Conclusie
1.Overzicht
Inleiding
onderdeel 2schets ik de feiten en het geding in feitelijke instanties en in
onderdeel 3het verloop van het geding in cassatie. Na enkele inleidende overwegingen in
onderdeel 4,schets ik in
onderdeel 5de historische context van de fiscale eenheid in de omzetbelasting. In
onderdeel 6behandel ik het arrest van 19 december 1979 en onderzoek ik wanneer sprake is van een als eenheid samenwerkende groep als bedoeld in dat arrest. Tot slot bespreek ik het middel in
onderdeel 7.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
3.Het geding in cassatie
4.Inleidende overwegingen
5.De historisch context van de fiscale eenheid in de omzetbelasting
Besluit omzetbelasting 1940
Artikel 4
Artikel 7.
Het begrip ondernemer. Ondernemer is – evenals onder de huidige wet – ieder die een bedrijf of beroep zelfstandig uitoefent. (…)
Artikel 4
6.De fiscale eenheid in de jurisprudentie van de Hoge Raad
Verhouding met het Unierecht
Van Paassen. [45] Aan de vraag of de Nederlandse regeling van de fiscale eenheid een implementatie is van de regeling in de Tweede Richtlijn, wijdt het Hof van Justitie weinig woorden. Het volstaat met het oordeel dat het de lidstaten is toegestaan een dergelijke regeling op te nemen in de nationale rechtsorde, mits zij overgaan tot raadpleging van de Commissie:
nu niet gesteld is dat de beide families ten aanzien van beide vennootschappen als een eenheid samenwerken, enkel uit de voornoemde, door belanghebbende ten dele betwiste, feiten niet een zodanige financiële verbondenheid van beide vennootschappen heeft kunnen afleiden als voor het aannemen van een fiscale eenheid vereist is;
samenwerkendegroep, dat wil zeggen dat de groep ten aanzien van de vennootschappen als een eenheid moet samenwerken. Dit laatste is in het onderhavige geval echter kennelijk niet gesteld noch gebleken.”
Van Paassenvolgt dat het in de Nederlandse jurisprudentie ontwikkelde leerstuk van de fiscale eenheid geacht wordt een implementatie te vormen van de fiscale eenheid die is neergelegd in de Tweede Richtlijn (6.3). Daarmee lijkt de kous af. De Nederlandse fiscale eenheid kan gehandhaafd worden, met dien verstande dat dit leerstuk voortaan een uitwerking vormt van het begrip ‘zelfstandig’ als bedoeld in (thans) art. 9 van Pro de Btw-richtlijn. Zulks in afwijking van de jurisprudentie van de Tariefcommissie waarin de fiscale eenheid een uitleg vormde van het begrip ‘ieder’ [50] .
Van Paassen,waarmee de Nederlandse fiscale eenheid verschoof van het begrip ‘ieder’ naar het begrip ‘zelfstandig’, kwam in de literatuur de vraag op welke gevolgen het arrest had voor samenwerkingsverbanden. Tuk vroeg zich in zijn annotatie bij het arrest
Van Paassenaf of het Unierecht de ruimte bood om samenwerkingsverbanden via het begrip ‘ieder’ als één ondernemer aan te merken, dus los van het leerstuk van de fiscale eenheid: [53]
Heerma [57] afleidt dat een samenwerkingsverband ook voor toepassing van (thans) de Btw-richtlijn kan worden aangemerkt als belastingplichtige. [58] In een arrest van 11 april 2014 [59] overweegt hij over een dergelijk samenwerkingsverband als volgt:
3.3.2. Samenwerkende groep aandeelhouders
in dezelfde handenis. [65] Een beroep op het arrest van 19 december 1979 lijkt mij alsdan niet nodig.