Conclusie
1.Overzicht
run-offen verkoopvoorbereiding geëist.
het Hofwas de vereiste aangifte niet gedaan. Hij heeft daarom de bewijslast omgekeerd. De belanghebbende verzette zich daartegen met een beroep op ontbreken van verwijtbaarheid: de financieel directeur en diens medewerkers werden overvraagd door onder meer (i) de gedwongen verkoop van de aandelen in één van haar dochters in mei 2017 en (ii) nalatigheid van DNB, de curator en de nieuwe directie. Het Hof achtte deze omstandigheden echter niet relevant omdat zij zich pas na mei 2017 voordeden, terwijl de aangifte al uiterlijk 13 augustus 2015 had moeten worden gedaan. Het Hof heeft vervolgens beoordeeld of de schatting door de inspecteur redelijk was. Hij vond van wel omdat diens schatting was gebaseerd op de commerciële jaarstukken van de dochters met fiscale correcties. Tenslotte achtte het Hof niet overtuigend aangetoond dat en in hoeverre de aanslag onjuist was. De belanghebbende had haar grieven tegen de VVP-correctie tijdens het hoger beroep ingetrokken. Haar overige grieven, over aansluitverschillen, heeft zij pas geëxpliciteerd tijdens de zitting van het Hof. Het Hof heeft die grieven als tardief buiten beschouwing gelaten en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
drie cassatiemiddelenvoor:
Middel 1herhaalt dat de belanghebbende niet is te verwijten dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Het Hof is alleen ingegaan op de disculperende omstandigheden van ná mei 2017 en ten onrechte voorbijgegaan aan de aangevoerde omstandigheden van vóór 13 augustus 2015 die evenzeer buiten haar macht lagen en haar verhinderden tijdig aangifte te doen.
Middel 2betoogt dat de winstschatting van de inspecteur niet redelijk is omdat hij – en het Hof – voorbij gegaan zijn aan het hangende bezwaar alsnog ingediende aangifteformulier. Als het Hof meende dat dat niet hoefde, is dat oordeel rechtskundig onjuist. Vond het Hof dat wél rekening moest worden gehouden met het aangifteformulier, dan heeft hij niet gemotiveerd waarom de schatting niet onredelijk of willekeurig was.
Middel 3richt twee onderdelen tegen de tardiefverklaring van de grieven die de belanghebbende tijdens de Hofzitting heeft aangevoerd: (a) uit de gedingstukken volgt dat die grieven al eerder zijn aangevoerd, zodat ‘s Hofs andersluidende oordeel onbegrijpelijk is; (b) het Hof heeft niet kenbaar het belang van een doelmatige procesgang en dat van de belanghebbende bij beoordeling van haar grieven afgewogen.
Staatssecretarismeent
ad middel 1dat ’s Hofs oordeel dat de aangifte verwijtbaar te laat is gedaan, berust op een keuze en waardering van bewijsmiddelen die is voorbehouden aan het Hof. Hij acht het niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Ad 2meent hij dat ’s Hofs oordeel dat de schatting van de inspecteur onredelijk noch willekeurig zijn van feitelijke aard is en niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, gegeven dat het berust op de vaststelling dat de schatting is gebaseerd op de commerciële jaarrekeningen van de dochters, rekening houdende met fiscale aanpassingen.
Ad 3constateert de Staatssecretaris dat het Hof beoordeling alsnog van de pas ter zitting aangevoerde grieven kennelijk in strijd achtte met een goede procesorde, nu de belanghebbende geen afdoende verklaring heeft gegeven waarom zij die niet eerder had aangevoerd.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
run-offen uiterlijk eind 2014 moest zij melden of concreet zicht bestaat op een overname.
mutual agreement procedure(MAP) gevolgd om dubbele belasting als gevolg van de correcties inzake de herverzekering bij [D] weg te nemen. Over de jaren 2012 t/m 2017 hebben zij € 14.420.965 toegerekend aan Luxemburg en met ingang van 2018 alle resultaten van [D] uitsluitend aan Nederland toegerekend. De belanghebbende heeft zich niet verzet tegen het MAP-resultaat.
3.Het geding in cassatie
Middel 1bestrijdt dat haar is te verwijten dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Het Hof is alleen ingegaan op de door haar aangevoerde disculperende omstandigheden van ná mei 2017 en ten onrechte voorbijgegaan aan de door haar aangevoerde omstandigheden van vóór 13 augustus 2015 die evenzeer buiten haar macht lagen en haar verhinderden tijdig aangifte te doen. Met verwijzing naar de gedingstukken, [5] herhaalt zij onder meer dat de financieel directeur van [C] en zijn beperkte groep medewerkers overbelast waren door samenloop van overleg met en rapportage aan het bestuur, de curator en DNB, controle door de externe accountant, en informatieverstrekking aan en overleg met derden voor de overname van [C] .
ad 1dat ‘s Hofs oordeel dat de belanghebbende niet heeft bewezen dat haar geen verwijt treft, berust op een keuze en waardering van bewijsmiddelen die is voorbehouden aan het Hof; hij acht dat oordeel niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Ad 2betoogt hij dat het Hof terecht heeft onderzocht of de correcties onredelijk of willekeurig zijn. ’s Hofs ontkennende beantwoording van die vraag is een feitelijk oordeel gebaseerd op de vaststelling dat de correcties zijn gebaseerd op de jaarrekening van de dochtermaatschappijen, waarbij rekening is gehouden met correcties voor fiscale doeleinden. Dat feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Ad 3constateert de Staatssecretaris mede op basis van het proces-verbaal van de zitting dat het Hof kennelijk beoordeling van de nieuwe stellingen niet in overeenstemming achtte met een goede procesorde. De belanghebbende heeft volgens hem geen afdoende verklaring gegeven voor het late moment waarop zij die stellingen naar voren heeft gebracht.
