich onvoldoende om aan die eerdere verklaring geen waarde meer te hechten. Het hof heeft geen reden om ervan uit te gaan dat de getuige, die ook toen (op 24 april 2017) met behulp van een tolk is gehoord, bij het afleggen van haar verklaring door de politie is gestuurd.De processtukken en wat op de zitting is besproken, bieden daarvoor geen aanknopingspunten. De politie was op dat moment nog bezig zich een beeld te vormen van de toedracht van de liquidatie, terwijl voor betrokkenheid bij de uitvoering nog geen verdachte(n) in beeld waren en de kroongetuige nog geen verklaringen had afgelegd.
Bovendien heeft de getuige op 19 april 2023 geantwoord dat zij op 24 april 2017 naar waarheid heeft verklaard. [43]

Een toelichting op de eerste deelklacht van het eerste middel

63. Het hof heeft, zo betoogt de steller van het middel, op de getuigenverklaring van [getuige 1] gebaseerd dat er
driemannen betrokken waren bij de liquidatie van [slachtoffer 2] . Het hof heeft deze verklaring vervolgens gebruikt als steunbewijs voor de verklaring van de kroongetuige, die (onder meer) inhoudt dat de
driepersonen die hij die avond heeft opgehaald, betrokken waren bij de liquidatie van [slachtoffer 2] . De steller van het middel acht de bewijsvoering op dit punt onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, gelet op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de getuigenverklaring van [getuige 1] en hetgeen deze getuige zelf ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard.

De bespreking van de eerste deelklacht

64. Het hof heeft – met de verdediging – vastgesteld dat de getuigenverklaring van [getuige 1] afgelegd op 19 april 2023 op bepaalde punten afwijkt van de verklaring die zij zes jaar eerder (op 24 april 2017) tegenover de politie heeft afgelegd. Naar ’s hofs oordeel is de discrepantie tussen beide verklaringen op zichzelf echter onvoldoende om aan die eerdere getuigenverklaring geen waarde meer te hechten. Daarbij neemt het hof in aanmerking (i) dat er geen reden is om aan te nemen dat [getuige 1] , die ook destijds met behulp van een tolk is gehoord, bij het afleggen van haar verklaring door de politie is gestuurd, (ii) dat de processtukken en/of het verhandelde ter terechtzitting daarvoor ook geen aanknopingspunten bieden, en (iii) dat de getuige op 19 april 2023 bovendien heeft verklaard dat zij op 24 april 2017 de waarheid heeft gesproken (zie onder randnummers 60 en 62, de door mij onderstreepte passages in het bijzonder).
65. Tegen deze achtergrond acht ik het oordeel dat de door [getuige 1] in 2017 afgelegde getuigenverklaring voor het bewijs kon worden gebruikt, ook gelet op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Verweven als het oordeel is met waarderingen van feitelijke aard, is voor verdere toetsing daarvan in cassatie geen plaats.
66. De eerste deelklacht faalt.

De tweede deelklacht van het vierde middel

67. De tweede deelklacht houdt in dat het hof gebruik heeft gemaakt van verklaringen afgelegd door een
anoniemegetuige ( [getuige 3] ), terwijl het hof het gebruik daarvan, in strijd met het bepaalde in artikel 360 lid 1 Sv Pro, niet in het bijzonder heeft gemotiveerd.

De bewijsvoering

68. Voor het daderschap van de verdachte heeft het hof (ook) redengevend geacht de verklaringen afgelegd door [getuige 3] . De betreffende bewijsmiddelen houden het volgende in (met weglating van de voetnoten):

Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] van 18 april 2017, map 81, p. 51
De getuige verklaarde:
Op maandag 17 april 2017, omstreeks 23.00 uur, bevond ik mij samen met mijn vriend [betrokkene 14] en [betrokkene 15] op een parkeerterrein achter de [C] op [f-straat] te [plaats] .
Wij waren aan het chillen en ik bemerkte dat er een auto naast mijn auto kwam staan. (...) Ik kon duidelijk door de ramen van mijn auto zien dat er een grijze Peugeot naast mijn auto parkeerde. Ik zag dat de Peugeot een station model was en donker getinte achterruiten had. De ruiten aan de voorzijde van de auto waren ook getint alleen minder donker. Ik kon wel naar binnen kijken. Ik weet nog wel dat er op het parkeerterrein genoeg lantaarnpalen stonden dus ik kon alles goed zien. Doordat ik het vreemd vond dat ze daar parkeerde, bleef ik wat langer kijken. Ik zag op een bepaald moment twee mannen in de auto zitten. Ik zag dat het donker getinte mannen betroffen. Ik denk dat ze negroïde waren, want ze hadden een hele donkere huid.
Ik zag op een bepaald moment dat de Peugeot achteruit reed en met zijn kont naar de [b-straat] reed. Ik lette er verder niet meer op. Ik hoorde ineens kort daarna twee harde knallen. Ik schrok hiervan. Ik dacht in eerste instantie dat het vuurwerk was, maar ik kreeg er een ander gevoel bij. Het klonk toch anders. Op datzelfde moment keek ik waar de knallen vandaan kwamen. Ik zag dat de Peugeot die zojuist naast ons weg was gereden dwars achter een ander voertuig stond. Ik zag dat dit voertuig een zwarte Citroën betrof. Ik denk een klein model, mogelijk een C1 of vergelijkbaar. Ik zag dat de Citroën met zijn neus richting de [C] stond. Ik zag dat de bijrijder van het voertuig nog snel in de Peugeot sprong. Ik zag dat de Peugeot hierna met hoge snelheid richting de openbare weg reed. Ik zag dat dit de [g-straat] betrof. Ik zag dat de Peugeot hierna richting de snelweg reed.
Ik vertrouwde het toch niet dus keek ik nog een keer goed naar de Citroën alwaar de hard weggereden Peugeot dwars achter stond. Ik zag ineens dat de achterruit van de Citroën stuk was. Ik kon dit goed zien, omdat er geen andere geparkeerde auto’s mijn zicht blokkeerden. Ik zag ook nog iemand in de Citroën zitten op de bestuurdersstoel.

Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] van 10 mei 2017, map 81, p. 95

V: Wat gebeurde er toen?
A: Ik zag de achterruiten van die auto, een Peugeot, grijs van kleur en station model, geblindeerd waren. Ik weet dat NN05 door de ruiten naar die auto keek en een persoon zag zitten. Ik heb wel iets zien bewegen, maar weet niet wie of wat dit was.
V: Hoeveel mensen zaten er in die auto?
A: Ik denk twee, althans die heb ik gezien. Direct daarna hoorde ik twee knallen. Ik ging er vanuit dat het vuurwerk was. Ik keek om en zag de Peugeot staan. Ik zag de Peugeot achter de groene Polo en de auto van het slachtoffer staan. De Peugeot stond dusdanig achter de auto van het slachtoffer dat hij nooit achteruit weg had kunnen rijden. De Peugeot stond recht achter de auto van het slachtoffer. Ik zag alleen de bijrijder staan. Deze stond naast de auto. Daarna sprong de bijrijder in de auto en ik zag en hoorde dat de auto letterlijk weg racete. Ze reden rechtsaf richting de snelweg. [44]

Het beoordelingskader: een persoon wiens identiteit niet blijkt

69. Op de voet van – het ook in hoger beroep toepasselijke – artikel 360 lid 1 en Pro lid 4 Sv behoort de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van ‘een persoon wiens identiteit niet blijkt’, als bedoeld in artikel 344a lid 3 Sv, op straffe van nietigheid nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter zal moeten vermelden dat aan de eisen van artikel 344a lid 3 Sv is voldaan en ervan blijk moet geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaringen te hebben onderzocht. [45]
70. De term ‘een persoon wiens identiteit niet blijkt’ omvat echter
nietpersonen van wie de persoonsgegevens niet (of niet volledig) zijn vermeld in het proces-verbaal waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken. [46] Waar het om gaat is dat de identiteit van de persoon die heeft verklaard, kan worden geïndividualiseerd. [47]

De bespreking van de tweede deelklacht van het vierde middel

71. De [getuige 3] heeft op twee afzonderlijke momenten (op 18 april en 10 mei 2017) tijdens een door verbalisanten afgenomen getuigenverhoor een verklaring afgelegd. Het hof is kennelijk – en niet onbegrijpelijk – ervan uitgegaan dat de identiteit van [getuige 3] bij de politie kan worden achterhaald. [48] Gelet daarop heeft het hof kunnen oordelen dat [getuige 3] zodanig kan worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst haar verhoor als getuige kon verzoeken. Zodoende hoefde het hof de in de bewijsmiddelen weergegeven getuigenverklaringen van [getuige 3] niet op te vatten als de verklaring van ‘een persoon wiens identiteit niet blijkt’.

Slotsom over het vierde middel

72. Ik sluit af en concludeer dat – nu de steller van het middel geen andere argumenten heeft aangedragen op grond waarvan zij meent dat de kroongetuigenverklaringen onvoldoende zijn ingebed in overig bewijs – het laatste middel in het lot van de voorgaande middelen deelt.

