Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
19 mei 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2024, waarin verdachte werd vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie, maar wel werd veroordeeld voor voorbereidingshandelingen met betrekking tot cocaïnehandel en medeplegen van witwassen.
In eerste aanleg werd verdachte vrijgesproken van deelname aan de criminele organisatie, waarbij het hof oordeelde dat het witwassen het oogmerk van de organisatie was en dat verdachte een van de leiders was. In hoger beroep werden diverse bewijsklachten aangevoerd, onder meer over innerlijke tegenstrijdigheden en de vraag of verdachte daadwerkelijk een leider was.
De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het cassatieberoep is derhalve verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 19 mei 2026.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof met veroordeling voor voorbereidingshandelingen en medeplegen witwassen.