4.De wetsgeschiedenis inzake (verwijtbaarheid bij) bewijslastomkering
B. 5047 (zie 5.1 hieronder) en HR
B. 6411 (zie 5.2 hieronder). Uit het eerste arrest leidde zij af dat de sanctie uitblijft wanneer degene die, hoewel daartoe verplicht, geen inzage geeft in bescheiden, daarvoor een aannemelijke grond aanvoert: [13]
a contrarioaf dat afwezigheid van verwijtbaarheid toepassing van de sanctie verhindert: [14]
5.Rechtspraak over (niet-)verwijtbaarheid van omkering oproepende omstandigheden
B. 5047 [15] overwoog u:
B. 6411 [16] was in geschil of de sanctie terecht was voor een belastingplichtige die op de oproep om ter inspectie een akte te komen tonen, antwoordde dat een “lichte ongesteldheid” hem verhinderde aldaar te verschijnen, waarna hij niets meer van zich liet horen. U achtte de sanctie terecht omdat inzage was verzuimd, niet in de periode van verhindering, maar wel (alsnog) daarna. U overwoog:
B. 6411) tijdig maatregelen kan nemen om inzage in bescheiden te (doen) verlenen. Het hof had dat onderscheid niet in acht genomen; reden voor vernietiging en verwijzing:
BNB2023/142 [18] betrof de
settlorvan een op Jersey gevestigde trust opgericht naar het recht van Jersey. Hij leed sinds 2010 aan de ziekte van Alzheimer. Na ontvangst van informatie van de autoriteiten van Jersey, stelde de inspecteur de
settlorvragen om na te gaan of hem trustvermogen en -inkomen moest worden toegerekend. Inmiddels had de
settloreen algemeen gemachtigde aangesteld. Na uitblijven van antwoord nam de inspecteur informatiebeschikkingen, die bij het hof slechts in stand bleven voor zover die gemachtigde beschikte over de verzochte informatie. Bij de
settlorzelf stelde het hof belemmeringen van fysieke en psychische aard vast. Volgens u sloot dat echter niet uit dat die belemmeringen er nog niet waren toen de inspecteur de vragen stelde:
BNB2016/71, duidelijk dat het bij de beoordeling van fysieke en psychische belemmeringen aankomt op het moment waarop de inspecteur medewerking verlangt. Naar dat moment moet beoordeeld worden of de betrokkene een beroep kon en behoorde te doen op een derde (
BNB2016/71) c.q. in redelijkheid te vergen maatregelen heeft genomen (
BNB2023/142) om de gevraagde medewerking te (doen) verlenen.
BNB2015/179 [20] beschouwde u niet als overmacht de te kleine opslagcapaciteit van het geautomatiseerde kassasysteem van een horeca-ondernemer. De details van bestellingen waren uit het systeem verwijderd en ook niet op andere wijze bewaard. Het hof had dat de belanghebbende niet kwalijk genomen; u deed dat wel:
6.Middel 1: ten onrechte gepasseerd beroep op AVAS c.q. overmacht?
BNB2021/70. [30] Gegeven de boven geciteerde wetsgeschiedenis (zie 4.3-4.4 hierboven) en rechtspraak (zie 5.1-5.3 en 5.5 hierboven), lijkt mij die rechtsopvatting juist.
verbeterenen zij zich voordeed bij twee dochters terwijl de belanghebbende als moeder de aangifteplichtige is. Evenmin zie ik hoe de belanghebbende gehinderd werd bij het tijdig doen van aangifte door de benoeming van een stille curator bij beide dochters. Zij heeft bij het Hof ook niet toegelicht hoe het een verband zou houden met het ander. Ik meen daarom dat het middel op deze punten bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden.
B. 6411 in 5.2 hierboven) van bijvoorbeeld twee maanden na het beschikbaar komen van die jaarrekening. De aangifte liet ook na beschikbaar komen van de jaarrekening nog bijna twee jaar op zich wachten (december 2017).
posterieureomstandigheden zich pas hebben voorgedaan vanaf mei 2017 (zie 6.3 hierboven), zodat ook die omstandigheden niet kunnen verklaren waarom de aangifte niet is gedaan tussen januari 2016 en mei 2017.
BNB2023/142 in 5.5) of dat zij een verzoek om (verder) uitstel van aangifte zou hebben gedaan. [37] Het proces-verbaal van de Hofzitting vermeldt ook geen reactie van de belanghebbende op ‘s Hofs vraag naar een verklaring voor het ongebruikt laten verstrijken van “de tussentijd”. Belanghebbendes toelichting op middel 1 gaat evenmin in op een verklaring daarvoor.
nietbeschikte over over belanghebbendes jaarrekening en de omvang van een (vrijgesteld) deelnemingsvoordeel had geschat (zie 7.6 hierboven). Op die punten zou de belanghebbende het vereiste bewijs eenvoudig moeten kunnen leveren door overlegging van belanghebbendes jaarrekening (zie HR BNB 1997/137 in 7.2 hierboven). Onverklaard blijft waarom het Hof in dat opzicht niet is ingegaan op de tardieve aangifte.