Uitspraak
1.Verdere procesverloop in cassatie
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beslissing
13 september 2022.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot het vervoer van circa 287 kilogram cocaïne en deelname aan een criminele organisatie. Het hof Den Haag had verdachte veroordeeld op basis van diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van een Zuid-Afrikaanse getuige die niet binnen aanvaardbare termijn kon worden gehoord door de verdediging.
De verdediging voerde aan dat het gebruik van deze getuigenverklaringen in strijd was met artikel 6 lid 3 sub d EVRM Pro omdat het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend. Het hof oordeelde echter dat het proces in zijn geheel eerlijk was verlopen, mede omdat de onmogelijkheid tot ondervraging het gevolg was van de onbereikbaarheid van de getuige ondanks herhaalde inspanningen van de Nederlandse autoriteiten.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin is bepaald dat bij onbereikbaarheid van een getuige alle redelijke inspanningen moeten zijn verricht om de getuige te horen. Ook achtte de Hoge Raad het gewicht van de verklaring binnen het bewijsmateriaal voldoende en vond zij dat compenserende maatregelen, zoals het horen van de Nederlandse projectleider, het ontbreken van het ondervragingsrecht compenseerden.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef en de veroordeling van verdachte bevestigd werd.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling ondanks onbereikbaarheid getuige en gebruik schriftelijke verklaringen.