Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het eerste middel
de verdachte [medeverdachte 1]naar Nederland, die thans in uitleveringsdetentie in Colombia verblijft.
de verdachte [medeverdachte 1]als getuige.
de verdachte [medeverdachte 1]als getuige via een videoverhoor te horen.
aanhoudingin de zaak van
de verdachte [medeverdachte 1]wordt
toegewezen, gelet op het feit dat zij gebruik wenst te maken van haar aanwezigheidsrecht en de zaak met haar moet kunnen worden voorbereid. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het er geenszins naar uit ziet dat de verdachte voor de geplande inhoudelijke behandeling van 21 mei 2024 in Nederland zal zijn. Het onderzoek ter terechtzitting in de zaak van
de verdachte [medeverdachte 1]wordt voor
onbepaalde tijd geschorst, met bevel tot oproeping van de verdachte en haar raadsman. Het hof verzoekt de advocaat-generaal het hof op de hoogte te houden van ontwikkelingen omtrent de komst van
de verdachte [medeverdachte 1]naar Nederland.
aanhoudingin de zaken van
de verdachten [verdachte][…] wordt
afgewezen. Het hof heeft een belangenafweging gemaakt tussen de gestelde belangen van de verdachten, namelijk de verknochtheid van de zaken en de mogelijke verklaringen die [medeverdachte 1] zal afleggen, en het belang dat de zaak binnen een redelijke termijn wordt afgedaan. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de ouderdom van de feiten, de duur van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, de omvang van de zaak, het feit dat het veel moeite heeft gekost deze zaken in te plannen en in aanmerking genomen dat nader uitstel van de zaak tot een aanzienlijke vertraging zal leiden. Het belang van het afdoen van de zaken binnen een redelijke termijn weegt naar het oordeel van het hof in de zaken van deze verdachten zwaarder dan de belangen die de verdachten hebben bij aanhouding van hun zaken. In dat kader is ook de hierna opgenomen beslissing met betrekking tot het horen van de verdachte [medeverdachte 1] als getuige van belang.
de verdachten [verdachte][…] worden
verwezen naar de raadsheer-commissarisvoor het horen van de [medeverdachte 1] als getuige door middel van een videoverhoor. Het hof verzoekt
de raadsheer-commissaris uiterlijk 17 mei 2024 te berichten over de stand van zakenin verband met de inhoudelijke behandeling die volgens de planning zal aanvangen op 21 mei 2024. Het hof onderbreekt het onderzoek in voornoemde zaken tot 21 mei 2024 te 09.00 uur.”
Nieuw ingekomen stukken
de raadsvrouw van de [verdachte]waarin zij om aanhouding verzoekt zit ook een e-mailbericht gevoegd van de raadsman van de [medeverdachte 1] . Uit deze mail heb ik begrepen dat de [medeverdachte 1] een inhoudelijke verklaring wil gaan afleggen. Dit was eerder nog niet bekend. Uit een arrest van de Hoge Raad van 29 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:466) volgt dat bij de beoordeling van een aanhoudingsverzoek om een getuige te horen de aanvaardbaarheid van de termijn waarbinnen de getuige kan worden gehoord van belang is. Ook de mogelijkheden die zijn gegeven om de procesvoering te bespoedigen zijn van belang. Verder moet worden beoordeeld of de procedure in zijn geheel eerlijk is geweest en voldoet aan de eisen van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Bij de vorige zitting is de zaak aangehouden om te onderzoeken of de [medeverdachte 1] kon worden gehoord in Colombia via een videoverbinding. Soms gaat zo’n videoverhoor buitengewoon en verrassend snel. Vervelend is wel dat er veel administratief in werking moet worden gezet voordat uitvoering kan worden gegeven aan een zodanig rechtshulpverzoek. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris begrijp ik dat er al een en ander is gebeurd. Er lopen wel nog een aantal formaliteiten. Daardoor is er nog geen gelegenheid geweest voor de Colombiaanse autoriteiten om te reageren op het rechtshulpverzoek. Ik vind het daarom niet redelijk en houdbaar om na zo’n korte termijn al te zeggen dat er geen uitzicht is op het horen van de [medeverdachte 1] als getuige. Ik zal mij dan ook niet tegen aanhouding verzetten op deze grond.