Slotsom

73. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
74. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
75. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie https://www.rechtspraak.nl/organisatie-en-contact/organisatie/gerechtshoven/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/nieuws/in-hoger-beroep-drie-keer-levenslang-in-onderzoek-eris.
2.Zie de conclusie van a-g Harteveld voor HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:604, randnr. 10.2.
3.HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:604, rov. 5.3 en 5.4.
4.In citaten laat ik voetnoten achterwege.
5.Ik merk daarbij op dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen voorwaardelijke invrijheidstelling niet meer van rechtswege wordt verleend, maar dat deze kan worden verleend op basis van een individuele beoordeling van de veroordeelde, zie
6.Vgl. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158,
7.HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:119,
8.Zie de conclusie van a-g Harteveld voor HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902,
9.Vgl. de conclusie van a-g Harteveld voor HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:604, randnrs. 10.4 en 10.5.
10.Zie voor een bespreking van de definitie van ‘elektronische gegevensdrager en geautomatiseerde werken’: J.W. van den Hurk & S.J. de Vries,
11.HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (
12.HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (
13.Zie daarover o.m. K.C. van Horssen, ‘Aan het uitkristalliseren: de betekenis van het EU-recht voor de opsporingsbevoegdheden’,
14.Voluit: Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie.
15.Die uitspraken zijn:
16.HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (
17.Voluit: Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.
18.De procureur-generaal stelde cassatieberoep in het belang der wet in om de Hoge Raad de gelegenheid te geven zich hierover uit te laten. Dat deed de Hoge Raad in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475,
19.‘Verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens)’ betreffen kort gezegd gegevens
20.HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.8.1-6.8.3, 6.10.3-6.10.4 en 6.13.
21.Het oorspronkelijke kader komt uit HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584,
22.Zie HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409,
23.HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (
24.Reden voor deze toelichting is “
25.In de zaken
26.Zie HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533,
27.Zie nader HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889,
28.Zie HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889,
29.HR 22 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1277,
30.Zie HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321,
31.Wil een op art. 359a Sv gestoeld verweer kunnen leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering, dan zal bijvoorbeeld over de aard en de gevolgen van een vormverzuim als bedoeld in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, meer moeten worden aangevoerd dan de enkele stelling dat de verdachte daardoor in zijn verdedigingsbelangen respectievelijk in zijn recht op een persoonlijke levenssfeer is geschaad. Met name dient de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zou zijn geschonden en het daardoor daadwerkelijk geleden nadeel, te worden geconcretiseerd. Vgl. in dat kader HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:241, rov. 2.4.2.
32.In de literatuur werd (de waarschijnlijke uitkomst van) de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Landeck over het vereiste van voorafgaande rechterlijke toetsing bij onderzoek aan gegevensdragers ook al gesignaleerd. Zie P. Verrest, ‘De invloed van het Handvest op het Nederlandse strafrecht’, in: J.H. Gerards e.a.,
33.Conclusie a-g Sánchez-Bordona 20 april 2023, C-548/21, ECLI:EU:C:2023:313 (
34.Dat in alle zaken in Eris vóór oktober 2024 al pleidooi, dupliek en laatste woord hadden plaatsgevonden, maakt dat niet anders. In cassatie is niet aangevoerd dat de verdediging het hof nadien nog heeft verzocht om aanvullend te pleiten naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in
35.Dat omvat alle deelonderzoeken die het hof noemt in het arrest onder 1.3.
36.Hier is immers de rechtsregel van toepassing dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt niet een belang is dat bij schending nadeel in de zin van art. 359a lid 2 Sv oplevert (zie o.m. HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6673,
37.Hoewel het hof ook (al) op grond van artikel 360 lid 2 Sv Pro verplicht was het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van [kroongetuige] te motiveren.
38.Het hof merkt onder meer op: “
39.Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] , doen steunen op de bewijsmiddelen zoals vermeld in bijlage 4 van het arrest (p. 134-158).
40.Arrest, p. 147 en 148.
41.Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 19 april 2023, p. 4 en 7.
42.Zie pleitnota, p. 41-42.
43.Arrest, p. 25-26.
44.Arrest, p. 147-148.
45.Vgl. HR 11 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1460,
46.Vgl. HR 4 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1195,
47.Zie wederom M.J. Dubelaar,
48.Een blik achter de papieren muur wijst uit dat in de processen-verbaal van de getuigenverklaringen van [getuige 3] (opgenomen in map 81 van het procesdossier, p. 51 e.v. en p. 95 e.v.), de persoonsgegevens van de betreffende getuige zijn zwartgelakt.