Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
Aan belanghebbende is daarom, met dagtekening 26 februari 2019, over dat tijdvak een naheffingsaanslag in de omzetbelasting naar een geschat bedrag opgelegd (een zogenoemde systeemaanslag).
De Inspecteur heeft de systeemaanslag ambtshalvevernietigd en belanghebbende gevraagd om een specificatie van de in het aangiftebiljet vermelde voorbelasting en om overlegging van de kopieën van de facturen waarop die omzetbelasting aan belanghebbende in rekening is gebracht. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd.
3.De oordelen van het Hof
Naar het oordeel van het Hof is aan de materiële voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek voldaan en heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op aftrek van de op de vijf facturen vermelde bedragen aan omzetbelasting.
4.Beoordeling van het middel
Indien de ondernemer nalaat de hiervoor bedoelde aangifte te doen en de inspecteur hem daarop een naheffingsaanslag oplegt, schrijven artikel 25, lid 3, AWR, artikel 27e, lid 1, AWR en artikel 27h, lid 2, AWR dwingend de zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast voor. [3] Dit brengt mee dat de ondernemer de stelplicht en de verzwaarde bewijslast draagt van de feiten die van belang zijn voor de beoordeling van de vraag dat en in hoeverre de naheffingsaanslag onjuist is. De verzwaarde bewijslast betekent dat de ondernemer niet kan volstaan deze feiten aannemelijk te maken, maar dat hij deze overtuigend moet aantonen.
.
Wanneer de inspecteur vaststelt dat de ondernemer de aangifte voor de omzetbelasting niet heeft gedaan, mag hij de naheffingsaanslag niet naar willekeur vaststellen, maar moet hij daaraan een redelijke schatting ten grondslag leggen. [12] Verder laat de regeling onverlet dat de belastingplichtige in de bezwaarfase en nadien in een gerechtelijke procedure, alle bewijzen kan aanvoeren om overtuigend aan te tonen dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. Weliswaar zal in dat kader van de betrokken belastingplichtige – vanwege de verzwaarde bewijslast – overtuigender bewijs worden verlangd dan wanneer hij overeenkomstig de wet aangifte had gedaan, maar dit bewijsrechtelijke gevolg maakt het voor de belastingplichtige niet onmogelijk dan wel uiterst moeilijk om het bewijs te leveren dat aan de materiële voorwaarden voor aftrek van voorbelasting wordt voldaan.
Dit een en ander betekent dat de regeling van de omkering en verzwaring van de bewijslast het uitoefenen van het recht op aftrek niet onmogelijk dan wel uiterst moeilijk maakt en dat zij niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken van de met de regeling nagestreefde doelstellingen.