het verzoek tot aanhoudingin de zaken van
de verdachten [verdachte][…] wordt
afgewezen. Op de zitting van 4 april 2024 heeft het hof de zaken naar de raadsheer-commissaris verwezen om de [medeverdachte 1] in Colombia als getuige te horen middels een videoverbinding. Op dat moment was er geen informatie beschikbaar over de termijn waarbinnen de getuige zou kunnen worden gehoord. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting op 4 april 2024 te kennen gegeven dat het horen van een getuige in Colombia via een videoverbinding soms binnen enkele weken mogelijk is. Het hof heeft de raadsheer-commissaris verzocht het hof voor de inhoudelijk behandeling en uiterlijk 17 mei 2024 over de stand van zaken te berichten. De raadsheer-commissaris heeft het volgende gerelateerd in een proces-verbaal van bevindingen van 16 mei 2024:
‘Ten aanzien van het verdere verloop van de procedure geldt het volgende. Nadat het dias-nummer is ontvangen, zal een Spaanse beëdigde vertaling van het rechtshulpverzoek inclusief de vragenlijsten worden aangevraagd. Na ontvangst van de vertaling zal een apostillestempel bij de rechtbank Amsterdam dienen te worden aangevraagd. Vervolgens zal het rechtshulpverzoek inclusief de vragenlijsten, Spaanse beëdigde vertaling en apostille worden verzonden naar AIRS, die het rechtshulpverzoek zullen doorgeleiden naar Colombia. Op dit moment kan niet worden aangegeven op welke termijn het rechtshulpverzoek daadwerkelijk ten uitvoer zou kunnen worden gelegd.’Gelet op deze beschikbaar gekomen informatie en bij deze stand van zaken is het hof thans van oordeel dat de [medeverdachte 1] niet binnen een aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord. Gelet op de informatie van de raadsheer-commissaris is het aannemelijk dat er nog een aanzienlijke tijd overheen zal gaan voordat de getuige zou kunnen worden gehoord. Het hof betrekt bij zijn oordeel over de aanvaardbaarheid van de termijn dat het gaat om feiten van 10 jaar geleden, dat de zaken al sinds 2017 in hoger beroep lopen, dat het gaat om een zaak met meerdere verdachten, er nu veel dagen staan gepland voor de inhoudelijke behandeling en dat met een aanhouding ten behoeve van het horen van de getuige wederom een aanzienlijk tijdsverloop zal optreden, ook doordat vervolgens weer opnieuw zittingsdagen met meerdere advocaten moeten worden ingepland. Het hof bepaalt dat de raadsheer-commissaris door deze beslissing geen gevolg meer hoeft te geven aan de uitvoering van het rechtshulpverzoek. Het hof zal zich bij de eindbeoordeling, als het zou overwegen tot een bewezenverklaring te komen in de zaken van de voornoemde verdachten, rekenschap geven van het bepaalde in artikel 6 EVRM Pro in verband met het niet kunnen horen van de [medeverdachte 1] als getuige.
de [verdachte]worden gevoegd:
de raadsvrouw van de [verdachte]of haar verzoek van 30 juni 2024 als een nadere onderbouwing moet worden beschouwd van het op 29 mei 2024 voorwaardelijk gedane verzoek om de [medeverdachte 1] als getuige te horen, in die zin dat de getuige volgens de verdediging wel binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. De voorzitter merkt op dat het hof nog op dit voorwaardelijke verzoek dient te beslissen.
de [verdachte]wordt het recht gelaten om namens haar cliënte
F. Uitdrukkelijk voorwaardelijke verzoeken.
Alsnog [medeverdachte 1] te horen als getuige in het kader van de waarheidsvinding”
door de Colombiaanse autoriteiten. Dat dit verhoor op 25 juni 2024 had kunnen plaatsvinden, ware het niet dat [medeverdachte 1] niet gehoord wilde worden omdat haar raadsman niet fysiek aanwezig was, en nu mogelijk in augustus 2024 zal plaatsvinden, doet niet af aan de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris. Het hof overweegt voorts dat het hier een getuige betreft wiens verhoor het hof ruim vijf jaar heeft bevolen en dat het tot op heden niet mogelijk is gebleken haar te horen en het moment van een toekomstig verhoor nog steeds speculatief is. Het hof betrekt verder bij zijn oordeel over de aanvaardbaarheid van de termijn dat de nadere – en niet geheel juist gebleken – informatie per mail van 30 juni 2024 bij het hof is ingebracht en dat de nadere onderbouwing door de verdediging van het voorwaardelijke verzoek ter terechtzitting van 2 juli 2024, anderhalf uur voordat de zaak samen met de zaken van de medeverdachten voor uitspraak stond gepland, is gegeven. Toewijzing van het verzoek zou ertoe leiden dat de uitspraak van [verdachte] zou
De raadsvrouw van [medeverdachte 1] heeft net aangegeven dat haar cliënte een verklaring gaat afleggen. In eerste aanleg heeft zij dit ook gedaan. Er mag niet vooruit worden gelopen op de inhoud van de verklaring van een getuige en er kan niet nu al worden gezegd dat haar verhoor zinloos is.) Wij kunnen niet vooruitlopen op hoe het zal gaan. Als deze getuige bijvoorbeeld gaat verklaren over pinggesprekken die mijn cliënte in een negatief daglicht stellen dan wil ik daar vragen over stellen.
