Conclusie
1.Elser & Company Ltd. (hierna: Elser)
Carlisle)
Elser c.s., in mannelijk enkelvoud)
1.[verweerder 1] (hierna: [verweerder 1] )
[verweerder 2])
Head Sports)
Head UK)
Head c.s., in mannelijk enkelvoud)
KPMG)
HLB; hierna tezamen met KPMG:
KPMG c.s., in vrouwelijk enkelvoud)
1.Feiten
arrest). [1]
Head). De aandelen in Head werden gehouden door Head Sports (97,79%), Stichting Head Option Plan (1,9%), Elser (0,28%) en Carlisle (0,03%). Het statutair bestuur van Head werd (laatstelijk) gevormd door de grootaandeelhouder in Head Sports, [verweerder 1] , en door [verweerder 2] (hierna gezamenlijk ook: het
bestuur).
Head Salesen
Resle) zijn opgericht. Het gehele aandelenkapitaal van Head Sales is in handen gekomen van Head Sports en het gehele aandelenkapitaal van Resle is in handen gekomen van Elser c.s. De gehele onderneming van Head is ondergebracht in Head Sales en Resle verkreeg een bedrag in contanten groot € 214.517,00 dat werd gestort op een aparte bankrekening.
rechtbank).
vonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van Elser c.s. afgewezen en hem hoofdelijk veroordeeld in de proces- en nakosten, uitvoerbaar bij voorraad.
hof).
conclusie Head c.s. 26 sep). Daarin vordert hij - in het incident, samengevat - dat de Hoge Raad:
verweerschrift Elser c.s. 24 okt). Op dezelfde datum heeft Elser c.s. tevens een verweerschrift ingediend in reactie op de incidentele vorderingen tot zekerheidstelling proceskosten en het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van KPMG.
uitlating Head c.s. 14 nov).
reactie Elser c.s. 21 nov).
3.Bespreking van de incidentele vordering tot zekerheidstelling
cautio judicatum solvi), [11] zoals neergelegd in art. 224 Rv, van toepassing in cassatie. Art. 414 lid 2 Rv bepaalt evenwel dat de oorspronkelijke verweerder (dus: gedaagde in eerste aanleg) die eiser tot cassatie is, geen zekerheid hoeft te stellen voor proceskosten. Een verweerder in cassatie hoeft ook geen zekerheid te stellen, ook niet indien hij incidenteel cassatieberoep instelt (art. 414 lid 3 Rv). Kort gezegd betekent dit dat in cassatie alleen zekerheid kan worden verlangd van een partij die in eerste aanleg eiser of verzoeker (of daarmee gelijk te stellen partij) was én principaal cassatieberoep heeft ingesteld. [12] De in vroegere instanties gestelde zekerheid blijft ook verbonden voor de kosten van cassatie (art. 414 lid 4 Rv). Het incident moet gevoerd worden vóór alle weren van rechten (art. 414 lid 5 Rv). De Hoge Raad treedt in de beoordeling van incidentele verzoeken in cassatie op als feitenrechter. [13]
schadevergoedingtot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden.” [17] In navolging van Cleveringa meent Snijders dat het noemen van schadevergoeding hier “zonder zin is”. [18]
Voda). [30]
Perdigão/Portugal) waarin sprake was van een proceskostenveroordeling die net hoger was dan de toegekende onteigeningsvergoeding, hetgeen volgens de Grote Kamer zou leiden tot een excessieve last voor de partij die wordt onteigend, waardoor sprake zou zijn van een schending van art. 1 Eerste protocol EVRM. Dit zou van toepassing zijn op Elser c.s., omdat hij voor de onteigende aandelen € 214.517,00 heeft ontvangen terwijl Elser c.s. tot op heden al is veroordeeld tot proceskosten ter hoogte van € 208.842,00, waarin het eigen griffierecht en de kosten voor de partijdeskundige en advocaat nog niet verdisconteerd zijn. [39]
compliance-regels staan het niet toe, zij zouden Elser c.s. (en zijn bestuurders en aandeelhouders) moeten identificeren op grond van KYC-verplichtingen en mogelijk zou aan vereisten op grond van de Wwft moeten worden voldaan. [41] Tot slot meent Head c.s. dat het EHRM-arrest
Perdigão/Portugalin dit geval niet van toepassing is. [42]
compliance-regels niet in het geding brengt, niet uitlegt waarom zekerheidstelling daadwerkelijk onmogelijk of buitensporig bezwaarlijk zou zijn, en niet toelicht waarom de plicht tot identificatie van Elser c.s. een probleem is en waarom die informatie niet is opgevraagd. [43] Elser c.s. heeft daarentegen op drie manieren zekerheid aangeboden die voldoen aan art. 6:51 BW. [44] Er bestaat een verplichting zekerheid aan te bieden, geen verplichting eindeloos door te onderhandelen. Elser c.s. heeft zekerheid aangeboden die voldoet aan de eisen van de wet, aldus nog steeds Elser c.s. [45]
Perdigão/Portugal, [52] waaruit zou moeten volgen dat een bevel tot zekerheidstelling onverenigbaar is met art. 1 Eerste protocol EVRM en/of art. 6 EVRM. Los van de vraag of op dit argument gerespondeerd hoeft te worden, nu dit “[g]eheel ten overvloede” wordt aangevoerd, meen ik dat het (ook) op inhoudelijke gronden heeft te falen.
Perdigão/Portugalin verbinding met art. 6 EVRM om de eenvoudige reden dat dit arrest geen inbreuk op dit artikel vaststelt. [53]
court fees’) bleek dat Perdigão c.s. de Staat netto € 15.000,00 moest betalen, [55] terwijl diezelfde Staat de eigendom van het betrokken perceel had verkregen door middel van de onteigening. Over dit specifieke geval overweegt het EHRM in dit arrest: [56]
The Court considers that this case is to be distinguished, when examining the question of proportionality, from those where court fees are charged in private-law disputes. In the particular circumstances of the case it might appear paradoxical that the State should take away with one hand - in court fees - more than it has awarded with the other. In such a situation, the difference in legal nature between the obligation for the State to pay compensation for expropriation and the obligation of litigants to pay court fees does not constitute an obstacle to the overall examination of the proportionality of the impugned interference.