Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van de
Tariefcommissievan 1 februari 1977 betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting voor het tijdvak 1969 tot en met 1971;
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de uitleg van de Tweede Richtlijn van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap inzake omzetbelasting, met name de vraag of Nederland een regeling betreffende fiscale eenheid heeft ingevoerd conform de richtlijn en of daarbij de Commissie tijdig is geraadpleegd. De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dat bevestigde dat een Lid-Staat een regeling heeft ingevoerd indien hij na raadpleging de omzetbelasting heft over leveringen door ondernemers, ook als het begrip ondernemer niet anders is omschreven dan als 'ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent'.
De Hoge Raad overwoog dat de Nederlandse regeling betreffende fiscale eenheid, waarbij juridisch zelfstandige maar financieel, economisch en organisatorisch verbonden vennootschappen als één belastingplichtige worden beschouwd, was toegestaan en dat Nederland aan de raadplegingsplicht had voldaan. De zaak betrof twee vennootschappen die naheffingsaanslagen kregen omdat zij volgens de Belastingdienst geen zelfstandige ondernemers waren maar een fiscale eenheid vormden.
De Tariefcommissie had vastgesteld dat er organisatorische en economische verbondenheid bestond tussen de vennootschappen, maar de Hoge Raad vernietigde de uitspraak van de Tariefcommissie omdat de motivering over de economische verbondenheid onvoldoende was, met name omdat incidentele omstandigheden niet tot een fiscale eenheid mogen leiden. De zaak werd verwezen naar het hof voor verdere behandeling en beslissing.
De uitspraak bevestigt het belang van de raadpleging van de Commissie bij invoering van nationale regelingen die afwijken van het standaardbegrip van ondernemer en benadrukt de noodzaak van een gedegen motivering bij vaststelling van fiscale eenheid.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de Tariefcommissie en verwijst de zaak naar het hof voor verdere behandeling met inachtneming van de uitleg van de Tweede Richtlijn en raadplegingsvereisten.