NJ2022/156 is overwogen dat bij toepassing van art. 288 lid 1 aanhef Pro en onder a Sv de vraag voorop staat of het mogelijk is de getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen. De Hoge Raad overwoog voorts:
Schatschaschwili tegen Duitsland(EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10):
NJ2022/156 ging het om getuigen in Zuid-Afrika en de Verenigde Arabische Emiraten. De Hoge Raad oordeelde in zijn tussenarrest [2] dat de afwijzende beslissingen niet onbegrijpelijk waren. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat de getuigen zich in voornoemde landen bevonden, dat rechtshulpverzoeken aan de autoriteiten van die landen er niet toe hadden geleid dat de getuigen door de raadsheer-commissaris in het bijzijn van de verdediging konden worden gehoord, terwijl de verdediging geen informatie had verschaft en ook anderszins geen informatie naar voren was gekomen waaruit zou kunnen blijken dat een nieuw rechtshulpverzoek ertoe zou leiden dat de betreffende getuigen binnen afzienbare tijd wel zouden kunnen worden gehoord, en dat sinds het hof de getuigenverzoeken had toegewezen een aanzienlijke tijd was verstreken. [3]
4.Het tweede middel
5.Interpretatie van de tenlastelegging
eerstecumulatief/alternatief daarom aldus dat aan de verdachte wordt verweten dat: […]”) (onderstreping
PHvK). Ten overvloede merk ik nog op dat het hof juist tot die aangepaste formulering komt “Gelet op de tekst van de tenlastelegging en de samenhang met feit 3, tweede cumulatief/alternatief”, hetgeen impliceert dat de aanpassing juist niet “feit 3,
tweedecumulatief/alternatief” (onderstreping
PHvK) betreft maar alleen in het licht daarvan plaatsvindt. De tenlastelegging van feit 3 tweede cumulatief/alternatief bleef dus (ook na de interpretatie van het hof van feit 3 tweede cumulatief/alternatief) onder meer inhouden dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (als bedoeld in art. 140 Sr Pro met als oogmerk de invoer en verkoop van cocaïne) “terwijl zij, verdachte, (een van) de leider(s) van voormelde organisatie was.”
7. Waardering van het bewijs
Zaak B (zaaksdossier ‘Phone en Tone’)
PHvK] af dat ook [medeverdachte 7] betrokken was bij en wetenschap had van deze geldtransactie. Hij communiceert immers na die transactie met [medeverdachte 5] , die van hem instructies krijgt om alsnog het eurobiljet met het serienummer te verkrijgen. [medeverdachte 7] heeft ondertussen ook contact met NN73, die hem zegt: ‘Als er geen serienummer is dan wordt er niet geleverd en onze kwitantie dat zijn het biljet en de foto’. Verder pingt [medeverdachte 7] het exacte bedrag aan NN73.
NJ2022/361 m.nt. Jörg, r.o. 2.4.4 overwoog de Hoge Raad dat het bij het misdrijf van artikel 140 Sr Pro niet gaat om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het ‘oogmerk’ tot het plegen van misdrijven. Reeds gelet daarop kan niet worden gezegd dat het buiten de tenlastegelegde periode van het in zaak A onder 3 tweede cumulatief bewezenverklaarde op 12 juni en 14 juni 2014 witwassen niet redengevend zou zijn. Daarbij merk ik voorts op dat de misdrijven, het plegen waarvan de organisatie het oogmerk op had – dat wil zeggen, de internationale handen in cocaïne en gewoontewitwassen – in een nauw verband met elkaar stonden. Niet onbegrijpelijk heeft hof dus overwogen dat “[n]aar algemene ervaringsregels en blijkens de feiten en omstandigheden in deze zaak […] gewoontewitwassen en de grootschalige internationale handel in cocaïne hand in hand [gaan]”.
NJ2021/250 vatte de Hoge Raad enige algemene overwegingen – uit de arresten HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111,
NJ2019/111 m.nt. Mevis en HR 20 juni, ECLI:NL:HR:2017:1115,
NJ2019/115 m.nt. Mevis – over onder meer de eendaadse samenloop op hoofdlijnen samen. De Hoge Raad overwoog dat het op de vraag aankomt “of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt”. [7]